Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11. E.J. Brill, Leiden 1892  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 316]

Boekaankondiging.

Dr. J.H. Kern, De Limburgsche Sermoenen, uitgegeven in de Bibliotheek van Middelnederlandsche Letterkunde, afl. 46 vlgg.

De uitgave der Limburgsche Sermoenen door Dr. Kern is nog wel niet in haar geheel verschenen, maar de Klank- en Vormleer die de schrijver heeft doen voorafgaan, is reeds in de handen der belangstellenden, en het is bepaaldelijk deze Inleiding, die hier met een enkel woord wordt aangekondigd. Zonder twijfel heeft de heer Kern zijne studiegenooten aan zich verplicht, de jongere in de eerste plaats. Immers, niet zelden hoort men er over klagen, dat, ondanks het voorbeeld van sommige leermeesters, de streng linguistische beoefening van onze taal te wenschen overlaat. Men beweert zelfs, dat voor sommige leerlingen een werk als de grammatica van Franck zoo niet een gesloten, dan toch een weinig gelezen boek is. Die klacht is waarschijnlijk overdreven; in elk geval kan een werk als dat van den heer Kern te dien opzichte slechts een gunstigen invloed hebben. Ik durf vragen of een leerling niet verstandig zou doen door zijne grammatische studie van het Middelnederlandsch te beginnen met de lectuur van een werk als deze Inleiding, in plaats van terstond boeken als die van Franck en Van Helten te willen begrijpen: immers het is goed van het eenvoudige over te gaan tot het samengestelde. Eene algemeene Middelnederlandsche Grammatica is een beredeneerd overzicht van velerlei taalvormen, afkomstig uit zeer verschillende streken, die dikwijls niet eens met genoegzame juistheid zijn te bepalen. Een eerstbeginnende kan hier maar weinig bespeuren van éénheid, en wanneer hij den hoogstgewichtigen wederkeerigen invloed van schrijftaal en tongval meent te ontdekken, dan is dit, geloof ik, meer een postulaat dan eene welbewezen gevolgtrekking. Bij zich zelf denkt hij: ‘in het Middelneder-

[p. 317]

landsch is alles mogelijk, op een enkel lettertje moet men niet zien’; die overweging is geschikt om hem te ontmoedigen.

Anders is het gesteld met de taal van deze Sermoenen. Al is ook hier de ideale eenheid niet te vinden die nergens bestaat, toch is er meer consequentie dan in de zoogenaamde West-middelnederlandsche schrijftaal, en bovendien, dit Limburgsch wijkt in menig opzicht ten duidelijkste af van de westelijke tongvallen. De leerling ontvangt den indruk van iets eigenaardigs, waarin hij, dank zij den heer Kern, wet en regel leert bespeuren; dit geeft hem voldoening. Toch zal niet alles hem duidelijk wezen, want, hoe keurig de stof ook is geordend, de heer Kern heeft zijn boek eigenlijk niet voor eerstbeginnenden bestemd. De lezer ziet b.v. uit het betoog in § 31, dat ogerm. in eene gesloten lettergreep, en althans voor s, in dezen Limburgschen tongval bijna altijd e is geworden, wanneer er geene lettergreep met i of j volgde. Daardoor wordt het hem duidelijk waarom hier een mv. listen bestaat bij een enkelv. lest, en waarom ook in listig en in listelike de oorspronkelijke i is bewaard gebleven. Doch had het niet te veel plaats gekost, dan zou hij van den schrijver nog gaarne eene kleine toelichting hebben ontvangen bij de lijst op blz. 29. De overgang van i tot e moet nl. bij verschillende woorden in verschillende tijden hebben plaats gehad. Althans, onder de opgenoemde vormen is ook nest, dat waarschijnlijk de alleroudste e heeft, en reeds in verschillende oudgermaansche talen alleen met dien klinker voorkomt. Mag de schrijver dit woord noemen onder die waarin ‘onfr. i’ in e is overgegaan? Vandaar dat ook nest bestaat in tongvallen die anders den hier genoemden overgang niet kennen, en nooit vesch, gewes zeggen in plaats van visch, gewis. Zoo b.v. de Hollandsche spreektaal, die, naar ik meen, voor stercus heeft mist, en niet mest. Dit laatste is echter ook zeer bekend, waarschijnlijk ook in verschillende streken die visch en gewis onveranderd bewaren. Noemt de heer Kern dus in één adem lest, mest, nest, dan ontbreekt hier wel eenigszins alle perspectief.

[p. 318]

Van minder gewicht is eene kleinigheid als deze: de schrijver behandelt de rekking van korte klinkers in gesloten lettergrepen, en noemt daarbij eerst die gevallen waarin ook in de westelijke tongvallen rekking plaats heeft; daarbij ook vormen als eert (confundit), vereert (iratus). Doch zijn dergelijke vormen met rekking voor rr in het westen niet eene hooge uitzondering? Het Mnl. Wdb. geeft onder Erren slechts twee duidelijke voorbeelden (een daarvan uit Merlijn).

Een voorbeeld van een halven regel druks die den leerling veel te denken geeft, is de opmerking op blz. 32: ‘Uit ēë ontstond ē in vee (pecus)’. Is dit niet wat al te beknopt uitgedrukt? De leerling die zich de vormen feho en fihu herinnert, gaat van zelf denken dat eerst de u aan het einde eene e werd, en dat daarna de h werd uitgestooten waarna de samentrekking plaats had. Dit is zoo niet: reeds het Onfr. heeft fiu, en daarmede komt overeen mnl. vie; de oudste verandering in het woord was de uitstooting der h. Dr. Franck meent dat ndl. vee is voortgekomen uit feh ‘mit verstummendem h’. Tegen die onderstelling is dit bezwaar dat de h na eene korte syllabe gewoonlijk en regelmatig blijft, en misschien is zulk een vorm bewaard in het bij Kiliaan vermelde veech, wellicht afkomstig uit een dialect, een Limburgsch b.v., waarin de korte klinker in gesloten lettergreep gerekt werd. Dit onderstelde feh zou dan de nominatief van het woord zijn na overgang tot de a-declinatie, volgens welke, in het Ohd. b.v., reeds casus obliqui werden gevormd, toen de nominatief op u nog bestond. In dergelijke vormen, als fehes, fehe, moet de h zijn uitgestooten, en naar analogie daarvan gevormd zijn de nominatief die in het Ndl. vee luidt, en reeds in het Onfr. voorkomt als . De schrijver zal antwoorden, dat hij niet voor eerstbeginnenden heeft geschreven, dat hij eene niet al te angstvallige kennis van het Oudgermaansch bij zijne lezers onderstelt.

Eene schoone gelegenheid tot oefening in de klankleer geven de gevallen waarin umlaut mogelijk is, vooral in de conjugatie, en de schrijver heeft niet verzuimd in het licht te stellen hoe

[p. 319]

gevoelig het door hem behandelde dialect in dat opzicht is. In ww. als binden, drinken en derg. is de germ. i in dezen tongval e geworden, maar in de 2de en 3de sing. praes. ind. vindt men hier gewoonlijk i, en slechts enkele malen e (zie § 204). Volgt daarentegen op den wortelklinker slechts eene enkele liquida of nasaal, dan zijn de vormen met i en e even gebruikelijk: hi sprict en hi sprect, geheel overeenkomstig den in § 34 geformuleerden regel, dat i in eene open lettergreep zeer gewoon is, wanneer de volgende lettergreep i of j bevat; brect, nempt en derg. ‘zijn vermoedelijk te beschouwen als Westdietsche vormen’. Vandaar dat een 3de sing. getempt, waarnevens geen vorm met i wordt gevonden, den schrijver aanleiding geeft om getempt niet te rekenen tot het sterke ww. getemen, maar wel tot het zwakke getêmen of getâmen (§ 205). In de ww. als geven, lesen is de e in de 2de en 3de sing. zelfs gewoner dan de i, die in het oorspronkelijke dialect regel moet zijn geweest; daarom zal men ook hier invloed van de meer westelijke taal moeten onderstellen. Minder zuiver is de umlaut bewaard in de verbuiging der znw.; bij de manlijke i-stammen met lange wortellettergreep vindt men hem slechts zelden, en evenmin komt hij voor in den gen. en dat. sing. op -e die bij de vrouwelijke i-stammen vrij gewoon is. Allerlei kleinigheden zijn door den schrijver opgemerkt, die een minder scherpzinnig waarnemer allicht zouden ontgaan: zoo b.v. dit, dat de acc. got zooveel is als deum, en gode daarentegen wordt gebruikt waar Deum is bedoeld. Zoo bevindt hij dat in den dat. sing. der zwakke masculina de vorm op -e de gewone is, in dien der neutra die op -en: dit is wel te begrijpen, daar het onderscheid ‘tusschen acc. dat herte en dat. din herten veel grooter was dan tusschen din here en din heren’. Zonderling steekt daarbij af de gebruikelijke datief oege, waarvoor men oegen zou verwachten. Eene enkele maal komt de meening van den schrijver minder duidelijk uit, zoo o.a. in hetgeen hij zegt over -vuldeg naast -veldig. Men heeft hier een klinker met ondergeschikten klemtoon, waarop allicht de gewone regels voor

[p. 320]

klinkers met het hoofdaccent niet zijn toe te passen. Zou het eene goede methode zijn hier de verklaring te willen geven door een zwakken vorm fldîg te onderstellen? Ik kan de noodzakelijkheid daarvan niet inzien; waarom moet de overgang dien Franck voor de westelijke taal aanneemt als doorgaande en regelmatig, in strijd zijn met -veldig in het Limburgsch, waarnevens in dat dialect ook -vuldig heeft bestaan, hetzij vanouds, hetzij van elders overgenomen?

Ten slotte zij vermeld, dat het dialect der Sermoenen doorloopend is vergeleken met al wat den schrijver bekend was omtrent jongere en oudere Limburgsche tongvallen; de klankleer wordt voorafgegaan door eene lijst van werken die hij heeft kunnen raadplegen, maar het is bovendien duidelijk te bespeuren, dat de heer Kern zich hier niet met boeken alleen moest behelpen: de taal van Maastricht kent hij als eene levende taal, en dit verhoogt de waarde van zijn geschrift.

Het Nederlandsch van dit werk is welgekozen, en zoo zuiver, als men bij de behandeling van een onderwerp uit de linguistiek redelijkerwijze kan verlangen; éénmaal is, naar het mij voorkomt, te veel eer bewezen aan den alledaagschen spreektrant (in de noot op blz. 43).

 

a. kluyver.