Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 17


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 17. E.J. Brill, Leiden 1898  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 310]

Dietsche verscheidenheden.

CXXII. Baeshudich.

Men weet dat dit woord voorkomt in de beschrijving van een reus in den Ferguut, vs. 2222 vlgg., van wien o.a. gezegd wordt:

 
Verronselt was hem al sijn lijf,
 
Swart alse pec, baeshudich stijf.

Ook, dat dit woord door De Vries in Taalgids 9, 187 verklaard is als dikhuidig. In het eerste deel (baes) ziet hij het mlat. bassus, crassus, pinguis (Duc.), ofra. bas, dat dezelfde bet. had blijkens eene door hem aangehaalde plaats uit Jubinal te vinden in Diez's Wtb. ‘ele a basses hanches et basses jambes.’ Tegen deze onderstelling zijn enkele bezwaren. Vooreerst is er verder in het Mnl. van een woord bas of baes geen spoor te vinden. Ook is het woord in deze beteekenis in het Ofra. zeker niet zeer gewoon geweest (bij Godefroy staat geen voorbeeld, dat ook bij benadering ter vergelijking kan dienen) en het is vrij zonderling, dat dit ofra. bnw. in deze zeldzame beteekenis zich bevindt in eene samenstelling met een mnl. woord. Ook is de ā een bezwaar; van bassus, ofra. bas kan moeilijk een andere mnl. vorm komen dan bas; vgl. pas, matras, kompas, kortelas, tas, karkas, pinas; immers op mnl. caes mag men zich niet beroepen, daar dit niet behoeft te komen van fra. cas, maar afgeleid kan zijn van lat. casus, hetwelk in vorm van lat. bassus verschilt; vgl. eng. case en ook beneden eng. base. Toen zich bij deze bezwaren ook nog voegde de omstandigheid, dat in den ofra. tekst een ander woord staat, nl. hirecies, d.i. ruig, harig, meende ik (in het glossarium op de nieuwe uitgave van Ferguut) gerechtigd te zijn tot het doen van een voorstel, en wel om in plaats van baeshudich te lezen haerhudich.

Gewelddadig of willekeurig kon deze verandering niet worden

[p. 311]

genoemd; ook was aan deze lezing het voordeel verbonden, dat de ofra. en de mnl. tekst met elkander in overeenstemming werden gebracht, en De Vries zelf raakte aan het twijfelen aangaande de juistheid der lezing, gelijk hij mij persoonlijk mededeelde. Doch iets waartegen hij wel bezwaar had, was dit, dat ook het woord baeshudich in het Mnl. Wdb. niet is opgenomen. En volkomen terecht. Dat dit niet is geschied, is dan ook alleen een onwillekeurig verzuim. Ik kan mij nu niet goed begrijpen, hoe het mij heeft kunnen gebeuren, dat juist dit woord is overgeslagen, terwijl allerlei andere, stellig op een misverstand berustende, vormen met zorg in het Wdb. zijn vermeld. En het was nog bovendien onzeker, of baeshudich op eene dwaling berustte. Ik kan dan ook alleen verschooning verzoeken voor dit verzuim. En dit is des te noodiger, omdat er een tweede voorbeeld van baeshudich (basehudich) is gevonden. In een door den heer De Pauw uitgegeven tractaat over handwaarzegkunde (Mnl. Ged. en fragm. 278, 185 vlgg.) lezen wij:

 
Die tafellinie min no meer (l. mee)
 
Loopt dwers alse dander twee
 
Vor die vingere an den cant
 
Van der palmen in die hant,
 
Toten cante huteghaende.
 
Bleve soe onderweghe staende
 
Onderhavich (?) dat hoec (d.i. ooc) bediet
 
Lasers te sine, ende anders niet;
 
Wijt, basehudich mede
 
Dat (l. Dats) vul loghene ende looshede.

Ongelukkig zijn deze regels niet bijzonder duidelijk en kunnen zij ook niet tot klaarheid worden gebracht door de vergelijking van een prozastuk over hetzelfde onderwerp, gedrukt in Belg. Mus. 10, 266 (alwaar het hoofdstuk over de tafellinie voorkomt blz. 279), daar dit alleen de hoofdzaken en hoofdpunten met de berijmde bewerking gemeen heeft. Dit is in elk geval duidelijk, dat hier hetzelfde woord staat als in Ferguut. En de bet. dik, grof, eig. dik of grof van vel past ook hier

[p. 312]

vrij goed; ook op andere plaatsen worden dergelijke predicaten toegekend aan de lijnen der hand: vgl. vs. 148 wijt; 93 en 113 breet, Belg. Mus. 10, 270 e.e. subtijl, en vooral groot, d.i. dik, Belg. Mus. 10, 281: ‘eist dat si (de linie) groot es, so bediedet wonden in thooft, maer essi subtijl, soo bediedet wonden in de lanken; ende essi ooc groot, so betekent ooc wonden in den borsten’; ald. 283: ‘ene linie vonden tusschen desen vinghere ende den cleinen vinger, die groot es, dat bediedet hoocheit van state’. Over mnl. groot in de bet. dik, grof, zie Mnl. Wdb. 2, 2180, 3) en vgl. grootlichamich (ald. 2, 1289). Doch het bezwaar tegen den vorm wordt door dit nieuwe voorbeeld niet alleen niet opgelost, maar zelfs nog eenigszins vergroot: hier luidt het basehudich. Toch is eene andere verklaring niet te vinden. Moet men naast bassus een mlat. vorm basus aannemen, waarop ook eng. base teruggaat? Hoe het zij, de verklaring van het eerste deel moge nog niet onomstootelijk vaststaan, in elk geval moet in het supplement op het Mnl. Wdb. een artikel baes(base-)hudich worden opgenomen met de bet. dikhuidig, dik van vel, grof. Wat het woord stijf betreft, dat in Ferg. 2230 op baeshudich volgt, ik geloof niet dat het, blijkens de komma waardoor het in de uitgave van het vorige woord is afgescheiden, tot heden goed is opgevat. Immers men zal moeten erkennen, dat bij al de andere genoemde eigenschappen, het praedicaat stijf een eenigszins comischen indruk maakt, tenzij men het neme in de bet. sterk, stevig, wat hier m.i. nog niet afzonderlijk behoeft te worden vermeld. Beter is stijf op te vatten als bijw. van graad in de bet. zeer, evenals Ovl. Lied. e.G. 33, 122: ‘up di so roupen wi even stijf met herten, wi aerme kinder’ en 34, 130: ‘in doghene cliven wi even stijf.’

CXXIII. Oorspronc.

In het Ndl. Wdb. op oorsprong is al gezegd, dat het gelijknamige artikel in het Etym. Wdb. van Franck onjuist-

[p. 313]

heden bevat: het woord is nl. niet naar het voorbeeld van het Hd. gevormd1), en ook reeds lang vóór het nieuwnederl. tijdperk in onze taal aanwezig geweest.

Als de oorspronkelijke beteekenis wordt aldaar, natuurlijk terecht, opgegeven het begin van eene bron, springader, de plaats waar eene bron ontspringt, en voor deze opvatting verwezen naar hd. ursprung bij Luther, en naar Kiliaen: ‘oorspronck, fonteynader, origo, caput, principium, vena fontis, scatebrae, primi salientes.’ Daaraan wordt dan toegevoegd de mededeeling dat mnl. bewijsplaatsen nog niet zijn gevonden. Weliswaar valt met deze bekentenis het juiste betoog in het Ndl. Wdb. niet ineen, maar het is toch eene leemte in de bewijsvoering, welke door de voorstanders van eene andere meening zou kunnen worden voorgesteld als het geheele betoog verzwakkend. Daarom komt het mij niet onbelangrijk voor, om, nu ik in staat ben de boven genoemde leemte aan te vullen, de voorbeelden van het eigenlijke gebruik van oorspronc in het Mnl. mede te deelen en daardoor kracht bij te zetten aan de in het Ndl. Wdb. vermelde feiten. Eigenlijk zou reeds kunnen volstaan een beroep op het nog heden bekende gebruik van oorsprong als plaatsnaam, dat natuurlijk van oude dagteekening moet zijn. Men denke b.v. aan het veel bezochte plekje van dien naam te Oosterbeek. Doch daar ik den ouderdom dezer benaming niet kan bepalen, wil ik daaraan toevoegen de volgende plaatsen uit de 15de eeuw, wier gezag door niemand kan worden betwist.

Zij zijn ontleend aan een hs. uit de boekerij onzer maatschappij, getiteld den Spiegel der Leeken, waarover De Vries het een en ander heeft medegedeeld in zijn Leekenspiegel, dl. 3, bl. 340 vlgg. (onder Bijlage D), en luiden aldus: (ald. 34 r): ‘Nu hebdi gehoort hier voor ontsluten ❘ dair menige doghet ende sonden wt spruten ❘ ende mach hieten een oorspronc of fonteyne.... Ende al die ryvieren die hier wt driven ❘ die

[p. 314]

sullen wel reyn ende suete bliven ❘ opdat wi die fonteyne reyne houden ❘ ende ghenen drec dair in messen bi onsen scouden; ❘ want wi den oirspronc onreijne maken, ❘ al dat daer wt loopt dat moet dair of smaken; ❘ ende dese oirspronc of fonteyne wil ic (op den mensch toegepast) dat gi versta ❘ oft ware wille, reden of memoria’; (ald. 34 v): ‘dicke solden die ryvieren bliven reyn, bleve onbevlect die oirspronc der fonteyne’, en (35 v): ‘aldus wort die riviere vuyl ende onreyn om den bevlecten oirspronc der fonteyn.’

Ook elders blijkt nog duidelijk het gevoel van den oorsprong van het woord, b.v. Boëth. 26 a, waar gesproken wordt van ‘de fonteine ende den oorspronc van allen goede’, en uit de verbinding oorsprongelijc fonteine, welke op twee plaatsen is gevonden, nl. Hs. Moll 5, 120 b: ‘die eerste sake1) ende.... die oorspronghelike fonteyne alre salichede’, en Hs. Serm. G. 269 d: ‘een oorspronckelicke spryngende fonteyne der lieften.’

Elders, waar de oorsprong niet zoo duidelijk meer gevoeld wordt, wordt gesproken van eene oorsprongelijke sake, d.i. oorzaak; zoo b.v. Sp. d. Volc. 192 r: ‘die Vader is een oorspronghelike sake alre ghescepenre dinghen.’ - De andere plaatsen, waar oorspronc reeds in het Mnl. voorkomt (bij Ruusbroec e.a.) in de hedendaagsche beteekenis, laat ik achterwege als onnoodig: enkele er van zijn in het Ndl. Wdb. reeds genoemd. Alleen vermeld ik, om het afwijkende geslacht, Clerc 12: ‘so ist noot dat wy beginnen ende dat oirspronck maken uten eersten (l. ieesten) van Inglant.’

CXXIV. Onder - ende.

Nadat in den eersten jaargang van De Jager's Archief, bl. 69 vlgg., De Vries deze uitdrukking had toegelicht en met enkele

[p. 315]

voorbeelden opgehelderd, heeft men zich, zoover ik weet, tevreden gesteld met daarheen te verwijzen, zonder dat ooit de uitdrukking en haar oorsprong nader zijn onderzocht. En dit is gemakkelijk te begrijpen. Immers als De Vries iets gezegd had, dan wist men dat dit vertrouwen verdiende, en bovendien leverde de verklaring der uitdrukking nergens moeilijkheden meer op. Het is dus zeer natuurlijk dat een nader onderzoek wachtte op eene bepaalde aanleiding, en deze heeft mij niet ontbroken, toen ik voor eenigen tijd het artikel onder voor het Mnl. Wdb. moest bewerken. Het bleek mij toen, dat het juiste inzicht in den oorsprong der uitdrukking De Vries was ontgaan, en dit is alleszins begrijpelijk, daar het apparaat, waarmede hij werken moest, geheel onvoldoende was: hij moest zijne redeneering bouwen op acht voorbeelden, en voor het bewerken van dat onderdeel van onder, 2de Art. had ik een kleine honderd plaatsen te mijner beschikking. Het zal dus niet ongepast zijn de uitdrukking onder - ende nog eens ter sprake te brengen, en voor de vage verklaringswijze van De Vries eene andere, aannemelijker en eenvoudiger, in de plaats te stellen. Mijne bedoeling is de uitdrukking in de verschillende phasen harer ontwikkeling te volgen en die phasen zelve met enkele voorbeelden toe te lichten: de hier niet genoemde plaatsen zal men later vinden in het Mnl. Wdb.

Het spreekt vanzelf, dat in de behandelde uitdrukking onder het tweede artikel is, met de bet. tusschen, en etymologisch beantwoordende aan lat. inter1). Van die beteekenis gaat dan ook natuurlijk De Vries bij zijne verklaringswijze uit, doch hij is er niet in geslaagd ons duidelijk te maken, hoe onder in deze verbinding een bijwoord is geworden2). En men zal mij toe-

[p. 316]

stemmen dat dit werkelijk eene zaak van gewicht is. Een ander punt, hetwelk door De Vries is voorbijgezien, is dat onder - ende weliswaar de beteekenis heeft van zoowel - als, doch dat zij steeds de oplossing bevatten of de onderdeelen inleiden van een in den zin genoemd algemeener begrip, of de splitsing eener werking aanduiden, verricht op verschillende wijzen of door verschillende personen. Ter kenschetsing van het gebruik mag dus niet dienen het door De Vries gekozen voorbeeld: ik zie daar ridders en knapen beide, want daar zou niet onder - ende in het Mnl. gebruikt zijn, maar beide - ende. Hij had moeten nemen een voorbeeld als ‘er bleven daar 300 menschen dood, zoo(wel) mannen als vrouwen’, of ‘zij verloren 1000 manschappen, zoowel door den dood als door ziekte’, of ‘aan dooden en gevangenen’; of ook ‘ik zal u 25 gulden wisselen aan rijksdaalders en guldens.’

Na dit vooropgesteld te hebben, zal ik, liever dan hier de redeneering van De Vries te herhalen die toch onbevredigd laat, en welke men desverkiezende kan lezen Archief 1, 70 vlg., mijne voorstelling van de ontwikkeling der uitdrukking doen volgen.

Even als in het Ndl. kon men in het Mnl. zeggen onder ons beiden, onder hen drien, onder ons of hem tween, onder u seven vroeden (Sev. Vroeden 40). Doch daarnaast, b.v. voor onder ons beiden, was ook eene andere uitdrukkingswijze mogelijk, nl. onder mi ende di. Men vindt haar b.v. Lanc. II, 16356: ‘wi hebben so sere nu gevochten onder mi ende di (wij onder elkander, d.i. ik en gij); 19153: ‘wi selen varen onder mi ende u daer die joncfrouwe leget doot’; 25251: ‘laet ons gaen proven onder mi ende u (d.i. laten wij ons onderling meten)1); IV, 1362: van al dien .... dat wi hebben geseit onder u ende mi’; Vad. Mus. 4, 319, 211 (uit Lanc.): ‘wi sijn onder mi ende di van énen geslechte.’

Ook kon het op ende volgende woord een znw. zijn in plaats

[p. 317]

van een vnw.; zoo b.v. Merlijn 19494: ‘(Si) versloecher daer meer dan tien dusent, onder hem ende sinen neve’; Rein. I, 2355: ‘si souden wel des raets ghetelen, onder hem ende sinen ghespelen (hij en zijne medesaamgezworenen), dat die coninc werde verstoten’; Lanc. IV, 2410: ‘Hi quam (voor si quamen) gereden onder hem ende der coninginnen’; III, 14466: ‘wi selen wachten nu die linde onder mi ende Bohorde’; 4385: ‘si waren soo lange in die tale onder hare ende Perchevale.’

Ook de beide voornaamwoorden konden door zelfstandige naamwoorden worden vervangen, zonder dat oorspronkelijk het karakter van onder als voorzetsel veranderde. Zoo b.v. Lanc. II, 3383: ‘si gingen beide tier dore onder Waleweine ende Hestore’, en zoo wellicht ook op enkele plaatsen, waar de naamval niet duidelijk te onderkennen is. Doch nu begon door het veelvuldig gebruik het karakter er van te veranderen. Het gevoel voor de eigenlijke kracht van onder verzwakte, zoodat het voor het taalgevoel een bijwoord werd: vgl. ndl. behalve, dat eene soortgelijke ontwikkeling vertoont. Bovendien werd het verband van onder - ende met het onderwerp van den zin verbroken: oorspronkelijk was onder ons beden, en dus ook onder mi ende di eene bepaling van het onderwerp der werking, zoodat de uitdrukking dan ook in de boven genoemde voorbeelden door ik en gij kon worden weergegeven. Ook dit veranderde: onder - ende kon ook als bepaling gevoegd worden bij de andere deelen van den zin, en zoo werd het eene uitdrukking, welke zinverwant was met zoowel - als. Doch de op onder en ende volgende woorden vormen steeds een onderdeel van een in den zin genoemd algemeener begrip, en tot deze onderdeelen is het geheel beperkt: uit dit laatste blijkt nog de oorspronkelijke kracht van onder. Zoo kunnen onder en ende gevolgd worden - 1) door zelfstandige naamwoorden, b.v. Lsp. I, 29, 47: ‘Adam ... hadde kindre omtrent neghentech, onder zonen ende dochtren’; Clerc 49: ‘mit hem tienden, onder valkenaers ende andere’; Sp. IV2, 6, 103: daer bleven onder coninge vive ende twaelf graven gherooft van live’; Lorr. II, 730: ‘menegen

[p. 318]

versloechi, ... onder Persine ende Affricane’; Despars 4, 178: ‘LIII personen, ondere mans ende vrouwen’; enz. - 2) door bijvoeglijke naamwoorden en voltooide deelwoorden, b.v. Troyen 23354: ‘onder doot ende ghewont heeft hy der wel hondert ghevelt’; Sp. I5, 36, 54: ‘onder verslegen ende verbrant lieten sire LX dusent man’; Inform. 537: ‘datter zijn in als onder goet ende quaet omtrent 60 haertsteden’; Lanc. II, 36443: ‘ic hebbe soo vele wonden onder clene ende groot’; enz. - 3) door bijwoorden, b.v. Brab. Y. V, 1368: ‘Sijn lieden bleven daer doot onder voor ende na te menegher stont’; Oorl. v. Albr. 225: ‘enen leydsman ...., die mit hem wt was onder gins ende weder’ (vgl. Rek. v. Zeel. 2, 211: ‘onder varen ende keren, d.i. uit en thuis, 12 daghe’); Limb. IX, 441: ‘die daer waren bevaen met minnen onder buten ende binnen.’ - 4) door bepalingen, b.v. Lorr. II, 2898: ‘Otte heeft.... ontboden onder met brieven ende met boden ... om B.’; Rijmb. 34317: ‘daer verteert waren liede.... onder van beesten ende van viere’; Sp. I4, 15, 19: Onder tors ende te voet’; Lorr. fr. bl. 51, vs. 237: ‘onder geredene ende in bataelgen.’ - 5) door betrekkelijke bijzinnen, b.v. Mieris 2, 313 a: ‘onder dat si hebben ende noch ghecrighen sullen’; Cod. Dipl. U. 41, 232: ‘onder dat hi verterde ende dat hi van sinen perde gaf’; Inform. 115: ‘115 haertsteden onder arm ende die ghene die wat hebben’; Wal. 6574: ‘onder dode ende diere leven.’

Het eenige dialect, waar dit gebruik nog heden leeft, is het westvlaamsch, doch het is daar uitsluitend beperkt tot bijvoeglijke naamwoorden. Zie De Bo 767 en de daar genoemde voorbeelden: ‘honderd vijftig veroordeelden onder groote en kleene; dertig zieke onder oude en jonge; duizend boeken onder oude en nieuwe, onder kleene en groote.’ Men ziet dat ook hier het boven omschreven beginsel voor het gebruik der uitdrukking hare kracht nog niet heeft verloren.

In de andere germaansche talen heeft onder op deze wijze zijne beteekenis niet ontwikkeld. Daar zijn dus geene parallellen te vinden, doch wel in het Romaansch. Vgl. het

[p. 319]

geheel overeenkomstige gebruik van entre - et in het Ofra., b.v. ‘il entra dans une nef entre lui et ses peres; dont s'en va la femme entre li et son garçon; tant vous donnerai entre argent et or fin.’ Zie deze en tal van andere voorbeelden bij Godefroy 3, 278. Het is moeilijk te zeggen of dit gebruik op het mnl. van invloed is geweest; onmogelijk is het niet, doch, gelijk wij gezien hebben, laat de ontwikkeling der uitdrukking zich ook uit het Mnl. zelf voldoende verklaren. Zoo ook in het Spaansch entre - y. Merkwaardig is ook de mij door Kern medegedeelde overeenkomst met het Oudiersch. Vgl. E. Windisch, Irische Texte i.v. eter, etir, p. 533: eter lá ocus (en) aidchi, zoowel dag als nacht; eter aite is (en) chomalta, zoowel pleegvader als pleegbroeder; eter úacht ocus tess, zoowel koude als hitte.

 

j. verdam.