Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 14


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 14. E.J. Brill, Leiden 1895  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 17]

Vondel's vertaling van La Gerusalemme Liberata.

Dat Dr. Robert Priebsch eenigen tijd geleden eene, door Vondel vervaardigde, proza-vertaling van Tasso's Gerusalemme Liberata te Oxford gevonden heeft, werd door mij met een kort woord elders vermeld1). Hier laat ik eene eenigszins uitvoeriger mededeeling volgen, in afwachting der volledige beschrijving van het handschrift, die Dr. P. ons later zal geven. Over zijne vondst schreef Dr. P. mij o.a. hetgeen ik hier, met zijne toestemming, mededeel: ‘Augenblicklich bin ich mit den Oxforder hss. beschäftigt und da kam unlängst ein Foliobd. in meine Hände, der Sie interessieren dürfte. Er trägt die no Auct. X, 3. 10 (aus der hss. Sammlung D'Orville's + 1752 zu Amsterdam). Es ist eine J. van Vondel zugeschriebene Übersetzung T. Tassos “La Gerusalemme Liberata”. Die hs. erweckt in vieler Beziehung den Gedanken an eine Originalhs.; sie ist zweispaltig geschrieben, links der ital. Text (nicht immer ausgefüllt) rechts der ndl., von einer Hand die dem Anfange des XVII. Jh. angehören muss’. Op de eerste bladzijde leest men: ‘J. van den Vondels verloste Jeruzalem’ geschreven door dezelfde hand als die welke den tekst schreef.

Toen ik eerst het bericht van Dr. P. ontving en nog niet wist, dat het bewuste hs. eene proza-vertaling bevatte, vermoedde ik dat hier ten langen leste Tesselschade's veelbesproken vertaling was gevonden; doch zeker is dat niet het geval. Dat Vondel zich met Tasso's werk bezig gehouden heeft, wisten wij. Immers, in de Opdracht zijner Helden Godes (1620)2) nam hij een berijmd couplet op, vertaald uit Tasso's werk; het jaartal 1620 komt wel overeen met de mededeeling van Dr. P. dat het schrift doet denken aan het begin der 17de eeuw.

[p. 18]

Wij hebben hier naar alle waarschijnlijkheid de vertaling waarover Oudaen spreekt in zijn lijkdicht op Vondel:

 
Indien men 't oog wil slaan op zyn vertaalde Werken,
 
In rym of rymeloos, dappre arbeit past den sterken;
 
Breng Flakkus, voer Virgiel, neem Naso tot bewys;
 
En Tasso, die men wac̣ht dat eens ten grave uitrys:1)

Van Lennep beweerde dat Oudaen zich hier had vergist; dat deze omtrent die vertaling ‘door valsche geruchten in een dwaling was gebracht’. Hij grondt deze bewering op het volgende: ‘Reeds is door my - Deel II, bl. 157 en Deel IV, bl. 420 en 421 - gesproken van de vertaling der “Jeruzalem”, door Tesselschade vervaardigd en door haar aan V. gegeven om te “betuttelen”. Vermoedelyk had V. uit dat handschrift wel nu en dan 't een en 't ander aan vrienden voorgelezen of laten zien en had zulks aanleiding gegeven, dat sommigen, uit misverstand, hem voor den maker hielden’. Zien wij in hoever deze voorstelling juist is. Over dat ‘betuttelen’ lezen wij in een ander deel van Van Lennep's groot werk (IV, 420): ‘Zeker is het, dat hy (Vondel) haar helpen bleef aan haar vertaling van Tassoos heldendicht, 't welk hy niet alleen nazag, kuischte of - gelijk Tesseltjen 't noemde - “betuttelde”, maar geheel in 't net schreef’. Voor het controleeren zijner mededeeling verwijst Van Lennep ons naar het aardige boekje van Van Vloten Tesselschade Roemers en Hare Vrienden bl. 38. Slaan wij dat boekje op, dan zien wij al spoedig dat Van Lennep hier een bok heeft geschoten die niet ‘alledaagsch’ is; Van Vloten, zelf een geweldig bokkenjager voor de oogen des Heeren, had hem dezen kunnen benijden. Het geval is namelijk dat Van Lennep, het boekje van Van Vloten in der haast opslaande, twee bladzijden te ver gekeken en toen maar opgeschreven heeft wat hij daar vond. Op bl. 36 vinden wij, boven aan de bladzijde, het eenige ons bekende couplet van Tesselschade's ver-

[p. 19]

taling. Zij schrijft aan Hooft: ‘ick was in het uytschrijven van mijn Tasso, en siet hier een vers:

 
Wye ist, daer ghy, o Godt met duysent beecken bloedich,
 
Het aerdrijk liet besproeyt etc.1)

Twee bladzijden verder staan, ook boven aan de bladzijde, eenige andere alexandrijnen van Tesselschade; het is een gedicht, door haar geschreven in het album van ‘het Utrechtsche maagdelijn Ogel’; daaronder lezen wij de tot Barlaeus gerichte woorden: ‘Mijnheer, wilt dit wat betuttelen en bekladden, en 't sal daerdoor suyver werden; send het my wederom van u in 't net geschreven’ enz.

Van Lennep's voorstelling werd overgenomen door Jonckbloet die hier, tegen zijne gewoonte, een citaat van een ander vertrouwde2).

Wij zien nu, dat Van Lennep geen grond had Oudaen van dwaling te verdenken; deze sekure Rotterdammer had het in dezen bij het rechte eind.

Het, door Dr. P. gevonden, handschrift is blijkbaar hetzelfde als het bij Van Lennep (IV, 420-421) vermelde; op een verkoop, in den Haag gehouden door de boekhandelaars Varron en Gaillard, kwam voor onder no 1592: ‘Torquato Tasso, Hierusalem verlost, vertaelt uit het Italiaens, door Joost van den Vondel en van denselven eigenhandig geschreven, in fol.’; het werd voor ƒ 28,15 aan zekeren Dubois verkocht’.

Voorzoover ik de waarde van Vondels vertaling mag beoordeelen naar een paar mij door Dr. P. toegezonden coupletten, schijnt zij mij gewichtiger voor de studie der taal dan voor die der literatuur. Blijkbaar was zij, evenals zoovele andere, gemaakt vooral tot eigen oefening; dat zal ook wel de reden zijn geweest waarom Vondel het werk niet heeft uitgegeven.

 

g. kalff.