Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18. E.J. Brill, Leiden 1899  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 49]

Dietsche verscheidenheden.

CXXV. Swaer.

In eene der aanteekeningen op de Strophische Gedichten, wordt, in de nieuwe uitgave van Franck en mij, bl. 187, gesproken over eene mogelijke opvatting van mnl. swaer, nl. als tegenstelling van helder. Indien deze ware te bewijzen, dan zou de waarschijnlijkheid dat in Wap. M. III, 463 de ware lezing is ‘die met sonden hem verswaren’ veel grooter worden; ook zou zij dan gelijkstaan met de lezing van FD. ‘die mits Adame (by Adam) verdonckert waren.’ Reeds tamelijk groote bewijskracht kan in dit opzicht worden toegekend aan de t.a.p. medegedeelde verzen uit Maerlant's Nat. Bloeme III, 2759: ‘elc voghel vliecht meer int claer, dan in die lucht dicke ende swaer’, waar ‘dicke ende swaer’ eene tegenstelling vormen met ‘claer’: de regels zijn de vertaling van lat. ‘sereno aëre gaudet et multo plus vagatur in eo quam in turbido.’ Zie ook de ald. aangehaalde plaats uit de Limburgsche Sermoenen, en de opmerking over de bet. droevig, somber, welke aan het bnw. in enkele germ. dialecten eigen is, en die aan donker, somber, niet helder grenst. Doch dit alles doet niet zooveel af als eene plaats, welke ik nu kan bijbrengen, waarin swaer gebruikt wordt in de bet. zwart. Men vindt haar Sp. II6, 13, 18: ‘enen brueder, .... die swaer was ende onghedaen, ende met duvelen omme bestaen’, vertaling van lat. ‘unum nigrum et obscurum.’ Van beide woorden, niger en obscurus, kan swaer de vertaling zijn: doch zelfs, indien het kon bewezen worden, dat het het lat. obscurum weergaf, en niet nigrum, zou dit eene kostbare plaats zijn: het boven uit Wap. M. besproken ww. verswaren behoeft niet hetzelfde te beteekenen als verswarten, maar als verdonkeren. Men zal het, na deze mededeelingen, met mij ongeraden achten, den voorslag van de uitgevers der Tweede

[p. 50]

Partie aan te nemen, en swaer te veranderen in swart (of zelfs swaert): liever willen wij, op swaer in deze bet. opmerkzaam geworden, het in het oog houden, en trachten op andere bewijsplaatsen voor deze opvatting de hand te leggen. Ik houd mij overtuigd dat zij zullen gevonden worden.

CXXVI. Vrevel.

Men kent de vernuftige wijze, waarop de oorsprong van het woord wrevel wordt verklaard door Kluge in zijn Etymologisches Wörterbuch. Hij brengt het terug tot een ogerm. adj. fra-abls (fra-afls), uit fra, ver, en eene afleiding van ogerm. onr. afl, kracht, vanwaar ook ohd. avalôn, zich inspannen, zich beijveren (zie nog enkele andere germ. verwanten, Tijdschr. 2, 141 vlg.). In het Mnl. is een afstammeling over in het znw. avelinge, een oud woord voor berm van een dijk, de strook lands ter zijde van den dijk die daarmede een geheel uitmaakt. Vgl. het uitvoerig en belangrijk artikel over avelinge in Tijdschr. 2, 132 vlgg., alsmede Mnl. Wdb. 1, 4871). Voor fra in nominale compositie verwijst K. naar vracht en, wat vooral goede diensten doet, ohd. frábald, driest, vermetel. De eigenlijke bet. van vrevel zou dan zijn verkeerd aangewende of misbruikte kracht, welke zeer goed past bij de beteekenissen van het woord in het Oudgerm. Het meest is in bet. afgeweken het ndl. wrevel,

[p. 51]

dat het begrip boosheid, zedelijke verdorvenheid gewijzigd heeft tot die van boosheid, wrok, bittere gemoedsstemming. Vgl. de beteekenissen, opgegeven bij Kil. op frevel, wrevel1); frevelmoedigh, freveligh, frevelen, wrevelen en freveler, die deels aan het oudere Germaansch, deels aan de tegenwoordige opvatting herinneren. Een der gronden, waarop Kluge's meening berust, is de bijvorm verevel, welke in enkele germ. tongvallen voorkomt; vgl. Lexer op vrevel, vrävel, vrevele, waar behalve vreven, vrabel en vrebel ook de bijvormen virebel, vorebel en vorevil worden vermeld. Het is niet zonder belang, dat deze vorm ook in enkele mnl. tongvallen aan te wijzen is. In de berijmde parafrase van het Hooglied, welke tot heden nog slechts in hs. bestaat (gedeeltelijk te Berlijn, deels te Wetzlar) en waaruit Hoffmann von Fallersleben in Hor. Belg. 12, 16 vlgg. en Edw. Schröder in Jahrb. d. Nhd. Vereins, dl. 19, bl. 80 vlgg. enkele gedeelten hebben bekend gemaakt2), vond ik een voorbeeld in Cap. 20 (fragm. te Berlijn), dat tot titel heeft: ‘hoe die bruut onsculdiget hare boutheit’. Aldaar vs. 23 vlgg. lezen wij:

 
(So) Ontsculdicht si hair mitter vaert
 
Ende scamet hair dat gheopenbaert
 
Is haer suete verevelheit.

Het is duidelijk, dat in beteekenis boutheit van den titel

[p. 52]

overeenkomt met verevelheit, eene afleiding van verevel, over welks vroegere beteekenissen boven gesproken is. Daarentegen staat in vs. 38 vrevelijc:

 
Dit spreket of hi (l. si, de bruid) segghen woude:
 
O vrient, ic weet wel dat ic soude
 
Mi te rechte hebben vermeden
 
Van so vreveliker dompheden,

en in vs. 43:

 
En tiës niet mijnre vrevelheit,
 
Want ic doet bider minnen heit.

Merkwaardig is ook de vorm vravelike, in denzelfden tekst, c. 82, vs. 8:

 
Si mocht haer vravelike1) beromen,
 
Dat si van hair selven hadde die dogede.

Ook in het Mhd. komt de umlautlooze vorm frabel naast vrevel, vrävel voor (Lexer 3, 503). Het woord vrevel is in het Mnl. zeldzaam, en daarom zijn de boven medegedeelde plaatsen ook voor het Mnl. Wdb. niet zonder belang. Merkwaardig genoeg was het woord tot heden slechts uit het Oostmnl., met name het Limburgsch, opgeteekend. Een voorbeeld van vrevel, znw., in den zin van gewelddaad vindt men in Publ. Limb. 16, 200; van vrevelike in de bet. op eene drieste, onbeschaamde, aanmatigende wijze, D. Orde 224; 263, en Limb. Serm. 52c; en in den zin van op eene misdadige wijze, D. Orde 264. Zie ook Teuth.2 474 vlg., waar men vrevel, bnw., vrevelheit, vrevelich, vrevelijc, vrevelijcheit en vrevelmoedich vindt opgeteekend2). Doch dit feit, dat nl. vooral in Limburg en de omstreken het woord is gevonden, moet op een toeval berusten, want, hoewel ik niet met zekerheid het

[p. 53]

dialect zou kunnen noemen, waarin de bewerking van het Hooglied is opgesteld, het is zeker dat het geen oostelijk mnl. karakter vertoont, en ook Kil. geeft geen enkel bewijs, dat hij het woord als niet algemeen Nederlandsch beschouwt.

CXXVII. Vervleten.

In dit woord is de laatste rest bewaard van een sterk ww. der 1e klasse, dat tot heden in onze mnl. spraakkunsten niet is opgeteekend, en dat geluid heeft vlîten, vleet, gevleten. In het Mhd. is het st. ww. vlîzen, vleiz, gevlizzen zeer gewoon, hoewel ook het zwakke praet. vlîzete, vlîzte reeds voorkomt; ook in het Mnd. zijn de vormen vlêt, gevleten (gefletten) bekend (Lübben 5, 276). De beteekenis van het woord is zich bevlijtigen, met ijver naar iets streven. In het Mnl. is het woord, en wel voornamelijk in het Oostmnl., met name in de Zuidoostelijke tongvallen, als wederk. ww. in gebruik, verbonden met den 2den nv. of een bijzin. Voorbeelden vindt men D. Orde 226; 231; 232; 246; Limb. Serm. 26c en 116b; op de laatste plaats met een spoor der sterke vervoeging, nl. in den sterken imperatief ‘vlit u dis’ (tegenover vlite di, ald. 26c). Alleen in den Teuth.2 (282 op opbullen) komt het intr. vliten voor met de vertaling fervere. Doch ook het voorkomen van dit woord alleen in geschriften uit de genoemde streek moet toevallig zijn, want het wordt ook gevonden in de boven genoemde bewerking van het Hooglied, c. 179, vs. 6 (‘nu die brudegom dat siet dat hi mit woorden vordert niet ... des vlijt hi hem te werke saen’; vgl. ald. 17: ‘dat si vlitich sijn te werken: deze toevoeging dient om te voorkomen dat men vlijt hi hem afleiden zou van hem vliën, d.i. zich vlijen, voegen, schikken), en het ww. hem vlitigen komt behalve in Limb. Serm. 26c en 66d ook voor Stemmen 59 (in eene collatie van Brinckerinck, afkomstig uit de omstreken van Zutfen, zie Kal. voor Prot. 3, 67).

Eene samenstelling van dit ww. is vervliten, dat ook in

[p. 54]

het Mhd. bestaat (Lexer 3, 288 op sich vervlîzen) en ongetwijfeld in het Mnl., evenals in het Mhd., als wederk. ww. is in gebruik geweest. Het is evenwel ook mogelijk, dat het in eene jongere periode intr. is geworden; zoo althans is het ons bewaard door Kil.: ‘vervlijten, vervlijtighen, alacrem fieri, alacritatem concipere.’ Uit het eigenlijke Mnl. is het slechts opgeteekend in het deelw. vervleten, en wel in de eigenaardig Mnl. opvatting gesteld op, dol op, ook verliefd op, eigenlijk gloeiende voor iets. Eenige weinige voorbeelden uit de 16de eeuw waren reeds bekend. Men vindt ze in het Volksboek van Troyen 3a: ‘so ghi meer siet die schoone engiene (gaven) van haer, daer ghi so op sijt vervleten, so ghyse noch meer begheert te siene’, en Mar. v. Nijm. 13, 296: ‘omdat ghy so seer zijt vervleten op dien name (Maria)’. Zie nog twee plaatsen uit Houwaert, en een uit Dboeck der Amoureusheyt (a. 1580) bij Oudem. 7, 573. Uit kort geleden ontdekte bronnen kan ik aan de genoemde vijf andere voorbeelden uit de Middeleeuwen toevoegen. Het eerste is ontleend aan de boven reeds herhaaldelijk genoemde omwerking van het Hooglied, c. 48, vs. 3: ‘of die kerstenheit mit eren begheert te kennen .... op wat stede hair lief vervleten is, dair hi lievest rust’. Het andere heb ik gevonden in de prozabewerking van den Spiegel der Sonden, in een Oudenaardsch hs., waarvan ik een afschrift bekomen heb door de vriendelijkheid van Dr. De Vreese te Gent. De tekst van dit hs. vertoont èn in de indeeling der stof (‘de zeven hoofdzonden’), èn in de wijze van uitdrukking zeer groote overeenkomst met de berijmde bewerking, ons bekend uit een Munstersch hs., waarvan ik het volledige afschrift bezit. Doch alvorens ik de plaats noem, moet ik er op wijzen dat vervliten door zijn uiterlijken vorm en daar het waarschijnlijk niet diep in het taalbewustzijn van het volk wortelde, verward werd met het meer bekende vervlieten, d.i. vervloeien, zooals duidelijk zal blijken uit het gebruik van dit woord bij de mnl. mystieken, met name bij Ruusbroec. Op sommige plaatsen kan men met vrij groote zekerheid zeggen, het werkelijke ver-

[p. 55]

vlieten voor zich te hebben, bv. Ruusb. 6, 153: ‘hier omme onfunct die gheest hem selven ghebrukelike, ende vervlietet in Gode alse in sine ewighe raste’; 5, 68: ‘wi selen met herteliker liefden in hem vervlieten ende mit hem ons selven ontvlieten in die ewighe bliscap Gods’. Bij andere staat men in tweestrijd, ‘welk wijselijkst gekozen’, nl. Ruusb. 6, 74: ‘dese welheit es een vervlieten des herten, dat hem de mensce niet onthouden en mach van volheden der inwendigher vrouden’, en 134: ‘dit doet de minnende vervlieten’. Surius, de 16e-eeuwsche vertaler van Ruusbroec, heeft in elk geval op beide plaatsen het woord opgevat als samenstellingen van vlieten, vloeien: de eerste plaats vertaalt hij met: ‘cor liquescere ac diffluere facit’; de tweede door: ‘hinc fit amantium liquefactio. Zoo ook op eene plaats in het Lev. v. Lutgart, dat door Prof. v. Veerdeghem te Luik vanwege de Mij der Ndl. Letterkunde naar een Kopenhaagsch hs. wordt uitgegeven, Boek II, vs. 6985: “so dat si boven alle sinne wart so vervloten in die minne, dat si begonste ens tijts begeren sijn een van Godes marteleren”. Op twee andere eindelijk staat het woord veel dichter bij de bet. van vervliten (vervlijten), nl. Ruusb. 6, 123: “hoe hem Christus neyghet tote ons met minliker affectiën ende met groter begheerten ende met liefliker ghelost, met herteliken vervlietene in onser lijfliker naturen”, en 37: “alsoo dat die veelike ghelost niet te sere en vervliete op den smaec der spisen ende des drancs”. Op deze laatste plaats vooral kan men zich geen ander ww. denken dan vervliten. En daar de beide ww. behalve in den vorm ook in bet. eenige overkomst hebben (vgl. ndl. uitdrukkingen als smeltend, d.i. hartroerend, week, en “smelten of wegsmelten van zaligheid”), zoo kan ons dit niet verwonderen. Ook het mhd. vlîzen wordt nu en dan vliezen geschreven, en op ééne plaats heeft omgekeerd een mnl. tekst vervlijten, waar geen ander ww. dan vervlieten bedoeld kan zijn, nl. Hs. Serm. G. 15la: “van al sijn hert ende naturen sal hem duncken te vervlijten van tranen ende van bitterheit”. Nu wij dit hebben waargenomen, kunnen wij ons begrijpen dat

[p. 56]

wij in Proza-Sp. d. Sonden 23c het volgende lezen: “hij (Holofernes) sach oer (Judiths) schoonheid te wonder aen, ende vervliete (hier zw. vervoegd) alsoe op hoer soe dat hij meer wijns op dien dach dranck dan hy ye van sinen leven op enen dach dranck, ende dit dede hi op hape bi oer te slaepen”, en in het Lev. v. Lutgart, dat boven reeds is genoemd, Boek II, vs. 6411: “so sere was hare oc die moet vervloten op haer minnekijn, dat si begerde lange sijn also met hem in eenechheiden”. Op nog ééne plaats komt vervleten voor, doch daar is de eigenlijke beteekenis niet zoo duidelijk; men vindt haar in het door Stallaert uitgegeven 16de-eeuwsche kluchtspel Bervoete Broers 23, 173:

 
Ic ben milt van herten,
 
Goeden dach, vaer gardiaen, in u lydelick smerte
 
Com ic u boeten ....,
 
Uuyt goeder vrintschap in my vervleten
 
Heb ic gesonden spyse.

Waarschijnlijk is de bedoeling: “uit goede vriendschap die in mij is vurig”, d.i. uit vurige genegenheid die mij bezielt’. De bet. vurig past zeer goed bij het boven gezegde, en ook Oudemans vertaalt aldus vervleten in de straks uit zijne bijdrage aangehaalde bladzijde. De bet. gevloeid, door Stallaert in de noot aan het woord toegekend, is onjuist, doch de verklaring is aan dezelfde natuurlijke oorzaak toe te schrijven, welke wij reeds in de middeleeuwen zagen werken.

CXXXVIII. Worme.

Boekenoogen heeft in zijn Zaanlandsch Idioticon bl. 1231 een merkwaardig woord opgeteekend, nl. wormt (wurmt) in de bet. steunbalk van den dakstoel. Hij haalt daarbij o.a. twee bewijsplaatsen aan uit de 17de eeuw, en ééne van den Limburgschen vorm werm, alsmede eene plaats uit eene Egmondsche Rekening van 1388 van de samenstelling philierworm (naast philierstijl, aldaar), in eene soortgelijke beteekenis. Wat de eigenlijke beteekenis van fileren (filleren, philleren, -ieren) is, is

[p. 57]

niet bekend, doch, vooral uit de hier genoemde samenstelling blijkt dat de in het Mnl. Wdb. vragenderwijs aan het woord toegekende beteekenis ‘nieuwe ruiten zetten (in een gebouw)’ onmogelijk de ware kan zijn. Veeleer zal het woord de bet. stutten, steunen, versterken, schragen, schoren gehad hebben. Vgl. eene in het Mnl. Wdb. niet vermelde plaats uit den Invent. v. Brugge 3, 474: ‘ende zullen de vors. poorte (van de sluis) ghewrocht sijn up blocketten met stanchoenen ende ghephiliert met ghestrecten stanchoenen’ (fra. étançon, schoor, zware stut), en Rek. v. Egmond f. 28 r.: ‘van dat hi der abdiën coken ende bachuis al langs over philierde ende ienen nuwen yestsoller dair in leide’. Blijkbaar is het woord van Romaanschen oorsprong, wellicht komt het van een ofra. filer, dat de bovengenoemde bet. zou kunnen hebben, als afgeleid van mlat. filum, rechte lijn. De eigenlijke opvatting kan geweest zijn recht houden of recht zetten. Maar de schrijfwijze met ph is eenigszins vreemd. Doch dit in het voorbijgaan1). Mijne bedoeling was, enkele bewijsplaatsen voor het woord uit mnl. geschriften bij te brengen, en tevens eene vraag uit te lokken over den oorsprong. Ik trof er enkele voorbeelden van aan in de mnl. bewerking van het Hooglied, welke gedeeltelijk reeds gedrukt zijn in het Jahrbuch v.d. Ndd. Verein 19, 89 vlg. Zij luiden aldus: cap. 76 vs. 8:

 
Onser husen sparre sijn
 
Van cedar, ende van cipres die wormen,

vertaling van lat. (Cant. 1, 16): ‘tigna domorum nostrarum cedrina, laquearia nostra cypressina’; zoo ook 77, 29; 79, 9 en 29.

Cap. 79, vs. 11:

 
dattie sparren boven staen,
 
Die wormen onder vast daer aen
[p. 58]
 
Ende bedecken voir storms onvreden
 
Wanden ende alle (dat?) staet beneden
 
In den huse altemale.

De beteekenis moet hier nauw verwant zijn met de boven in het Zaanl. Idioticon opgegevene: zij is hier zoldering; in onze vertaling van Hoogl. 1, 16 staat gallerijen.

Elders vind ik wormingen. Zoo bv. in Voc. Copiosus (Leuven, ± 1483), in uittreksel Hor. Belg. 7, 18: ‘een keper s. worminghe, laqueare’ (vgl. Diefenb. op laquear voor tal van andere vertalingen van het woord). Zoo ook in de O.R.v. Dordr. op twee plaatsen, beide malen in de bet. van steunbalken van den dakstoel. De plaatsen zijn te vinden O.R.v. Dordr. 2, 171: ‘dat die muer tusschen haerre beyder huysen van voren tot afteren alsoo verre als P.'s huys nu betymmert staet, hem beyden tsamen toebehoren sall tot die worminge toe..., ende van dane opwaert soo sal die voirs. muer P. alleen toebehoren’, en 1, 308: ‘waert sake dat yemant rede waer te tymmeren, die sall ierst sinen buerman vragen off hy met hem tymmeren ende die muer met hem leggen will ..., ende ist dat sijn buerman nyet doen en will, so mach hi op hem selven tymmeren ende leggen sijn muer opten uutcant van sinen erve ende tymmeren so dordalff staedse hooch off hoger, will hy; ende waert dat sijn buerman dan na tymmeren will ende setten sijn stantvincken ende balcken an des anders muer, so sall die buerman nyet hooger tymmeren dan enen voet beneden des anders worminge off tymmeringe, ende dragen des anders water in sijn dack’ (a. 1457). En ten bewijze dat het woord in de 17de eeuw behalve aan de Zaan ook in andere streken van ons land bekend was, haal ik de volgende regels aan uit een ‘bestek van de pastorie te Besooyen van 1611’, mij medegedeeld door den Heer Van der Hammen aldaar: ‘item de muerplaten van eyckenhout, ... met noch aen wedersijde wormen van vuerenhout’.

Terwijl dus de beteekenis vaststaat, is dit met den oorsprong volstrekt niet het geval. Deze is nog onbekend; verwanten in

[p. 59]

noch buiten het Germaansch zijn aangewezen. Misschien geeft mijne mededeeling aanleiding tot het vinden er van.

CXXIX. Onstuimig.

Men kan in het Ndl. Wdb. op onstuimig lezen, dat er in de vocaal van dit woord iets vreemds is; de ui is nl. niet te verklaren. In plaats van ui zou men verwachten oe, of indien deze gewijzigd ware, eu, als in geneugte. Vgl. ohd. ungestuomi en unstuomi; mhd. ungestüeme, ungestüemec, ook ungestôm; daarnaast het znw. ungestüeme, ook ungestuome en andere bijvormen, waarover straks (Lexer 2, 1872); mnd. ungestume, -gestumicht en unstumich, unstumisch. Het woord moet dus uit een oostelijk dialect zijn overgenomen, hetgeen men ook kan opmaken uit Kiliaan's toevoeging ‘Holl. Sicamb.’ Onstuimig of ongestuim was tot heden uit het Mnl. niet opgeteekend, en dit maakt de beoordeeling van den vorm zeer moeilijk. De oudste vermelding is bij Kil. ‘onghestuem, onghestuemigh, onstuymigh (hij kent het dus in twee verschillende uitspraken), Holl. Sicamb. tempestuosus, procellosus, importunus, inquietus, immitis; onstuemigh, onstuymigh, tempestuosus, procellosus’. Plant. ‘onstumich weder, temps fascheux et tempestueux, tempus atrox et difficile; onstumicheyt, tempeste, mauvais temps, tempestas’. In den Brabantschen Vocabularius Copiosus (van 1483) komt het woord niet voor, en, wat ons meer verwondert, ook niet in den Teuthonista. Het is dus in elk geval in het Mnl. een zeldzaam woord geweest, maar men kan, daar het bij Kil. en Plant, voorkomt, niet zeggen, dat het onbekend moet geweest zijn, althans in de latere middeleeuwen. Misschien is het gebruikt door den Bruggenaar Jacob Vilt in zijne vertaling van Boëthius, waar wij fo. 253a lezen: ‘ter comste van antekerst sullen alle miraculen cesseren, omme der gherechtigher paciëncie so vele te bet gheweten tsijne ..., ende der quader onghesteunicheit so vele te bet ghekent tsijne’. Onghesteunicheit is niet te verklaren,

[p. 60]

doch indien men onghesteumicheit mocht lezen, dan zou men hierin de oudste bewijsplaats van het woord bekomen (± 1480), en tevens de vocaal, die men in het echt ndl. woord zou verwachten. De beteekenis moet zijn ongeduld, onhandelbaarheid, balsturigheid, en deze past zeer goed bij de opvattingen ‘importunus, inquietus, immitis’, aan het woord onghestuemigh toegekend1). Evenwel het blijft eene - zij het ook waarschijnlijke - gissing, en men leert ook door deze niet begrijpen hoe in plaats van dezen vorm zich de andere met û en vervolgens ui in onze taal heeft ingedrongen. Men zal wellicht vragen, indien er niet ongesteumicheit moet gelezen worden, wat dan? En indien men daarop geen antwoord zou weten te geven, dan zou de gissing zekerder zijn, maar er is nog een ander woord dat in aanmerking zou kunnen komen, en dat ik des te eerder noem, omdat daardoor tevens de vraag, althans gedeeltelijk, beantwoord wordt, hoe men het begrip onstuimig dan in het Mnl. heeft uitgedrukt. Het bedoelde woord is ongestemmich, waarvan de bet. met die van onstuimig overeenkomt. Het is in het Mnl. bekend in de afleiding ongestemmicheit, voorkomende in de mnl. reisbeschrijving van Bernh. de Breydenbach van 14832), 140v: ‘Doe die sonne nederghegaen was, soo begonde die onghestemmicheit (nl. van de zee) altijt meer te wassen’, en, op menschen overgedragen, 130v: ‘als die avont aen quam ende die tijt des ghulsicheit ende onghestemmicheit (d.i. uitgelatenheid) der Sarracenen’ en 161r: ‘die Thurcken ... quamen aen mit groten ghewelt ende onghestemmicheit’ (d.i. onstuimigheid, niet te keeren geweld aandrang). Naast dit bnw. ongestemmich staat aan den eenen kant met dezelfde bet. mhd. ungestimme, -stimbe, onstuimigheid, storm, naast ungestüeme, en

[p. 61]

ungestym, onstuimig, naast ungestüeme bnw., en in het Mnd. unstemmich(eit), unstimmich(eit); vgl. ongestuimig naast onstuimig, wvla. ongerustig, liefgetallig, ongetrouwig, naast onrustig, lieftallig, ontrouwig; mnl. ongedrachtich, ongesadelijc, ongenutte naast ondrachtich, onsadelijc, onnutte. Aan den anderen kant het deelw. bnw. ongestemmet, vgl. wvla. ongestuimd naast ongestuimig. Het woord is, evenals ongestemmich, tot heden alleen gevonden in de reisbeschrijving van Breidenbach; ald. 142r: ‘dairtoe vergaeren alsoo veel winden besiden aen desen berch, dattet meer zeer onghestemmet maect’; 141v en 162v: ‘dat onghestemmede (-gestemde) meer’; 143v: ‘want wy dat meer veel onghestemmeder bevonden hadden’, en 140v: ‘met eenen onghestemmeden wynt dreven wy van een ten anderen’.

Ongestemmet komt natuurlijk van het in het Mnl. niet ongewone stemmen, d.i. tot staan brengen, inhouden, beteugelen, tot bedaren brengen, ook stelpen. Vgl. Kil. 635 en Versl. en Meded. Kon. Akad. 1895, bl. 147. Een zeer bruikbaar voorbeeld levert ons de onlangs door den Heer Nap. de Pauw vanwege de Kon. Vlaamsche Academie uitgegeven vertaling van Froissart door Geryt Potter van der Loo, alwaar men op bl. 31 leest; ‘so lange carmden dese XII poirteren, ende baden den grave met so groter begeerten, dat hem die grave zeer stempte van sinen thoiren mids guede middelaers die sij dair cregen’. Vgl. Franck in Tijdschrift 4, 109; mhd. stemmen, tot staan brengen, waarnaast ook een st. ww. stëmen heeft bestaan, vanwaar mhd. ungestëmen, hetzelfde als ongestemmet. Dit st. ww. heeft, behalve in de reeds door Franck genoemde afleidingen stam, stamelen, stom en ungestüm (vgl. ook Kluge4 364), een spoor achtergelaten in den door Kil. naast stemmigh vermelden vorm van het bnw. stemigh, met de beteekenissen gravis, severus, serius, constans, ornatus, compositus. Vgl. ndl. stemmig, stijf. Het tegenovergestelde van dit adj. is *onstemmich, dat boven uit het Mnd. werd aangewezen, en dat in beteekenis overeenkomt met mnl. ongestemmich, d.i. onstuimig, uitgelaten, toomeloos, teugelloos, dol.

[p. 62]

Aan welk dialect in het bijzonder ongestemmet en ongestemmich eigen waren, m.a.w. waar Breidenbach thuis hoorde, is mij onbekend. Doch het algemeene, het meest gewone, woord voor ‘onstuimig’ is het in geen geval geweest, dit was ongesture (-gestuur), mnd. ungesture, mhd. ungestiure. Vgl. Ndl. Wdb. 10, 1666; Kil. ‘onghestuer, tempestuosus’; Meylink, Delfl. 202, 208 (a. 1413): ‘ongestuer wynd’; Hooglied c. 108, vs. 18: ‘die regen onghesture benemet al dat saet dat is gesaiet’, vooral ook onsture (-stuur) en onsturich (vanwaar onsturicheit en onstuerheit), van welke woorden tal van voorbeelden zijn opgeteekend. Daarnaast stonden in andere tongvallen nog een paar andere, minder gewone, woorden voor hetzelfde begrip, nl. ongestrumelich, voorkomende in ongestrumelicheit (Boec d.M. 72v: ‘dat si met ongestrůmelicheit en breke die antwoord’), waarschijnlijk hetzelfde als mnd. ungestormich, afgeleid van een ww. strumen, d.i. stroomen, ook stormen (?), waarvan mnl. strume (stroom, Velth. I, 13, 60); mhd. strûmen, strômen, d.i. strömen, hin und her fahren, stürmend einherziehen. Het andere woord staat dichter bij mnd. ungestormich, nl. ongestorme. In den Limburgschen Proza-Servaes leest men, bl. 77: ‘gheen doot noch die onghestorme verveernisse des meers, verveerlicker dan alle dode’.

Een bnw. ongestorme naast ongestormich is in het Mnl. zeer goed denkbaar. Vgl. ongedoude naast ongedoudich, ongelove naast ongelovich, ongedenke naast ongedenkich, ongedure naast ongedurich, mhd. indenke en andenke, hd. eingedenk; mnl. ellende, ohd. elilenti, ags. ellende naast ellendich. Zie over dgl. bahuwrihisamenstellingen Kluge, Nom. Stammb. § 177 en (later) Mnl. Wdb. op ongedoude. Mocht tusschen ongestorme en verveernisse het woord ende uitgevallen zijn, en ongestorme alzoo een znw. wezen, dan komt het geheel overeen met mnd. ungesturm, waarnaast ook ungestormicheit en unstormicheit. On zal in dit woord op te vatten zijn als in onkosten en ‘ongeld, en beteekenen een onaangename, of ook een gevaarlijke, hevige storm’.

[p. 63]

CXXX. Muulstoter.

Dat met dit op het eerste gehoor vreemd klinkende woord bedoeld wordt ‘een oplichter die met valsche reliquieën het platte land afloopt’ is in het Mnl. Wdb. met de verklaringen uit Kil. en Plant. aangetoond. Uit schrijvers was het woord in deze bet. tot heden niet gevonden, wèl in de - waarschijnlijk oorspronkelijke - opvatting ‘reliquieënkastje of foedraal waarin het “heilichdoem” zich bevindt, wanneer men het door de geloovigen laat kussen.’ Muulstoter is vermoedelijk de bij het volk gebruikelijke benaming geweest van het laatstgenoemde voorwerp. Van de eerstgenoemde opvatting boerenbedrieger, venter van valsche reliquieën kan ik thans ook een voorbeeld mededeelen. Ik heb het opgeteekend uit de door de firma Martinus Nijhoff uitgegeven photolithographische reproductie van het oudste volksboek van Uilenspiegel (± 1512), naar het eenig bekende exemplaar, dat in de Kon. Bibl. te Kopenhagen berust.

Aldaar vindt men op fo E eene houtsnede, voorstellende Uilenspiegel op een preekstoel, bezig om aan eene schare geloovigen wonderen te verhalen van een doodshoofd, dat hij aan zijne hoorders voorhoudt. De tekst daaronder luidt aldus: ‘Hoe Ulespieghel een muylstoter werdt. Als nu Ulespieghel door die landen bekent was om sijn scalcheit, so en was hi nergens willecome ...; so overdaecht hi hoe hi best gelt gecrighen soude met cleynen arbeyt, so troc hi aen een coorcleet gelijc een clerck ende nam een dootshooft vanden kerchove ende dede dat beslaen met silveren bandekens, ende quam int lant van Pameren in Oostlant, daer die papen meer neersticheyt doen in die bierkanne dan om prediken. Ende waer op dorpen kercwijnghe, bruloften, wtvaert van dooden ... was, daer maecte hem Ulespiegel altoos bi, want wat offer daer af coemt dat souden die prochiaens half hebben ... Als dan tvolc meest vergaedert was, so clam hi opten preecstoel ende seyde hem wat goets, ende dan van den heylicdom vanden hoofde dat daer was, ende hoe hem dat hooft bevolen had dat hi hem soude maken een kercke van reyn goet, ende hi en soude geen offer ontfaen van vrouwen, die ander mans hadden gehadt bi haren echten man enz.’

Het woord muulstoter scheen mij belangrijk genoeg om het met dit voorbeeld nader toe te lichten, en het boekje, waaraan ik de plaats ontleende, om er de aandacht op te vestigen.

 

j. verdam.