Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16. E.J. Brill, Leiden 1897  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 274]

Brandaris en Sint-Brandarius.

In de jongste aflevering (III, 7: kol. 1052) van het Nederlandsch Woordenboek zijn van het woord brandaris vier beteekenissen vermeld: 1. Vuurtoren (op Terschelling); 2. Groote scheepslantaarn; 3. Flambouw; 4. Zekere zwarte Oostindische horen (schelp). De laatste beteekenis schijnt hare verklaring te vinden in de vergelijking met woorden als brandgans en brandvos en slechts in verwijderd verband te staan met de drie eerstgenoemde, die daarentegen onderling zeker wel samenhangen. Denkelijk zijn de tweede en derde jonger dan de eerste, en zijn derhalve de lantaarn en de flambouw aldus genoemd na en naar den vuurtoren. Immers brandaris als naam voor een vuurtoren blijkt reeds oud te zijn. Omtrent den oorsprong of althans de geschiedenis van dezen laatsten naam is meer mede te deelen dan waarvoor in het Woordenboek ruimte was, weshalve t.a.p. hierheen verwezen is.

In de eerste plaats dient opgemerkt dat brandaris niet (of ten minste thans, en denkelijk sedert eeuwen, niet meer) eene benaming is voor ‘sommige vuurtorens’, zooals Van Dale zegt1), maar bepaaldelijk en uitsluitend vanouds de naam van den grooten vuur- of lichttoren op den westhoek van het eiland Terschelling schijnt geweest te zijn. Althans overal waar het woord tot dusverre gevonden is, wordt deze bedoeld; een andere brandaris moet nog worden aangewezen. Het woord schijnt dus eigenlijk niet een soortnaam, maar een eigennaam te zijn; wordt het met het bepalend artikel verbonden, dan is dit iets dergelijks als wanneer men thans spreekt van de Leeghwater en de Cruquius.

Als naam van dezen toren nu komt het woord reeds vroeg

[p. 275]

voor: niet alleen op de in het Wdb. aangehaalde plaats uit het Groot Placaatboek (ao. 1668), maar ook in den Grooten Atlas van Blaeu (ao. 1664) op de kaart van Friesland (Brandaris), evenzoo in den Zee-Atlas (Amsteldam, P. Goos, 1668) op de kaart van de Zuiderzee (Brandaris)1), en reeds veel vroeger in Abr. Ortelius' Theatrum orbis terrarum (ao. 1572) op de kaart van Friesland (S. Brandaris) en op die van Holland (Brandarius). Deze laatste vormen, (S.) Brandarius, vond ik ook in drie stukken uit het archief van Amsterdam, door Ter Gouw, Gesch. v. Amsterdam V, 414 aangehaald, waaruit blijkt dat de Vroedschap van Amsterdam in 1559, 1563 en 1566 het herstel van dezen toren geheel of gedeeltelijk bekostigd heeft. Ik geef ze hieronder in uittreksel, volgens het afschrift, mij door den gemeente-archivaris, Mr. W.R. Veder, welwillend verstrekt2).

[p. 276]

Blijkens het voorafgaande achtte men dus in de 16de en 17de eeuw den toren en de daaraan of daarbij gelegen kapel of kerk gewijd aan eenen Sint-Brandarius. En deze voorstelling vindt men niet alleen in atlassen en in bescheiden van Katholieke leeken en van Protestanten, maar ook bij de geschiedschrijvers der Roomsch-Katholieke kerk hier te lande. Van Heussen zegt aangaande de kerken van Terschelling in zijne Hist. episcop. Leovardiensis, p. 102: ‘Una ex his ecclesiis S. Brandarium ex Jac. Torrii relatione Rom. venerabatur Patronum; Brandaris hinc hodié-dum in mappis Geographicis indigitata’1). Van Heussen's zegsman, Jacobus de la Torre, was Nuntius Apostolicus in de Nederlanden; zijn hier aangehaalde Relatio Romana, een ambtelijk verslag van 1656 over zijne dioecese aan den Paus, is uitgegeven2) in het Archief v.d. gesch. v.h.

[p. 277]

aartsbisdom Utrecht, dl. X-XII. De bedoelde plaats (XI, 197; blz. 287 van den afzonderlijken overdruk) luidt in haar geheel aldus: ‘Huic vero insulae Amelandiae alia insula vicina est, cui Ter-Schellingh est nomen, quae insula antiquis Romanis dicebatur Flevum et Fleum et Sti Brandarii, qui ibidem colebatur patronus. Insulae adhuc pagus superest et memoria, eidem autem Catholicis fere destituto succurrit Pr Societatis Jesu ex Amelandia praefata’.

Nu doet zich echter het zonderlinge geval voor dat, ondanks deze onverdachte en gezaghebbende getuigenissen, de Katholieke kerk geen heiligen Brandarius erkent noch zelfs kent. Noch in Potthast's Bibl. hist. med. aevi (2te Aufl.), noch in Weidenbach's Calendarium, noch in Reinsberg-Düringsfeld's Calendrier belge, noch in Grotefend's Zeitrechn. d. deut. MA., noch in het Calendarium Trajectense, door Mr. S. Muller Fz. als Bijlage I achter zijne Bijdragen voor een Oorkondenboek van het Sticht Utrecht uitgegeven, heb ik althans een spoor van dien naam kunnen vinden. En ook Prof. Hensen te Warmond antwoordde mij op mijne aanvrage dat een H. Brandarius hem geheel onbekend is.

Hoe is deze pseudo-heilige dan, wel niet in den kalender, maar toch in den atlas en in Katholieke geschiedboeken gekomen? Zou er soms - zou men vragen - eene verwarring met den H. Brandanus mogelijk zijn? Deze gissing, te gelijk door Prof. Hensen en door mij geopperd, bleek bij nader inzien reeds twee eeuwen oud. Van Heussen teekent bij den door hem van De la Torre overgenomen S. Brandarius (dien hij blijkbaar al evenmin in eenigen kalender vond) in eene noot aan: ‘forte S. Brandanus Abbas Clunifertensis in Hiberniâ; colitur ad diem XVI Maji. Vide ibi Bollandinos in Actis SS.’ Nu zou het zeker eene niet onbelangrijke bijdrage tot de geschiedenis der middeleeuwsche legende zijn, wanneer wij dezen heilige, vermaard door zijne wonderbaarlijke zeereizen en omzwervingen, nog in de 16de eeuw als patroon van eene kapel en een vuurtoren voor zeevaarders op het Friesche eiland Terschelling kon-

[p. 278]

den aanwijzen. Dat zijn naam en zijne legende hier te lande inderdaad nog lang heeft voortgeleefd mag men wel opmaken uit het feit, dat zijn naam in vroeger tijd door de Katholieken bij den doop hunner kinderen meermalen gekozen werd, blijkens eene lijst van ‘nomina vernacula Hollandorum et Frisiorum’, achter het ‘Rituale in usum sacerdotum Missionis Foederati Belgii’ afgedrukt1). Toch moeten wij deze gissing, hoe verleidelijk ook, zonder aarzelen verwerpen. Eene verbastering van Brandanus in Brandarius zou begrijpelijk zijn in een handschrift, waarin ri en n al heel weinig verschillen. Maar kan men zich voorstellen dat zulk eene verbastering vóór de 16de eeuw, zonder eenige aanleiding, hetzij in de levende volkstaal der zeelieden of der bewoners van Terschelling ontstaan, of uit een boek onder dat volk verspreid geraakt zou zijn? Het eene dunkt mij al even ongerijmd als het andere.

Indien er dus geen H. Brandarius is aan te wijzen en de naam ook niet uit eene verbastering van een anderen verklaard kan worden, moet die naam wel uit een misverstand geboren zijn. Kan dan de toren zelf, onafhankelijk van eenigen heiligen- of persoonsnaam, vanouds aldus, brandaris, geheeten hebben? Was er eenmaal een vuurtoren van dien naam, dan kon - zoo zou men gissen - de kapel of kerk, die daar waarschijnlijk ten dienste der vertrekkende en aankomende visschers en zeelieden aan of naast heeft gestaan, brandaris-kapel of brandaris-kerk2) genoemd zijn, en het volk kon hierin den naam

[p. 279]

van een heiligen Brandaris of Brandarius gezien hebben; op deze wijze ware de Katholieke kerk een heilige rijker geworden, die nooit bestaan heeft1). De vraag is dus of een appellatief brandaris in het Nederlandsch te verklaren is. Op het eerste gezicht schijnt het woord volkomen duidelijk: het zou al heel vreemd zijn - zoo meent men aanvankelijk - als brandaris niet een afleidsel was van branden: in een vuurtoren brandt immers licht! Op zich zelf is dit ook veel aannemelijker dan dat een vuurtoren vanouds geheel toevallig tot patroon een heiligen Brandarius zou hebben gehad. Doch deze afleiding wil niet best vlotten. Vooreerst wordt branden door de zeelui en strandbewoners op Terschelling (en evenzoo elders) nooit gebezigd van een lichttoren2); en dit zal wel vanouds zoo

[p. 280]

geweest zijn. En ten tweede zijn de woorden op -aris (mnl. -arijs, uit mlat. -arius, overeenkomende met fr. -aire), zoover ik weet, met uitzondering van een woord als dromedaris1), alle namen van personen die zekere betrekking bekleedden: notaris, secretaris, archivaris, verder enkele andere als falsaris; in 't Mnl. ook adversarijs, rudarijs, lapidarijs, sompniarijs en derg. Bovendien zijn het alle vreemde woorden, overgenomen uit het Latijn, of naar analogie van reeds bestaande naar Romaansche woorden nagevolgd; van een nomen agentis, afgeleid van een Nederl. ww. (zooals brandaris zou moeten zijn), is mij geen voorbeeld bekend.

Toch zou, nu eens afgezien van het eerste der bovengenoemde bezwaren, een woord met eene beteekenis als die van brander, hetzij: brandend stuk hout, brandhout, hetzij: fakkel, hetzij: voorwerp of toestel, dienende tot of bij het branden2) (verg. blaker) voor het kustlicht in zijne oudste gedaante misschien eene gepaste benaming geweest zijn. Men zou een oogenblik kunnen denken aan een ogerm. *brandari, dat dan van 't znw. brand afgeleid moest zijn (immers eene verbale afleiding, van 't ww. branden, kan 't niet zijn, daar de vorm met d in den infinitief natuurlijk veel jonger is en bovendien het ww. op 't Friesche Terschelling in de middeleeuwen wel, evenals thans, barne zal geluid hebben). Werkelijk bestaat dit znw. in het Oudfriesch (trouwens meestal in den vorm brond), met de beteekenis: het branden, brand (van een huis) enz.3), en

[p. 281]

zijn er verder in het Oudgermaansch wel sommige zaaknamen op -ari, waaronder enkele van Germ. grondwoorden: got. waggareis, hoofdkussen, ohd. ahslari en halsari, cervical, fliugari, vliegennet, huntari, pagus1) enz. Maar wie kan gelooven wat men dan verder zou moeten aannemen, nl. dat een zoodanig *brandari, brander, ten gevolge van bovenbedoeld misverstand waardoor de toren onder het patronaat van den gewaanden heilige werd gesteld, reeds zeer vroeg met een Latijnschen staart voorzien zou zijn, en zoodoende zijn Oudgermaanschen nominatief op -ari onder die vreemde vermomming tot op den huidigen dag ongerept bewaard zou hebben?2) Weliswaar is Waltharius, de naam van den held in het Mlat. epos, op dezelfde wijze uit Walthari ontstaan; doch hier geldt het ook een kennelijken persoonsnaam. Bovendien vergete men niet dat de geboorte van den pseudo-heilige alleen te begrijpen is uit een samenstelling als brandaris kerke of iets derg., waarin het eerste lid verkeerdelijk als de naam van een patroon werd opgevat; een enkelvoudig *brandari zou niet licht tot zulk eene opvatting geleid hebben.

Bij Du Cange zijn nog andere van germ. brand afgeleide woorden te vinden, zooals branda, ‘titio, fax ardens’3), brando,

[p. 282]

‘fax, taeda, funale’, brandanale en branderia ‘fulcrum focarium’1), doch geen znw. brandarius of bnw. brandaris. Niettemin kan er natuurlijk zeer goed in 't Mlat. of Romaansch een dergelijk woord bestaan hebben; maar hoe zou zulk een vreemd, en toch zeker niet algemeen bekend woord naar een Frieschen uithoek als Terschelling verdwaald en alleen daar bewaard gebleven zijn?

Waar, wanneer en hoe het woord brandaris in de wereld is gekomen, die vraag kan ik, tot mijn leedwezen, niet beantwoorden; mijn onderzoek eindigt met een: non liquet. De naam brandaris schijnt wel vanouds aan dezen toren en de daaraan verbonden kapel of kerk eigen te zijn geweest; maar of dit werkelijk oorspronkelijk een eigennaam, en wel een persoonsnaam is geweest, die slechts toevallig met de (latere?) bestemming van den toren in een, dan schijnbaar verband staat, dan of omgekeerd deze persoonsnaam door eenig misverstand vroeger ontstaan is uit een appellatief dat van branden was afgeleid en dat derhalve wel degelijk vanouds de bestemming van den toren (of zijn voorganger) aanwees, dit blijft voorshands onbeslist. Het laatste dunkt mij het waarschijnlijkste; doch zoolang voor een znw. brandaris geene behoorlijke afleiding gevonden is, kan men in dezen geen zekerheid verkrijgen. Moge het vorenstaande aanleiding geven tot mededeelingen van anderen, die over de zaak meer licht kunnen verspreiden.

 

Leiden, Augustus 1897.

j.w. muller.