|
|
|
| |
Stapelzot.
De vraag is bij mij opgekomen of de verklaring van dit woord ook wellicht gezocht moet worden, niet bij stapel, stipes, fulcrum, strues, maar bij stapel, cicada, zoodat het zooveel als ‘krekelzot’ zou beteekenen1). Vergeleken met pepel-sot, delirus (Kil.) en zoo zot als een piepel, fou à lier (De Bo) (waarin pepel en piepel, kapel, papilio beduiden), of met dumm wie ein heupferd (D. Wtb. 4, II, 1291) klinkt dit niet vreemd of onbegrijpelijk. Voor twee eeuwen is trouwens reeds dezelfde verklaring gegeven; immers ‘Cicada, krekel ... sicamb. stapel hinc stapel-gek, homo incondite loquax, stultus’ leest men in de Synonymia Latino-Teuton. (den ‘omgekeerden’ Kiliaan). Vergelijkt men dit incondite loquax nog bovendien met ‘Babillard en cigale, Pratling like a Parrot’ bij Cotgrave (1650), dan schijnt het wel, dat het onverstaanbaar ‘gekriek’ van het ‘kriekske’ meer dan (zooals men onwillekeurig denken
| | | | zou) zijne fabuleuze zorgeloosheid dit diertje als een toonbeeld van dwaasheid hebben doen beschouwen.
Ik kwam op deze gedachte bij de lezing van vers 121 en 122 der Patience1): o folez in folk, felez oþer whyle and vnderstondes vmbe stounde paȥ ȥe be stape fole, die eene navolging zijn van Psalm 93, 8 (Vulg.): Intelligite insipientes in populo; et stulti, aliquando sapite. De vertaling ‘dat gij stapel-zot zijt’ lag voor de hand, maar niet minder het vermoeden dat dit (elders niet voorkomende) ‘stape fole’ en ons stapel-zot meer dan eene bloot toevallige overeenkomst met elkaar moesten hebben. Mag men nu aannemen dat meng. stape beantwoordt aan ags. *stapa sprinkhaan2), en dat nederl. stapel- hier ‘krekel’ beduidt, dan stemt het Meng. adjectief werkelijk lid voor lid met het Nederlandsche overeen3), maar
dan (tenzij deze onderstelling te gewaagd mocht blijken) is door deze overeenstemming tevens wel ontwijfelbaar bewezen, dat nederl. stapelzot moet zijn samengesteld met stapel, cicada en niet met stapel, stipes4).
October, 1895.
a. beets. |
1)Stapel. Sax. Sicamb. Holl. Fris.: krekel. Cicada, Kil.; zie ook De Brune, Embl. 80. Voorts: mnd. stapel, heuschrecke; ohd. howi-stapho ( Schade), hd. Heustäffel ( D. Wtb.). Halma en Marin vermelden stapel nog; voor pepelsot zie ook v. Vloten, Kluchtsp. 2 1, 174. Merkwaardig is zeker ook keker-sot ... stultus cachinnans, dissolute et immoderate ridens, Kil.
1)Naar Zupitza's Uebungsbuch3, 1884, blz. 96 (verg. ald. 173 a). Prof. Bülbring was zoo vriendelijk mij uitdrukkelijk te verzekeren, dat aan de echtheid of de zuiverheid der lezing niet valt te twijfelen.
2)Af te leiden uit het mv. stapan, locustae; zie Wright-Wülker. Gloss., blz. 435 en 478. Het gewone woord is echter (naast goershoppe) de samenst. goersstapa.
3)Het geringe verschil tusschen de cicada (in de wetenschap gryllus) en de locusta doet hier natuurlijk niets ter zake; ook thans worden beide vaak voor elkander aangezien (voorzooveel men de locusta viridissima te zien kan krijgen), en Kiliaan vertaalt gras-hopper met: Cicada & Locusta (doch verg. bij dit art. Kluyver, Proeve, 113 vlg.).
4)Ik wil hier terloops mededeelen, dat stapelgek ter sprake gebracht is in Noord en Zuid 4, 240, maar mag tevens niet verzuimen te vermelden hoe Vercouillie, Et. Wbd. ‘stapelzot’ verklaart, t.w. als gevormd naar analogie van ‘stapelhoog’ dat hij vergelijkt (b.v.) met ‘bloedarm’.
|
|