Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 13


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 13. E.J. Brill, Leiden 1894  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 95]

Vondeliana

Vondel als vertaler

IV

De vertalingen uit het Latijn staan, wat juistheid betreft, boven die uit het Grieksch. Eene vergelijking met de origineelen leert ons, dat het aantal onjuist of verkeerd vertaalde verzen in de eerste veel geringer is dan in de laatste. In de vertaling van Hippolytus, Sophompaneas, Virgilius' werken en in die der Metamorphosen komen betrekkelijk weinig plaatsen voor die verkeerd zijn vertaald. Gewoonlijk heeft Vondel den zin wel gevat en geeft hij dien met meer of minder getrouwheid terug; het trouwst in de proza-vertaling van Virgilius, met de meeste vrijheid in de vertolking der Metamorphosen.

Voorbeelden van onjuiste vertaling geven b.v. deze verzen uit Sophompaneas:

 
't Ondraeghelijcke pack van dit grootmaghtigh Rijck
 
 
 
En al de last van 't land .........
 
...... leunt op my, en niemants schouders meer

(ed. Unger).

De Groot zegt slechts (vs. 9-12):

 
Tantique regni quicquid a Meroe jacet
 
Adusque littus ........
 
....... corde sollicito sedet.

Overigens komen in dit stuk slechts enkele verkeerd vertaalde regels voor; men vergelijke nog vs. 263-264

 
Verhoende datze (de harten) niet en werden
 
Wanhoopigh door al 't hartewee
[p. 96]

In 't Latijn:

 
et cavet
 
Ne marcore (situm) pectora contrahant

Ook nog vs. 560-562 en vs. 705.

In de vertaling der Metamorphosen II, vs. 79 heeft V. de woorden van Apollo tot Phaëthon: ‘utque viam teneas nulloque errore traharis’ verkeerdelijk vertaald door: ‘.... en om spoor te houden in het zwieren // Is al de baen gemerckt.’

Ook de regels uit de fraaie beschrijving van den Slaapgod (XI, vs. 620-621):

 
Summaque percutiens nutanti pectora mento
 
excussit tandem sibi se, cubitoque levatus

zijn verkeerd vertaald door:

 
Hy knickebollende, en nu langhsaem opgeschooten,
 
Sloegh voor zyn borst en gaf zich endelijck om hoogh1)

De regels uit het ‘Armorum judicium’ (XIII, 16 seqq.):

 
.......... sed demit honorem
 
Aemulus

zijn door V. verkeerd vertaald met:

 
....... maer dees beneemt door treken
 
Uit afgunste Ajax al zijn eer, door 't zwaert behaelt.

Zoo is het ook met enkele andere plaatsen.

Vaak geeft Vondel in zijne vertaling den zin slechts ten naaste bij weer, gelijk in de vertaling der Metamorphosen, I, 845, waar de regels:

 
............ verhaelme kort
 
Hoe is het pijpspel, dat noch nieu is, eerst gevonden

niet geheel het oorspronkelijke (vs. 687) weergeven:

[p. 97]
 
....... quaerit quoque, namque reperta
 
fistula nuper erat, qua sit ratione reperta

daar V. de opmerking van Ovidius in den mond van Argus legt. Andere voorbeelden van verzen die zeer vrij zijn vertaald vindt men o.a. II, 50, 92; III, 175-176; VIII, 935; XIII, 38-39; 1153 (vgl. in het oorspronkelijke II, 39, 68; III, 145; VIII, 679; XIII, 26, 826)1).

Het is niet moeilijk regels aan te wijzen, waar Vondel beneden zijn voorbeeld is gebleven. Zoo b.v. waar hij in Hippolytus (vs. 41) de woorden: ‘dum lux dubia est’ vertaalt door: ‘Terwijl ons toeblaeckt Tithons vrou’, waar de personificatie van den dageraad geheel uit het oog is verloren. Waar hij in het Achtste Boek der Metamorphosen: ‘dique sumus’ vertaalt door: ‘wy allebey zijn Goden’ (vs. 689 = vs. 946) en in de fraaie beschrijving van den Honger de woorden: ‘ventris erat pro ventre locus’ (vs. 805) door: ‘de buick geleeck geen buick met allen’ (vs. 1094). Echter zou men waar, gelijk hier, veel schoons valt te waardeeren, zulke vlekjes niet behoeven te tellen, indien Vondel niet zoo dikwijls zijne fraaiste passages door stopwoorden had ontsierd. Men treft deze stopwoorden, die grootendeels rijmlappen zijn, overal aan; in de proza-vertalingen slechts zelden. Ook schroomt Vondel niet ze daar aan te wenden, waar de gansche vertaling daardoor onjuist wordt.

Zoo verliest het schoone slotvers van Virgilius' eerste Ecloga: ‘maioresque cadunt altis de montibus umbrae’ een groot deel van zijne kracht in de verwaterde vertaling:

[p. 98]
 
En d'avont (want de zon gaet onder in het meer)
 
Valt van het steil geberght met grooter schaduw neêr.

Juist dat toevoegsel, die rijmlap in den voorlaatsten regel neemt de Virgiliaansche fijnheid weg, waarmede hier het vallen des avonds is aangegeven. Vondels platte en nuchtere motiveering heeft al het suggestieve van het Latijnsche vers vernietigd1).

Elders mist men een noodig of teekenachtig epitheton: zoo in Metam. II, 20 (waar van Phaëthon sprake is): ‘intravit dubitati tecta parentis’ door V. vertaald (II, 25-26):

 
Zoo dra Klimeenes zoon den drempel op quam treden
 
In zijn heer vaders hof.

Zoo ook in III, 153, waar nodosa lina slechts door netten (III, 188) is weergegeven.

In de beschrijving van den strijd tusschen Cadmus en den draak lezen wij (Metam. III, vs. 35 seqq.):

 
quem postquam Tyria lucum de gente profecti
 
infausto tetigere gradu, demissaque in undas
 
urna dedit sonitum, longo caput extulit antro
 
caeruleus serpens

In Vondels vertaling (III, 46 volgg.):

[p. 99]
 
Toen Tirus ballingen het naere wout genaeckten
 
En met hun watervat de bron en 't water raeckten,
 
Verhief de blaeuwe draeck den kam in 't naere hol

Afgezien van het pleonastische ‘de bron en 't water’, heeft in Vondels vertaling het even kernachtige als beeldende: demissaque in undas urna dedit sonitum’ veel verloren; de vermelding van het gedruisch door den neergelaten emmer in 't water veroorzaakt, kan bezwaarlijk gemist worden in verband met het opwaken van den draak.

In het verhaal van Philemon en Baucis heeft Vofndel het geestige: ‘eodem argento crater’ niet weten weer te geven door zijn: ‘al eene stof’ (VIII, 669, bij V. 924).

Op sommige plaatsen heeft Vondels vertaling het origineel verwaterd. Zoo is een regel uit de achtste Ecloga van Virgilius: ‘nec curare deum credis mortalia quemquam’ (vs. 35) in Vondels overzetting uitgedijd tot het volgende drietal:

 
Niet eens geloovende dat goden uit hun hoven
 
Bekommert nederzien, en d'oogen slaen van boven
 
Op 't weereltsche beloop, met mensch en dier belaên.

In Metam. XIII leest men voor vs. 823 (waar van talrijke kudden sprake is): ‘nec, si forte roges, possim tibi dicere quot sint’ bij Vondel (vs. 1148-1150):

 
......... ick zou gewis verdoolen
 
Met tellen, quaemtghe my te vragen naer 't getal;
 
Ick kan 't niet noemen, want zy weiden overal.

Andere voorbeelden in Hippolytus vs. 99-101; Metam. XIII, 12-13, (= vs. 8); 50-51; 103-107 (= vs. 67-69); 133-134; I, vs. 10-111).

Op andere plaatsen kan men misschien niet spreken van verwatering, maar eer van het aandikken der lijnen, het aanzetten der kleuren.

[p. 100]

Zoo vinden wij den luchtigen omtrek, waarmede Hiems geschetst is onder de figuren die Phoebus' troon omgeven (II, 30):

 
et glacialis Hiems, canos hirsuta capillos

verzwaard in deze regels van Vondel:

 
.......... de Winter, gansch berooft
 
Van warmte, en kout en kil: de baert en 't haer bevroren
 
Met kegelen van ys, de sneeuvlock hangt om d'ooren

Zoo wordt in datzelfde boek (vs. 81) de uitdrukking: ‘violentique ora leonis’ weergegeven door: ‘Den leeusmuil, brullende als een dolle Razerye’. In het Derde Boek (vs. 33) ‘igne micant oculi’ door:

 
........... de gloênde vlam
 
Ontstack de blicken, die als roode koolen glommen.

Zoo wordt Metam. VI, 166

 
vestibus intexto Phrygiis spectabilis auro

verzwaard tot:

 
In 't Frigiaensch gewaet, dat schoon in d'oogen blaeckt
 
En stijf van diamant en gout en perlen kraeckt

al is die laatste regel op zichzelf zeer schoon.

Andere voorbeelden van dat verzwaren der lijnen vindt men, indien men Vondels vertaling (II, 9, 10-11, 110; III, 168, 222-223; VIII, 295-300; 1086-1088; 1091-1092; IX, 50-53; XIII, 78, 113-114, 1125-1126) vergelijkt met het oorspronkelijke.

Waar Vondel den tekst van zijn voorbeeld breeder uitwerkt, zijn deze uitbreidingen soms zeer karakteristiek.

[p. 101]

De regel uit Sophompaneas:

 
.......... Deum
 
Intelligendae lucis habitantem plagam

is in Vondels vertaling geworden (vs. 9-10):

 
Den allerhooghsten God, op zijnen troon verheven
 
In 't ongenaeckbre licht en eeuwighduurend leven

Waar in het Latijn slechts gesproken wordt van ‘rerum parenti maximo’, daar lezen wij in de vertaling (vs. 83-84):

 
Ick loof ten hooghsten God den Vader en de bron
 
Van alles wat er word bescheenen van de zon.

Wien verwonderen zulke uitbreidingen van de hand die later den heerlijken Lucifer zal schrijven?

Karakteristiek, immers den Hollander en den mensch Vondel kenschetsend, zijn trouwens alle vertalingen van zijne hand. Wij worden aan de Hollandsche maatschappij der 17de eeuw herinnerd, wanneer wij vertalingen lezen als de volgende:

 
....... flammas cum regia puppis
 
extulerat

Aeneis II, 256

 

‘Toen nu d'Amirael zijn vier uitstack’; ‘dat clarum e puppi signum’ (III, 519) = ‘stack men de trompet van de kampanje dat het klonck’; ‘femina, .... nostris errans in finibus’ (IV, 211) = ‘een vreemde vrouw aen onze steigers opgezet’; rostra (Georg. II, 508) = ‘de puy van 't stehuis’. Diezelfde nationale tint merken wij op ook in vertalingen als deze: regna vini = gezontheden; terminus = hoefslagh; arbiter bibendi = koning; pelli = op den dijck gezet worden; furva Proserpina = beroockte Proserpijne (de

[p. 102]

middeleeuwsche voorstelling der onderwereld); operum solutis = heyligh avont doen1).

Het kenschetst Vondel, dat hij meer dan eens uitdrukkingen als ‘deum quemquam’ (Ecl. VIII, 35) vertaalt met ‘Godt’. Zoo vinden wij de uitdrukking: ‘siqua fata sinant’ (Aeneid. I, 18) in de prozavertaling letterlijk weergegeven door: ‘zoo het nootlot dit eenighsins gehengde’; later voldeed deze vertaling Vondel niet meer: in de berijmde vertolking lezen wij: ‘zoo 't Godt ter noot gehengde’. Een paar regels verder staat bij Virgilius: ‘sic volvere parcas’; in de proza-vertaling luidt deze uitdrukking: ‘zoo lagh het bij de Schickgodinnen geschoren’; in de berijmde vertolking: ‘Zoo lagh het in 't beleit des hemelraets geschoren’.

Vondels kieschheid plaatste een ‘etc.’, waar het haar in de vertaling van Horatius' Oden te kras werd2). Kieschheid zal ook wel de reden zijn geweest, waarom hij zich niet heeft gewaagd aan eene vertaling van het, trouwens moeilijk vertaalbare: ‘Venus huic erat utraque nota’, dat van Tiresias wordt verhaald3).

Blijft Vondel dikwijls beneden zijn voorbeeld, hier en daar wint zijne vertaling het van haar voorbeeld. Zoo b.v. waar hij het Latijn van De Groot:

 
cordis ut pateant mihi
 
Arcana, multa tegere quae nubes solet. (vs. 97-98)

weergeeft door:

 
om eens om te spitten
 
Den harden grond, die zich zoo diep in 't binnenst streckt
 
En eertijds met een mist van veinzen werd bedeckt.

(Sofomp. vs. 110-112).

[p. 103]

Deze verzen van Ovidius:

 
tympana cum subito non apparentia raucis
 
obstrepuere sonis, et adunco tibia cornu
 
tinnulaque aera sonant (Metam. IV, 391-393)

moeten in kracht van klank onderdoen voor Vondels vertolking:

 
Wanneer men onverhoet, eer 't een van allen zagh,
 
Vernam een luit geschal van rammelend gedommel,
 
Kromhoren, koperklanck, klaeroen en bom en trommel,
 
Dat haer in d'ooren klonck.

In Metam. XI lezen wij in eene beschrijving van een schipbreuk (vs. 495-496):

 
quippe sonant clamore viri, stridore rudentes

Vondel vertaalt:

 
....... de mannen schreeuwen vast,
 
De touwen gonzen, het gekrickrack van den mast
 
Luit schricklijck

en heeft zijn voorbeeld verrijkt met een trek, waaraan men den Hollander herkent.

Het verdrinken van koning Ceyx wordt door Ovidius geteekend in dit paar slotregels:

 
ecce super medios fluctus niger arcus aquarum
 
frangitur et rupta mersum caput obruit unda
 
(Met. XI, 568-569)

Vondel vertaalt:

 
Een zwarte waterkloot borst midden op het water
 
En dompelde zijn hooft, beluit met zeegeklater

Ook hier is de beschrijving een trek rijker geworden.

Een paar andere voorbeelden vindt men nog in VI, 84 (ook reeds door Van Lennep opgemerkt) en XI, 807.

[p. 104]

Is het niet moeilijk vele plaatsen in Vondels vertalingen aan te wijzen, waar deze moeten onderdoen voor het oorspronkelijke - min of meer doet eene vertaling dat altijd - aan den anderen kant behoeft men ook niet lang te zoeken naar stukken die verdienstelijk of fraai of uitstekend vertaald mogen worden genoemd.

Men mag verzen als de volgende wel nevens de oorspronkelijke leggen, al is hier en daar iets overtolligs:

 
Hy sluit den Noortwint in de Wintgods hol en slot
 
En winden die de drift der wolcken licht en vlot
 
Verdrijven aen de lucht en komt den Zuitwint wecken,
 
Die met een zwarten nacht het aenzicht weet te decken
 
En heensnort op zijn natte en vochte regenveer;
 
De baert hangt zwaer van vocht, de watren vloeien neer
 
Langs zijne grijze lock; op 't voorhooft zitten dampen
 
En nevels; borst en wieck zien tot een merck van rampen
 
Bedropen
 
protinus Aeoliis Aquilonem claudit in antris
 
et quaecumque fugant inductas flamina nubes
 
emittitque Notum. madidis Notus evolat alis
 
terribilem picea tectus caligine vultum:
 
barba gravis nimbis, canis fluit unda capillis,
 
fronte sedent nebulae, rorant pennaeque sinusque.

Metam. I, 262 seqq.

 

Hoe fraai is: ‘purpura fulgorem pictis accomodat uvis’ (IV, 398) vertaald met: ‘de druif trock gloeiend purper aen’. Hoe fraai ook de volgende regels:

 
seu caput abdiderat cristata casside pennis
 
in galea formosus erat; seu sumpserat aere
 
fulgentem clipeum, clipeum sumpsisse decebat

Metam. VIII, 25-27

 

met deze:

[p. 105]
 
't zy de hellem bleef geslooten
 
Of 't hooft van pluimen hing beschaduwt voor het licht,
 
Zy prees zijn schoonheit en opheldrende aengezicht;
 
Schoot hy den schittrenden metaelen schilt aen d'armen,
 
De schilt stont voeghelijck.

Men moge verder vergelijken met het oorspronkelijke de verzen in Vondels Herscheppinghe III, vs. 40-56 en vs. 533 volgg.; IV, 389 volgg.; VII, 723 volgg.; VII, 1104-1200; XI, 639 volgg.; XI, 778-820; XIII, 1101-1217.

Op al deze plaatsen heeft Vondel dikwijls eene pracht van taal tentoongespreid die ternauwernood onderdoet voor die van het oorspronkelijke. Men vergelijke ten slotte deze beschrijving van ‘het Huis des Slaeps’ met het oorspronkelijke om de hier gegeven voorstelling van Vondels vertaalkracht aan te vullen1).

 
By Cimmerye leght een duistere spelonck,
 
Een hol en diep vertreck; de bergh is hol van binnen;
 
Dit 's 't huis des tragen Slaeps. Geen zonnestralen winnen
 
Hier toegang, 't zy de zon des morgens 's aertrijx lijst
 
Met glans vergult of ons den spaden avont wijst,
 
Of uit het hooftpunt gloeit; men lijt hier licht noch lampen,
 
De gront baert enckel mist en nevel, smoock en dampen.
 
Hier blickert schemering, hier kraeit geen wacker haen
 
Met zijnen rooden kam Auroor om op te staen
 
Est prope Cimmerios longo spelunca recessu,
 
mons cavus, ignavi domus et penetralia Somni:
 
quo numquam radiis oriens mediusve cadensve
 
Phoebus adire potest. nebulae caligine mixtae
 
exhalantur humo dubiaeque crepuscula lucis.
 
non vigil ales ibi cristati cantibus oris
[p. 106]
 
Ten bedde uit; geene stem van menschen noch het bassen
 
Van honden koomen hier Stilzwijgenheit verrassen
 
En stooren in haer rust, noch 't quaecken van de gans,
 
Meer neuswijs dan de hont in 't snufflen naer een kans.
 
Geen nachtegael, noch dier, noch zacht geruisch van blaêren,
 
Noch menschentong dees plaets met hun gerucht bezwaeren:
 
Hier woont de stomme Rust. Uit harde steenrots vloeit
 
Door keizelsteentjes een Vergeetbeek, noit vermoeit
 
Van ruisschen, 't welck het brein heel zacht in slaep betovert;
 
Het vruchtbaer mankop dat des menschen zin verovert
 
Bloeit voor de hofpoorte en de Nacht, die heulzaet pluickt
 
En bollen, hunne melck tot slaepzucht meest gebruickt,
 
Bedaeut er landen mede in schaduwe gelegen.
 
Men hoort in 't gansche huis, 't welck schuilt in achterwegen,
 
Geen krammen kraecken in het opgaen van de poort,
 
Daer niemant schiltwacht houdt noch eenige onrust hoort.
 
Men ziet hier midden in het hol, uit steen gekloncken,
 
Een ebben ledekant en peckzwart pluimbedt proncken,
 
Met eene deken van dezelfde verf gedeckt.
 
evocat auroram, nec voce silentia rumpunt
 
sollicitive canes canibusve sagacior anser.
 
non fera, non pecudes, non moti flamine rami
 
humanaeve sonum reddunt convicia linguae.
 
muta quies habitat. saxo tamen exit ab imo
 
rivus aquae Lethes, per quem cum murmure labens
 
invitat somnos crepitantibus unda lapillis.
 
ante fores antri fecunda papavera florent
 
innumeraeque herbae, quarum de lacte soporem
 
nox legit et spargit per opacas umida terras.
 
ianua nec verso stridores cardine reddit:
 
nulla domo tota, custos in limine nullus.
 
at medio torus est ebeno sublimis in antro,
 
plumeus, unicolor, pullo velamine tectus:
 
quo cubat ipse deus membris languore solutis.
[p. 107]
 
Hier rust de Slaepgodt op, van traegheit uitgestreckt,
 
Met beide d'armen en de beenen van elckanderen.
 
De lichte droomen die van vormen zich veranderen
 
En nabootseeren zulck een menighte en getal
 
Van dingen als de herfst ons aren geven zal,
 
Het lustbosch bladers en het zeestrant stof en zanden,
 
Onthouden zich hierin. De maeght dreef met haer handen
 
De Droomen wegh, zoo dra zy inquam. 't Huis vernam
 
Den weerglans van haer kleet. De Slaepgodt, lam en stram,
 
Sloegh naeulijx d'oogen op die t'elckens weder slooten.
 
Hy knickebollende en nu langhsaem opgeschooten,
 
Sloegh voor zijn borst en gaf zich endelijck om hoogh
 
En leunende heel traegh op zijnen elleboogh
 
Begon te vraegen (doch hy wist het) naer de reden
 
Van haere komst.
 
hunc circa passim varias imitantia formas
 
Somnia vana iacent totidem, quot messis aristas,
 
silva gerit frondes, eiectas litus harenas.
 
quo simul intravit manibusque obstantia virgo
 
Somnia dimovit, vestis fulgore reluxit
 
sacra domus. tardaque deus gravitate iacentes
 
vix oculos tollens iterumque iterumque relabens
 
summaque percutiens nutanti pectora mento,
 
excussit tandem sibi se, cubitoque levatus,
 
quid veniat (cognovit enim) scitatur.

Beschouwt men de verzen van Vondel als een brok poëzie op zich zelf, dan zal men de schoonheid daarvan licht erkennen; vergelijkt men ze met die van Ovidius, dan zal men moeten toegeven, dat het Latijn vrij wat verloren heeft bij de overzetting, al kan men ook dan nog Vondels vertaling hoog stellen; immers, welke vertaling weegt op tegen het origineel?

[p. 108]

Waar Vondel in proza vertaalde, daar heeft hij werk geleverd, dat in menig opzicht uitstekend mag worden genoemd. Zoo in de proza-vertaling van Virgilius' werken, waarover Brandt een m.i. juist oordeel velde, toen hij in tegenstelling met Van Baerle beweerde, ‘dat men nergens, daar Duitsch gesprooken wordt, iemant vinden zou, die Hollantsche woorden en spreekwyzen zou weten te vinden, de kracht van Maroos Latyn zoo na uitdrukkende, als hy doorgaans hadt gedaan.’1).

Waar Vondel een uitheemsch dichtwerk in Nederlandsche verzen overzet, daar moet men niet verwachten eene vertaling in den eigenlijken zin des woords te zullen vinden, maar een dichtstuk dat het midden houdt tusschen eene vrije vertolking en eene navolging; eene copie, waarin de eigenaardigheden van den copist duidelijk blijken.

V

De vertolkingen der Grieksche treurspelen vertoonen in hoofdzaak dezelfde eigenaardigheden als die der Latijnsche dichtwerken; wij kunnen daarom volstaan met dat in eenige staaltjes aan te toonen.

Het aantal onjuist verklaarde regels is hier veel grooter dan in de overzettingen uit het Latijn. Zoo zijn, naar het mij voorkomt, onjuist vertaald in Electra vs. 198-199, 217, 247, 263, 412, 436, 438, 564, 616, 635, 669, 719, 806-807, 811, 825-826, 839, 900, 912, 930, 966, 980, 1133, 1222, 1277, 1295, 1316, 1331-1333, 1355-1356, 1373, 1456, 1497, 1523-1525, 15732). In al deze gevallen is de tekst der Poetae Graeci Veteres in hoofdzaak gelijk aan dien van Schneidewin en de Latijnsche bijgevoegde vertaling in de P.G.V. geeft den zin van het Grieksch goed terug.

[p. 109]

Evenzoo is het, hoewel in veel geringer mate, met de vertolking van Oedipus Rex; men vergelijke vs. 3, 81-82, 86, 185, 445, 521, 643, 1301-1310, 1345, 1460-1461, 1617-1618, 1619-1620, 1690, 1816; met die van Iphigenia Taurica vs. 29, 45, 73, 120, 184, 232, 239, 350, 389-395, 411 volgg., 556, 568, 610-611, 622, 661, 675-676, 772, 808-811, 862, 1018, 1171, 1173, 1211, 1325, 1330-1334; 1413, 1542; met die der Trachiniae vs. 68, 94-95, 132-135, 201, 268, 316, 318, 360, 433, 447, 639, 737, 745, 762-763, 908, 912, 916 (‘een vrou’, terwijl Deianira bedoeld wordt) 1100, 1222.

Een paar merkwaardige gevallen van verkeerde vertaling mogen als staaltjes dienen; ze alle bespreken, zou onnoodig en vervelend zijn. In de Iphigenia Taurica raadt Pylades zijn vriend Orestes aan, zich door de triglyphen in den tempel van Diana te laten afglijden, om dan het verlangde beeld der godin te kunnen rooven. Wij lezen in het Grieksch (vs. 113-114):

 
ὅρα δέ γ' εἴσω τριγλύϕων ὅποι ϰενὸν
 
δέμας ϰαθεῖναι

Vondel vertaalt:

 
Zie hoe men langs den muur by 't ronde pijlerwerk
 
Afglijden moet.

eene vertaling, over welker onjuistheid men Vondel zeker niet hard kan vallen, doch die tevens een staaltje geeft van de wijze waarop V. zich een Griekschen tempel voorstelde. In datzelfde stuk is in vs. 828 de uitroep: ὦ κυϰλωπίδες ἑστίαι door Vondel vertaald met:

 
O menscheneeters hof, gebout op noortsche stranden

Een blik in de Latijnsche vertaling, opgenomen in de Poetae Graeci Veteres doet ons zien, dat ook daar niet aan

[p. 110]

de muren van Mycene gedacht is1); immers, wij vinden daar: ‘Cyclopei lares, domus a Cyclopibus conditae.’ Waarschijnlijk heeft Vondel verband gezocht tusschen het menscheneten van den Cycloop Polyphemus en het menschenoffer dat in den Diana-tempel gewoonte was.

Elders is het oorspronkelijke wel niet onjuist maar toch zeer vrij vertaald of uit de verte gevolgd.

Zoo b.v. Oedipus Tyrannus 981-982 (= 788-789); 1008-1009 (vs. 814); 1409-1442 (Rey) 1553; Ifigenia Taurica vs. 69, 475 volgg., 796-797, 856-857, Trachiniae vs. 346-352, (= vs. 354-363); 478, 667-668, 1073-1074.

Het aantal uitbreidingen van den tekst en stoplappen, die meerendeels rijmlappen zijn, is ook hier niet gering.

Vooral in de vertolking van Oedipus Tyrannus is heel wat ingevoegd om der wille van het rijm, van de duidelijkheid of van de welluidendheid; daardoor telt deze overzetting dan ook omstreeks 300 verzen meer dan het oorspronkelijke. Soms voegen die uitbreidingen een trekje toe aan het origineel; de meeste echter verwateren den tekst2). Ook komt het wel eens voor, dat de toevoeging van een stoplap de gansche vertaling van een vers onjuist maakt.

Zoo zijn b.v. vs. 1159-1160 der Trachiniae:

 
ἐμοὶ γὰρ ἦν τρόϕαντον ἐϰ πατρὸς πάλαι
 
τῶν ἐμπνεόντων μηδενὸς θανεῖν ὕπο
[p. 111]

door Vondel vertaald:

 
Want vader Jupiter my spelde, dat voortaen
 
Geen levend mensch, wie 't waer, de hant aen my zou slaen.

voortaen staat hier om der wille van het rijm, doch maakt de vertaling van den ganschen zin onjuist; immers, er is sprake van het verleden, niet van de toekomst1).

Indien Vondel al geen vers of vershelft toevoegt, dan is zijne vertaling toch op meer dan eene plaats zeer breedvoerig. Vgl. b.v. in de vertaling van Oedipus Tyrannus vs. 110-111 van het Grieksch met vs. 143-146 van het Nederlandsch; vs. 130-131 met vs. 169-172; vs. 164 met vs. 217-220; 363-364 met 467-471; vs. 391 met vs. 503-505.

Ook hier vinden wij vrij wat plaatsen, waar Vondels individualiteit haren stempel op de vertaling heeft gedrukt.

Zoo zien wij overal de neiging om hetgeen met den antieken godsdienst samenhangt te kerstenen. In de Electra-vertolking (1639) vertoont zich die neiging nog slechts in geringe mate: de vertaler schroomt, woorden als Ζεύς en θεός over te nemen of te vervangen door God; hij ontwijkt de moeilijkheid. Zoo vinden wij in Electra (vs. 149) waar van den nachtegaal sprake is de woorden: ὄρνις ἀτυζομένα, Διὸς ἄγγελος vertaald door: ‘Maer 't vogelken, de zomerbode’ (vs. 156) en vs. 178: χρόνος γὰρ εὐμαρὴς θεός met: ‘de tijd is langsaem van beraed’ (vs. 195).

In de vertolking van Oedipus Tyrannus heeft Vondel dezen schroom overwonnen. Overal is Ζεύς vervangen door Godt of Godt den Vader (vs. 1065); vgl. vs. 909, 1075, 1419. Zoo wordt in de overzetting der Ifigenia gesproken van kerck (vs. 75 en passim), koorkostresse (ϰλillustratieδούχου δούλα) vs. 131 en altaernis (ϰρηπίς = voetstuk) vs. 1013.

[p. 112]

De regels uit den Oedipus Tyrannus, waar Jokaste zegt:

 
χώρας ἄναϰτες, δόξα μοι παρεστάθη
 
ναοὺς ἱϰέσθαι δαιμόνων, τάδ᾽ ἐν χεροῖν
 
στέϕη λαβούσ illustratieϰἀπιθυμιάματα (vs. 911-913)

hebben eene katholieke kleur gekregen in Vondels vertaling (vs. 1107-1109):

 
Lantsheeren, ick nam voor een' geur te branden,
 
Met wieroock en kerckkransen in de handen
 
Ten offer naer der Goden kerck te treên

al leverde hij hier eene goede vertaling, al deed hij slechts het branden van den wierook wat meer uitkomen.

Soms is de Grieksche eenvoud, die de dingen bij hunnen naam noemt, Vondels begrippen van fatsoen en welvoeglijkheid te stout van taal.

Wij vinden deze verzen uit Oedipus Tyrannus (vs. 995-996):

 
χρῆναι μιγῆναι μητρὶ τἠμαυτοῦ τό τε
 
πατρῷον αἷμα χερσὶ ταῖς ἐμαῖς ἑλεῖν

vertaald door (vs. 1205-1206):

 
Dat ick, besmet door moeders bed en trou,
 
In vaders bloet mijn handen verwen zou.

Zoo is in vs. 1077:

 
τοὐμὸν δ᾽ εγώ,
 
ϰεἰ σμιϰρόν ἐστι, σπέρμ᾽ ἰδεῖν βουλήσομαι

vertaald met (vs. 1290-1291):

 
ick wil de plaets
 
Van mijn geboorte en afkomst naeckt ontblooten.

en vs. 1246: μνήμην παλαιῶν σπερμάτων ἔχουσα weggelaten.

Diezelfde fatsoensbegrippen brachten mede, dat Vondel het ongepast achtte, de Grieksche dichters na te volgen, waar deze van eene koningin spreken als γυνή. Oed. Tyr. 1054:

[p. 113]

γύναι, νοεῖς ἐϰεῖνον wordt door Vondel vertaald: ‘Mijn koningin, weet gy oock of hy 't is’ (vs. 1265); Ifig. vs. 597 ὦ ξένη met Mevrou (vs. 615) en in vs. 724 γυνὴ ἥδε eveneens.

Daarentegen toont Vondel zich elders niet fijn genoeg om het minachtende αὕτη δε in vs. 1078 juist weer te geven; hij maakt het te plat door zijne overzetting: ‘dit trotse wijf’, al is ook het begrip van trotsch wel door Sophocles uitgedrukt (αὕτη δ᾽ ἴσως, ϕρονεῖ γὰρ ὡς γυνὴ μέγα).

Den tijd van Vondel kenschetsend is de wijze waarop hij vs. 794-796 van Oedipus Tyrannus heeft vertaald. In het Grieksch leest men:

 
ϰἀγὼ ἐπαϰούσας ταῦτα τὴν ϰορινθίαν
 
ἄστροις τὸ λοιπὸν τεϰμαρούμενος, χθόνα
 
ἔϕευγον

In Vondels vertaling:

 
Ick, die my al dees schricklyckheên verbeelt,
 
Sloot, dus gedreight van mijn geboortestarre,
 
Korintenlant t'ontwijcken

De Latijnsche vertaling heeft hier terecht:

 
....... terram Corinthiam
 
Post id tempus juxta astra metiri coepi

Dat Vondel aan Oedipus' ‘geboortestarre’ denkt, is alleszins verklaarbaar voor wie bedenkt dat in de 17de eeuw de astrologie nog niet door de astronomie vervangen was.

 

Staan Vondels vertalingen der Grieksche tragedies over het algemeen lager dan de vertalingen uit het Latijn, zijn ook in de eerste meer onjuistheden aan te wijzen dan in de laatste - toch zijn ook deze vertalingen over het algemeen ernstig, degelijk werk. De vertaler heeft er naar gestreefd den omvang zijner vertalingen te beperken; in Electra, Iphigenia

[p. 114]

en de Trachiniae is hem dat vrijwel gelukt. Bij de vertaling van Oedipus Tyrannus heeft hij zich meer vrijheid veroorloofd, waardoor zijne overzetting een 300tal verzen meer telt dan het oorspronkelijke; de omvang der drie eerstgenoemde stukken verschilt weinig van dien der origineelen.

In de vertaling der Ifigenia Taurica heeft de zware worsteling van den dichter met het oorspronkelijke stuk de meeste sporen achtergelaten; in die der Trachiniae vindt men naast veel gebrekkigs, veel schoons1). In de overzetting van Electra en Oedipus Tyrannus heeft Vondel op menige plaats den adel en den eenvoud der antieke tragedie gelukkig weergegeven2).

Wie meent, dat eene dergelijke uitspraak zich bezwaarlijk laat rijmen met de aanwijzing van het vele onjuiste en gebrekkige dat wij in Vondels vertalingen hebben aangewezen, bedenke dat juistheid in eene vertaling veel is, maar niet alles.

Een vertaler moet het dichtwerk, dat hij in eene andere taal wil overbrengen, niet alleen verstaan, begrijpen, hij moet het ook voelen en zijn indruk van het origineel kunnen weergeven. Waren kennen en weten hier voldoende, dan zou de beste philoloog ook de beste vertaler zijn, maar dat is lang niet altijd waar; een dichter als Vondel staat door zijn genie nader bij dichters als Sophocles en Euripides dan de meeste philologen. Het kan zijn nut hebben hier een paar opmerkingen uit Eckermann's Gespräche mit Goethe mede te deelen, welke over ditzelfde onderwerp handelen.

‘Die Zeichnungen,’ sagte Meyer (er is sprake van teekeningen naar schilderijen van Rafael en Dominichino) haben etwas Ungeübtes, aber man sieht, dass derjenige, der sie machte, ein zartes richtiges Gefühl von den Bildern hatte,

[p. 115]

die vor ihm waren, welches denn in die Zeichnungen übergegangen ist, sodass sie uns das Original sehr treu vor der Seele rufen. Würde ein jetziger Künstler jene Bilder copiren, so würde er alles weit besser und vielleicht auch richtiger zeichnen; aber es ist vorauszusagen, dass ihm jene treue Empfindung des Originals fehlen, und dass also seine bessere Zeichnung weit entfernt sein würde, uns von Rafael und Dominichin einen so reinen vollkommnen Begriff zu geben.’

‘Ist das nicht ein sehr artiger Fall’ sagte Goethe. ‘Es könnte ein Aehnliches bei Uebersetzungen statt finden. Vosz hat z.B. sicher eine treffliche Uebersetzung von Homer gemacht; aber es wäre zu denken, dasz jemand eine naivere, wahrere Empfinding des Originals hätte besitzen und auch wiedergeben können, ohne im ganzen ein so meisterhafter Uebersetzer wie Vosz zu sein’1).

De woorden van Goethe mag men tot op zekere hoogte ook op Vondels vertalingen der Grieksche tragedies toepassen. Hedendaagsche vertalingen als die van Burgersdijk, als die van Van Leeuwen vooral, staan - voorzoover ik hier durf en kan oordeelen - over het geheel hooger dan die van Vondel, toch komt het mij voor, dat de vertalingen van onzen grooten dichter hier en daar nader staan bij hare origineelen dan deze, overigens voortreffelijker, vertalingen van onzen tijd.

 

2 October 1893.

g. kalff.