Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11. E.J. Brill, Leiden 1892  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 259]

Etymologica.

1. Gat.

Vercoullie, Etym. Wdb. 79 meent, dat gat, welks oorspronkelijke beteekenis ook volgens hem ‘opening, doorgang’ is, met skr. hadati, gr. χέζω samenhangt. Ik geloof niet, dat deze opvatting verdedigbaar is: het zoude wel zonderling wezen, dat een woord voor ‘aarsopening’ de meer algemeene beteekenis van ‘opening, doorgang’ zoude hebben aangenomen. Franck, Etym. Wdb. 268, 269 verbindt gat en het hiermede identische ags. geat, eng. gate, poort, met mnl. gate, ohd. gazza, on. gata enz. Natuurlijk behoort deze geheele maagschap bij germ. getan, vatten, gr. χανδάνω, lat. pre-hendere, zooals trouwens reeds door Fick, Vergl. Wtb.3 III, 98 is gezien. Het grondbegrip van den Indogermaanschen wortel ghad is ‘buigen, gebogen zijn’ en stemt dus met dat van nemen en heffen overeen. Gewoonlijk zijn woorden voor ‘hol, diepte’ afleidingen van wortels, die ‘buigen, gebogen zijn’ beteekenen. Zoo behoort lit. urwa, hol, gat, kuil, m.i. bij skr. ūrva, bekken, vat, ūru, dij, lat. urvum, kromming van den ploeg, osk. uruvo, krom (vgl. Johannson in Indg. Forschungen II, 26); eveneens skr. koṭara, holte in een boom, holte, bij kuṭati, zich krommen, kuṭila, krom. Uit dezelfde overdracht laten zich ook verklaren lit. lanka, dal, bij lenkti, buigen, en lat. campus bij capio, gr. ϰάμπτω en ons heffen. Instructief voor de geschiedenis van het woord gat is ook het artikel Kuil bij Franck, Etym. Wdb. 528.

2. Ontberen.

De etymologie van ontberen kan, zoo het aantal gegevens niet op de eene of de andere wijze vermeerderd wordt, niet met eenige zekerheid worden gegeven. Kluge, Etym. Wtb.4 71 onderstelt de mogelijkheid, dat het met baar, bloot, oksl. bosŭ, met bloote voeten, in verband staat en tot een Indogermaanschen wortel *bhes, ledig zijn, behoort, in welk geval de r van ontberen uit een z moet ontstaan zijn. Naar het mij voorkomt, is deze verklaring althans in de hoog-

[p. 260]

ste mate onwaarschijnlijk, daar het Oudhoogduitsche werkwoord inbëran, inpëran, mhd. enbern, enpërn, empërn (Schade, Altd. Wtb. I, 444) sterk is en geen afwisseling van r met s vertoont (zooals kiosan-gikoran). Indien ontberen werkelijk met baar, oksl. bosŭ samenhing, dan zouden er sporen van eene germ. conjugatie *besan, *bas, *bozans in het Oudgermaansch moeten worden aangetroffen. Derhalve is het vooralsnog beter zich bij Grimm (Wtb. III, 492) aan te sluiten, die in ontberen eene afleiding ziet van beran, dragen: de beteekenis van beran in ontberen is dan ‘van iets bij zich dragen, van iets hebben’ en ontberen moet als het tegenovergestelde daarvan worden opgevat, dus als ‘niet van iets bij zich dragen, niet van iets hebben’. Hierdoor zoude ook verklaard zijn, waarom ontberen oorspronkelijk een genitief bij zich had. Dit weinige diene tot aanvulling van het artikel Ontberen in het Woordenboek der Nederlandsche Taal, II, 1809, waar naar dezen jaargang van het Tijdschrift is verwezen.

3. Stekan.

Het woord stekan was oudtijds als naam van eene maat voor walvischtraan onder onze walvischvaarders in gebruik. Zorgdrager (Groenl. Visscherij, 1727, blz. 371) zegt: ‘De Quardeelen rekent men op twaalf Stekannen, en een Stekan houd zestien Mingelen’; en eveneens (blz. 370): ‘Deeze Vaten of Quardeelen, zijn gemeenlijk zestien of achtien Stekannen groot, en worden door een gezwooren Traanroeyer gemeeten, merkende als dan den inhoud van Stekannen en Mingelen met een ristang of yzer omtrent het Sponsgat, waar op dan de traan volgens deeze meeting word verkocht.’ Dit stekan is uit russ. stakán, drinkglas, ontleend, waarschijnlijk omstreeks het midden der zeventiende eeuw, evenals batoog, stok, uit russ. batog; dosnik, schuit, uit russ. doščanik; jucht uit russ. juftῐ, juchtῐ (zie Kluyver, Tijdschr. X, 144 v.v. en vgl. voor ft: cht russ. efto, echto naast eto, dit); koopsien, koopman, uit russ. kupčina; poddewodde, wagen, uit russ. podvoda, enz.

 

Amsterdam.

c.c. uhlenbeck.