Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 12


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 12. E.J. Brill, Leiden 1893  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 251]

Het haar van den hond.

De Hoogleeraar Verdam heeft op bl. 140 vlgg. van dezen jaargang deze uitdrukking uitvoerig behandeld. Daar ik het niet in alle opzichten met hem eens kan zijn, wil ik haar nog eens ter sprake brengen en zoo mogelijk bovengenoemd artikel hier en daar aanvullen en verbeteren.

In den Feestbundel aan Matthias de Vries zijn, bl. 135 vlgg., door Dr. Verdam vele spreekwoorden en spreekwijzen besproken, en al kan men met den schrijver van meening verschillen over de aldaar gegeven verklaringen, enkele minstens gewaagd, andere onjuist vinden, het stuk heeft toch deze groote verdienste, dat het den waren weg heeft aangewezen, waarlangs wij den oorsprong veler hedendaagsche spreekwijzen kunnen opsporen: de historische beoefening onzer vroegere taal. De taal der middeleeuwen, maar vooral ‘de schrijvers uit de 17de eeuw moeten met dit doel worden ontgonnen. En uit geene van de 17de eeuwsche geschriften zal men voor dit onderwerp meer buit behalen, dan uit de pamfletten en uit de blijspelen en kluchten, omdat deze de volkstaal met haren schat van eigenaardige beelden, vergelijkingen en uitdrukkingen het getrouwst weergeven’. - Een uitstekende raad, dien Dr. Verdam -echter zelf niet kan opvolgen, daar al zijn tijd door de bewerking van het Middelnederlandsch Woordenboek wordt in beslag genomen. Een prettig werk is het bovendien niet, tal van flauwe, onbeduidende, zoutelooze kluchten te doorworstelen, doch het excerpeeren van die stukken, en van zeer vele, is dikwijls de eenige weg om achter de waarheid te komen.

Juist het gebrek aan bewijsplaatsen is de reden, dat er in het artikel van Dr. Verdam hier en daar eene onjuistheid is binnengeslopen.

In de eerste plaats dan een enkel woord over het bij Kili-

[p. 252]

aen vermelde hont, thesaurus reconditus aut in terra defossus, d.i. ‘een zorgvuldig verborgen of in den grond begraven schat’. Dr. Verdam meent, dat dit hond hetzelfde woord is als hond (canis), dat alleen door volksvernuft van beteekenis zou zijn gewijzigd. Den overgang van beteekenis tracht hij te verklaren door te wijzen op aap, dat ook in den zin van beurs, spaarpot gebruikt werd; ‘licht kon men hier een hond van maken, te eer, omdat men daaraan het denkbeeld van trouwe bewaking of bewaring verbinden kon’. Zéker, onmogelijk is zulks niet. Inderdaad gebruikte men reeds in de 17de eeuw het woordaap voor een verborgen schat, een onverwacht voordeel (zie het Ndl. Wdb. I. 528).

Ook sprak men van ronde apen (vgl. thans ronde schijven), zooals blijkt uit De gewaande Weuwenaar met het bedroge kermis-kind, blijspel (zonder jaartal en naam van den drukker), dl. II, 44:

 
Naauw'lyks sliep hy, of zy luisden de ronde aapen
 
Uit oom kool zyn beurs. Des morgens vreef hy de slaap
 
Uit zijn oogen, en voelden, dat'er van den Aap
 
Zijn veeren in die nagt vry veel waaren gevloogen.

Bekend was ook den aap vlooien, dat niet beteekende de geldsom nauwkeurig tellen, doch de som stelen, zooals blijkt uit de klucht van Sr Groen Geel, t' Amsterdam, 1643, bl. 7:

 
Die arch is die krijcht de kost, ick was daer in Moers tas te vloyen,
 
Ick riep al evenliens, as de Dieve doen in de schape koyen.

In Zeeuwsch-Vlaanderen bezigt men die uitdrukking nog in dezen zin; ook zegt men daar ‘den aap is geluist’ (vgl. de bovengeciteerde plaats en Navorscher XXV, bl. 506).

Hoe men er toe gekomen is een schat een aap te noemen, is tot nu toe niet overtuigend bewezen. Wel wordt in het Ndl. Wdb. I, 527 beweerd, dat men vroeger steenen spaarpotten had in den vorm van een aap, doch het bewijs hier-

[p. 253]

voor moet nog geleverd worden. De Heeren David van der Kellen en Jhr. van Riemsdijk, die ik om inlichting vroeg, vertelden mij, evenmin ooit iets van dergelijke spaarpotten gelezen of gezien te hebben, zoodat de bewering van Ter Gouw in den Oude Tijd, 1874, bl. 131, dat men vroeger ‘kistjes en koffertjes, apen en varkens, allerlei naar lust en luim, gebruikte voor spaarpot,’ zonder nader bewijs niet kan worden aangenomen.

In het Wdb. der Ned. Taal wordt gewezen op het fr. magot, dat ook aap en geld beteekent, en de gissing gewaagd, of wellicht dit fransche woord invloed heeft gehad op het nederlandsche - een invloed, dien ik bij zulk een typisch volkswoord, dat in de 17de eeuw alleen in kluchten en dergelijke geschriften voorkomt, al zeer onwaarschijnlijk vind. Evengoed had men kunnen beweren, dat de beteekenis geld, schat zich had ontwikkeld onder invloed van het engelsche monkey, dat in het Slang ook eene geldsom aanduidt n.l. 500 pound st., dus 6000 gulden. Aan gissingen heeft het niet ontbroken om deze moeilijkheid op te lossen; eene keurige collectie van dergelijke ‘misschienen’ kan men vinden in den Navorscher XXV, bl. 294, 295, waar zelfs eene afleiding uit het Hebreeuwsch (aan Tuinman I, 11 ontleend) wordt vermeld. Naar het mij voorkomt, kunnen wij thans nog niet met volle zekerheid den overgang der beteekenis aap op die van geld verklaren, en hoewel ik niet durf beweren, iets gevonden te hebben dat de zaak geheel opheldert, zoo meen ik toch bij het groote aantal gissingen nog eene te mogen voegen, die ik hoop dat men niet alle waarschijnlijkheid zal ontzeggen.

Wanneer men in de 17de eeuw wilde uitdrukken, dat hij, die overvloed bezit, wel wat kan missen, gebruikte men de zegswijzen de hant die wint is milt (Sinnepoppen, eerste schock, XXVI); 't komt op een turf niet aan, als men in 't veen is of ze zien op geen aap, die uit Oost-Indien komen (vgl. Harrebomée, I, 4), welke spreekwijze we o.a. lezen in De gewaande Weuwenaar, dl. I, 28:

[p. 254]
 
Ze zien op geen Aap, die uyt Oost-Indien komen.
 
Hy langt mêe braaf af.

Vooral uit den tweeden regel blijkt duidelijk de beteekenis van den eersten. Waar nu de geheele uitdrukking wil zeggen: ‘hij die geld heeft, is niet karig,’ is het m.i. niet onwaarschijnlijk, dat tengevolge der bepaalde toepassing, die van deze spreekwijze werd gemaakt, aap de beteekenis van geld daaraan heeft ontleend. Geheel op dezelfde wijze heeft ook oude hond de beteekenis aangenomen van ouden wijn of bier (zie bl. 149 en het slot van dit opstel). Zoo heeft ook het bijvoeglijk naamwoord blauw de beteekenis gekregen van valsch, bedriegelijk (vgl. het glossarium op Van Vrouwen ende van Minne; Ned. Klass. VI, bl. 95; Halma, bl. 77 en Van Dale i.v.) door de reeds in de middeleeuwen gebruikelijke zegswijze: iemand de blauwe huik omhangen, d.i. bedriegen; ook in de bepaalde beteekenis van een man tot horendrager maken (zie het Mnl. Wdb. I, kol. 1290 en mijne uitvoerige behandeling van deze spreekwijze in Noord en Zuid, XIV, bl. 30-35); de Vlamingen maakten van dit blauw (bedriegelijk, valsch) wederom een werkwoord blauwen d.i. smokkelen (De Bo, bl. 147).

Op eene dergelijke wijze kwam het fr. canard aan de beteekenis van mensonge. In de 16de en 17de eeuw zeide men donner, vendre à quelqu'un un canard à moitié (en le faisant passer pour un canard entier), in de beteekenis van iemand bedriegen, beetnemen. Het laatste gedeelte van de spreekwijze werd weggelaten en zoo ontstond donner, vendre à quelqu'un un canard, en vandaar weder c'est un canard, in den zin van une tromperie, un mensonge, une fausse nouvelle (zie A. Darmesteter: La Vie des Mots, 2e ed. bl. 59).

Geenszins wil ik hiermede beweren, dat dit de verklaring is; het is slechts eene poging hiertoe, nu het blijkt, dat men in de 17de eeuw geen spaarpotten heeft gekend in den vorm van dat dier, of ook in dien van een hond of een varken. Trouwens de naam spaarpot bewijst genoegzaam, dat het geld meestal in een pot werd bewaard, zooals bekend kan zijn door

[p. 255]

het plaatje bij Roemer Visscher's Sinnepoppen, eerste schock, XXXIX, en uit den Warenar, vs. 269:

 
'k Weet wel waer hy wezen wil, maer dat gat zal hy niet booren,
 
Hy heeft het op het katshooft emunt, daerom is 't dat hy vrijt.

en vs. 618:

 
Neen, by gort!, zoo langh as het daer leit en heb ik gien vrêe:
 
Waer ik gae, waer ik stae, het katshooft moet mêe.

Warenar noemt dus zijn pot met geld zijn katshooft; elders wordt die pot een smoorpot genoemd (vs. 926 en 1215). Volgens De Vries, bl. 112, waren dat ‘aarden potten, die van onderen smal toeliepen en opstekende ooren hadden, weshalve zij aan de gelijkvormigheid met een kattenkop katshoofden genoemd werden, gelijk nog op sommige plaatsen in Noord-Holland de genoemde soort van potten dien naam draagt.1)

Een goed gevulde beurs vergeleek men ook met zulk een katskop (De Vries, bl. 112); tenminste we lezen bij J.F. Vijgh: Klucht van Jaep Ront-Voet (anno 1645) bl. 8 (Van Vloten Het Kluchtspel, II, 192):

 
'k Heb hier een kinckel in 't net, die moet eens rontspringen,
 
Hy het een beurs as een katskop, en gelt as saet.

Daarna werd de beurs ook zelve eenvoudig katskop genoemd.

Wanneer in W.D. Hooft's Cluchtich spel: Andrea de Piere, Peerdekooper (anno 1634), bl. 19 v, Margriet haren zoogenaamden broeder Andreas een beurs met dukaten heeft ontstolen, zegt ze tot hare meid Lyntje:

 
Jae ick sin so blijt, dat het ons so wel is gaen locken
 
En dat wy so moy raeckte an zijn kats-kop met gelt.

Vgl. ook: Hedendaeghschen verloren Soon, anno 1640 (Kluchtspel II, 118):

[p. 256]
 
Wy souwen van out op nu, iens lustich suypen, schrense,
 
In dat hiel vrolyck, en daertoe blyer als bly,
 
Want ick heb 't katskop nou selver op mijn sy.

In het Hoogduitsch spreekt men nog van eene Geldkatze, voor een geldbuidel, geldriem. Is het toeval, dat in het Bargoensch de dieven onder een kat ook den geldriem verstaan (Onze Volkstaal, III, 196)? Of het wel zoo zeker is, dat men een pot met geld juist een katskop noemt wegens de uiterlijke overeenkomst met een kattenkop, meen ik te moeten betwijfelen. Thans verstaat men in Noord-Brabant onder een ketskop een achtste van een ton bier (Volkstaal, I, 209); en Van Dale vermeldt, dat kattekop nu nog in sommige streken beteekent een klein roggebrood. Een ton en een brood gelijken toch beide niet op een kattenkop, evenmin als een okshoofd gelijkt op een ossenkop (zie Franck, 691) of een hogshead zooals de Engelschen zeggen, op dat van een zwijn.

Zijn er dus geen spaarpotten in de 16de en 17de eeuw geweest in den vorm van een hond (een aap of een varken), dan moeten we naar een anderen oorsprong der benaming hond voor een schat zoeken, en dien meen ik te vinden in het ohd. hunda, mhd. gehünde, angs. hûp, dat roof, buit beteekent, en waaraan bij ons hond moet beantwoorden. Zoo is ongedwongen het bij Kiliaen vermelde hont als ‘zorgvuldig verborgen of in den grond begraven schat’, verklaard, te meer wanneer men bedenkt, dat roof en buit dikwijls in den grond werden begraven. Aan dit woord moeten we denken bij de door Dr. Muller gevonden plaats uit 't jaar 1528 (bl. 149), alsook bij die uit Poirters, Mask. 158: het hondeken vloyen (vgl. Harrebomée I, 318: het is den hond gevlooid). Nog eene andere plaats wensch ik hier aan toe te voegen; ze is te vinden in Coster's Tysken van der Schilden. Aldaar lees ik vs. 912 vlgg.:

 
T.v.d. Sch. Wie geyts mannen, benje noch al kloeck en ghesont?
 
Jan Rap: Jae wy, Capeteyn: maer de beurs en weecht gheen pont.
 
Haddje nou wat over, datje een kales wat bedocht.
[p. 257]
 
T.v.d. Sch. Dit is recht een man als my behaecht
 
Souje de Prins noch wel een tocht doen? Laet eens weten.
 
Jan R.: 'k Sach den dagh zoo lief niet, ick soud' liever vechten als eten,
 
Wistje maer een avontuertjen, wy volchden u terstont.
 
T.v.d. Sch. Dit volck soeckt recht het hayr van den hont.
 
Of ick een aenslach wist, souje wel moet hebben?

Dr. Kollewijn zegt hier: het haar van den hond zoeken, d.i. strijdlustig zijn. Doch waartoe dan de vraag van Tysken, of ze wel moed zouden hebben, die, zooals later blijkt, hun geheel ontbrak? Ik begrijp ook niet, hoe die uitdrukking aan zulk eene beteekenis zou komen. Liever denk ik dan ook hier aan hond in den zin van schat, en verklaar de geheele uitdrukking door: belust zijn op geld, hetgeen best te begrijpen is van menschen, die kalessen zijn en wier beurs geen pond weegt. Zij zoeken dus den eenen of anderen schat te rooven; vgl. hiermede de bovengeciteerde uitdrukkingen den aap, den hond vlooien of luizen, en thans nog iemand plukken.

Tot in de 18de eeuw schijnt hond in dezen zin gebruikelijk geweest te zijn, tenminste bij Mellema lezen wij nog: hont, thrésor enterré. Ook in het Duitsch kent men dialectisch nog hund in dien zin; o.a. in het Beiersch (Schmeller I, 1128), waar men zegt: den hunt hint haben, einen heimlichen Schatz besitzen; in dem Haus steckt noch ein alter Hund (ist noch viel Geld von den Eltern da); den hund schmecken, wissen, wo Vermögen und etwas zu erhaschen ist (Grimm, IV2, 1919). Ook in Kaltschmidt's Gesammt Wörterbuch der D. Sprache staat p. 435 vermeld, dat in Zuid-Duitschland hund gebezigd wordt in den zin van: der verborgene Schatz. Ook hier zou ik weer willen vragen, of het toeval is, dat de dieven in hunne taal onder een hondje een dubbeltje verstaan (Volkstaal III, 195).

Bij het verouderen van dit woord hond, had weldra verwarring plaats met het andere woord hond (canis), een ver-

[p. 258]

schijnsel dat men meermalen bij gelijkluidende woorden aantreft. Tal van voorbeelden zou ik hiervan kunnen aanhalen; op enkele wil ik ter opheldering wijzen. Het adjectief adelijk (bedorven), van wild gezegd, werd, toen men het niet meer begreep, verward met adellijk (van adel), zóo zelfs dat men ging spreken van een jonkerachtigen of jonkerigen haas (Ned. Wdb. I, 787 en Taal- en Letterbode I, 261). In de spreekwijze fiolen laten zorgen zag men niet meer het znw. fiole (flesch), doch wel viool (muziekinstrument) en schreef derhalve dienovereenkomstig ‘violen laten zorgen’ (zie mijne behandeling dezer spreekwijze in Noord en Zuid, XIV, bl. 221 vlgg). Wanneer men zegt langs 's heeren wegen wandelen, denkt niemand meer aan het verouderde heer (leger), doch ieder aan God; men schrijft dat woord dan ook met eene hoofdletter: ‘langs 's Heeren wegen wandelen’.

Zoo is de gelijkluidendheid der beide woorden poot (hoofd) en poot (voet) oorzaak geweest, dat het adjectief potig (koppig, stijfhoofdig o.a. bij Hooft) thans opgevat wordt in den zin van gespierd, sterk, terwijl tevens de schrijfwijze gewijzigd is tot pootig (Tijdschrift I, bl. 42 vlgg.; Noord en Zuid, V, 363; VI, 148). Tot deze gevallen kan men ook brengen de uitdrukking klaar is Kees, waar de eigennaam Kees in de plaats is gekomen van de stofnaam kees, dialectisch voor kaas. Het eerst is hierop gewezen in den Taalgids IV (1862) bl. 286; later is het herhaald door Dr. Verdam in den Feestbundel, bl. 141; in zijne Geschiedenis der Ned. Taal, bl. 126, en in het Mnl. Wdb. III, 1214; doch terwijl in deze drie laatste werken het bewijs ontbreekt, wordt in den Taalgids gewezen op Do weer de kees klar, daarmede was de zaak afgedaan (te vinden in het Holsteinsch Idioticon van J.T. Schütze, II, bl. 245), en op Klaar is d' Kees, opgeteekend in het Ostfriesisches Wörterbuch van C.H. Stürenburg, bl. 108.

Op dezelfde wijze als bovenstaande woorden, zijn ook hond (schat, ohd. hunda) en hond (canis, ohd. hunt) met elkaar verward.

Vooral van deze twee woorden behoeft ons dat niet te ver-

[p. 259]

wonderen, daar men vroeger geloofde, dat slangen, draken en honden bewakers waren van onderaardsche schatten; licht kon nu de bewaker met het bewaakte worden verwisseld, en dit des te eerder daar beide denzelfden naam droegen. Het is bekend dat Cerberus het rijk van Pluto bewaakte; volgens Grimm, Deutsche Mythologie, bl. 929, leest men in de Annales corbej. ad a. 1048 (Paulini p. 386): ‘ajunt in Brunsberg magnum thesaurum absconditum esse, quem niger canis custodit cum oculis igneis’ en Carmen de Brunsbergo (Paulini p. 599):

 
horrendus canis est tenebrosum vinctus ad antrum
 
thesauri custos.

Aan het bijgeloof dat een zwarte hond de bewaker van een schat zou zijn, herinnert ons ook nog Mephistopheles in den Faust II, acte 1, vers. 3681).

 
Der eine faselt von Alraunen
 
Der andere von dem schwarzen Hund.

Eene herinnering aan zulk een wachter ligt eveneens opgesloten in de hd. spreekwijze da liegt der hund begraben (bij Harrebomée I, 316: Daár ligt de hond begraven), waarvoor Marnix zou zeggen daar liggen de mosselen, en wij thans daar zittem de knoop. Over deze uitdrukking is in Duitschland al veel geschreven, o.a. door Grimm in het Wtb. IV2, 1917, die haar ‘ihrem Ursprunge nach dunkel’ noemt; ook door Borchardt in zijne Sprichwörtliche Redensarten, p. 238-239 en door Herman Schrader in Der Bilderschmuck der Deutschen Sprache, Berlin 1886, bl. 109, 110. Als een fraai staaltje van Duitsche verbeeldingskracht laat ik hier zijn betoog volgen. Hij begint met ‘die Deutung’ van deze spreekwijze ‘ein schweres Räthsel’ te noemen; verwerpt de beteekenis van hund in den zin van schat, en tracht daarna het raadsel aldus op te lossen. ‘Wenn der Hund nämlich nach der Sage unterirdische Schätze bewacht, so ist hier an den Haushund gedacht, der den Schatz

[p. 260]

seines Herrn treu bis zum Tode bewacht (werden doch deswegen die Schlösser wol die Hunde des Schlossers genannt). Hieraus nun erklärt sich die alte symbolische Sitte, dasz man früher bei Neubauten einen Hund in das Fundament vergrub, um das Haus sinnbildlich unter treue Wache und Obhut zu stellen. Da ist nun buchstäblich der Hund begraben. Daraus ergiebt sich ungezwungen der Ursprüngliche Sinn: das ist der Kern der Sache, das Wesentliche, worauf es ankommt. Man möchte sich gern einen Hausvater denken, der nach vollendetem Bau seinen Freunden des neuen Hauses festes Fundament und starkes Gefuge durch alle Theile hindurch zeigt, wodurch es gegen jeden Unbill des Wetters geschützt sei, und der dann hinzufügt: und da liegt der Hund begraben; damit stelle ich (was das Beste ist) symbolisch mein Haus noch unter höhere Wacht und Obhut, unter den Segen von Oben. Wir meinen, dasz sich recht wohl ungezwungen(!) in solcher Weise das Räthsel lösen läszt.’

Commentaar is hier overbodig. - Wers glaubt, wird selig.

Met Dr. Rudolf Kleinpaul (Das Leben der Sprache und ihre Weltstellung, III, p. 425) kunnen wij m.i. gerust zeggen: ‘Der Hund liegt wohl da begraben, wo ein Schatz verborgen ist.’

Nog in een andere spreekwijze wordt de hond als bewaker van schatten voorgesteld. n.l. in Die hont sitt op sijn tassche (Meyer, Spreuken, bl. 26). Tuinman, die haar ook vermeldt, (bl. 168) voegt er het volgende aan toe: ‘Dit zegt men van een zeer deunen vrek, uit wiens beurs niet lichtelijk geld komt, als of'er gedurig een wachthond op zat’.

Merkwaardig is het, dat men in Aardenburg voor ‘den aap vinden’ nog zegt ‘den dooden hond vinden’ (Navorscher V, 239) voor: een onverwachten, buitengewonen schat vinden. Ook hier dus heeft men blijkens het bijv.naamw. dood aan het dier gedacht, evenals bij de door Dr. Verdam geciteerde aanhalingen uit Schuermans ‘hij heeft een dikken hond op zijde liggen; en uit Rutten: ‘zijnen hond loslaten’.

Met dit znw. hond (schat) wil Dr. Verdam ook in betrekking

[p. 261]

brengen de uitdrukking ‘het haar van den (ouden) hond er op leggen’. Hij redeneert aldus: de oude hond was het fijnste, dat de kelder opleverde, dat zorgvuldig was bewaard en slechts bij zeer zeldzame gelegenheden werd aangesproken, dus een extra-fijne flesch; te eerder kan Dr. V. tot deze verklaring overhellen, daar Bilderdijk mededeelt, dat men Rijnschen wijn om 't jaren lang onaangeroerd liggen den naam kelderwachter en zoo van ouden kelderhond gaf (bl. 142).

Laat ons zien, in hoeverre we hier den schrijver gelijk kunnen geven. - Terecht heeft Bilderdijk reeds gewezen op het oude volksgeloof (dat thans nog in Holland bestaat), dat men de haren van den hond, die iemand gebeten heeft, op de wonde moet leggen, om te genezen. Dat hij gelijk heeft is door Dr. Verdam overtuigend bewezen met een recept uit de middeleeuwen, ontleend aan een hs. dat aan Serrure heeft behoord, en met een plaats uit Ogier's Seven Hoofdsonden, aangehaald in De Cock's ‘Volksgeneeskunde’. Nog twee andere bewijzen wil ik er aan toevoegen. In het Jahrbuch des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung, V, worden bl. 61 vlgg. eenige fragmenten medegedeeld aus dem Gothaïschen Arzeneibuche. Op bl. 96 las ik het volgende: ‘Heft dy eyn davendich1) hunt ghebeten [so] dode den sulven hunt unde braet de leveren und gif de deme sulven mynschen ethen, unde braet ok des sulven hundes haer [unde legge yt] up de wunden unde laet dat dar up ligghen’.

De tweede bewijsplaats is te vinden in Een nieuwe tractaet ghenaemt dat Batement van recepten, Gheprent Tantwerpen, 15462) bl. 45: ‘Teghen het bijten van eenen dullen hont: Neemt van u eyghen water ende waster die wonde mede, ende dan neemt haer vanden selven hont ende legghet ende bindet seer wel op die voorschreven wonde.’

Het staat derhalve vast, dat het volk meende (en thans nog meent), dat men door hetzelfde dier genezen kon worden, dat

[p. 262]

de wonde had veroorzaakt. In ruimeren zin toegepast kon die uitdrukking beteekenen: zich genezen door hetzelfde, dat de kwaal heeft doen ontstaan, dus similia similibus. Stelt men nu den drank voor als een kwaadaardigen hond, dan zou men gedachtig aan dat bijgeloof, het wegnemen der schadelijke gevolgen van het te veel gebruiken: ‘het haar van den hond er op leggen’ kunnen noemen; dat was in dat geval: opnieuw beginnen te drinken, welk middel we bij Tuinman II, 12 vinden aanbevolen:

 
Verbuist des nachts te veel te drinken u den kop.
 
Zo legt er 's morgens weêr denzelven pleister op.

Daar men nu feitelijk opnieuw iets verkeerds deed, ontwikkelde zich de beteekenis nog verder tot voortgaan in zijn kwaad, zooals blijkt uit Huygens' Oogentroost, vs. 149 (zie bl. 140):

 
Soo siet mense door weeld' in weeld' op weeld' volherden:
 
Soo legghen s' alle daegh 't haer van den hond daer op.

Inderdaad werd in de kluchtspelen der 17de eeuw de drank, en vooral het bier, toenmaals de drank bij uitnemendheid, als een kwaadaardige, bijtende hond voorgesteld, zooals blijkt uit de uitdrukking: van den Delftschen hond gebeten zijn, d.i. dronken zijn. Men weet Delft was

 
Een stadt, daer welvaert was, en die haer leckre Bieren
 
Met groote menichte, door Neêrlant kon vertieren.

Dat het hondje dus juist uit die stad moest komen, is wel eenigszins te begrijpen, ofschoon het evengoed uit Rotterdam, Weesp, Haarlem of Nijmegen, waar ook bier gebrouwen werd, geboortig zijn kon.

Dat men in Vlaanderen eveneens bij een roes aan den beet van een hond gedacht heeft, blijkt uit hetgeen De Bo, bl. 437 vermeldt nl. van stokers hond gebeten zijn, d.i. dronken zijn. Dit dier als beeld der waakzaamheid voor te stellen mag heel natuurlijk wezen, evengoed kan de hond wegens andere wel

[p. 263]

bekende eigenschappen als het beeld van iets kwaads dienen. En dat dit geschiedt, blijkt o.a. uit de spreekwijze: ‘men moet geen slapende honden wakker maken’, waarmede men oorspronkelijk wilde zeggen: men moet een vergeten twist, niet weder oprakelen (zie Tijdschrift, X, bl. 118 vlgg). Wil men uitdrukken, dat de grootste moeilijkheden later zullen komen, dat men de slechte, nadeelige gevolgen van eene handelwijze nog zal ondervinden, dan zegt men: het hinkende paard of de hinkende hond komt achteraan, eene spreekwijze, die al zeer oud is. In het Amsterdamsche Liedeboek van 1589, waarover Dr. Joh. Bolte in het Tijdschrift X, 175-202 heeft gehandeld, wordt zij reeds aangetroffen:

 
Wijn, wijn, fijn eedelen wijn,
 
Sober wilt ghy ghedroncken zijn,
 
Anders so zijt ghy fenijn
 
En doet den hont wel hincken.

Ook in de uitdrukking ‘van het hondje gebeten zijn, d.i. trotsch, ingebeeld zijn, speelt de hond een slechte rol. Immers de volledige uitdrukking luidt ‘van het hondje van laatdunken gebeten zijn’, zooals Tuinman I, 348 reeds heeft beweerd, hetgeen later door Dr. Kalff in den Gids (1890) nog nader is bevestigd, en zooals ook blijkt uit Andrea de Piere, bl. 12:

 
O vaer! 't honckje van laet-dunckentheyd het jou al me ebeten.

Ten slotte bewijst de 17de eeuwsche uitdr. het zal er honden, waarvoor men ook zeide ‘het zal er vuilen’, voor ‘het zal er slecht voor u uitzien’, genoegzaam, dat hond toen ter tijde meermalen in slechten zin werd gebruikt. Er is dan ook geen bezwaar, om een roes met een bijtenden hond te vergelijken, en dat dit werkelijk geschiedde, blijkt niet alleen uit de uitdrukking ‘van den Delftschen hont gebeten zijn’ maar ook uit eene plaats bij Hans Sachs, te vinden in Grimm's Wtb. IV2, 1917:

 
O wie war ich nechten so vol
 
drumb thut mir heudt der kopf nit wol
[p. 264]
 
kan mich schier weder bucken noch regen
 
wil gleich des hars heindt uberlegen
 
vom hundt welcher mich nechten beisz.

Een roes van Delftsch bier kon derhalve zeer natuurlijk een Delftsche hond genoemd worden, zooals we o.a. lezen in het Eerste Nieu Amoreus Liedtboeck, t' Amsterdam ghedruckt by Hendrick Barentz, anno 1605, bl. 97:

 
Heeft u den Delfsen hont gebeten,
 
Of die van Hamborch gans doorgeten,
 
Of den Engelsman gesmeten,
 
Wijn is een Medecijn.

en bij Coster, Tysken v.d. Schilden vs. 805:

 
Waert. Proeft een reys hoe datje dat mout mont.
 
Boer. Ick sou soo wel ghebeten worden van de Delfsche hont.

De boer zegt, dat hij er wel zoo veel van zou willen drinken, dat hij dronken werd. De uitdrukking heeft dus reeds een algemeene beteekenis gekregen, waarbij men niet bepaald aan Delftsch bier behoeft te denken.

 

Had men nu 's avonds te veel van dat bier gedronken, en ondervond men 's morgens de onaangename gevolgen er van, had men een kater, was men katterig, gevoelde men katzenjammer, zooals de bierdrinkers bij uitnemendheid zeggen, of had men pijn in 't bollement en knaagde de bolworm, zooals onze voorouders het uitdrukten, welnu men nam een pierenverschrikkertje (Noord en Zuid X, bl. 339), om dien worm te verjagen en begon dus opnieuw te drinken, in de meening hierbij baat te zullen vinden, zooals zeer duidelijk blijkt uit D. Pers, Wonderwercken van Bacchus, t'Amstelredam, 1628, bl. 34:

 
Een Vorst, die seer gewoon met Jonckers plach te toeven,
 
En altijd in den wijn te plenghen en te schroeven,
 
Sat met den hand in 't hoofd, en klaeghde van de pijn,
 
In 't dolle bollement, door 't suypen van den wijn.
[p. 265]
 
Hy vraeghde synen Sot, hoe dat hy mocht genesen,
 
Of voor dien krancken kop geen Medicijn kost wesen?
 
Ja, sprack de loose Narr', ick weet een goede vond
 
Gaet legghen op dit zeer, 't hayr van den ouden hond.
 
De Vorst segt, so de pijn dan evenwel bleef duren?
 
Al wederom aen 't vocht, en volght u oude kuren.
 
Of evenwel dan 't hoofd noch raeckten opter loop?
 
Al wederom aen 't nat, en op de oude koop.

Men moest er dus het haar van den ouden hond opleggen, dat blijkens oude kuren en oude koop hier niet anders kan beteekenen, dan dezelfde, zooals men volgens getuigenis van den Heer Eymael nog in Brabant zegt. Van verwarring, zooals Dr. Verdam meent (bl. 144), behoeft hier dan ook geen sprake te zijn. Nog een ander bewijs, dat men met oude niet oud van jaren doch dezelfde bedoelde, levert G.C. van Santens Lichte Wigger, Leiden, anno 1617, bl. 7 r:

 
De waerd comt uit:
 
 
 
Go'en avond Monsieurs. D.J.: jou oock soo:
 
Wy comen we'er om 't hair van den eighen hond.

Gelijk men uit de voorbeelden ziet, werd niet gezegd ‘het haar van den hond er op leggen’, doch ‘het haar van den ouden, eyghen, denzelfden hond’; en nu mag Huygens in Oogentroost een dezer adjectieven er niet bijvoegen, die eéne plaats uit 't jaar 1647, bewijst tegenover de twee andere uit de jaren 1628 en 1635 niet, dat Huygens de oorspronkelijke zegswijze gebruikt, gelijk Dr. Verdam meent (bl. 143). En al mogen in andere talen deze bijv. naamwoorden eveneens ontbreken, in de meeste wordt het begrip oud (= dezelfde) toch wèl uitgedrukt; vgl., contre morsure de chien de nuict le mesme poil très bien y duit; du poil de la bete qui te mordit1); take a hair of the dog, that bit you2).

[p. 266]

Langzamerhand zien we in de kluchten de uitdrukking eenigszins veranderen, hetgeen gemakkelijk te begrijpen is, daar men den oorsprong begon te vergeten. Men wist, dat ‘het haar van den ouden hond’ er op leggen beteekende ‘opnieuw beginnen te drinken van hetzelfde, dat men den vorigen avond had gebruikt’, en nu liet men het eerste gedeelte weg en sprak ook alleen van den ouden hond, in de beteekenis van het oude bier of den ouden wijn. Zoo lezen wij in de klucht: De vryer in de kist, 2de druk, J. Lescailje, 1704, bl. 221):

 
Hoe hebben we mekâar nae 't gat ezeeten
 
Mit fluiten en drielingen en dat al van den ouwen hond,
 
Boorde vol eschonken, en schoontjes eleegt tot de grond.
 
't Was of we ons ryk zouwen drinken.

en Broershert, kluchtspel door A. Leeuw, anno 1668, bl. 13 v:

 
Nou meester, lustig eens geschonken,
 
En van den ouwen hondt gedronken
 
Op 't goet verdrag van 't lieve paar,
 
Mijn Heer Reinier met Juffrouw Klaar.

Natuurlijk kon deze naam oude hond al spoedig aanleiding geven tot verwarring, nu hij van het eerste gedeelte der spreekwijze was gescheiden; men begon dan ook oud op te vatten als oud van jaren. Wellicht heeft dit adjectief die beteekenis reeds op de twee geciteerde plaatsen, doch uit het verband is het niet op te maken. Duidelijk blijkt deze nieuwe beteekenis evenwel uit de klucht van De Bekeerde Dronkaard, Amsterdam 1691, bl. 31, waar Gozewyn, dronkende zynde, roept:

 
Geen nieuwe Wyn, breng van de oude hond, 'k moet men keel noch eens smeeren.

Op bl. 9 komt deze uitdr. nog eens voor; ook hier zal men

[p. 267]

met het oog op deze plaats het adjectief oud wel in bovengenoemden zin moeten opvatten. Ze luidt:

 
Breng eens een Bottelje van de oude Hond binnen.

Dat met ‘oude hond’ op deze plaats oude wijn bedoeld wordt, blijkt uit hetgeen Gozewyn zegt, als de knecht antwoordt, dat de kelder op slot zit:

Kom, ik moet evenwel Wyn hebben, je maakt hoe je 't maakt. Eindelijk nog eene plaats uit De ontrouwe kantoorknecht en lichtvaardige dienstmaagd. Amsterdam, bij A. Magnus, 1685 (Van Vloten, Kluchtspel, III, bl. 251):

 
De grootste kenners zijn
 
Meer liefhebbers van een beker van den ouden hond als van die
 
malle, platte nieuwe wijn.

Vergelijk ook de door Dr. Verdam vermelde plaats uit Krelis Louwen, waar eveneens oude hond niet anders kan beteekenen dan oude wijn.

Het staat derhalve vast, dat men in de 17de eeuw onder ouden hond ouden wijn (of bier?) verstond. Was de wijn niet oud, dan kon men hem eenvoudig hond noemen (vgl. Delfsche hond), zooals de Duitschers ook eene soort bier dien naam geven1), En hoewel ik niet kan bewijzen, dat hond alleen staande in dien zin voorkomt, meen ik toch eene aanwijzing hiervan te vinden in eene spreekwijze, opgeteekend bij Harrebomée I, 318: Het is een wrange hond, zei de boer, en hij dronk bij vergissing een flesch wijnazijn voor rijnwijn leêg. Gebruikte men inderdaad dien naam voor wijn, dan is de naam kelderwachter of oude kelderhond, waarvan Bilderdijk melding maakt in zijne aanteekening op Oogentroost, vs. 149, gemakkelijk te herkennen als een product van het volksvernuft.

 

Amsterdam.

f.a. stoett.