Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16. E.J. Brill, Leiden 1897  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 212]

Ontstaan en groei van Vondels gedichten.

I.

Indien wij Vondels voornaamste werken in hunne wording konden gadeslaan, zouden wij des dichters ontwikkeling grondiger kunnen leeren kennen dan nu; de meeste zijner groote en kleine gedichten kunnen wij bestudeeren slechts in den definitieven vorm dien de dichter hun gegeven heeft; van de wijze waarop zij ontstaan zijn, weten wij in de meeste gevallen weinig of niets. De handschriften van zijne poëzie zijn betrekkelijk weinig in getal en de meeste daarvan vertoonen ons stukken die blijkbaar hun definitieven vorm reeds hadden verkregen; slechts een enkel kladschrift en een paar andere hss. geven ons een blik op de wording van een gedicht. Van geen zijner treurspelen bezitten wij een ontwerp of een handschrift; van zijne kleine en groote lyrische stukken slechts enkele hss.; van de handschriften zijner vertalingen bleef betrekkelijk nog het meest over, maar deze zijn voor ons van het minste belang.

Hier en daar heeft de dichter zelf ons het een en ander medegedeeld omtrent het ontstaan zijner werken; brengen wij dat in verband met hetgeen wij uit die werken zelve kunnen opmaken en hetgeen wij van Brandt of andere betrouwbare schrijvers weten, dan kunnen wij ons althans eenige voorstelling vormen van de wijze waarop Vondels poëzie is ontstaan en gegroeid.

De meeste zijner werken zijn natuurlijk ontstaan uit zuivere aandrift; dat geldt in de eerste plaats zijne bijbelsche drama's en die werken welke aan geloofsijver het aanzijn te danken hadden, als Altaergeheimenissen, Maria Stuart, Bespiegelingen van Godt en Godsdienst, Heerlyckheyd der Kercke, maar ook de meeste zijner lyrische stukken.

Over het ontstaan dier bijbelsche drama's - verreweg de

[p. 213]

meeste van Vondels drama's behooren daartoe - vinden wij eene merkwaardige mededeeling van den dichter zelf in de Opdracht zijner Gebroeders aan Gerard Vossius. Vondel schrijft daar: ‘Toen wy, belust op bybelstof te wercken, de gewijde bladen doorsnuffelden, behaeghde ons, boven alle andere, deze Historie......’

Deze mededeeling is ondanks hare soberheid belangrijk voor ons die Vondel bestudeeren. Duidelijk zien wij hier wat er gebeurd is: primair was in Vondels geest de lust om eenige bijbelsche stoffe te verwerken; hij weet nog niet welke, hij neemt zijn bijbel ter hand en gaat zoeken; het verhaal der Gebroeders behaagt hem meer dan andere. Die lust in Vondel tot het verwerken van bijbelstof was zuivere geloofsdrift; dienzelfden aandrang volgend, gaf hij eene bewerking en paraphrase der Psalmen en schreef hij verscheidene andere werken.

Wat van Gebroeders geldt, geldt, naar ik meen, ook van de overige bijbelsche drama's; zoowel Pascha dat de rij zijner oorspronkelijke drama's opent als Noah dat die rij besluit, waren aan den bijbel ontleend; telkens zien wij hem in die tusschenliggende jaren 1612-1667 met korter of langer tusschenpoozen tot den bijbel terugkeeren. Telkens als de zuivere vlam zijner liefde tot God feller begon te branden, hooger opschoot, of wanneer hij, neergebogen onder huiselijk leed of gekweld door zondebesef, troost zocht, greep hij naar zijn bijbel; werd dan de poëtische geest vaardig over hem, dan had de conceptie van een nieuw werk plaats. Zoo althans stel ik mij het ontstaan van vele zijner stukken voor. Dat dichterlijk werk van dien aard in staat was hem te troosten in droefheid, vernemen wij uit deze mededeeling van Brandt aangaande Vondels verdriet over zijn zoon Joost: ‘men hoorde hem, toen met Davids Harpzangen besigh, dikwijls zeggen, Indien ik de troost en verquikking der Psalmen niet hadde, ik verging in myn elende1).

[p. 214]

Een ander aanzienlijk deel van Vondels werken is ontstaan door de inwerking van de wereld en het leven rondom hem op zijn gemoed. Zulke werken zijn b.v. Palamedes, de groote en kleine hekeldichten, werken als Geboortklock, Inwydinge van het Stadhuis, Zeemagazijn en de gedichten die betrekking hebben op het leven van zijn gezin, van zijne vrienden en bekenden. Onder voorbehoud mag men er ook tooneelstukken als Gysbrecht van Amstel en Leeuwendalers toe rekenen, beide gemaakt voor eene bepaalde gelegenheid.

Overigens is er, naar het mij voorkomt, zeer weinig verband tusschen Vondels tooneelwerk en zijne uiterlijke levensomstandigheden. Dat hij b.v. Jeptha dichtend, zich zelven tegenover zijn zoon gedacht zou hebben als Jeptha tegenover zijn dochter, gelijk beweerd is1), acht ik uiterst onwaarschijnlijk. Meer reden bestaat er, aan zulk een verband te denken bij David in Ballingschap en David Herstelt; beide stukken waren naar alle waarschijnlijkheid bewerkt in de jaren onmiddellijk voorafgaand aan het jaar 1660, waarin zij uitkwamen; juist in die jaren had hij het meeste verdriet over zijn zoon Joost die omstreeks dezen tijd naar Indië gezonden werd doch op reis stierf. Hier is gelijkheid van omstandigheden bezwaarlijk te ontkennen: Vondel tegenover zijn zoon als David tegenover Absalon, die door Joab, Davids veldheer, gedood wordt. Men mag hier te eer aan verband denken, omdat in de Opdracht van David Herstelt duidelijk blijkt, dat ouderliefde en vooral oudersmart de spillen waren waarom des dichters gedachten draaiden bij de bewerking dezer treurspelen. Wanneer men in die Opdracht uitspraken leest als deze: ‘gelijck aen veel liefs veel leedts vast is, zoo lijdt natuur nergens gevoelijcker dan in het harte der ouderen om de kinderen in lijden’ en men herinnert zich dan dat Vondels vaderhart juist in de onmiddellijk voorafgaande jaren zwaar beproefd was geworden, dan valt het moeilijk aan te nemen dat Vondel, zoo schrijvend,

[p. 215]

slechts aan David en Absalom, aan Niobe, aan Abraham en Isaäk gedacht heeft; zijne eigen omstandigheden moeten hem daarbij wel voor den geest gezweefd hebben en ook reeds vroeger toen hij die treurspelen ontworp en schreef.

Zou Vondel, toen hij den bekenden lofzang op de ‘oprechte trouw’ in Gijsbrecht van Amstel dichtte (waarschijnlijk tusschen 1635-1637), niet gedacht hebben aan zijn eigen gelukkig huwelijksleven en aan de geliefde vrouw die in 1635 van hem was weggenomen? Waarschijnlijk acht ik dat wel, doch wij kunnen hier natuurlijk geene zekerheid verkrijgen. Over het algemeen spreekt Vondel in zijne poëzie zoo weinig over zich zelven of over zijne eigen omstandigheden, dat wij ons niet behoeven te verwonderen, indien wij zoo weinig aanknoopingspunten vinden tusschen zijne tooneelwerken en zijn uiterlijk leven.

Verscheidene grootere en kleinere werken van Vondel zijn niet zuiver spontaan, doch ontstonden, het een meer het ander min, onder invloed van personen die hem een werk opdroegen, of verzochten of tot het ondernemen van een werk aanspoorden. Dat geldt in de eerste plaats van alle hem waarschijnlijk door uitgevers opgedragen werk als de Gulden Winckel, de Warande der Dieren, de Helden Godes, bijschriften bij prentwerken1): in de tweede plaats moet men misschien daartoe rekenen bruiloftsdichten en andere stukken die op verzoek door Vondel zijn gedicht2); dat Vondel kleinere stukjes als die voor

[p. 216]

Konstantijn Sohier en voor de kleinkinderen van Michiel le Blon op verzoek dichtte, mag worden aangenomen. De stoot tot het dichten van Palamedes schijnt gegeven door den schepen Albert Koenraadts Burgh; dat moet men ten minste opmaken uit het verhaal van Brandt1). Op de wording van een zijner treurspelen heeft het zien van een schilderij invloed gehad. De dichter zelf deelt ons in de Opdracht van zijn Joseph in Dothan mede: ‘Josephs verkoopinge schoot ons in den zin, door het tafereel van Jan Pinas, hangende, neffens meer kunstige stucken van Peter Lastman, ten huise van den hooghgeleerden en ervaren dokter Robbert Verhoeven; daer de bloedige rock den Vader vertoont wort: gelijck wij in 't sluiten van dit werck, ten naesten by, met woorden des schilders verwen, teikeningen en hartstoghten pooghden na te volgen’. De Batavische Gebroeders verkeeren in een dergelijk geval. Verwonderen zou het mij niet, indien Vondels eerste indrukken van deze stof afkomstig waren van de vertooningen op den Dam ter eere van den vrede in 1648 gegeven; in de vertooningen II-V zag men daar de geheele geschiedenis die later (1663) door Vondel in zijn treurspel verwerkt is; Julius Paulus, Claudius Civilis en Fontejus Capito kwamen ook hier voor2). Doch ook al kon men aantoonen, dat Vondel deze vertooningen niet heeft gezien, dan zou de invloed der beeldende kunst op het ontstaan van dit treurspel toch nog blijken uit deze mededeeling van den dichter zelf in de Opdracht van zijn werk: ‘Toen ick den opstant

[p. 217]

tegens de Romainen, en de doorluchtige daeden der Batavieren in de kunstige printen van Tempeest bespiegelde, en onder andere afbeeldingen, den Romainschen Stadthouder op den stoel zagh zitten, daer Julius Paulus in zijn bloet geverft lagh, Nikolaes Burgerhart geketent naer Rome gevoert wiert...... ontvonckte my een yver om levendigh te ververschen den treurhandel der Gebroederen’.

Mag men dus wel aannemen, dat verscheidene werken van Vondel zijn ontstaan onder invloed van anderen, men moet dien invloed niet te hoog aanslaan. In de meeste gevallen zijn die opdrachten of verzoeken slechts aanleiding geweest tot het maken van een gedicht, zelden waren zij oorzaak. Werken als de Gulden Winckel en de Warande der Dieren vielen geheel in den geest des dichters, niet minder de Helden Godes en Palamedes. De inwijding van den Schouwburg en de viering van den Munsterschen vrede waren slechts welkome gelegenheden voor Vondel ter verwerking van denkbeelden en gevoelens die reeds lang in hem lagen te wachten op de vormende hand die er een grootsch kunstwerk uit zou scheppen. In Gysbrecht was het de ‘yeder aengeboren liefde tot zijn land’; het welbehagen in de geschiedenis van ons volk, dat toen aller harten ging vervullen en zich reeds vroeger in Hoofts Gerard van Velzen en Baeto had getoond, lust tot navolging van zijn meester Virgilius, tot het vinden van aanknoopingspunten, het uitwerken van overeenstemmingen tusschen Oud-Griekenland en Oud-Holland. In Leeuwendalers was het zijne vurige liefde tot den vrede, waarvan hij vroeger reeds zoo dikwijls getuigd had.

Bij sommige bruiloftsdichten en enkele andere werken, als de Jaghtzang en het Keurgedicht voor Joan Maurits van Nassau, was de drang tot het maken van poëzie, naar het mij voorkomt, niet in den dichter zelf aanwezig; daar moest aandrang van anderen dat gemis vergoeden. Dat is dan ook aan het gehalte dier stukken te bemerken.

[p. 218]

II.

Men mag aannemen dat Vondels groote werken, zijne drama's, zijne leerdichten, zijn Joannes de Boetgezant, langzamerhand in des dichters geest zijn gegroeid; ik bedoel daarmede niet dat hij lang aan die gedichten heeft gewerkt voordat hij ze voltooide, doch dat hij lang zwanger ging van eene dichterlijke stof voordat hij er toe overging die te verwerken; de kiem had reeds een stadium van ontwikkeling doorloopen, eer zij zich boven den grond vertoonde.

Van sommige zijner werken kunnen wij dat aantoonen. De kiem van het treurspel Maeghden dat in 1639 voor het eerst uitkwam, vinden wij reeds in den ten jare 1632 gedichten Olyftack aan Gustaaf Adolf; in de verklaring van het ‘bloedigh veld’ (veld van keel) van het Keulsche wapen lezen wij (vs. 65-68):

 
Dat's 't jammerteecken dat haar oude straten
 
Gedoopt zijn so verwoed
 
In 't kuische maaghdenbloed,
 
Vergoten van Barbarische soldaten.

Eveneens vinden wij die kiem in de Rynstroom die stellig vóór 1635 gedicht moet zijn (vs. 31 vlgg.):

 
Maer uw geloovigh Christendom
 
Beproeft werd als het gout in d'oven,
 
Doen Attilaes verwoede trom
 
't Geruisch uws waters quam verdooven,
 
En verwde met onnosel bloed
 
En damde uw kil met kuische dooden.

Omtrent het treurspel Maria Stuart deelt de dichter zelf ons in zijne Opdraght mede: ‘het lagh al eenige jaren geleden by my, als een belofte, haere Majesteits godvruchtige faem die zoo hoogh gestegen, mijne nochte iemants pen behoeft, van verre in haer schaduwe naer te streven.

De geschiedenis van Salomo's val, door Vondel verwerkt tot

[p. 219]

een treurspel dat in 1648 het licht zag, vinden wij reeds vrij uitvoerig in het door hem vóór 1620 vertaalde fragment van Du Bartas De Heerlyckheyd van Salomon (vs. 201-210), waar David zegt tot zijn zoon:

 
Voer al, mijn troetelkind! verdrenckt om Gods wil dy
 
Niet in 't bedrieghlijck meyr van 's boels liefkoozery
 
 

Lucifer heeft den dichter reeds vroeg voor den geest gezweefd. In den Gulden Winckel die in 1613 het licht zag, vinden wij eene vergelijking tusschen Cupido die uit den hemel wordt gebliksemd en den aartsengel die door God ter helle wordt gedoemd. De vergelijking zelve had Vondel reeds aangetroffen in het bijschrift van Jan Moerman, zijn voorganger in dezen; daar lezen wij:

 
's Ghelycx viel Lucifer in der Hellen gront
 
En Adam moest laten den Boomgaert prysselyck

Die vergelijking heeft Vondel niet opgenomen in zijn bijschrift dat alleen over Cupido handelt; wel echter treffen wij haar aan in zijn onderschrift der prent:

 
Die boven 't Hemelsch heyr dacht stellen zijnen stoel,
 
Van Godes aenghezicht viel in den Helschen poel.

In 1642 duikt de gedachte aan het verzet des aartsengels tegen God weer op in de Brieven der Heilige Maeghden; in dien van ‘Katharine aen Porphier, den Veltheer’ leest men (vs. 43-50):

 
Een ander zegefeest, een ander ooreloogh
 
Verruckt u, boven 't aertsch en dit gewelt, om hoogh
 
By des aertsengels maght, geschaert aen regementen;
 
Daer daeuw noch regen valt op lecke legertenten,
 
En geen soldaet zijn vuist verziet met schacht of stael,
 
Maer dondert uit de lucht of slingert met een strael
 
Van blixem op metael en reuckelooze geesten
 
Des afgronts, eeuwighlijck verbannen van Godts feesten.

Men ziet hier de grondgedachte, die door den dichter later zal verwerkt worden tot het grootsche tafereel van den strijd tusschen Michael en Lucifer met hunne legers.

[p. 220]

Omstreeks 1650 reeds moet hij het plan om een treurspel van deze stof te maken hebben opgevat. Op welk ander stuk immers dan op Lucifer kan de slotregel van het bijschrift op zijn eigen portret door Jan Lievens doelen: ‘Men vat uit 's Dichters print (afbeelding) wat treurspel hy wil dichten’. Van Jeptha getuigt Vondel in het ‘Berecht aen de begunstelingen der Tooneelkunste:’ ‘Ick voere nu Jeptha, den zeeghaftigen helt, lantvooght, rechter en veltheer der Hebreen ten stichtigen treurtooneele, waer op mijne gedachten al menige jaeren geleden speelden.’ De stof van het in 1667 uitgegeven treurspel Zungchin vindt men reeds in hoofdzaak weergegeven in een gedicht van 1661, Nootweer tegens den Inbreuck van Turckyen, dat aldus aanvangt:

 
Toen Chinaes rijxmuur open lagh
 
Borst 's Tarters heir verwoet
 
Ten rijcke in zonder stoot en slagh
 
Gelijck een weereltvloet.
 
De vorst van 't Indiaensche Euroop,
 
Verraên van inheemsch zaet,
 
En overrompelt zonder hoop
 
In dien benauden staet
 
Verhing zich zelven op den troon
 
Aen eenen zijden strick.
 
Aldus streeck Chams gebroet die kroon
 
In eenen oogenblick.

De kern van het groote werk Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst dat in 1662 het licht zag, vinden wij in 1647 in deze verzen van den Geboortezang aen Gregorius Thaumaturgus (vs. 31-34):

 
Waer is de vlugge tijt gevaren,
 
Dat dierste kleinoot, waert besteet
 
In aendacht en bespiegelingen
 
Van Godt en 't allerhooghste goet.

Hoeveel moeite Vondel zich getroostte om de stof, eens door hem ter behandeling gekozen, meester te worden en te ver-

[p. 221]

werken, blijkt uit de meeste zijner werken zelf en hier en daar uit voorredenen en opdrachten. Duidelijk zien wij dat b.v. in hetgeen Brandt ons over de wording van Palamedes verhaalt. Toen schepen Burgh Vondel eenmaal op het denkbeeld gebracht had, Oldenbarnevelts strijd met Maurits ‘op een anderen naam te maken’, ‘begost de Poëet op dat voorstel te denken, de stof by zich zelven t' overleggen en naar eenige geschiedenis der oudtheit te zoeken, onder welker schorsse hy 't nieuwe treurspel moght verbergen. Eindelyk quam hem de Grieksche Palamedes te vooren .... Dees geschiedenis van d'oude Poëten met hunne verzierselen gemenght, geviel hem en hy gaf zich aan 't werk met opzet om 't by zich zelven te houden, tot dat de tyden 't uitgeven zouden gehengen. Al zyn gedachten en verstandt inspannende, viel hy aan 't ontwerpen, ordineeren en schikken der stoffe, mengende het nieuw onder 't oudt en 't waar met onwaar’. Wat wij in de Opdracht van Gebroeders aan Gerard Vossius lezen: ‘Uwe rijcke schatkamer van boecken en papieren heeft, neffens andere gunstige vernuften, dezen wercke geen voedsel geweigert’, mag toegepast worden op de wording der meeste van Vondels voorname werken. Wat had hij al niet bestudeerd alvorens zich in staat te achten tot het dichten van Jeptha, van Lucifer, Altaergeheimenissen, Heerlyckheit der Kercke! Het is wel waarschijnlijk dat Vondel zelf zich gehouden heeft aan dit voorschrift zijner Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste: ‘Maer om veiliger en vaster te gaen, geef uwe dichten niet in uwen eersten yver aen den dagh. Laetze een goede wijl onder u rusten: ga' er dan eens en anderwerf, ja zevenwerf, met versche zinnen over’1); doch bewijzen zijn hier schaarsch. Slechts van de Bespiegelingen bleek mij dat dit werk waarschijnlijk lang gereed is geweest, voordat de dichter het ter perse liet gaan; in de voorrede van een fragment dat in 1659 afzonderlijk uitkwam, zegt Vondel dat het fragment ‘getrocken is uit het vijfde boeck mijner bespiegelingen van Godt

[p. 222]

en den Godtsdienst, die noch ongedruckt zijn’; eerst in 1662 verscheen dat werk in zijn geheel. Bovendien blijft natuurlijk de mogelijkheid bestaan, dat in 1659 nog niet het gansche werk voltooid was, al zou men dat uit de door mij gecursiveerde woorden wel kunnen opmaken.

Even schaarsch zijn onze gegevens, indien wij trachten een antwoord te geven op de vraag of Vondels gedichten al spoedig den definitieven vorm kregen, waarin de dichter ze voor het eerst publiceerde - dan wel, of ook zijn werk niet tot stand kwam zonder ‘the cautious selections and rejections, the painful erasures and interpolations’ waarvan Edgar Allan Poe spreekt in zijne, voor onderzoekingen als deze zoo belangrijke, verhandeling The philosophy of composition. Slechts de handschriften zouden ons kunnen helpen bij dit onderzoek, doch, gelijk ik reeds zeide, deze zijn betrekkelijk weinig in aantal1); bovendien is het niet eens waarschijnlijk dat de ons ten dienste staande hss. van gedichten alle kladhandschriften zijn; meer dan een ziet er uit alsof het naar een klad in het net geschreven is. In een vrij groot aantal der nu overige handschriften vinden wij geene enkele doorhaling of verbetering; in andere zijn zij onbeteekenend, heeft de dichter hier en daar een woord vervangen door een ander; weer andere, zooals b.v. het gedicht op d'afbeeldinge van Utrecht getekent door Herman Zachtleven en dat op zijn eigen aan Gerard Hulft gezonden portret toonen ons dat Vondel soms vrij wat veranderingen maakte in hetgeen hij eerst geschreven had en tevens dat die veranderingen bijna altijd verbeteringen zijn: zij dienen om een juister woord aan te brengen, een vers welluidender of voller van klank te maken; verscheidene dier veranderingen doen denken aan degene welke Vondel aanbracht in eene nieuwe uitgave van een reeds gepubliceerd gedicht2).

[p. 223]

III.

Het is opmerkelijk dat gedachten, voorstellingen en vergelijkingen, eens door Vondel verwerkt of in zijne poëzie gebruikt, hetzij ze van hem zelf of van anderen afkomstig waren, in zijn geest bleven hangen en van tijd tot tijd in een later werk zich weer vertoonen. Wij merken dat op vooral indien wij zijne eerste werken als Pascha (1612), Gulden Winckel (1613), Warande der Dieren (1617), en andere, vergelijken met zijne poëzie van later tijd; doch ook indien wij zijne latere werken onderling vergelijken, kunnen wij niet zelden een vroeger gebruikt motief aanwijzen.

Een der vergelijkingen die blijkbaar een diepen indruk gemaakt hadden op den vromen kunstenaar, is die van het lichaam bij het graan dat in de aarde verrotten moet, alvorens herboren te kunnen worden. In het Pascha vinden wij (vs. 383-386):

 
De ziele keert tot God, maer na dit tijdlijck slaven
 
Wort 't lichaem weder in syn zelfde stof begraven,
 
En moet ghelijc het graen in 't aertrijck eerst verrot,
 
Versterven, eer 't verrijst in heerlijcheydt tot Godt.

Opnieuw vindt men die vergelijking in Vier Uterste dat vóór 1622 is gedicht.

Breed uitgewerkt vinden wij haar dan in Altaergeheimenissen terug (II, 277-312), in de bekende schoone verzen:

 
't Gezaeide graen lijdt onder d'aerde last
 
En boven d'aerde en wortelt daer het wast
 
Met regen, zon en vorst en schrale vlagen
 
................1)

Deze gedachte uit het Pascha (vs. 405-406) ‘...... dwaes is hy die verkiest // Het tijdlijck en daer voor het eeuwighe verliest’, vinden wij later terug o.a. in het bekende vers ‘Eeuwigh gaet voor oogenblick’ dat Vondels Kinder-lyck (omstr.

[p. 224]

1633) besluit. Van de niet minder bekende verzen uit den ‘Rey van Klaerissen’ in Gysbreght van Aemstel (1637):

 
De winckbraeuw deckt nu met zijn booghjes
 
Geloken en geen lachende ooghjes
 
Die straelden tot in 't moeders hart

vindt men in Pascha (vs. 1539-1543) dit voorspel:

 
de stralen zonderlinghe
 
Van d'ooghskens vriendelijc die plachten te doordringhen
 
Dit moederlijcke hert, ach! dat zoo veel verliest,
 
En flickerden niet meer, maer waren al bevliest
 
Van twee wijnbrauwen droef.

In Joannes de Boetgezant leest men deze verzen (VI, 326-328):

 
Waer rolt nu 't wijnvat, daer de dronckert zich op zette
 
Als in zijn zadel, een gantsch etmael, nimmer mat,
 
Tot dat de droncken helt van 't paert aen duigen spat?

Slaat men den Gulden Winckel op en ziet men daar in no. X Bacchus te paard gezeten op een wijnvat, dan begrijpt men dat Vondel deze prent nog voor den geest zweefde; misschien ook zelfs deze aanvang van zijn bijschrift:

 
Hier zit den Wijn-god zelf met zijnen platten kroes
 
Op zijn ghezadelt Ros en speelt al vast à vous!

Deze verzen uit den Gulden Winckel (XXX):

 
Hy die door Ootmoed en Vernedertheyd van geeste
 
Verkoos het minste loth, verkreegh het aldermeeste

gevolgd door een aantal andere min of meer breedsprakige regels, vinden wij als gekristallizeerd in die fraaie verzen uit Gysbreght van Aemstel (vs. 738-739):

 
Al wie door ootmoed word herboren
 
Die is van 't hemelsche geslacht.

De regels uit Vondels Roskam (1630) over het stilzwijgen: ‘Dies roemt men hem voor wijs die vinger op den mond leit’ enz., ontvangen licht uit no. XLV van den Gulden Winckel,

[p. 225]

o.a. uit vs. 15-20: ‘Harpocratem .... Die met den vinger op den mond hun onderwees’1).

Op eene enkele plaats vindt men een paar verzen uit een vroeger gedicht letterlijk herhaald: Guld. W. no. XXIV, vs. 10-11 zijn bijna geheel gelijk aan Vorst. War. XXIV, vs. 9-10. Elders zweefden den dichter een paar vroeger gedichte verzen blijkbaar voor den geest: deze verzen uit den ‘Rey van Burghzaten’ in Gysbrecht van Aemstel:

 
O God, verlicht haer kruis,
 
Dat zy den held op 't huis
 
Met blijdschap magh ontfangen

waren, naar het mij voorkomt, eene onbewuste herhaling van een paar regels uit Gulden Winckel no. LIV:

 
Ulysses weer betreet den dorpel van zijn huys
 
En met zijn komst verlicht zijns vrouwen lastigh kruys.

De Warande der Dieren bleef voor Vondel, gedurende zijn gansche dichterleven eene voorraadschuur, waaraan hij, bewust of onbewust, telkens eenig motief kwam ontleenen, gewoonlijk om het op gelukkige wijze te gebruiken: oud maar niet versleten edel metaal, dat vermunt werd tot schitterende, fraai ontworpen, schoon uitgevoerde penningen.

De elk bekende verzen uit Roskam vs. 125-138 waarin de gemeenten voorgesteld worden in de gedaante van den ezel die de zware pakken moet dragen, het slaafsche dier dat door ‘de drijvers stock’ wordt voortgedreven, vinden hunne prototype

[p. 226]

in het eerste stuk van de Warande der Dieren, al heeft Vondel het daar voorkomend paard te recht in een ezel veranderd toen hij de voorstelling opnieuw gebruikte. Ook in de War. der D. vinden wij reeds de toepassing op een slecht regeerder gemaakt, zooals blijkt uit deze verzen aan het slot van het bijschrift:

 
Onzaligh is het land, daer van een woest verwaten
 
Ondraeghlijck wreed Tyran verheert zijn d'ondersaten;
 
Hy zuypt haer 't vleesch en 't bloed en knaegt tot op 't gebeent
 
T'versteken overschot der schameler gemeent.

De twee laatste verzen waren blijkbaar in des dichters oor blijven hangen en kwamen hem voor den geest, toen hij in het eerste deel van Roskam (vs. 37-38) van den oudburgemeester Hooft schreef:

 
Noyt sooptghe 't bloet en mergh der schamele gemeent
 
Nocht stopte d'ooren voor haer rammelend gebeent.

Deze regels uit Harpoen (vs. 127-128):

 
Wat kan de lamren rock al huychelaers verschuylen,
 
Maer datter wolven sijn, barst ut wanneer sy huylen

waren voorbereid door de bewerking der fabel van den wolf in het schaapsvel (War. der D. no. XVIII); ook den naam Wolfaerd voor een slecht predikant in Harpoen (vs. 51) vindt men reeds in deze fabel (vs. 20: ‘Joncker Wolfaert’). Toen Vondel in 1627 zijn geestig ‘Niew Lietgen van Reyntgen de Vos’ dichtte, hernieuwde hij eene kennismaking van vroeger: in de War. der D. vinden wij een aantal fabelen die betrekking hebben op ‘Oom Reyntjen’ (no. L), gelijk hij den vos ook hier reeds noemt: no. II, VII, XX, XXIV, XXV, XXXI, L, LIV, LXXIV, LXXV, LXXVII, LXXVIII, LXXX, LXXXI, CVI.

In den Morgenwecker der Sabbatisten (1644) vinden wij deze verzen (vs. 9-18):

 
Onthaelt dien schralen nagebuur
 
Gelijck de Slang den scherpen Egel,
 
Verstijft van koude en ys en kegel,
 
Maer dat onthael bequam haer zuur:
[p. 227]
 
Want d'Egel, zonder deught te kennen,
 
Begon te pricklen met zijn pennen
 
Het Slangevel, gemack gewent,
 
En wees zijn huiswaerdin met vloecken
 
Naer buiten om gemack te zoecken;
 
O dwaze wijsheit van 't Serpent!

De fabel, door Vondel hier opgenomen, had hij reeds in de War. der D. (no. LXI) verwerkt. Eene andere fabel over ‘een krunckelende Slangh, schier dood en half vervroren’, die door een boer wordt verwarmd en gered, doch haar weldoener aanvalt (War. der D. no. LXXII), werd door Vondel later meer dan eens te pas gebracht; zie Adonias, vs. 558 en Noah, vs. 410, 835. Den naam van den aap: Marten in Rommelpot van 't Hanekot (‘Marten, Heeroms veynster-Aep’) vindt men ook in War. der D. no. LXXX. Vechtende hanen, de kiem waaruit zich later de meesterlijke Rommelpot van 't Hanekot zou ontwikkelen, vindt men in no. XCII der War. der D.:

 
De Landman een Patrijs in 't looze net verstrickten,
 
De Koppens in de ren het arme Hoen verpickten,
 
Zoo dat het zijnen tijd met rouwe slijten most,
 
Op hope van 't verdriet noch eens te zijn verlost;
 
Doch eynd'lijck zagh het hoe vast vinnigh met onvreden
 
De Kamme-dragers steeds zoo nijdigh t'samen streden,
 
enz.

Ook in no. XCIX een gevecht tusschen ‘den Koeckeloeren-Haen’ en ‘een rooden Kalikoet’ (kalkoen)1).

De eerste verzen van het bijschrift op den vogel Phenix in War. der D. no. CXXIII

 
Arabien draeght moet en gaet den roem afstrijcken
 
Van d'ander werreld wijd en alle Koninghrijcken
 
Om dat de Phoenix staegh haer zoele locht doorzweeft.
[p. 228]

vindt men gedeeltelijk terug in den prachtigen ‘Rey van Engelen’ uit Joseph in Dothan (1640) vs. 1113 vlgg.:

 
Arabië, ghy stoft zoo hoogh
 
Op uw geluck, gelijck uw boogh
 
Van onder dat het snort en kraeckt,
 
Den arent in de veeren raeckt
 
Op 't allerveilighst van zijn vlught,
 
In uw met geur doortrocke lucht,
 
Waer door uw fiere Phenix zweeft1).

Dit vers uit de Bespiegelingen (I, 1111) over menschen die ‘zich zelve wederspreecken’:

 
Zy blazen teffens heet en koudt uit eenen mont.

is eene herinnering aan de door Vondel in de War. der D. bewerkte fabel van Satyr en Boer (no. LXVII); wij vinden daar zelfs dezen regel: ‘Om datmer koude en hett' met eenen adem blies.’

In Het Lof der Zeevaert (1623) vinden wij deze verzen over het kompas (vs. 355-356):

 
De lely doelt nae d'As en dwaelt en is ontrust,
 
Tot datse Arcturus vind en hem van blyschap kust.

In het heerlijke lijkdicht op Vondels kleindochter Maria dat 45 jaar later geschreven werd, vinden wij deze voorstelling der kompasnaald op nieuw, doch nu als lid eener uitnemend fraaie vergelijking:

 
Wat herquam van het enkel Een
 
Doolt, als in ballingschap verschoven,
 
Vint geene rustplaets hier beneên
 
En zoeckt het vaderlant daer boven.
 
 
 
Zoo waelt de lely van 't kompas,
 
Die met den zeilsteen wert bestreeken,
 
Rondom, en zoekt de starlichte as,
 
Haer wit waer van zy was versteken.
[p. 229]

De fraaie vergelijking van de ziel bij een schip, die men in de Vertroostinge aen Geeraerdt Vossius vindt: ‘Men klaeght indien de kiele strandt’ enz., wordt reeds aangetroffen in Het Lof der Zeevaert vs. 347-348, waar sprake is van Ceyx, ‘wiens koninglijcke siel // Leed schipbreuck, als de storm veroverde de kiel.’ Opmerkelijk is dat Vondel hier, evenals in het voorgaande geval, uitgaande van het stoffelijke, zich verheft tot het geestelijke. Ook in Maria Stuart vinden wij dezelfde vergelijking (vs. 1214 vlgg.) toegepast, doch breeder uitgewerkt in schoone verzen:

 
Myn ziel, eens afgesolt op d'ongestuime baren
 
Der weerelt, na 't verloop van vijfmael negen jaren,
 
Verlangt als 't moede schip naer een gewenschte kust
 
Van veiligheit en loopt de haven van de rust
 
Met volle zeilen in ...............

De werken van welke wij tot dusver uitgingen (Pascha, Gulden Winckel, Warande der Dieren, Lof der Zeevaert), behooren tot het eerste tijdperk van Vondels ontwikkeling dat men met Palamedes als geëindigd kan beschouwen. Zooals ik reeds opmerkte, vertoonen ook de in latere tijdperken gemaakte gedichten, onderling vergeleken, meer dan eens herhaling van vroeger gebruikte motieven.

De zingende stroomzwaan die een zegevierend veldheer komt begroeten, welke wij in Olyftack aan Gustaaf Adolf (1632) vinden, komt ook voor in Verlossinge van Valencyn (1656); den fenix uit Joseph in Dothan vinden wij in de Bespiegelingen (1662) II, 499-507. Eenige motieven uit Lucifer worden reeds aangetroffen in Altaergeheimenissen; zoo b.v. I, 11-12

 
De troonwacht zelf bedeckt haer aengezicht
 
En voeten, voor dit onverdraeghzaem licht;
 
En rollende den galm van driemael heiligh
 
Elckandren toe, staet naulix vast en veiligh.

I, vs. 199-202

 
....... Goldt verdaeght op dat gerucht
 
En Moses klaght, zijn Geesten in de lucht:
[p. 230]
 
Daer zamelt strax een heir om hoogh geboren,
 
Om 's Godtheits wil uit Gabriël te hooren.

I, vs. 1285-1292: ‘Zoo gaet een ziel door al het lichaem waeren’ enz. te vergelijken met Lucifer vs. 119-120: ‘De onzichtbre ziel bestaet uit geest en niet uit stof // Z'is heel in ieder lidt’; I, vs. 1293 vlgg. (‘Het Wezen zelf der Godtheit onbegrepen’) te vergelijken met den ‘Rey van Engelen’: ‘Wie is het die zoo hoogh gezeten.’

In Salomon (vs. 50-51) vindt men eene slagorde vergeleken bij een regenboog

 
........... De ruiter en soldaet
 
Vertoone een regenboogh van parlen en gesteente.

Een eind verder (vs. 470 vlgg.) wordt eene vlucht vogels die komt aanvliegen bij een regenboog vergeleken:

 
Tot dat men endelijck aen 't roeren van de vlogelen
 
Bekende dat het was een heele vlught van vogelen
 
Van allerhande slagh en pluimen onder een
 
Gelijck een regenboogh.

In Lucifer zijn deze beide voorstellingen samengevloeid: daar worden de twee vijandelijke legers der engelen (gevleugelde soldaten), in slagorde zwevend, vergeleken bij wolken waarin zich regenbogen vertoonen (vs. 1856-1858):

 
Zy hangen even als men zich een wolck verbeelt,
 
Een wolck waer in de zon met heure stralen speelt
 
En schildert en schakeert door luchte regenbogen.

In een gedicht van het jaar 1653 op de Afbeeldinge van Christine, der Zweden, Gotten en Wenden koninginne vindt men deze verzen:

 
Want nimmer leit Natuur den rijckdom van haer giften
 
Aen een alleen te kost, maer giet haer schoonheit uit
 
By druppels.

Deze voorstelling van in druppels verspreide deelen van een geheel wordt een paar jaar later herhaald in een gedicht Op

[p. 231]

het Inwyden van zyne Heiligheit Alexander VII (vs. 9-12):

 
De Deughden zyn wel lotgemeen,
 
By druppels uitgespreit,
 
Maer zelden vindt men ze al in een,
 
Dit wort Natuure ontzeit.

Dertien jaren later vinden wij dezelfde voorstelling in de zoo straks genoemde Uitvaert van Maria van den Vondel (vs. 13-16), doch nu - het kenschetst Vondel weer - toegepast op God:

 
Wat goet zich in 't geschapen spreit
 
By sprengkelen, is hier volkomen
 
In schoonheit, maght en heerlijkheit:
 
Een zee, de springaêr aller stroomen.

Dat de gedachte aan Lucifer Vondels geest bleef vervullen, ook nadat hij zijn treurspel had gedicht, is begrijpelijk. In het gedicht Op het Eeuwgetijde van den H. Vader Ignatius de Loyola dat twee jaar na Lucifer verscheen (1656) vinden wij deze herinnering aan den strijd in de lucht (vs. 5-15):

 
Hoort wakker toe en slaat uwe oogen
 
Op dees slag-ordens die hij stelt
 
En plant, een ijder in hun veld.
 
Hij geeft u keur van oorclogen:
 
De Vorst der helle slaat de trom,
 
De groote Vorst des hemels mede;
 
Wie zich verbinden wil bij eede,
 
Men geeft u keur van Heerendom:
 
Verkiest de Maan die licht verandert,
 
Het werk van 't heiloos helsch gespuis
 
Of volgt ..................

Andere herinneringen aan Lucifer vindt men in Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst I, 1020 vlgg. (vgl. met ‘Rey van Engelen’: ‘Wie is het die enz.); II, 810-811: ‘Het eerste wezen dat alle andre wezens stelt // Bestaet by zich, door zich, ontleent geen steun van buiten’; II, 1281: ‘Dit wonderlijck heelal, wat leeft en niet en leeft’ (vgl. Luc. vs.

[p. 232]

312: ‘Van al wat leeft of niet en leeft’)1); de majestueuze voorstelling van den hemel en het heirleger der sterren, die Vondel in Lucifer heeft gegeven, vinden wij nog eens samengevat in Bespiegelingen III, vs. 889-899; in V, 1851 noemt hij de Grieksche Kerk: ‘dees stoute Lucifer’; ook in hetgeen daar volgt blijkt dat zijn treurspel hem voor den geest zweeft, zoo b.v. in verzen als deze:

 
En heeft, van langer hant, met zich ten val getrocken
 
Een staert van engelen, gansch Christenrijck gescheurt.

Het prachtig jubellied op Tromp na den zeeslag bij Portland Vrye Zeevaert onder de vlagge van den doorluchtigen Zeeheldt M.H. Tromp (1653), hing den dichter nog in het oor, toen hij twaalf jaar later een gedicht schreef Op het gezegent Voorspel van den Zeestryt; het beeld van den strijd om Andromeda tusschen Perseus en het zeemonster wordt ook hier aangetroffen; in 1658 had Vondel zijne heugenis aan dat beeld trouwens verlevendigd door het te gebruiken in zijn Vrye Zeevaert naer Oosten en Zeemagazyn (vs. 221-224).

Het beeld der lelie van het kompas die niet rust voordat zij het aspunt heeft gevonden, wordt nog eens aangetroffen in een der laatste gedichten Ter Bruilofte van M. le Blon en W.E. Hellerus (1671).

 

Wat van Vondels lyriek geldt, geldt ook - hoewel in mindere mate - van zijne drama's; sommige dramatische motieven en toestanden vinden wij eenmaal of meermalen in onderscheiden drama's herhaald.

De komst van een engel aan het slot van een stuk vindt men in een viertal drama's: in Hierusalem Verwoest is het Gabriël, in Gysbreght van Aemstel: Rafaël, in Samson: Fadaël, in Noah: Uriël; dat in het slot van Adam in Ballingschap een engel optreedt, spreekt van zelf; Rafaël's belofte aan Gysbrecht

[p. 233]

en de zijnen: ‘Ick zal u met een mist en dicken nevel decken’ wordt teruggevonden in deze woorden van Fadaël tot Samsons ‘bloetvrienden’: ‘Ik decke u met een wolck dat niemand u bezwaere.’ Verwant met deze engelverschijningen zijn de geestverschijningen die men, ook in het laatste bedrijf, vindt in Maeghden (Sinte Ursula) en Zungchin (Sint Xaverius); in het laatste bedrijf der Leeuwendalers verschijnt God Pan; op het eind van Palamedes komt Neptunus de toekomst voorspellen. Invloed van het klassieke drama, van Seneca's drama's inzonderheid, is in het herhaaldelijk voorkomen van dit verschijnsel niet te miskennen; echter mag men niet vergeten dat verschijningen van duivelen, van engelen, van Jezus en Maria in ons middeleeuwsch drama zeer gewoon waren; de invloed der klassieken bepaalt zich vooral tot het plaatsen der verschijningen van engel of geest aan het slot van het stuk.

Den angst der ‘Staetjonff'ren’ in Hierusalem Verwoest voor de naderende soldaten (vs. 1187-1191):

 
De geylheyd des soldaets, och moeders blyft ons by!
 
Brand na ons reynigheyd met trommelen en pypen

vinden wij terug in deze woorden van Adelgund tot Badeloch (G.v.A.) vs. 1694-1695):

 
Och moeder lief, wat raed? zij komen 't huis beleggen;
 
Bewaer mijn reinigheid, mijn maeghdelijcken staet.

De wijze waarop het uiteinde van Julius Paulus wordt verhaald in Batavische Gebroeders (vs. 1704 vlgg.) herinnert levendig aan het verhaal van Palamedes' dood (vs. 1869 vlgg.); o.a. vindt men in beide verhalen de vergelijking der strafplaats bij een schouwburg1). Dit is trouwens niet het eenige voorbeeld van herhaling van vroegere motieven in Bat. Gebroeders, een van Vondels zwakste stukken. Op meer dan eene plaats doet

[p. 234]

die tragedie ons denken aan de 24 jaar vroeger gepubliceerde Gebroeders: zoo b.v. de Rey die (vs. 430-432) smeekt nog eens te mogen klagen (vgl. Gebroeders vs. 1311 vlgg.); de weggevoerde mannen en jongelingen ter eene, de onbarmhartige Fronto met zijne soldaten ter andere zijde (vgl. de Gebroeders met Rispe en Michol ter eene, de onbarmhartige Gabaonners ter andere zijde); in vs. 1401 vlgg. de beide vrouwen, Walburgh en Heldewijn, voor Fonteins staande, gelijk Rispe en Michol voor David (Gebroeders vs. 745 vlgg.); het voorwendsel tot het opnemen van de wapenen, door Fronto (Bat. Gebr. vs. 943-948) uiteengezet, herinnert aan het plan van Apollion en Belial in Lucifer (vs. 675-681) dat ook elders in het stuk blijkt: de ontrouwe engelen veinzen God getrouw te blijven evenals de Batavieren, volgens Fronto, den oorlog moesten aanvangen ‘op 's Keizers naem’, ‘in de schaduw van Vespaziaens standaerden’; Julius en Burgerhart voor Fonteius doen mij denken aan Peter en Pauwels voor Agrippa, al zijn hier, gelijk in de overige gevallen, slechts de toestanden gelijk.

Het tooneel tusschen Beremond en Ursula uit Maeghden en Beremonds verzoek aan Ursula om ‘het outerbeeld met wieroock te genaecken’ (vs. 556), ook zijne poging haar het wierookvat in de hand te geven (vs. 693: ‘vat aen dit wieroockvat en nader het autaer’), herinneren aan een dergelijk tooneel tusschen Salomon en Sidonia, al zijn daar de rollen omgekeerd en al is de uitslag verschillend (Salomon vs. 1644-1655).

Juliaen die Attila eene beschrijving geeft van Ursula's schoonheid (vs. 266 vlgg.) doet denken aan Apollion in Lucifer wanneer hij Eva beschrijft; evenals Belzebub dan den spot drijft met Apollions gloed en zegt: ‘Het schijnt, ghy blaeckt van minne om 't vrouwelijcke dier’, zoo zegt ook Attila, na de beschrijving te hebben aangehoord. ‘Ghy spreeckt er af met smaeck en schijnt bykans t' ontvoncken’.

In geen stuk vindt men meer herhalingen van vroegere motieven dan in Salmoneus, evenals Batavische Gebroeders een van Vondels zwakste stukken.

[p. 235]

Dat Salmoneus, de hoofdpersoon, aan Lucifer herinnert, spreekt vanzelf: het stuk was immers gemaakt om den voor Lucifer aangeschaften tooneeltoestel te kunnen gebruiken; Lucifer staat tegenover God als Salmoneus tegenover Jupiter. Het is derhalve natuurlijk dat wij dikwijls gelijke toestanden vinden in deze beide stukken: Salmoneus op den wagen gestegen en aangebeden door duizenden, terwijl de priesters hem wierook toezwaaien, is gelijk aan Lucifer (vs. 1257 vlgg.) op den troon, bewierookt en aangebeden; Salmoneus' neerlaag, als hij uit zijn wagen gebliksemd wordt, gelijkt op die van Lucifer; wij vinden Lucifer terug ook in den veldheer Bazilides in Salmoneus: het tooneel tusschen dien veldheer en den Aertspriester Theofrastus (vs. 1870 vlgg.) herinnert aan dat tusschen Lucifer en de Luciferisten, waarin de eerste zich schijnbaar met moeite laat overhalen, evenals Bazilides door Theophrastus. Maar niet alleen uit gelijkheid van toestanden, ook, ja veel duidelijker nog, uit gelijkluidende verzen blijkt hoe zeer Vondel nog vervuld was van zijn majestueus werk, hoe de veelstemmige harmonieën van zijn Lucifer nog in zijne ooren ruischten1). Ook van motieven uit Salomon is door Vondel gebruik gemaakt bij het dichten van Salmoneus. De verhouding tusschen Salmoneus en Filotimie is gelijk aan die tusschen Salomo en Sidonia; in

[p. 236]

beide stukken handelt de man onder den invloed van zijne minnares, voor beide gevallen geldt wat in dit pittig-wijze vers uit Salmoneus (1300) aldus is uitgedrukt: ‘By wijlen heeft de heer den naem, mevrou de daet’; beide vrouwen zijn op haar beurt ‘priest-ridden’: Filotimie door Hierofant, Sidonia door Ithobal. Salmoneus, even zwak als Salomo, laat zich eerst door de voorstanders van het oude geloof overhalen, om het onder invloed van zijn liefje genomen besluit niet uit te voeren; dan komt het liefje, overlaadt haar minnaar met verwijten, wijst hem op den ganschen stoet die gereed staat en hij bezwijkt op nieuw (Salomon vs. 1364 vlgg. en Salmoneus vs. 1185 vlgg.). De Pisaners die in den aanvang van Salmoneus in Elis komen kijken, herinneren aan den onderdaan der koningin van Scheba die in Jeruzalem gekomen is. In beide stukken is de groote vraag, welk geloof het zal winnen: het oude geloof dat het beste is, of het nieuwe; van daar die lange theologische redetwisten, die in Salomon nog meer plaats innemen dan in Salmoneus - immers daar was Vondels hart betrokken in dien strijd tusschen Jodendom en Heidendom; van daar ook dat in het eerstgenoemde stuk de ‘Aertspriester Sadock’ tegenover den dienaar van Astarte, Ithobal, staat gelijk in het andere de ‘Aertspriester’ Theofrastus tegenover den hofpriester Hierofant die koning Salmoneus te wille is.