Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 12


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 12. E.J. Brill, Leiden 1893  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 268]

In hoeverre het type ‘slenderhinke’ in P. Langendijks ‘Zwetser’ oorspronkelijk is.

Bij de behandeling van den invloed der buitenlandsche letterkunde op Pieter Langendijk schrijft Dr. C.H.Ph. Meijer op bladz. 45 van zijn Proefschrift ‘Pieter Langendijk, zijn leven en werken’: ‘De Duitsche litteratuur kunnen wij buiten beschouwing laten; zij leverde geene werken op, die in onze letterkundige kringen weerklank vonden of er doordrongen; zeker vindt men althans bij Langendijk er geen spoor van’.

Deze zekerheid heeft den Heer Meijer bij de behandeling van ‘de Zwetser’ op een dwaalspoor gebracht, waarop hij zich ook nog bevindt in de onlangs verschenen uitgave van genoemd kluchtspel in 't Klassiek letterkundig Panthéon van W.J. Thieme en Cie te Zutphen. Hij heeft waarschijnlijk, toen hij het bovengenoemde ter neer schreef, meer uitsluitend gedacht aan die litterarische werken, welke in de Hoogduitsche taal zijn verschenen en daardoor er minder op gelet, dat vele dichters der 17e en 18e eeuw nog voorliefde voor het dialect hadden en daarin schreven. Wij herinneren slechts aan de ‘Geliebte Dornrose’ van A. Gryphius, aan de ‘Scherzgedichte’ van Lauremberg, aan de dramatische werken van J. Rist en aan den ‘Bauer mit der Erbschaft’ van Krüger, hetwelk Lessing in de Hamburgische Dramaturgie bespreekt. Dat de Platduitsche litteratuur, ten minste gedeeltelijk voor de Nederlandsche lezers uit de dagen van P. Langendijk gewilde lectuur was, zou men reeds uit de veelvuldige drukken van eenige kluchten, die o.a. in 1661 en 1687 gezamenlijk als ‘Den Westvaelschen Speelthuyn’ te Amsterdam en te Utrecht zijn uitgegeven, kunnen en mogen afleiden. In dezen ‘Westvaelschen Speelthuyn’ zijn de volgende kluchten opgenomen: 1o. ‘De Historie van Slenner-Hincken Landlaup, Hellenvaurt un Juffrenhijlk’, 2o. ‘Tewesken Hochtijdt’, 3o. ‘Tewesken Kinder-

[p. 269]

behr’, 4o. ‘De Historie van Lukevent of 't Samenspraeck van Knubbe, Stortentuen un Lukevent’, 5o. ‘Een Overijsselsche Vrijagie van Lubbert Boukslach unde Smudde-Mulen Swenne’. No. 1, 3 en 4 zijn later nog herhaaldelijk o.a. in 1701, 1709, 1719, 1730 en 1761 te Amsterdam uitgegeven. Niet alleen in Holland, maar ook in Friesland vonden deze kluchten bijval, zooals blijkt uit ‘Waatze Gribberts Brilloft’, dat eene vertaling van ‘Tewesken Hochtijdt’ en ‘Tewesken Kinderbehr’ is.

Voor de studie van Langendijks ‘Zwetser’ is alleen de ‘Historie van Slenner-Hincke’ van belang. Slechts enkele details kunnen doen vermoeden, dat L. ook de ‘Historie van Lukevent’ gelezen heeft. Had Dr. Meijer bovengenoemde klucht gekend, dan zou hij in zijn oordeel over den invloed der Duitsche litteratuur op P. Langendijk voorzichtiger zijn geweest. Hij beschouwt nl. den ‘Zwetser’ als eene vrije navolging van Izaak Vos' ‘Klucht van de Mof’ en wijst op de veranderingen, die door L. zijn aangebracht. De gedachte, dat onze blijspeldichter nog uit eene andere bron kan geput hebben, schijnt niet bij hem te zijn opgekomen. Doch geven wij Dr. M. zelf het woord: ‘Wat de vinding betreft, Langendijk heeft in deze klucht zeer vrij nagevolgd die van den Mof van Izaak Vos. Eigenlijk is volgen hier het woord niet; wie genoemde zeer platte klucht leest, zal zien, dat er een groot verschil bestaat, niet alleen in den vorm, maar ook in den inhoud. In den Mof komt een “Hanneke de meijer”, genaamd Jochim, bij een schoenmaker, wordt als knecht aangenomen, werpt zich bij de dochter als minnaar op, doch wordt door haar en den leerjongen, haar vrijer, voor den gek gehouden, en door den vader weggejaagd. Overeenkomst in den inhoud zien wij in het hoofdmotief in zooverre, dat een mof door den vader eerst goed opgenomen, later weggejaagd wordt; verder dat de Duitscher dingt naar de hand van de dochter en zich bij het meisje afschildert als zeer rijk. Enkele details bewijzen, dat Langendijk de klucht van I. Vos kende. Bij dezen

[p. 270]

vinden wij ook de beschrijving van de reis en de zeeziekte, waarbij sommige uitdrukkingen bijna geheel dezelfde zijn; doch bij Vos is de zeeziekte zeer omstandig beschreven, bij Langendijk, minder walgelijk, in enkele regels. Ook het drinken van azijn in plaats van wijn, en het uitspuwen er van, dat bij Langendijk voorkomt, vinden wij terug in het drinken van olie door Jochim, en de daaropvolgende onpasselijkheid. Doch Langendijk heeft er verscheiden nieuwe personen ingevoegd, en om den kern eene geheel andere geschiedenis gemaakt’.

Wij willen niet onderzoeken, in hoeverre Langendijk aan de ‘Klucht van de Mof’ gedacht heeft, toen hij zijn ‘Zwetser’ schreef, ook niet of ‘Hans Yservresser, een Hoogduytse Joncker’ in het zinnespel ‘Iemant en Niemant’ van Vos hem voor den geest gezweefd kan hebben, maar alleen aantoonen, dat Langendijk de beschrijving van de reis en de zeeziekte van Slenderhinke in het 19e tooneel van zijn ‘Zwetser’ zeer goed kan geschreven hebben, zonder ooit de ‘Klucht van de Mof’ te hebben gezien. Het zal dan blijken, dat het door Dr. M. aan de reis en de zeeziekte ontleende argument al heel weinig waarde heeft. Wij zijn echter vooraf zoo vrij onzen lezers in herinnering te brengen, dat in L.'s ‘Zwetser’ Slenderhinke, een Westfaalsche grasmaaier, dienst genomen heeft bij Hans Zwetser, die dingt naar de hand van Izabel, eene dochter van Ernst, ‘een edelman van burgerlijken staat’. Slenderhinke heeft het voorbeeld van zijn meester gevolgd en het hof gemaakt aan Katrijn, de meid van Izabel. Deze houdt zich alsof zij de huldigingen van den Westfaalschen grasmaaier zeer prettig vindt en geneigd is met hem te trouwen. Slenderhinke begrijpt in zijn eenvoud niet, dat zij hem voor den gek houdt en trotsch op zijne vermeende verovering wenscht hij den anderen aanwezigen moffen, waaronder Wessel, een dergelijk geluk toe. Hij drukt zich in het 19e tooneel van Langendijks kluchtspel aldus uit:

 
‘'k Ben noe geen Slenderhink, maar 1jonk'ren hennendrek,
 
Ik zol noe overal mit stoan op mien rompspek.
[p. 271]
 
Doe 2joff'ren deers, mit oe slepstarten altomoalen,
 
Hebt stoe kein zin om ook nen jonkren oet Westfoalen
 
Te trouwen? tast noe to, 't zint Wessels hups ond stark.
 
Wat stoan mien schonken los’.

Als Ernst hem dan verzoekt eens te willen vertellen ‘bij wat okkazie’ hij uit Westfalen in Holland is gekomen, verneemt men het volgende verhaal:

 
Slenderhinke: ‘Bij wat karosje? 'k liep to veut,
 
'k Heb kein karosje nog kein woagen jo ontmeut.
 
'k Ben 3met een hennigheit oet mien voars hoes 'ekeumen,
 
Ond heb den holster, met de graswan, mit eneumen,
 
Ond liep jo recht oet naar een 4suverlike stat,
 
Woar in het volk, as hier, jo roare noamen had:
 
Loat zeen, 5Zwoleerzen; moar ik gink van doar vertrekken,
 
Ond voer toen in een schip, 6op einen grauten bekken;
 
Dat was de Zuuderzee, een grooten wieden plas,
 
6Dolkoppig woter, dat nig stil te moaken was;
 
Ond 'et begon mik doar 7to grouw'len in den balge.
 
Ik sprak den 8voerman an, ond zei, doe 10deef, de galge
 
Is voor oe nog te goed, 9woar veur stoe goe leun hen?
 
Weet stoe nig, 10teuvenaar, dat ik Slendrinke ben,
 
11Hier is noe land, nog zand, nog hoes, nog driet, nog beumen,
 
12Woar zol stoe rekkel, op een regte weege keumen?
 
10 In al den angste stond de teuvener en zonk,
 
Terwijl 13et etten mik vast oet den balge gonk,
 
'k Spyde ook een luttik greun, ond 'k hef nigt greuns 'egetten.
 
14Toen roakten ik in sloap, totdat den morgen kam,
 
Ond zag jo, de eerstemaal dit 15graute Haspeldam,
 
Dit Amsterholland; dat verbliede mik de zinnen,
 
Toen docht ik: Hinke, doe solst dikke doalders winnen:
 
Moar toen ik hier kam, vond ik wark, noch nicht nen driet.
 
Ond liep toen noar nen stat, die 't volk 16den Hoagen hiet,
 
Doar al 17de beuvenste von zevven lande weunnen,
 
Ze zeiden mik, doar zal 'k nen 18voerman worden keunnen,
 
Ond voeren 2juffers met slepstarten aan het gat
[p. 272]
 
In golde woagens met vier peerden deur de stadt.
 
'k Vond 2zo veul juffers in nen Hoage op alle weggen,
 
Dat 19ik er jo wol ein te gevve had 'ekreggen:
 
20Moar 'k vond nigt einer zo geleerd die mik verstoan
 
Of mit mik sprekken kon. Zie hinnikten mik oan’ ....

Dit geheele verhaal vinden wij bijna woordelijk in de ‘Historie van Slenner-Hincke’. Aangezien Langendijk zijn kluchtspel voor het eerst in 1712 uitgaf en de oudste ons bekende druk van de ‘Historie van Slenner-Hincke’ reeds in 1661 verscheen, valt aan de prioriteit van laatstgenoemde klucht niet te twijfelen. Mocht men aan een nader verband tusschen de Westfaalsche klucht van Slenner-Hincke en het hierboven aangehaalde uit Langendijks Zwetser twijfelen, dan vergelijke men de volgende citaten uit eerstgenoemde met het verhaal dat Langendijk zijn Slenderhinke laat doen. De gelijke nummers wijzen de overeenkomstige plaatsen aan.

1.In het 3e bedrijf van de ‘H.v. Sl.-H.’ zegt deze: ‘sey heten mick im Hollenlanne Hennendreck. In hetzelfde bedrijf wordt hij als ‘Juncker Hennendreck’ aangesproken.
2)vgl. o.a. ‘ick loyve anners nicht dat dei Jonckeren und Jufferendeirs in dem Lanne upper wilgen wasset, et lopter soo volle Rebbendreggers un slepsterte.
3.vgl. o.a. ‘Kwil mit ne hennicheyt by em im huse gahn’. De juiste beteekenis van dit ‘met een hennigheit’ verlaten van het vaderlijk huis begrijpt men eerst, wanneer men de ‘H.v. Sl.-H.’ kent. Sl.-H. gaat heimelijk naar Holland, omdat zijne ouders hem anders niet zullen toestaan daarheen te vertrekken. Bij Langendijk begrijpt men het waarom niet.
4.Deze uitdrukking gebruikt Sl.-H.o.a. later, wanneer hij van Haspeldam (Amsterdam) spreekt: ‘hae ick saune suyverlijcke stat achter den scheppen nich seyn liggen’.
5.‘men de Leuper (met wien Sl.-H. naar Zwolle liep) sedde de Lue de inner Stadt wonden, dat wehren Swollesche of Swoleyrzen’.
6.vgl. ‘men ick loive et Groslansche water moht dul im
[p. 273]
koppe wessen, et steyt un schumet un sleyt sich selvest vom rasenen sinne, im grohten Beken’. ‘Sau was desse wech upper grohten Becke auck’.
7.vgl. ‘as ick sou sit un spenteseire, begon mick 't herte soo im balge tho growelen’.
8.Deze vergelijking van den schipper met een voerman komt eerst tot haar recht, wanneer men de westfaalsche klucht leest. Sl.-H. is Westfalink en heeft nog nooit de zee gezien, evenmin een groot schip. Hij vergelijkt het door den storm in beweging gebrachte schip met eene merrie, die door een doorn onder de staart wild is geworden en den schipper met een voerman, die tevergeefs tracht het dier te betoomen: vgl. ‘dattet Schip so moutwilligh wart un sprang achter un vor up, asne Meyren dei nen dorne onneren sterte ebonnen is, un dat was et meiste wonner, dei Voyrman, ha nene Sweppe, un ha dem Schepe im eyrse teumet, un ha ne leylijne am stert ebonnen, un stont auck immer bym sterte tho dreyen .... dahr vinck et Schep an tho wepsterten un spranck achter un vor as ne Kau de bisset, do was ick lickers banghe, 't schol den Vourman entlopen hebben.
9.vgl,: ‘woe hestu goe Lue vervohrt’.
10.ook in de ‘H.v. Sl.-H.’ wordt de schipper, behalve een voerman, een toovenaar genoemd: ‘de Voyrman was ne Toyvenaer, dat weyt ick encke, in al dem anghste stont dessen Deyff un zonck, dat em de hals krackede’.
Dr. Meijer verklaart dit ‘un zonck’ aldus1): ‘d.w.z. in zijn oog, omdat hij draaierig werd’. Uit de ‘H.v. Sl.-H.’ blijkt, dat deze interpretatie niet deugt. De schipper liet zich door den angst en het schelden van Slenner-Hincke niet uit zijn humeur brengen, integendeel hij zong een liedje.
11.vgl. ‘hyr is noch Bos, noch Baum, noch Speir, noch Bult, noch nich nen dreyt’.
[p. 274]
12.vgl.: ‘wahr ten duyvel wultu wijr uppen rechte wegghe kommen’.
13.vgl.: ‘begon mick 't herte soo im balge tho growelen, ten werde nich lange dar nah de wehrstraum quam .... un (ik) schickede mick tom spijen, doe wol 't eirst of ick nich den darmen im balggen schol ehaulen .... doe wolt im balge nich elos, ten lesten quammer luttick greunes uth, un 'k hebbe mijn levvedage nich greunes evretten’.
14.vgl.: ‘wen ick nich im slape komen hae’.
15.vgl. ‘'t Is enkede wahr dat ick ju vanner grothen Mourstat seggen schol’. ‘Dat kon ick in 't eirste nich wol im koppe krijgen, dahr na enthijl ick et bym Hanekam, sei het Haspeldam’.
16.Men vraagt Sl.-H.: ‘men Hinke wo hettet groute Dorp?’ Sl.-H.: ‘Dat heyt im Hagen’.
17.vgl. ‘dei Bovvenste van den sevven Lannen’. Langendijk vat ‘de beuvenste’ anders op dan de schrijver van de westf. klucht. Deze verstaat onder den ‘Bovvenste’ den ‘Prinsheyr’ ‘den bovvenste van alle Schabben, den Krijgermeister’, dus den stadhouder; L. niet één, maar meer bestuurders der ‘zevven lande’.
18.Men vraagt Sl.-H., of hij ‘nen Voyrman van wagen wessen wol’.
19.vgl. ‘ick woller wol eine tho gevve kreggen hebben’.
20.vgl. ‘de keirl was sau deipe nich eleiret dat he mick verstahn kon’.

Men ziet dus, dat Langendijk in het verhaal van de reis van Slenderhinke uit Westfalen naar Holland al heel weinig oorspronkelijk is. Hij heeft hetgeen hij in de ‘Historie van Slenner-Hincke’ gelezen had, eenvoudig in rijm gebracht en was daardoor genoodzaakt hier en daar eenige verandering in de volgorde aan te brengen. Dit is behalve een paar woordspelingen van eigen vinding nagenoeg zijn eenige verdienste.

De billijkheid tegenover Dr. M. verplicht ons ook het verhaal van Jochim Bueleke in de ‘Klucht van de Mof’ van I. Vos af te drukken:

[p. 275]

Jochim Bueleke uyt het Veerschip van Zwol koomende, spreeckt:

 
‘Dat wolde Godt ont nimmer keen olt wijf,
 
Tom suke noch toe, woo seer deyt mick et lijf,
 
Als wen ick geroodert weer, mijn doogen kaam ick nicht wedder too scheepe,
 
I tommelde sick eft et dol weer, ont hat soo ein seltzeme greepe
 
Im maarse, dat ihm de hoore te barge stonden, ick reep tom suke,
 
Schipman, schipman, holt stille, wat let dick too vlueke,
 
Doe blinde humlingh seed he, kan stu et moel nicht holden?
 
Ick sweegh ydel stil, man ick dacht wy scholden
 
Al ons doogen nicht wedder too lande kaamen,
 
Den vorwoor de scheepkneghten hedden al de seegels ingenamen,
 
Soo greslijck saaghet door oet, on dat mick opt meyst brude,
 
Ick hed soo eyn hechtken speck gevreeten, ont al de lude
 
Die lachede oft se roosende dol weeren, ick vroochde en woorom,
 
Dat weerste wol wijs worden seden se, kom
 
Man eyn luttick wyder in see, dat speck motter wedder oet,
 
On eyn stunde er twey dar noo kreegh ick soo eyn gril aver de hoet
 
Dat ick swart om gen kop wert, ick spuegh al wat ick int lijf hat,
 
Man 't is mick wol hondertmool leet dat ickt nicht wedder op vrat,
 
Aber twas nicht mochlijck eft ickt schoon doen wolt,
 
I twas to mool hubsch swijne vleesch, soo geel as eyn dukoten golt,
 
't Was verwoor to euvel, soo as die besuckede wint weyde,
 
Soo ongestuym ont soo heslijck, dat ihm de oogen im kop verdreyde.
 
Noe dats tot door toe, herneughst queemen wy by dusse Stat,
 
Ick wust by mijnder arme seel nicht beeter, den dat
 
Ick een wolt, oder eyn woestijne vor my hat, ont et weren ydel schepen,
 
Ick dacht de hosekoppen hebt oock seltzeme greepen
 
Im moorse, se muegense wol oet schyten,
 
Mit beguntse alle toogels ont seegels los too rijten,
 
Dat help de goe Gott seed ick, noe bin ick oet al mijn noot,
 
On wy steegen doe in eyn melck nap, die weer koem sesteynde part soo groot
[p. 276]
 
Wiet ander, on et weer stickkende voll,
 
Ick meen dat ick in angst weer, su door ick woll
 
Der wol eyn stijgh doolder om geven hebben, hat ik er oet gewest,
 
Ick dacht ick slaght de vette swijnen, ick bin noe al oet emest,
 
Toch onse Herre God halp mik der noch oet, wo door bit mick een loes’.

Eene vluchtige vergelijking der reisbeschrijving van Vos met die in het 19e tooneel van Langendijks ‘Zwetser’ en die in de ‘Historie van Slenner-Hincke’ zal reeds in het oog doen vallen, dat Langendijk niet van de ‘Klucht van de Mof’, maar van de ‘Historie van Slenner-Hincke’ een zeer vrijmoedig gebruik heeft gemaakt. De omstandigheid, dat Langendijk zijn Westfaalschen grasmaaier Slenderhinke en niet Jochim Bueleke noemt, pleit eveneens voor deze stelling.

Vraagt men ons naar de verhouding tusschen de ‘Klucht van de Mof’ en den ‘Westvaelschen Speelthuyn’, dan zouden wij kunnen antwoorden, dat naar onze meening Vos evenals Langendijk den ‘Speelthuyn’ gekend heeft. Zeer waarschijnlijk zijn al de 5 kluchten, die in deze verzameling opgenomen zijn, reeds vóór 1644 (toen de ‘Klucht van de Mof’ voor het eerst verscheen) in het licht gegeven, ook de ‘Historie van Slenner-Hincke’, waarvan ons geen oudere druk bekend is, dan die van het jaar 1661. Blijkt ons vermoeden juist te wezen, dan zouden de plaatsen in de ‘Klucht van de Mof’, welke met die in de verschillende kluchten van den ‘Speelthuyn’ overeenkomen, te verklaren zijn uit het feit, dat Vos deze gekend heeft.

Wij mogen ons artikel niet besluiten, voordat wij de volgende woorden van den Heer T.Z. Mehler uit zijn ‘Pieter Langendijk’ geciteerd hebben: ‘Toch heeft het stukje (nl. de Zwetser) langen tijd veel bijval gevonden, in de eerste plaats wel om de brabbeltaal van Hans en zijn knecht Slenderhinke. Zelfs de eer hiervan heeft men onzen dichter misgund. In een brochure van den acteur-auteur M. Westerman van het jaar 1816, getiteld: ‘Aan de Schrijvers van het tijdschrift de Too-

[p. 277]

neelkijker’ lezen wij o.a. het volgende: ‘Hetgeen hij (Langendijk) Slenderhinke in den mond legt, is overgenomen uit een boeksken, getiteld Het leven van Slenderhinke, gedrukt op dezelfde wijze als Het leven van Clement Marot, Duifkens en Willemijnkens pelgrimagie, en meer andere werkjes van dien aard, in vroegere dagen bij alle boekkramers te vinden’. Zooals men ziet is de Heer Mehler op den goeden weg geweest. Toch heeft hij den juisten samenhang tusschen Langendijks Slenderhinke en den oorsprong daarvan niet gezien, zooals blijkt uit zijne woorden: ‘Zelfs de eer hiervan heeft men onzen dichter misgund’. Westerman spreekt over een ‘Leven van Slenderhinke’. Wij weten niet of hij daarmee een ander boek bedoelt, dan de ‘Historie van Slenner-Hincke’. De overeenkomst in formaat en druk tusschen laatstgenoemd boek en ‘Duifkens en Willemijnkens pelgrimagie’ zou tegen deze mogelijkheid pleiten.

Toch houden wij het bestaan van een ‘Leven van Slenner-Hincke’ zeer wel voor mogelijk, zelfs niet voor onwaarschijnlijk. In de laatste helft der vorige eeuw is nl. een ‘Voorlooper van Gedenkschriften, behelzende het Leeven van den Jongen Slennerhincke en zijne Gemaalin Souillone Salopje, Geboortig van Nonchalante’ verschenen. Voordat de schrijver van dezen ‘Voorlooper’ met het verhaal van de avonturen van den jongen Slennerhincke begint, vermeldt hij kortelijk die van den ouden en zegt o.a., dat de ‘bijzondere bejegeningen en wetenswaardige lotgevallen van dezen alleen een boek zouden vullen zo dik als de Pandecten van Justiniaan’. Van de ‘bejegeningen en lotgevallen’, die dan opgesomd worden1), vinden wij in de ‘Historie van Slenner-Hincke’ niets. De mogelijkheid, dat er nog een volksboek over Slenner-Hincke heeft bestaan, het-

[p. 278]

welk ons echter tot nu toe onbekend bleef, is dus volstrekt niet uitgesloten. Of Langendijk uit dat boek geput heeft, komt ons evenwel na bovenstaande vergelijking tusschen het verhaal van zijn Slenderhinke en de ‘Historie van Slenner-Hincke’ reeds a priori twijfelachtig voor.

 

Goes, Jan. '93.

a. postma.