|
|
|
| |
| | | |
De zachte en scherpe E en O bij Cats.
Het dialect van Oud-Beiërland maakt nog heden een zeer duidelijk en zeer regelmatig onderscheid in de uitspraak van zachte en scherpe e en o. Toch is dit dialect te dezen opzichte niet altijd in overeenstemming met onze spelling of met de daaraan ten grondslag liggende regels. De wensch, om iets meer aangaande de voorkomende afwijkingen te weten, bracht mij er toe o.a. het Zeeuwsch dialect der 17e eeuw, zooals wij dat kennen uit Cats, te vergelijken, en de uitkomsten van mijn onderzoek schijnen mij belangrijk genoeg, om ze onder de aandacht van anderen te brengen.
Daar nog heden ten dage in Zeeland een scherp verschil in uitspraak bestaat tusschen beide soorten van e's en o's, kon met grond worden verwacht, dat een dichter als Cats dit verschil in zijn gedichten zou toonen te kennen en in acht te nemen. En werkelijk, die verwachting is niet beschaamd. Ik heb ‘alle de werken’ onderzocht1), en al mag ik misschien hier en daar iets over 't hoofd hebben gezien, dat kan van geen invloed zijn op het resultaat: in zuiverheid van e- en o-rijmen doen de gedichten van Cats niet onder voor de in dit opzicht beste Mnl.
Het aantal e-rijmen, dat bij Cats voorkomt, schat ik op 7500 à 8000 en dat van de o-rijmen op ± 3000. Alvorens op te geven hoeveel onzuivere daaronder zijn, dien ik eerst te zeggen, wat ik onder onzuivere e- en o-rijmen meen te moeten verstaan. Ik twijfel er geen oogenblik aan, of iedereen zal na lezing van dit opstel toegeven, dat Cats zich zeer streng houdt aan de regels, die voor e en o golden in het Zeeuwsch dialect. Daarom neem ik als werkelijk onzuiver bij hem slechts die e- | | | | en o-rijmen aan, waarin volgens zijn eigen uitspraak een zachte e of o rijmde op een scherpe. En zulke zijn er zeer weinig: bij de e-rijmen bedraagt het aantal ervan slechts 13 of misschien nog minder, bij de o-rijmen niet meer dan 10. Hun eigenlijke beteekenis krijgen deze getallen pas, wanneer men andere gedichten uit dien tijd vergelijkt en men bijv. weet, dat in Huygens' Hofwijck onder 200 e-rijmen minstens 25 en onder ruim 100 o-rijmen minstens 20 onzuivere voorkomen.
Maar behalve deze werkelijk onzuivere zijn er nu nog andere, die onzuiver moeten heeten, wanneer men ze beoordeelt naar onze tegenwoordige spelling en niet naar de uitspraak van Cats. Hun onzuiverheid vindt haar grond 1o in het feit, dat onze spelling niet altijd zonder fout is, en 2o in het feit, dat het Zeeuwsch dialect afwijkt van onze spelling, ook waar deze goed is. Met dit laatste is geenszins gezegd, dat het Zeeuwsch in dit geval fout zou zijn. In het aanwenden van zachte of scherpe e en o kan een dialect zeer goed afwijken van een ander (en ook van onze spelling), zonder dat men nog het recht heeft van fouten te spreken. Al deze rijmen zijn dus òf inderdaad wel zuiver, òf althans zuiver voor het Zeeuwsch der 17e eeuw. Ik veroorloof mij daarom ze slechts schijnbaar onzuiver te noemen. In geen geval doen zij iets af aan de waarheid, dat Cats scherp onderscheidde, en van den anderen kant kunnen ze ons leeren, waarin zijn dialect, wat zachte en scherpe e en o betrof, afweek van onze spelling. Ik meen, dat ook dit laatste niet zonder belang is.
Onder de 7500 à 8000 e-rijmen trof ik, zooals ik reeds zeide, slechts 13 (of misschien nog minder) werkelijk onzuivere aan. De meeste daarvan zal ik liever te gelegener plaatse behandelen. Daarom slechts een enkel woord over de volgende:
| veer (znw. onz.): meêr (61 en 64) |
| geweest: bevreesd (189) |
| wezen (zijn): vreezen (470) |
Voor veer, geweest, wezen (zijn) kan de zachte e uit andere plaatsen worden bewezen; zoo ook de scherpe voor meêr, be- | | | |
vreesd en vreezen. De gevolgtrekking ligt dus voor de hand, dat hier de dichter en niet het dialect in de war is.
Wat nu de schijnbaar onzuivere e-rijmen betreft, ik heb niet getracht deze te vereenigen in groepen, die berusten op de boven opgegeven gronden voor de schijnbare onzuiverheid; zooals men uit het vervolg zien zal, was het mij niet altijd doenlijk met zekerheid aan te geven, of die grond te zoeken was in onze spelling of in het dialect. Ik begin daarom met een paar gevallen, die het meest in 't oog loopen.
In de eerste plaats rijmt het praet. ind. sing. van de verba, die vervoegd worden als bijten, steeds op woorden met zachte e. Zoo is het bijv. met de praett. beet, geleek, keef, keek, kreeg, kreet, neep, reed, scheen, sneed, streed, verdween en week. Het is onnoodig hierbij de bewijsplaatsen op te geven; ze zijn zoo vele, dat men Cats maar behoeft op te slaan om er te vinden. En uitzonderingen heb ik in 't geheele werk niet aangetroffen. Natuurlijk is er geen sprake van, of naar den oorsprong is de e van hij beet enz. scherp; nog in 't Mnl. geldt zij dan ook als zoodanig (zie v. Helten Mnl. Sprk. § 138 d en Franck Mnl. Gramm. § 138, 9). Maar later is deze e naar analogie van het meervoud in de meeste dialecten zacht geworden1). In het Zeeuwsch dialect was die overgang van ê in ē dus reeds in Cats' dagen voltooid. Tegenwoordig volgt het Zeeuwsch, althans op Noord- en Zuid-Beveland nog denzelfden regel. Bedenkt men nu, dat ook het Duitsch in 't enkelv. schrieb zegt en dat onze taal toch ook ik band veranderde in ik bond, dan is men geneigd het er voor te houden, dat de e in deze vormen ook in ons hedendaagsch Nederlandsch, indien dit nog onderscheidde, zacht zou zijn. Het komt hier in alle geval niet zoo zeer aan op den oorsprong der e als wel op de werking der analogie. Doch van practisch belang is deze kwestie volstrekt niet; het
| | | | is ons voldoende te weten, dat het praet. ind. sing. der verba als bijten in 't Zeeuwsch een zachte e kan hebben, zonder dat men daarin een onregelmatigheid behoeft te zien, en dat dus de genoemde rijmen bij Cats zuiver zijn. - Geheel in overeenstemming hiermee is ook de ē van het praet. praes. ik weet, dat dan ook herhaaldelijk rijmt op woorden als eet, besteed, treed enz.
De tweede, eveneens schijnbare, uitzondering vormen de woorden die door samentrekking zijn ontstaan. De Vries en Te Winkel meenden, dat de e in dergelijke woorden scherp moest zijn. Reeds door anderen (o.a. door Dr. Muller in Tijdschr. VII blz. 10)1) is op de onjuistheid daarvan gewezen, zoodat ik volstaan kan met het geven van enkele voorbeelden, waaruit blijkt, dat Cats hier zuiverder is dan onze spelling. Wegens het veelvuldig voorkomen der bedoelde rijmen, geef ik ook hier weer zonder bewijsplaatsen:
| preeken als rijm op spreken, ontsteken, treken; |
| kweelen op vervelen, kelen, stelen, spelen; |
| veeren op scheren, verteren, deren, beweren; |
| neer op peer, hēēr, mēēr, bēēr; |
en voorts: veelt (vedelt): speelt (181, 436), geleegd: geveegd (128) en steeg (stug): pleeg (24).
Maar hierbij heb ik ook tevens een paar werkelijk onzuivere rijmen te vermelden. Vooreerst gesneen: een op blz. 102 en weer: ik leer op blz. 470. En dan ook wel het rijm kweelt: streelt op blz. 375. Want hoewel op blz. 337 een rijm streelen: spelen en op blz. 537 kwelen (pijn lijden): streelen voorkomt, valt er toch wel niet aan te twijfelen, of streelen had in Cats' dialect een scherpe e; op minstens twintig andere plaatsen toch rijmt
| | | | het steeds op woorden met ê. Nog bij een ander woord dien ik even stil te staan, nl. bij teer (bnw.), dat bij Cats steeds rijmt op woorden als meêr, eer, zeer en leêr. Vooraf merk ik op, dat Cats ook voor r zachte en scherpe e en o blijkbaar nauwkeurig onderscheidde. Ik leg daarop den nadruk om twee redenen; vooreerst omdat ik in 't Beiërl. dialect voor r geen verschil kan hooren, noch bij e noch bij o; en dan ook omdat onze Mnl. dichters zich juist voor de r meer vrijheden veroorloven (vgl. v. Helten Mnl. Sprk. blz. 39 onderaan). Cats evenwel bleek mij ook hier zoo streng te zijn, dat ik het niet noodig geoordeeld heb er- of or- rijmen van de overige te scheiden. Ongetwijfeld sprak dus Cats teer en dan ook teeder uit met scherpe e. Het is moeilijk te zeggen, of dit historisch juist is. Men weet, dat Te Winkel dit woord schreef met ee en dat Beckering Vinckers in T. en Lb. IV, 198 pleitte voor het enkele teeken. Afdoende schijnt dit betoog niet te zijn geweest; althans in zijn Etym. Wdb. durft Franck de scherpe e voor 't Mnl. nog niet ontkennen. Hier blijkt ons nu, dat het Gron. dialect met zijn zachte staat tegenover het Zeeuwsche met zijn scherpe e. Welk van beide heeft gelijk? Of hebben beide gelijk en wijst het Gron. op germ. *tid-ro, het Zeeuwsch op germ. *taid-ro?
Volkomen eenstemmig daarentegen zijn het Zeeuwsch en het Gron. ten opzichte van een ander punt. Herhaaldelijk nl. komt bij Cats het ww. slepen voor, zoowel overg. (bijv. blz. 7, 62, 80, 94) als onoverg. (bijv. 83), maar steeds met zachte e blijkens de rijmwoorden: schepen, grepen, gegrepen en nepen. Alleen afgaande op onze spelling, zouden we hier dus met een zeker aantal onzuivere rijmen te doen hebben. Zonder een oordeel uit te spreken, wijs ik er op, dat men ook in 't Beiërl. dialect alleen slēpen kent en voorts verwijs ik naar Tijdschr. VII, 9 en de daar genoemde schrijvers1). Vast staat m.i. dat het Zeeuwsch der 17e eeuw alleen slēpen heeft gehad.
| | | |
Iets dergelijks als bij slēpen is ook het geval bij streken. Cats kent alleen streken met ē; ook in de beteekenis ‘listen, treken’ rijmt het bij hem zonder uitzondering op woorden als spreken, gebleken, gebreken, geweken, steken, geleken. Ik ben niet in 't bezit van den nieuwsten druk der Woordenlijst en kan daarom niet met zekerheid zeggen, of wij officiëel streken en streeken moeten onderscheiden, want tegenover de bewering van Franck Etym. Wdb., Te Winkel Leerb. der Spelling7 en Van Helten Kl. Ned. Sprk.4 staat die van Vercoullie (‘streek-list: zelfde vorming als streek-landstreek’) en Van Dale Woordenb.3 Alleen dit kan ik zeggen, dat het Beiërl. dialect evenmin als Cats een streek met ê kent1).
Zeer opmerkelijk acht ik ook de rijmen:
| (ge)heeten: (ge)weten 51, 95, 220, 559; |
| geheeten: vergeten (19, 574): eten (250, 692): bezeten (469). |
In strijd met onze spelling en met de etymologie van het woord beschouwt Cats blijkbaar de e van heeten als zacht. Reeds Franck heeft er ZfdA. 25, 40 op gewezen, dat het rijm heten: weten bij Maerl. meermalen voorkomt; bovendien vinden we bij dezen dichter heten: eten (Alex. 10, 413 en Sp. I1 34, 15) en gheheten: vermeten (Al. 3, 117)2). In den eersten Reinaert is verder heeten: weten het eenige onzuivere e-rijm (niet er-rijm), dat voorkomt (zie Tijdschr. VII, blz. 11). en bovendien is het opmerkelijk, dat Van Helten op blz. 39 zijner Mnl. Sprk. onder de daar opgenomen onzuivere e-rijmen - toch wel zonder opzet? - vijftien maal een rijm met heeten vermeldt. Dit alles, dunkt me, geeft te denken. Verklaren kan ik het niet, maar het schijnt mij toe, dat hier meer achter zit, dan enkel een onzuiverheid in 't rijm. Dr. Muller oppert t.a.p. het vermoeden, dat weten in Rein. 21 misschien scherpe e heeft en wijst
| | | | dan op het Brab. weêten. Doch mij schijnt dit vermoeden niet aannemelijk. Vooreerst is het Brab. weêten geheel in analogie met dreêven, beêten enz. - vormen, die waarschijnlijk vroeger gebruikelijker waren dan thans - maar zulke analogieën komen in R. I niet voor1). En in de tweede plaats zou men dan toch ook in den Rein. een inf. weêten verwachten, evenals in 't Brab. Dezen nu heb ik nergens aangetroffen, wel een inf. wēten vs. 272 en 533 der editie van Van Helten2). M.i. ligt de moeilijkheid dan ook in heeten. Of echter de andere gissing van Dr. Muller juist is, weet ik niet.
Heel wat gemakkelijker is de zaak bij de rijmen begeeren: weren, peren, scheren, verteren, zweren enz. Men weet, dat onze spelling begeeren fout is. Ik zou op deze rijmen dan ook niet eens gewezen hebben, was het niet, dat ik hierbij twee plaatsen had te vermelden, waar Cats het werkw. laat rijmen op woorden met ê nl. blz. 100 op leeren en blz. 521 op eeren. Deze beide rijmen dienen dus nog gevoegd te worden bij de reeds hier en daar genoemde werkelijk onzuivere.
Bij begeeren sluiten zich vanzelf aan de werkw. op -eeren. Slechts drie voorbeelden heb ik daarvan opgeteekend nl. laveeren: deren 46 en 613 en kwinkeleerden: teerden 616. Ik ben geneigd daaruit op te maken, dat Cats in deze werkw. een zachte e hoorde. Het is zeker gevaarlijk uit een drietal voorbeelden een besluit te trekken, te meer omdat ik niet eens zeker ben, of de drie genoemde de eenige zijn, die bij Cats voorkomen. Daar ik mijn onderzoek toch eigenlijk instelde met het oog op 't
| | | | Beiërl. dialect, waren die ww. voor mij van geen belang, zoodat er eerst laat mijn aandacht op is gevallen. Mijn bewering steunt dan ook, behalve op 't Brabantsch (Volkst. I 86), vooral op wat prof. Kern daaromtrent zegt Tijdschr. IX, 1481). - Meer bewijzen heb ik voor de vreemde woorden op -eel. Daaruit blijkt, dat deze woorden ook bij Cats scherpe e hebben. Evenwel zijn hier een tweetal uitzonderingen nl. kameelen: telen (272) en kameelen: kwelen (pijn lijden) (660). Of we hier te doen hebben met werkelijk onzuivere rijmen, is m.i. de vraag. Het spijt me, dat kameel slechts tweemaal in 't rijm voorkomt, omdat ik meen, dat dit woord ook zachte e heeft in het Beiërl. dialect, waar anders, voor zoover ik kan nagaan, de woorden op -eel ook steeds ê hebben. Toch is mij geen reden bekend, waarom kameel van den gewonen regel zou afwijken, of het moest deze zijn, dat het regelrecht ontleend is aan Lat. camêlus, terwijl de andere woorden op -eel teruggaan op Romaansche, meestal Ofr. vormen. Misschien is het vooralsnog voorzichtiger deze twee rijmen tot de schijnbaar onzuivere te brengen2).
Alvorens van de vreemde woorden en daarmee van de e-rijmen bij Cats af te stappen, wensch ik nog een enkel woord in 't midden te brengen omtrent de woorden beest, feest en tempeest, die bij Cats voorkomen als rijmen op meest, geest, (on)bevreesd, leêst en keest. Ik kan niet zeggen, of Te Winkel hier zijn regel - de e is zacht in vreemde woorden, behalve als zij uit een tweeklank is ontstaan - van toepassing zou hebben geoordeeld. M.i. zou dat verkeerd zijn geweest. Immers de meeste, zoo niet alle, dialecten, die nog onderscheiden, hebben hier evenals onze dichter een scherpe e en naar mijn meening was dit ook zoo in 't Mnl. Van Helten geeft dan ook in zijn Mnl. Sprk. blz. 41 voor de vreemde woorden op -eest wel rijmen met ê maar niet met ē; komen die laatste al voor, dan
| | | | moeten zij m.i. als onzuiver worden beschouwd. Ik stel mij voor, dat ‘de voor st verlengde vocaal’ bij deze woorden in de uitspraak nagenoeg met onze eigen ê is samengevallen, en werkelijk, als ik Ofr. beste en feste met langen klinker uitspreek, dan komt de klank der e veel dichter bij de Beiërl. ê dan bij de Beiërl. ē.
Overgaande tot de beschouwing der o-rijmen, is het eerste wat ons opvalt, dat het aantal werkelijk onzuivere rijmen, ook al is het betrekkelijk grooter dan bij de e, toch uiterst gering mag heeten. Op ongeveer 3000 rijmen slechts een tiental onzuivere beteekent niets, zelfs al bleek, dat dit getal nog verdubbeld moest worden. In hoeverre er voor dit verdubbelen reden bestaat, moge ieder voor zich uitmaken.
Als buiten twijfel onzuiver heb ik beschouwd:
wonen: (ver)toonen blz. 3, 14 en 232, landgenooten: gesproten 88, hōpen: verloopen 48, oog: elleboog 86, oogen: bedrogen 373 en 503, oogen: dōgen 493 en hooren: geboren 54. Ook hier zijn bewijsplaatsen bij te brengen voor de zachte o van wonen, gesproten, hōpen, boog, bedrogen en geboren en voor de scherpe van toonen, loopen, oog, hooren en de samenstellingen met genoot. Alleen voor dōgen heb ik er geen opgeteekend. Geaarzeld heb ik eenigen tijd bij het rijm broos: loos, dat hier driemaal (blz. 191, 205 en 211) voorkomt, terwijl ik geen enkel maal broos aantrof rijmende op een woord met zachte o. Bovendien gaven twee geboren Zeeuwen mij als uitspraak voor Noord- en Zuid-Beveland broôs op. Doch, waarom zou ook niet broôs kunnen staan tot bros als loôs tot los, doôf tot dof en loôf tot lof? Hetzij we hier moeten denken aan ‘ablaut’, of - misschien eerder - aan den invloed der s en verkeerde analogie, in beide gevallen zijn we gerechtigd een vorm broôs aan te nemen en de genoemde rijmen onder de schijnbaar onzuivere te rekenen1).
| | | |
Schijnbaar onzuiver zijn ook de rijmen, waarin de praet. ind. sing. van verba als gieten rijmen op woorden met ō. In zoodanig rijm komen voor de praet: gebood, koos, schoot, toog, verloor, vloog en vloot. Na hetgeen ik boven opgemerkt heb omtrent vormen als hij beet behoef ik hier niet over uit te weiden. Dat op dezen regel uitzonderingen zouden voorkomen, geloof ik niet. Aanvankelijk was ik geneigd daarvoor het rijm smook (znw): hij rook (418) te houden, op grond van wat Franck zegt i.v. smoken. Maar indien oorspronkelijk een znw. smoôk heeft gestaan naast een ww. smōken, hoe licht kan dan het subst. zijn klinker naar analogie van het verbum hebben gewijzigd. In het Beiërlandsch geschiedde misschien het omgekeerde en werd het werkw. smôken met ô onder den invloed van het znw. Tenzij er oorspronkelijk naast smōken (ags. smocian) een ablautend verbum smôken, (*smaukjan) heeft bestaan1).
Met voldoende zekerheid laat zich verder vermoeden2), dat evenals bij de e ook hier de woorden met zachte o bij samentrekking hun zachten klinker behielden. Bij het eenige voorbeeld, dat ik hiervoor kan aanhalen: boomen (bodems): schromen (131) is dit dan ook werkelijk het geval. Want schromen heeft bij Cats in overeenstemming met onze spelling en met Holl. schreumen steeds zachte o; behalve op genomen (blz. 3) rijmt het herhaaldelijk op komen. Wijst dit erop, dat naast wt. skraum, waarvan ons schroôm en misschien ook Beiërl. schrômen (tenzij dit van het znw. gevormd of daarnaar vervormd is) een wt skrŭm moet worden aangenomen, die dan Holl. schreumen en Zeeuwsch schrōmen heeft opgeleverd? Onmogelijk is dit zeker niet, maar het nadere bewijs ontbreekt. Dat bewijs hebben we echter wel bij een ander woord, waarbij de omstandigheden juist dezelfde zijn als bij schromen en dat ik daarom
| | | | hier even bespreek. Ik bedoel het ww. storen, waarvoor Franck op grond van vormen in andere Germ. talen een wt. staur aanneemt en dat hij dus een ô zou willen geven. Niet enkel Holl. steuren, maar ook ags. styrian wijst hier op ablaut, die dan ook kan verklaren, hoe storen bij Cats steeds rijmt op woorden met zachte ō als geboren, verloren, verkoren, voren enz. Daarmee - ik heb er reeds op gewezen - beweer ik nog geenszins, dat een Ndl. stôren onjuist is; andere dialecten toch (zoo bijv. 't Oostvlaamsch, zie Taal en Letteren IV 296), alsmede ook eenigszins Kiliaens spelling stooren (evenals schroomen) kunnen juist voor dezen vorm pleiten. Doch dit kan ik laten rusten, omdat ik hier slechts het w.w. stōren voor het Zeeuwsch der 17de eeuw heb te rechtvaardigen.
Ook hier blijven nu nog enkele rijmen over, wier schijnbare onzuiverheid veroorzaakt wordt door een drietal woorden, die zonder eenigen twijfel in
Cats' dialect een andere o hadden, dan zij volgens onze spelling moesten hebben. Bij de rijmen koot: slōōt (181),: schōōt (581) en koten: noten (280, 562, 670),: geschoten (390),: verdroten (426) is het onnoodig stil te staan; uit Franck Etym. Wdb. kan men zien, dat Cats het hier bij het rechte eind heeft. - Niet zoo eenvoudig is de zaak bij pogen. Cats laat dit w.w. rijmen op oogen, toogen, verhoogen, zoôgen en gedoogen en heeft het dus zonder twijfel uitgesproken met ô. De eigenlijke reden, waarom wij pogen met één o schrijven nl. de afkomst van Lat. pungere zal tegenwoordig wel niet meer als geldig worden beschouwd, maar toch blijft Franck voor 't Mnl. pōghen aannemen en leidt het af van den wt. pug. Opmerkelijk is het, dat ook in Rein. I een rijm poghede: ghedôghede voorkomt (zie Tijdschr. VII, 31). Dr. Muller tracht die onzuiverheid te verschoonen, als ik het zoo noemen mag, door te wijzen op de verwarring, die kan zijn ontstaan tusschen dôghen (pati) en dōghen (valere). Hij had zich bovendien kunnen beroepen op de mededeeling in het Ned. Wdb., dat gedoogen o.a. in Zeeland nog zachte o heeft in overeenstemming met ags. dogian - een mededeeling, die ik bij Cats evenwel niet be- | | | | vestigd vond1). En toch vraag ik: kan de
onzuiverheid van dit rijm niet worden veroorzaakt door poghen, of liever: moet men blijkens dit rijm ook voor den Rein. niet pôghen aannemen? Wat wij hier bij Cats hebben gezien, is niet voldoende, om daarop bevestigend te antwoorden. Het wint evenwel in bewijskracht, doordat Kiliaen pooghen (met dubbele o) als Fland. Holl. opgeeft. Bovendien zou het mij niet verwonderen, als ook de Mnl. rijmen ons wezen op poghen met ô2). - Ongeveer hetzelfde kan gezegd worden van droog, drogen, die bij Cats steeds rijmen op woorden als oog, hoog, verhoogen en gedoogen. Behalve op Kiliaens spelling drooghe, droogen en op rijmen in Mnl. gedichten kan tot rechtvaardiging der ô hier nog gewezen worden op verschillende
hedendaagsche dialecten, als het Beiërl., het Oostvlaamsch (T. en L. IV, 296), het dialect van Zuid-Beveland (T. en Lb. IV, 228) van Noord-Brabant en van Gelderland (Volkst. I, 86). In hoeverre de etymologie grond geeft tot het aannemen eener ô bij droog en ook bij pogen wensch ik hier in 't midden te laten, om ten slotte nog iets te zeggen over de woorden van vreemde afkomst.
De rijmen, die hier onze aandacht verdienen, zijn de volgende:
| Mooren: geboren 273 en Mooren: gekoren 408, 410; |
| rozen: poozen blz. 93, 139, 232, 259, 420, 424, 429; |
| Pretiose: pooze 378; |
| rozen: liefkoozen 248, 653; |
| | | |
| Rome rijmende op boomen (4 ×), droomen 264, stroomen 279, betoomen 612; |
| Kroon(en) op loon(en), toon, vertoonen, schoon, verschoonen, boon; |
| troon op loon 152, schoon 312; tronen: betoonen 478, daar. entegen zoon: troon 705; |
| toon: boon 105. |
Van de rijmen Mooren: geboren, Mooren: gekoren weet ik niets te zeggen. Omtrent de andere vergunne men mij een paar opmerkingen. Roos heeft bij Cats zachte o, blijkens de rijmwoorden koos, verkoos, blozen; zoo ook Pretiose dat in 't Spaensch Heidinnetje viermaal in 't rijm voorkomt. Hebben nu pooze en liefkoozen in 't Zeeuwsch dialect ō gehad, of zijn de rijmen onzuiver? Voor pooze is het aantal toch wel wat groot, om hier bij Cats, die anders zoo streng is, aan onzuiverheid te denken. Hoe de tegenwoordige uitspraak van 't woord in Zeeland is, weet ik niet, maar wel weet ik, dat de au van Lat. pausa voor 't Zeeuwsch niet veel kan beteekenen; men vgl. bijv. pōōver in T. en Lb. IV 228. - Ook bij rozen: liefkoozen waag ik het te twijfelen. De eigenlijke reden, waarom wij koozen schrijven (afleiding van Lat. causari) geldt tegenwoordig niet meer; toch blijft Franck, maar nu op grond van Ohd. chôsôn, de scherpe o in dit woord behouden. In het dialect van Z. Beveland spreekt men evenwel nog heden kōzen uit1). En wanneer men een Germ. ablaut kaus, kū̌s (zie Franck i.v. koozen) mocht veronderstellen, zou toch ook een ww. kōzen van wt. kŭs, waarvan dan misschien ook keuzelen, denkbaar zijn. - Rome rijmt zevenmaal op woorden met ô; m.i. moet dit woord in 't Zeeuwsch een ô hebben gehad; daarvoor pleit, behalve Beiërl. roômsch en Oostvl. Rôme2), ook
de scherpe o die het woord bij Maerlant had. - Eveneens beschouw ik de o in kroon, troon en toon als scherp3). In onze spelling hebben die woorden zachte o, omdat zij aan
| | | | een vreemde taal zijn ontleend, maar bij de e-rijmen hebben we reeds gezien dat deze regel althans voor de dialecten niet kan gelden. En niet alleen de tegenwoordige volkstaal op Zuid-Beveland1) zegt bekrônen, tônen en trônen, ook in andere streken o.a. hier in O.-Beiërland spreekt men die woorden met ô uit. Op die uitspraak wijzen bovendien ook hier weer de rijmen onzer Mnl. dichters.
Oud-Beiërland.
a. opprel. |
1)In de uitgaaf van Hofdijk. Naar de bladzijden dezer uitgave verwijzen de cijfers, die zonder meer in dit opstel voorkomen. - Voor 't gemak heb ik de spelling gemoderniseerd.
1)Toch niet in alle. Zoo heeft bijv. het Westvlaamsch de scherpe e in 't enkelv. behouden en die in 't meerv. overgebracht (vgl. Onze Volkst. II 34). Ook het Brabantsch doet dit soms (Volkst I 26)
1)Het zij mij echter vergund hier een opmerking te maken naar aanleiding van wat Dr. Muller aldaar in de noot aanteekent. Met verwijzing naar Volkst. II 56 heet het daar: Het Gron. schijnt trouwens bij samentrekking wel scherpl. ee te kennen. Ik meen, dat Dr. Muller zich hier heeft vergist. De t.a.p. voorkomende vormen kweel'n en preek'n wijzen in de spelling van den hr. Onnekes juist op ē; men vgl. de op blz. 55 voorkomende woorden eet'n, breek'n, neem'n enz. Wanneer de hr. O. op diezelfde blz. 56 spreekt van de scherpe ee, die door samentrekking uit een zachte is ontstaan, heeft hij m.i. het oog gehad op onze spelling.
1)Voor noot 2) op blz. 10 aldaar geldt, wat ik vroeger opmerkte omtrent noot 3). Sleep'n bij Onnekes wijst op zachte e.
1)Dr. Muller had de vriendelijkheid mij mee te deelen, dat noch de Woordenlijst noch de Grondbeg. een mv. streeken kennen.
2)Daarnaast staat evenwel heten: bleten Rb. 15331, dat toch moeilijk anders dan ê: ê kan zijn, en verder ook keten (casae): heten NBl. 2, 2081. Wat keet betreft, behalve Kiliaens spelling pleit voor ê ook Westvl. keête (Volkst. II 9) en Beiërl. keêt.
1)Hoewel men in Hunsingoo de vormen draiv'n, bait'n ook niet schijnt te kennen, zegt men er echter wel wait'n; zie T. en Lb. III 95 en Onze Volkst. II 55. Maar dan geldt die scherpe uitspraak daar toch ook voor den inf. en het part., zoodat ons tweede bezwaar blijft bestaan.
2)In 't voorbijgaan wil ik er hier op wijzen, dat men bij een onderzoek naar de rijmen deze editie met voorzichtigheid dient te gebruiken. Het geringe aantal onzuivere rijmen is toch door prof. Van Helten met niet minder dan vijf vermeerderd; zij zijn: deert: onteert vs. 627, dede: bêde vs 2567, onbesproken: goken vs. 17, loge: hoghe vs. 2415 en zoenen: scone vs. 3127. Het schijnt Dr. Muller te zijn ontgaan, dat ook het voorlaatste rijm niet in het Hs. staat.
1)Daarmee klopt evenwel weer niet, wat Onnekes meedeelt omtrent 't Gron. Volkst. II 56.
2)Naar aanleiding van kameel wijst Dr. Muller mij op dēken uit decanus en Tijdschr. VII, blz. 13.
1)Aan prof. Cosijn, die mij welwillend zijn meening meedeelde over dit en een paar volgende woorden, betuig ik hier mijn hartelijken dank.
1)Vergl. de aant. van Franck op Alex III 1074.
2)Ook op grond van de tegenwoordige uitspraak in Zeeland. Zie bijv. voor dōren T. en Lb. IV 228 en voor bōōmen N. en Z. III 148.
1)Ook in T. en Lb. IV 228 geeft de heer Kousemaker gedōgen voor Z. Beveland niet op.
2)Poghen rijmende op woorden met ô kan men o.a. vinden: Wal. 8591, en 10863, Moriaen 3673, Hildegaersb. blz. 10, 17, 26, 32, 62, 66, 99, 156, 161, 247, Floris en Bl. 3064, Ik kan hierover nu niet uitweiden. Alleen dien ik te zeggen, dat ik voor een geval als het hier besprokene, aan de rijmen bij Mnl. dichters geen bewijskracht durf ontzeggen. Ik geloof niet, dat ō en ô rijmen normaal zouden zijn, zooals Van Helten beweert, Mnl. Sprk. § 33. De werken waaraan mijne vbb van pôghen zijn ontleend, staan ten opzichte van de o-rijmen ongeveer gelijk met den eersten Rein, volgens onderzoek van Dr. Muller. Maar ook het dialect komt hier in aanmerking. Trouwens dit geldt toch ook voor de e-rijmen; een rijm bêde: dēde uit de Rose of Theophilus bewijst toch niets voor Rein I (zie v. Heltens Reinaert-editie, aanteek. op vs. 2567).
2)Taal en Letteren IV 296.
3)Vgl. ook Franck i.v. troonen en diens Notgedrungene Beiträge zur Etym. S. 40.
|
|