|
|
|
| |
Dietsche verscheidenheden.
CX. Evenen.
Een nieuw gevonden mnl. ww., dat op eene bedorven plaats schuilt in Nijhoff's Gedenkwaardigheden van Gelderland, en waarop ik hier even de aandacht vestig. Ik doe dit des te eer, daar het woord in het Mnl. Wdb. blijkens het boven gezegde ontbreekt en op het Supplement zou moeten wachten, alvorens te kunnen staan daar waar men het zoekt. De plaats luidt aldus (3, 49): ‘behaudeliken dat ... wi alle tijt van onsen sloten ... op ende af riden mooghen, ende daerop wonen, oft ons cvende. Het is duidelijk dat het laatste woord niet goed kan zijn. Er is hier een woord noodig, dat uitdrukt convenieeren, te pas komen, gelegen komen. Wanneer wij nu bedenken,
| | | | dat het gewone woord hiervoor in het Mnl. is evene (even) comen (zie evene, 4o, en Nijh. 2, 47: ‘behaudelic ... dat wi die veerscip ende tyenden alle jare, wanneer ons dat even koompt, op Sente Walburghe dach in den meye, loossen ende bescudden mooghen’), en zien, dat in het Mnd. naast even(e) komen (Lübben 1, 751) ook in gebruik is het ww. evenen (t.a.p. 752), dan kost het ons weinig moeite, het onverstaanbare cvende te veranderen in evende, en op deze wijze een nieuw woord in den woordenschat van het Mnl., althans der oostelijke tongvallen, in te lijven. Ten bewijze dat niet op deze plaats alleen eene verkeerde schrijfwijze of lezing hetzelfde woord (of althans dezelfde letters) heeft onkenbaar gemaakt, haal ik aan Mieris 2, 45a: ‘van gherste of cuene’, l. evene, d.i. haver; ald. 287a: ‘van elker hoet cuenen jof gherste’, l. evene; Rek. v. Zeel. 1, 117: ‘9½ zeve gersten, 41 seve cuene, l. evene’.
| |
CXI. Speven.
Een merkwaardig staaltje van de wijze, waarop Bormans gewoon is met zijne teksten om te springen en waardoor merkwaardige woorden naar de varianten aan den voet der bladzijde verhuizen en alzoo gevaar loopen te worden over het hoofd gezien of vergeten, leveren ons de verzen 2697 en 8 van den Parthonopeus. Volgens Massmann, die gelukkig niet zooveel averechtsche kennis van het Mnl. medebracht als Bormans, en zich houdt aan de lezing van het hs., staat daar (bl. 41):
Ic segghu dat die ioncfrouwe moet
Luder spreken, sal het speven,
Dat hi sal antworde gheven.
Massmann verklaart in zijn gloss. het ww. speven door wirken, einschlagen, eene verklaring weliswaar op goed geluk gegeven, maar die volstrekt niet verkeerd is: de juiste beteekenis is baten, doch men kan het woord hier zeer goed weergeven door uitwerking hebben; de verklaring van de beide laatste regels is: ‘indien dit eene zoodanige uitwerking zal hebben, dat hij antwoord geven zal’. En wat doet nu Bormans in zijn tekst? Hij laat drukken:
Luder spreken, sal [tghescieden]
Dat hi sal antworde [bieden],
aan welke lezing hij de volgende aanteekening toevoegt: ‘Massm.
| | | |
sal het speven. Indien speven hetzelfde kon zijn als spanen, vs. 1803, dan moest het ten minste sal sine speven zijn. Vgl. ook vs. 3026’ (waar spoene staat). Ter verdediging der verandering in den tweeden regel voert hij aan: ‘Massm. geven, dat het rijm alleen mij dwong te veranderen’. Heeft dan juist dat rijm speven: geven niet zooveel uitwerking gehad op den bewerker van den tekst, dat hij zich niet ontziet de beide rijmwoorden te veranderen, en daardoor een doorslaand bewijs te geven van zijn willekeur en zijne onkunde tevens? Hij werpt speven uit, dat hij niet kent, en zet er een ww. voor in de plaats in een vorm, die niet zuiver mnl. is: immers de juiste mnl. vorm is, gelijk ieder weet, gescien en niet gescieden. Hij deed dus hier iets dergelijks, als in vs. 2542, waar hij het uitstekend mnl. groten vaer van de uitgave van Massmann, dus van het hs., met de naieve toevoeging ‘misschien goed’, naar de varianten verzendt, en in den tekst brengt het woord ghevaer, dat niet eens mnl. is. Wij behoeven niet lang over eene dergelijke wijze van handelen te spreken; gelukkig is het ww. speven niet daardoor verloren gegaan. En nu ik het voor eenigen tijd daar opgemerkt heb, vind ik het wenschelijk het op te teekenen en er de aandacht op te vestigen; immers dit is de eenige plaats waar het woord voorkomt, en er is maar ééne samenstelling bekend die eveneens slechts op ééne plaats voorkomt, nl. bespeven (zie de plaats in het Mnl. Wdb.); de beteekenis er van is baten, helpen, gelukken, en er is dus alle reden om ook voor speven als grondbeteekenis baten
aan te nemen. Over den mogelijken oorsprong of althans de mogelijke verwanten van het woord zie Mnl. Wdb. op bespeven.
Leiden.
j. verdam. |
|
|