Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 12


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 12. E.J. Brill, Leiden 1893  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 112]

Verklaring van Nederlandsche woorden.

VIII. Karwei.

Ik bedoel niet het ndl. karwei, dat de bet. heeft van zware taak, en waarvan de oorsprong bekend is en als bekend mag worden verondersteld (van fr. corvée), noch ook het anders geschreven karwij of karwijzaad, dat van oosterschen oorsprong is, maar het minder bekende ndl. karwei, dat bij Vercoullie en Van Dale opgeteekend staat in de bet. afval, omloop (zooals het hart, de milt, de lever, de long van eenig dier), dierlijke ingewanden. Laten wij eerst de vormen in de oudere taal nagaan, en zien in welke beteekenis het woord vroeger is bekend geweest. *Carweide of *carweie, welken vorm men verwachten zou, komt in het Mnl. niet voor, maar wel craweie. Het is zeldzaam: slechts een paar malen is het opgeteekend uit een Receptenb. (Mnl. Wdb.); op bl. 38 aldaar lezen wij: ‘Neemt een of twee craweyen van schapen ende braetse op den rooster’, en ‘Legt die voors. craweyen in die plaetse, daer ghi weet dat die voors. beesten ghewoonlijck zijn te comen’. De beteekenis van het woord kan opgehelderd worden door hetgeen de Wdbb. van Plant. en Kil. ons leeren. Plant. geeft op: ‘een krauweye van eenen hamel oft schaep, une fressure de mouton, exta vervecina, intestina; verkenskraweye, fressure de porc, exta porcina. Kil. heeft het woord in drie vrij ver van elkander afstaande vormen, nl. koreye, kraeyweye, kraeygewand met dezelfde beteekenis, nl. diaphragma, exta porcorum, ovium et aliorum animalium. Over de onderlinge verhouding dezer drie vormen straks nader, doch daar Kil. aan zijne vertaling ook eene etymologie toevoegt, willen wij die eerst onderzoeken. Hij ziet in het woord het ofra. corée, courée; fra. curée, dat dezelfde beteekenis heeft, nl. het gedeelte van een wild, dat men aan de jachthonden geeft, bij Heremans, behalve door gewei, ook ver-

[p. 113]

taald door kurei. De oorsprong nu van het fra. curée wordt door Scheler, Littré e.a. gezocht in fra. cuir, omdat het deel van den buit den honden werd voorgeworpen ‘op het vel’ van het geslachte dier; volgens Schötensack, Beitrag bl. 55 komt het woord van ohd. hûra, d.i. keel, en bet. het eig. eene keel vol; volgens Stappers eindelijk (Dict. Synopt. 51) en Gachet komt het van fr. cor, hart. Zij geven naast curée den ouderen vorm corée1) op, en wijzen op it. corata, dat hetzelfde beteekent. Deze laatste etymologie heeft de meeste waarschijnlijkheid voor zich: den vorm corée, dien Diez en Scheler noode missen, vindt men behalve bij de genoemde Fransche lexicografen o.a. ook bij Kil., die de beide vormen corée en courée opgeeft. Doch ook als men deze etymologie aanneemt, blijven er nog enkele vragen over, b.v. of koreye bij Kil. een werkelijk bestaande vorm is, dan wel door hem is gemaakt, om de afleiding van corée waarschijnlijk te maken. Ook voor het andere karwei geeft hij koreye, kraeyweye op, en deze vormen zijn, in verband beschouwd met fra. corvée, courvée, evenmin bij uitstek geloofwaardig: Plant. geeft alleen krauweye. Doch wij mogen niet al te sceptisch zijn. Immers in het Wvla. komen ook naast karwei (fr. corvée) de ons vreemde vormen kraweie en kreweie voor, en als het Vla. nog heden kurei kent (van curée), waarom zou dan Kil.'s vorm koreye betwijfeld behoeven te worden? Mij komt deze door Kil. gegeven afleiding veel aannemelijker voor, dan de vergelijking met eng. garbage, fr. garbeau, welke Vercoullie in zijn Etym. Wdb. voorslaat. Franck heeft het woord niet opgenomen.

Naast koreye bij Kil. komt in het Mnl., gelijk wij zagen, de vorm craweye voor. Hoe is deze te verklaren? Is hij door metathesis ontstaan uit carweye, dat de nog gewone vorm van het woord is in het tgw. Ndl. en Vlaamsch? Of door analogie, nl. door bijgedachte aan het andere karwei,

[p. 114]

hoewel dit er in beteekenis volstrekt niet mede overeenkomt. Het eerste is onwaarschijnlijk, daar dan de w onverklaard blijft: immers de overgang van koreie tot karwei moet dan toch ook nog bewezen worden. Het tweede is aannemelijker: het is niet de eenige maal, dat twee woorden, die in uiterlijk op elkander gelijken, elkander als planeten hebben aangetrokken, en een spoor dier aantrekking of aanraking hebben bewaard in den vorm, dien zij na de aanraking vertoonden. Zie daarover mijne Gesch. d. Ndl. Taal, bl. 179. Doch ik geloof, dat hier nog eene andere beschouwing geldt en eene andere reden voor de verandering moet worden genoemd, nl. volksetymologie: het woord is nl. in verband gebracht met een ander, dat eene soortgelijke beteekenis had, nl. craeye. Dit woord komt voor in de door Kil. opgegeven samenstellingen kraeyweye en kraeygewant, welke bij hem met koreye worden gelijk gesteld, en ook als zelfstandig woord. Men vindt het herhaalde malen bij Yperman in de bet. van het middenrif, het vlies tusschen borstholte en buikholte. Vgl. Hs. Yp. 136b: ‘Daerso keret (het geswelch, de slokdarm) vorwert ende dorgaet die craye, die heet in latine dyafragma’; 140d: ‘dbloet valt op die craye, dwelke men niet en mach uutgecrigen’; 140b: ‘so dat die wonde gaet dore die weech ende dat dor die craye, in latine dyafragma’, en 65b: ‘dbloet comt of uter caken of uter kelen of uter longere of uter crayen’. Ook craeyewant komt in het Mnl. voor en wel, juist zooals Kil. zegt, in den zin van koreye, nl. afval, omloop, de ingewanden van zekere dieren, o.a. van schapen. Een voorbeeld van craeyewant vindt men O.K.v. Brielle 147, 5: ‘Item en sal men gheen scapen slijten (slachten om ze in het klein te verkoopen), zij en sullen dat crayewant daer in laten hangen drie uyeren lanck, totdat die vinders die bezien hebben’.

Nu wij dit weten, kunnen wij de aanteekening van Kil. op koreye begrijpen: ‘vulgo cornix’. Weliswaar heeft het woord met den vogelnaam natuurlijk niets te maken, doch het is duidelijk, dat dit woord de latijnsche vertaling is van mnl. craeye,

[p. 115]

welke onder de medici van zijn tijd gangbaar was in zoogenaamd potjeslatijn: althans bij Ducange en Dief. op cornix is niets te vinden, dat opheldering geeft. Doch vanwaar is dit craeye en welke zijn zijne verwanten? Het is een dialectische vorm van germ. krage. Het mnd. krage staat bij Lübben opgeteekend in den zin van gekröse (ndl. kroos), d.i. ingewanden, van dieren, soms ook van menschen gezegd, ook als gerecht (evenals boven craweye); ‘die zwischen den därmen liegende glatte fette doppelte haut (mesenterium)’; van dieren long, lever enz. (evenals boven craeyewant en craeygewant). Bij Lexer vindt men krage eveneens in de bet. gekröse, en o.a. deze voorbeelden: ‘lien, krag oder miltz; term (darmen) unt magen und ouch kragen.’ In het Hd. bet. kragen insgelijks hetzelfde als gekröse, bepaaldelijk het vet, waarin de ingewanden liggen. Zie Grimm, Wtb. 5, 1961 vlg., waar ook de samenstelling kragenfett = ingewandenvet wordt vermeld. In het Eng. is crow bij slagers bekend in den zin van ingewanden (Grimm t.a.p.), en in het Schotsch craws in de bet. hart, binnenste (Grimm 5, 2407 op krös, waar vermeld wordt de uitdr. waes my craws, d.i. ‘woe's my heart’ uit Jamieson 1, 268).

In zndl. tongvallen treffen wij hetzelfde woord aan. Bij Schuermans Vlaamsch Idiot. 285, staat kraag in de bet. ‘vet dat (als een kraag of net, zooals men het in Brabant noemt) aan de darmen vast is’ (dus = het bovengenoemde hd. kragenfett), en ald. Suppl. 174 vinden wij kraag vermeld in de bet. mesentère, d.i. middeldarmvlies, darmscheel, middenrif, en in de bet. net van het liesvet. En wat vooral voor ons van belang is, is dat hij aan deze mededeeling toevoegt: ‘kraag, uitgesproken kraai te Loven.’ Het is dus hetzelfde woord als het wvla. kraai, opgeteekend bij De Bo in den zin van ‘middenrif, dunne breede spier die het bovenlijf scheidt van het onderlijf, fr. diaphragme: de kraaie van eene koe; de kraaie van een zwijn heet ook de smalle’; juist dezelfde beteekenis als van mnl. craeye.

Voor de onderlinge verhouding der vormen krage en kraaie is nog van belang de opmerking, dat omgekeerd voor kraai,

[p. 116]

vogelnaam, in verschillende talen vormen met g voorkomen. Zie E. Müller op crow, en Koolman op kraie.

De laatste, niet gemakkelijk te beantwoorden vraag, die ons naar aanleiding van dit woord zal bezighouden, is deze, of dit krage hetzelfde woord is als krage in de bet. hals, keel, gorgel. Hoewel de bet. vrij ver afstaat, meent men den overgang te vinden in de plooien of vouwen van het vet, die in vorm op de plooien van een kraag gelijken (Richey bij Grimm t.a.p.). Werkelijk vindt men in de eerstgenoemde beteekenis in zndl. dialecten ook pellerin en krans (Schuermans t.a.p.), en wat nog sterker spreekt, ook hd. krös vereenigt de beteekenissen ingewand en halskraag. Doch bij het laatste woord is de tweede beteekenis aan de eerste ontleend, en niet omgekeerd; en het kan bewezen worden, dat bij hd. krage de bet. ingewand ouder is dan de halskragen, naar wier plooien het woord in den zin van lat. diaphragma, mesenterium, alleen zou kunnen zijn genoemd. Daarom meent Hildebrand in Grimm's Wtb. te recht, dat dit alles maar schijn is. Hij herinnert aan ohd. krâ, lat. lien (Graff 4, 587), en mhd. kra (Lexer 1, 1699), dat nog heden in de Rijnstreek voortleeft in de samenstelling fröschkra froschlaich (‘den man auch froschgedärm nannte’, Grimm 5, 1962). Daar ook het Eng. het woord crow kent in denzelfden zin, moet dit een oud germaansch woord zijn, dat zich in twee verschillende vormen vertoont. En zou nu niet dit kra ook gevonden worden in het bij Kil. naast koreye en kraeygewand vermelde kraweye (waaruit door metathesis ons karwei is ontstaan)? Indien men dit aanneemt, dan is de vorm veel beter verklaard: het ogerm. krâ is dan in twee verschillende vormen, kra en kraai, met twee verschillende woorden, die ingewand beteekenen (weie, weide, geweide (vgl. o.a. breien en breiden; mnl. mee naast mede, en Gramm. Fig. 196 vlgg.), hd. eingeweide; en gewand) tautologisch of althans verduidelijkend samengesteld; in dit geval zou kraweye niet een product der volksetymologie behoeven te wezen, en zouden koreie en kraweie blijken twee oorspronkelijk verschillende woorden te zijn, die door het taalgevoel voor één

[p. 117]

gehouden en in vorm zoo na mogelijk aan elkander gebracht werden, zoodat ze niet meer te scheiden zijn.

IX. Krot.

Bekend is dit woord eigenlijk alleen in de beteekenis oud vervallen huis, kavalje, ellendige woning, en in tongvallen ook in den zin van slecht huis, bordeel. De oorsprong van het woord wordt bij onze etymologen verschillend opgegeven. Volgens Franck is het één met dial. duitsch krotze, krotzen, d.i. 1o een klein, misvormd wezen, een krates1), gelijk wij zouden zeggen; vgl. hd. kröte, mhd. krote, ohd. chrota, die dezelfde beteekenis hebben, en wvla. krote, kreute, dwerg, niet uitgegroeid mensch; ook schurk, schelm; 2o mager of slecht paard, knol, wat weder de oorspronkelijke beteekenis is van ndl. kavalje, als afgeleid van fr. cheval, lat. caballus; Kil. kavalie, kraecke; domus ruinosa; et jumentum coriaginosum, caballus terga ruptus verbere. Volgens Vercoullie is krot één met krat, d.i. korf, horde, vlechtwerk. Met deze laatste etymologie kan ik mij niet vereenigen: er is geen enkel bewijs bij te brengen, dat de beteekenis van krat tot die van woning overgaat, behalve tot die van woning van vlecht- of mandewerk, nl. eene wieg, eng. craddle. Zie Franck op krat2). Dit is het eenige wat tot heden over den oorsprong van krot is gezegd, en er is dus wel eenige reden om het woord nog eens ter sprake te brengen.

Onwillekeurig denkt men bij krot aan het mnl. crocht, dat geheel dezelfde beteekenis heeft. Zoo wordt b.v. in den Leekespiegel ‘crocht’ genoemd, de door Maria en Jozef betrokken stal, waar Christus geboren werd. Vgl. Lsp. II, 9, 64: ‘een crochte (var. eene crocht) stont daer an (aan dat huis), daert altoos doncker in was ....; eene coetse heeft hi ghemaect in

[p. 118]

den donckeren crocht.’ Ook het geslacht behoeft geen bezwaar te zijn, want mnl. crocht is nu en dan, evenals krot, onzijdig; vgl. Lsp. II, 13, 5: ‘dat crocht, daer Maria in lach’, en ald. vs. 8: ‘alse die coninghen wouden gaen aen dat crocht’.

En wat ook niet zonder belang is, is het feit, dat krocht in Vlaamsche tongvallen nog heden bekend is in den zin van kot, slechte herberg of kroeg, eene bet. welke met die van krot, nl. slecht huis, zeer goed overeenstemt. Terloops vergunne men mij de opmerking, dat ook kroeg van ditzelfde mnl. crocht afstamt, of liever van een bij Kil. opgeteekenden bijvorm kroecht, waarvan de t afviel, evenals in het Mnl. naast crocht een vorm croch voorkomt; vgl. Boec v.d.L.J. 26c: ‘een kelder of een vervallen kroch’. Wij zagen reeds, dat krocht nog heden in het Vla. met kroeg in beteekenis overeenstemt. Door deze etymologie, welke reeds door Tuinman was voorgedragen, en te recht door Vercoullie in zijn Wdb. is opgenomen, worden de bezwaren ontgaan tegen de verklaring van kroeg als kruik, verkorting van kroeghuis, d.i. het huis waar de kruik uithangt. Zie die bezwaren ontwikkeld in het Etym. Wdb. van Franck. Kroeghuis komt nergens voor, en daaruit is kroeg evenmin verkort als winkel uit winkelhuis, d.w.z. hoekhuis. Reeds hoek zelf komt in het Mnl. in de bet. van ndl. winkel voor; zie Mnl. Wdb. op hoec.

Wat de beteekenis betreft kan er dus tegen de afleiding van krot uit krocht1) geen bezwaar bestaan, doch hetzelfde kan niet worden gezegd van den vorm. Voor het wegvallen van ch voor t zou men zich met een schijn van recht kunnen beroepen op ambt (voor *ambet) uit ambacht, en niet (mnl. niewet) uit niewecht, got. ni waiht. Doch de gevallen staan, gelijk Cosijn mij deed opmerken, niet gelijk. Het is iets anders, of in eene toonlooze lettergreep het uitvallen van eene ch voor t plaats heeft, dan of dit geschiedt in een eenlettergrepig woord, en van dit

[p. 119]

laatste verschijnsel is geen voorbeeld bekend. Ook de lang volgehouden identiteit van klucht en kluit heeft men moeten opgeven, en op vrucht en fruit mag men zich niet beroepen, daar het eerste komt van lat. fructus, het tweede van fra. fruit.

Hoe verleidelijk de afleiding van krot uit krocht dus ook moge zijn, zij kan op dezen grond de ware niet wezen. Wij moeten dus in eene andere richting gaan zoeken. Slaan wij de zuidnederlandsche idiotica op, dan vinden wij daar een woord krotte in de bet. slijk, modder, ook moddervlek, modderspat. Zie De Bo op krotte; Schuermans op krot. Ook bij Van Dale staat krot opgeteekend in de bet. nat slijk, modder die op de kleeren is gespat. Het woord is in dezen zin weliswaar vrouwelijk, doch niets belet, naast vr. krotte een ml. of onz. krot aan te nemen, natuurlijk niet uit krotte geapocopeerd, doch overeenkomende met hd. krotz. Vgl. Grimm 5, 2424 op krotz, 1e Art: ‘tabes, vlecke vel kroz, Diefenb. 571a, aus einem md., wol rhein. voc. des 14 jh.’ Dit krot, dat de bet. had van vlek, spat (Kil. krotte, Fland. lutum vestibus haerens) heeft in het Wvla. de beteekenis aangenomen van vod, lor, prul, iets dat nergens voor dienstig of niets waard is, zoo b.v. in de samenstelling een krottekam, een krottetafel, een krottestoel, een krothuis enz. Omgekeerd heeft ndl. slet, uit de bet. lomp, vod den zin ontwikkeld van vuil, smerig mensch, ook in zedelijken zin. Vgl. de ook in het Ndl. bekende uitdrukking een krot van een huis, dat dan eig. beteekent een lor van een huis, en Van Dale: ‘krothuis, bordeel’. Uit een dezer beide uitdrukkingen is dan krot verkort in de bet. armoedige of slechte woning, later ook bordeel, slecht huis. Het woord krotte beantwoordt aan eng. crote, schotsch crote in den zin van kluit, klomp, aardkluit, en een daarmede verwant idg. woord meent men terug te vinden in oslav. gruda, dat insgelijks aardkluit beteekent.

Van dit ndl. woord komt fra. crotte en niet omgekeerd. Van ndl. krot(te) werd gevormd het ww. krotten, d.i. schuieren, borstelen, eig. dus een privatief ww. Kil. Fland. lutum penicillo detergere. De Bo krotten, d.i. borstelen; ook roskammen, hekelen,

[p. 120]

streng berispen; te Kortrijk (den vloer) reinigen, vegen, dweilen (Schuermans): Kil. krotter, Fland. j. kladder. Men zou zeer geneigd zijn, in dit fr. crotte den oorspronkelijken vorm te zien van fr. croûte, in den zin van eene slechte schilderij, ware het niet, dat men het woord croûte voldoende meent te kunnen verklaren uit de ‘korst’ opgekladde verf, waarmede het doek is bedekt; overigens naderen crotte en croûte elkander ook in den zin van litteeken, zoodat verwarring of ineenvloeiing der beide woorden althans niet onmogelijk schijnt.

X. Krooi.

Er bestaat in ndl. tongvallen een woord krooi, dat de bet. heeft van troep, bende, doch van een betrekkelijk klein getal menschen gezegd. Men zal b.v. zeggen iemand is met de heele krooi op reis, wanneer hij met zijne vrouw en een zestal kinderen is vertrokken; men gebruikt het dus hier in denzelfden zin als waarin men ook gewaagt van de heele karavaan, den heelen troep, de heele bende en dgl. Vanwaar nu is dat woord? Zoover ik weet, is het nergens opgeteekend behalve bij Schuermans (zie beneden) en in het glossarium op den door den Heer Scheurleur te 's-Gravenhage uitgegeven bundel liederen van 1539, onder den titel van ‘Een devoot ende profitelyck Boecxken’, met welke sierlijke uitgave hij boekliefhebbers, muziekkenners en taalkundigen gelijkelijk aan zich heeft verplicht. Op het woord conroot, bende, staat daar aangeteekend: ‘Verg. het hedendaagsche krooi’. Dit moge juist zijn wat de beteekenis betreft, wat de afleiding aangaat, is dit niet het geval. Immers conroot is wel in het Ofra. conroy (fra. corroi), maar de vaste mnl. vorm is conroot en het spreekt vanzelf, dat krooi slechts samengetrokken zou kunnen zijn uit een vorm konrooi. Wij moeten dus elders zoeken.

Wanneer wij behalve allerlei andere gevallen van syncope, vermeld bij te Winkel, Gramm. Fig. 194-209, ndl. dial. zooi uit zode vergelijken, dan zien wij, dat niets ons belet, voor krooi

[p. 121]

samentrekking uit krode aan te nemen. Wij zullen zien, dat het woord, hetwelk werkelijk in het Mnl. bestaat, ook wat de beteekenis betreft aan alle vereischten voldoet, en daar er over dit woord nog nooit gehandeld is, zal ik in het kort de geschiedenis er van beschrijven.

Crode, dat in het ags. croda teruggevonden wordt, is eene afleiding van den stam van het st. ww. cruden, croot, gecroden, dat in het Mnl., ook in allerlei samenstellingen, zeer gewoon was, doch thans slechts eene schaduw vertoont van hetgeen het vroeger geweest is, in het ww. kruien, van welks sterke vervoeging het dialectische krooi, gekrooien eene herinnering bewaart. Cruden, over welks vormen in het Germ. men vergelijke Franck 524, beteekende in het Mnl. stooten, duwen, stuwen, voortschuiven en dgl. Vgl. Kil. kruyen, kruyden, trudere, protrudere, pellere, propellere; kruyen den kruywaghen, protrudere curriculum, vectare, subvectare. Naar aanleiding van het znw. kruiwagen, dat ieder onmiddellijk met het bovengenoemde kruiden (kruien) in verband brengt, en dat in het Mnl. in twee vormen crudewagen en crodewagen (zie beneden), behalve natuurlijk de daaruit weder ontstane, voorkomt, moet ik even de opmerking maken, dat een middeleeuwsche crudewagen volstrekt niet hetzelfde is als een hedendaagsche kruiwagen. Een crode- of crudewagen is elke wagen of voertuig, dat geduwd wordt, in tegenstelling met wagens die getrokken worden. Het is dus een duwwagen, schuifkar of handkar.

Misschien is het ook niet overbodig, hier de opmerking in te voegen, dat niet alle vormen, die in het Mnl. en in de hedendaagsche dialecten voorkomen, even geleidelijk uit krodewagen of krudewagen te verklaren zijn. Behalve deze beide vindt men ook koordewaghen (Kil.; van koorde, restis, dus eene volksetymologie), kortewaghen (Kil.; Van Dale 740); kordewagen (Kil.; De Bo; Schuermans; Weiland; Van Dale); kordwagen (De Bo); korrewagen (Schuermans; Molema; de laatste geeft ook kōrrewagen en korrelwagen

[p. 122]

op), korwagen (Meyer, Spreuken 58); korriewagen (dial. in den zin van kinderwagen); korswagen (geslachtsnaam te Leiden). Ten einde de verwarring te vermeerderen, heeft het Mnl. nog een paar vormen, die verder afstaan, nl. kersewagen, in eene latere redactie korrewagen (zie Mnl. Wdb. 3, 1382), en karlewagen (Ann. Em. 24, 456: ‘van elcken carlewaghen ofte back een denier’). Vooral uit de beteekenis die Molema 220 opgeeft: ‘onoverdekt rijtuig op vier wielen, waarvan de bak onmiddellijk op het onderstel rust’ (d.i. boerenwagen; ook overdekt (= huifkar)) blijkt duidelijk, dat niet alles in dezen kan verklaard worden uit kordewagen = krodewagen, kruiwagen. Er moeten hier verschillende woorden dooreengeloopen zijn.

Men kan in de eerste plaats met Molema denken aan eene verbastering van karrewagen, en het zou volstrekt niet verwonderen, als kar op deze woorden van invloed was geweest, doch daarmede is niet alles verklaard. Een deel der woorden, voorzoover ze niet door volksetymologie zijn onkenbaar geworden, is ongetwijfeld samengesteld met een woord, dat bak, korf of mand of iets dgl. beteekent. Ik meen dat dit woord hetzelfde is als het ndl. en fri. korre, d.i. schrobnet, oesternet, net waarmede men aan het strand bot, garnalen, enz. vangt (vgl. ndl. koroester, en het ww. korren, oesters vangen; bij de Schiermonnikoogers in gebruik); zie bij Weiland 2, 582 op korre, waar ook oesterkor, oesternet, en kortijd, tijd waarin de oesters goed zijn (Van Dale) worden vermeld. Vgl. Franck op korre, en vooral Koolman 2, 412 op kure, kurre, die uit vroegere en latere fri. dialecten een woord koer bijbrengt in den zin van korf. Korrewagen in den zin van mandewagen zou zeer geschikt zijn voor de verklaring van enkele der genoemde vormen, b.v. van het dialectische korriewagen voor kinderwagen (verg. Bouman, 60 op korrie). En zeer licht kan de beteekenis van korre, van korf of bak van vlechtwerk zich hebben uitgebreid tot die van bak in het algemeen, ook van hout, waardoor de overige vormen voldoende zouden worden verklaard.

Eindelijk moet ik nog opmerkzaam maken op de uitdr. vis-

[p. 123]

schen met de korde of koorde. De uitdrukking is al oud: zij komt reeds verscheidene malen voor in een plakkaat van 19 April 1583, waar wij o.a. lezen: ‘dat dagelycks verscheyden visschers komen visschen met eenige fuycken achter haer schuyten ofte schepen, die deselve visschers noemen koorden, in den mont van de Mase, ende oock in de Mase, wetende deselve netten met hout open ghestelt ende van de wijtte van ontrent drie vademen, hebbende onder aen hangen wel sestien ofte seventien ponden loots ...., daermede de selve visschers deur den gront gaen strijcken, ende voorts achter een kuyl aen hangen, daer die visch inne schiet, van seer kleyne masschen (mazen), daermede sy den kleynen schol ende bot vangen, nemende voorts daermede uyt den gront op het aes, waarmede de visch ghevoedt wort’. Verder in hetzelfde plakkaat vinden wij nogmaals de uitdr. ‘te visschen met coorden’; in een van 3 Juni 1609 wordt gesproken van ‘vuycken met hout opgheset, die genaemt worden corden’; in een van 10 Sept. 1676 leest men: ‘dat men onder het landt ende binnen de bancken sal mogen varen om met een lichter saygh (lat. sagena, ndl. zegen?) of corde garnaet te mogen visschen’. Zoo ook in een plakkaat van 16 Maart 1680 (visschen met cordens; visschen met de korden)1). De korde is hetzelfde als fra. chalut, en eng. trawl; ook onze visschers spreken van troulers. De naam cordevisscherij wordt nog tegenwoordig hier en daar in denzelfden zin gebruikt als schrobnetvisscherij; doch bij de zoetwatervisscherij gebruikt men alleen schrobnet en niet korde. Vgl. De vischtuigen in Nederland (Heusden, Veerman, 1886), bl. 17 op schrobnet (in Zeeland ook loophaam geheeten).

Vanwaar is nu de naam corde of korde? Wat den vorm betreft, valt hij samen met fra. corde, dat insgelijks als term bij de visscherij bekend is. Vgl. Littré: ‘pêcher aux cordes, pêcher avec une longue corde, à laquelle on attache des

[p. 124]

lignes’. Het komt mij voor, dat hierin de oorsprong van het ndl. woord niet kan worden gezocht: de beide wijzen van visschen, door het fra. en ndl. woord uitgedrukt, hebben geenerlei overeenkomst met elkander. Er moet dus eene wijziging worden aangebracht in de woorden van Beaujon, Overzicht der Gesch. v.d. Nederl. Zeevisscherijen, bl. 171: ‘het thans nog welbekende woord schrobnet is evenals het destijds meer gebruikelijke corde eene algemeene benaming voor elk zakvormig net, dat aan de wijde zijde door een boom opengehouden, aan een reep of koord (vandaar de naam) over den bodem van het water wordt voortgesleept’.

M.i. is dit korde hetzelfde woord als het bovengenoemde echt germ. korre, kor, doch (ook blijkens de schrijfwijze corde en coorde) al vroeg gekomen onder den invloed van het meer bekende fra. corde. Immers mocht men al ‘visschen met de corde’ op deze wijze kunnen verklaren, dan blijven nog koroester, oesterkor, kortijd e.a.w. over, die door deze etymologie volstrekt niet worden opgehelderd. En men weet, welk een gewoon verschijnsel het is in de taal, dat het eene woord onder den invloed van het andere geraakt en daardoor van gedaante verandert. Zie o.a. boven bl. 114.

Met het ww. cruden vertoont het znw. crode de duidelijkste kenteekenen van verwantschap, ook wat de beteekenis aangaat. Het beteekent vooreerst tegenstand, verhindering, belemmering, last of moeite die men iemand aandoet. Deze bet., welke afgeleid is uit de opvatting stooten, duwen, aan cruden eigen (vgl. mnl. wederstoot en de ndl. uitdr. zonder slag of stoot), komt ook duidelijk uit in het mnl. ww. croden, waarover men zie (later) het Mnl. Wdb., en in het in den Teuth. opgeteekende crodelijc, d.i. lastig, lat. molestus. Ook in de passieve opvatting moeite die men ondervindt is het woord bekend geweest blijkens Teuth. ‘(ic) byn to croode, byn begaen, anxius (sum)’, en Publ. Limb. 14, 15: ‘(waardoor) die burger ende guede luede zere in croode ende sorgen waren’. Eene herinnering aan het woord in deze beteekenis meen ik terug

[p. 125]

te vinden in het Vlaamsche krooi, door Schuermans 300 vermeld in de uitdr. ‘noch krooi noch mooi hooren’. De verklaring daaraan toegevoegd ‘noch kraai noch meeuw hooren’, d.i.: ‘geen het minste geroep of gerucht hooren’ is vernuftig gevonden, maar onbruikbaar. Beide dieren moeten, dunkt mij, even verwonderd zijn zich in elkanders gezelschap te bevinden. De verklaring mag met recht genoemd worden ‘eene op den klank af,’ doch wij moeten hier een anderen klank hebben dan dien van het geluid dezer beide vogels. Ik voor mij verklaar krooi liever als krode, in de bet. moeite, hinder, welke geleidelijk in die van onraad overgaat, en mooi als een synoniem er van (hetgeen in dergelijke uitdrukkingen regel is), met de bet. moeite, last. Vgl. ndl. moeien, dat in het Mnl. ook moyen luidt en hinderen beteekent, en de ndl. spreekwijze ‘veel koeien, veel moeien,’ waarin moei eveneens als znw. voorkomt.

In denzelfden zin, nl. als moeite, last, is crode ook opgevat door den schrijver van den Proza-Reinaert in Rein. II, 1910: ‘het ghinc mit hem (Reinaert in de macht zijner vijanden) alst dicke gaet: die crancste heeft de minste crode’, doch daar kan crode onmogelijk last, verdriet, hinder beteekenen, immers dan zou er meeste staan in plaats van minste (vgl. Rein. I, 772; ‘die scade hevet of verlies ..., over hem so willet al’). Proza-Rein2 40 heeft: ‘die crancke die heeft den quaetsten spoet of crode’. Doch dit geneest de zaak niet: dit is alleen eene willekeurige verandering. Vgl. de Aant. van Martin op Rein. bl. 389, die te recht meent, dat de bet. hinder, gebrek, Rein. II, 1910 niet past. Neen, het woord moet op deze plaats den zin hebben van hulp, steun. Weliswaar staat deze zoogoed als lijnrecht tegenover de zooeven genoemde opvatting, doch dit is niet ongewoon; vgl. gespan, gespar, grinen, ndl. opheffen enz. Het stooten of duwen kan zoowel plaats hebben om iemand te hinderen als om hem voort te helpen. De aant. van Willems op deze plaats (bl. 75): ‘de zwakste heeft de minste kruilading, brengt niet veel weg’, is wel onjuist, doch te recht heeft hij toch crode gebracht tot cruden. Zie ook beneden.

[p. 126]

Verder heeft crode de bet. drom, troep, bende, welke wij voor ndl. dial. krooi noodig hadden, en zich in het eng. crowd, evenals in het mnl. woord, gewijzigd heeft tot volksmenigte. Deze beteekenis heeft zich ontwikkeld uit die van gedrang, welke ook aan ags. croda eigen is. Zie E. Müller 1, 290. De beteekenis dringen is eng verwant aan die van stooten, duwen, welke, gelijk wij zagen, aan mnl. cruden eigen is. Men vindt crode in deze opvatting, met minachting gebruikt, evenals ndl. troep, bende, Hans. Recess. 7, 201: ‘Also wel mit faite (begonnen zij), als dat zii den roup ghaven, dat men alle de crode Vlamynge doot slaen soude’. Terloops vestig ik de aandacht op een ander dialectisch woord, dat eveneens de beteekenis dringen, duwen heeft, nl. kringen. Men zegt dit aan de Zaan, b.v. in ‘wat kringt hij weer (nl. door eene menschenmassa heen); kring toch niet zoo door!’ Dit woord, dat de eig. bet. heeft van zich wringen (men ziet dat hier de drie rijmende ww. wringen, kringen en dringen elkander raken), is in het Mnl. bekend in de bet. zich wenden, draaien of keeren (Vierde Mart. 617) en in die van zich afwenden, zich ter zijde houden (Vierde Mart. 74), en nog heden in het causatief krengen, d.i. (een schip) op zijde leggen; (een rijtuig) keeren of op zijde doen gaan; ook intr. (met een rijtuig) een draai maken. Zie (later) Mnl. Wdb. op crengen en cringen en vgl. dial. krang, den verkeerden kant van goed; rechts en krang, rechts en averechts. Keeren wij nu tot crode terug.

Het schijnt, dat de 2de nv. croden in de bovengenoemde bet. tot een bnw. is geworden, met de bet. ellendig, beroerd. De overgang is niet helder: wellicht is de eigenlijke bet. van een troep of bende geworden tot die van tot een troep of bende behoorende, en is dit opgevat in ongunstigen zin, van boeven of schurken. Crode wordt in de bovengenoemde mnl. plaats met verachting gezegd, en kan zeer goed de bet. dievenbende, schurkentroep hebben gehad: ‘(Si) riepen tot onsen kinderen: Croden kindere (beroerde kerels), die dievel spiedi, Vlamming! com hidder aen ons boort ende haelt der En-

[p. 127]

ghelscher goed’, Hans. Recess. 3, 335. ‘Dat men den roffianen of den croden bodelen mit screyen of bidden niet versmeken en mach’, Gest. R.c. 153 (aan een overgenomen lat. crudus, d.i. rauw, wreed, valt hier niet te denken: dit zou ook op de eerste plaats volstrekt niet passen).

Eindelijk komt er een crode van cruden in de bet. van ndl. kruien met de bet. kruiwagen. Zoo nog heden in het Fri. Vgl. Epk. 255, die meent, dat door een tusschenvorm *kerode ook fri. karrooi hiervan afkomstig is. Ik zou dit niet gaarne onderschrijven, doch eerder meenen, dat krooi uit krode, door bijgedachte aan kar, geworden is tot karrooi. Crode in dezen zin komt voor Rek. d. Gr. 1, 370 (a. 1345): ‘E. van een waghen 12 sc., van een crode 10 d.; van een crode 9 d.’ (in posten eener rekening betreffende het verkoopen van allerlei goederen te Monnikendam). Vgl. Gemma 166v: een cruye oft cordewaghen, monica. Bij Epk. t.a.p. wordt uit Teuth. in dezen zin aangehaald craide, crade, en bij Breederoo komt kroo voor in den zin van vracht, kruiwagenlading (Oudem. 195). Misschien zou uit deze laatste opvatting ook het ndl. krooi te verklaren zijn; doch strikt noodig is het niet.

Nu wij krode kennen in den zin van kruiwagen, komt ons onwillekeurig de plaats uit Reinaert: ‘die crancste heeft de minste crode’ weder in de gedachte. Wat de beteekenis aangaat, zou men die in 19de-eeuwsch Nederlandsch uitstekend kunnen weergeven door: ‘de zwakste, de geringste heeft de minste kruiwagens’, d.i. hulp, steun, juist het begrip, waardoor wij straks crode vertaalden, en dat ook in ‘het hebben van kruiwagens’ ligt besloten, al is dit beeld ook beperkt tot het hebben van invloedrijken steun, wanneer men dingt naar de eene of andere betrekking. En het is nog de vraag of men deze opvatting niet ook reeds voor het Mnl. mag aannemen, vooral nu wij haar ook reeds op de plaats uit Rein. II zien doorschemeren. Althans in 1578 zien wij haar al in het spraakgebruik opgenomen, blijkens een gezegde, te vinden in de door R. Fruin bezorgde uitgave der Gedenkschriften van Dusseldorp, bl. 158: ‘in illa (in het vaartuig) cum essent (de katho-

[p. 128]

lieke regenten, die in 1578 uit Amsterdam waren gezet) ridens Henricus Sullingius ad Judocum Buyckium ait: “wy hebben die cruywagen vergeten, Joost!”’ De ketters gaven nl. den rechtzinnigen regenten na, dat zij huns gelijken in de regeering plachten te kruien. Ook het ww. cruden gaat in het Mnl. reeds denzelfden op, zooals ons de vergelijking leert van eene andere plaats uit Rein. II, welke tevens tot opheldering dienen kan der boven genoemde, nl. vs. 5250 vlgg.:

 
God gheef mijnre moeien ere!
 
Si heeft mijn rijsgen wel doen bloeien,
 
Si heeft wel aen mijn kar ghecroeien1),
 
Si heeft mi gheboden wel die hant.

XI. Wouteren.

Er heeft in het vroegere Nederlandsch eene uitdrukking bestaan, waarin dit ww. voorkomt, nl. dat woutert niet; dat wil niet wouteren, d.i. dat gaat of lukt niet. Zoover mij bekend is, is deze uitdrukking nog weinig besproken en zoowel daarom, als omdat ik aan het woord een nieuwen steun uit het Mnl. kan geven, heb ik het ter sprake gebracht. Over het woord is zeer goed gehandeld door De Jager, Freq. 2, 713 vlg.; hij vergelijkt er mede het in dial. voorkomende welteren, d.i. zich wentelen in het slijk, in welken zin Kil. opgeeft woelteren in het slijck; neders. weltern, wältern, woltern; zwe. vältra; eng. to welter; oeng. walter. Zie E. Müller 2, 634 op welter, ook over de verhouding van dit woord tot fra. se vautrer, en Lübben 5, 164 op wolteren. De grond van het woord is germ. walten; ohd. walzan; hd. walzen; onr. velta. Het causatief hiervan is ohd. wëlzen, walzen; mhd. wëlzen; hd. wälzen; ags. vyltan; het got. kent een intr. waltjan, zich wentelen; en een trans. uswaltjan, omverwerpen. Uit dit germ. walzen is, gelijk men weet, het fra. valse ontleend, dat in het Ndl. weder in den

[p. 129]

vorm wals en het daarvan afgeleide ww. walsen is teruggekeerd.

Van dit woord is ndl. en mnl. wouteren een frequentatief, of althans eene afleiding met eene soortgelijke beteekenis. Wouteren staat voor *walteren, evenals de persoonsnaam in het Ndl. luidt Wouter en in het Hd. Walter, d.i. waldheer, legeraanvoerder, ‘heergewaltiger’ (Weigand 2, 1074). Vgl. mnl. wouden en gewouden met hd. walten, en andere voorbeelden der wisseling van al en ou bij Te Winkel, Gramm. Fig. 173, Bij wouteren nu heeft zich het begrip rollen op eene eigenaardige wijze ontwikkeld tot dat van goed uitvallen, goed gaan, gelukken. Vgl. soortgelijke uitdrukkingen als goed van stapel loopen en vlotten (De Jager t.a.p.), welke het beeld bevatten van een schip, terwijl wouteren ontleend is, niet aan een vaartuig, maar aan een voertuig. In dezen zin komt wouteren reeds voor in het Mnl. Vgl. Sacr. 304: ‘al ons dinck wilt qualijc wouteren’; Kil. wouteren, volutare, volvere et volutari, volvi (dus als trans. en intr. ww.); wouterblock, woutersteen j. welle, volvulus, cylindrus (mnd. woltestên, wolteblock, rolblok; hd. walzstein, walzblock, walter, Lübben 5, 765; vgl. Molema 469 op weltern, waar o.a. de bet. opgegeven staat: ‘rollen van land met de landrol’); en daarnaast: wouteren, succedere, accidere bene aut male. Ook de te Leiden bekende geslachtsnaam Wouterlood vindt in dezen werkwoordelijken stam zijne verklaring. Het is hetzelfde als rollood, eene rol lood (men weet dat lood aan rollen in den handel wordt gebracht), die voor het eene of andere doel (b.v. om te pletten of gelijk te maken) gebruikt wordt. Vgl. de bovengenoemde mnd. woorden en rolsteen bij Van Dale. Ook bij Marnix, De Brune en Joncktijs komt het ww. wouteren voor in den bovengenoemden zin; zie de voorbeelden bij De Jager t.a.p. Het eenige, dat nog ontbrak, was een voorbeeld van den mnl. vorm van hd. walzen en ohd. walzan, nl. wouten. En die is nu ook gevonden, en, wat merkwaardig is, in dezelfde beteekenis als mnl. wouteren, nl. goed uitvallen, goed gaan, gelukken. Dit ww. staat op eene tot heden steeds over het hoofd geziene of (door mij althans)

[p. 130]

verkeerd begrepen plaats in den Ferguut, vs. 4981. De passage, waarin het woord voorkomt, en die aan duidelijkheid niets te wenschen overlaat, luidt aldus:

 
Nu keric weder te Galiënen,
 
Die heft gelaten staen haer wenen;
 
Soe siet wel, dat het niet en wout:
 
Hen es geen dinc, hen vercout,

d.i. zij ziet wel, dat haar weenen toch geen goed gevolg heeft, haar niet geeft of baat. Daar tot heden geen ander voorbeeld van dit woord is gevonden en beide de vorm en beteekenis van wouteren er door worden gesteund, aarzel ik niet, het vinden van dit woord te beschouwen als eene aanwinst voor onze middelnederlandsche taalkennis.