Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18. E.J. Brill, Leiden 1899  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 138]

Enkele aanteekeningen op de ‘Bijdragen tot de kennis der Noord-Nederlandsche tongvallen’1).

Naar aanleiding van bovengenoemde ‘Bijdragen’ zij 't mij veroorloofd hier eenige korte opmerkingen mee te deelen.

 

Op bl. 3 lezen we, dat de umlaut der a tot e hier te lande zich in het Friesch misschien in de 7de eeuw zou ontwikkeld hebben. Op welk gegeven steunt deze bewering? Mij is omtrent de chronologie van den ouderen umlaut der a tot e in het Friesch alleen bekend, dat het verschijnsel ouder is dan de apokope der slotvocalen. Voor een dateering van het klankproces in de 7de of eenige andere eeuw staat ons evenwel, zoover ik weet, geen enkele aanwijzing ten dienste.

 

Op gemelde bladzijde wordt voorts gezegd, dat de ē's voor ā in os. en oudoostnfrk. citaten als bēdi, farlētid, geuuēdie, landmēgun, gēr etc. resp. gēvi, besēte, dēda, ginēkeda etc. (z. voor bewijsplaatsen Gombaults Proefschrift en Tschr. 15, 166 vlg.) als archaïsmen zouden moeten gelden, die toevalligerwijze de oude germ. āe bewaard hadden. Zulk een opvatting strookt weinig met hetgeen we op het gebied der klankontwikkeling plegen waar te nemen. Trouwens het valt juist niet moeilijk de ē der bedoelde lezingen, ook daar waar we met vormen zonder i, ī of j in den uitgang te doen hebben, zonder behulp dier wraakbare hypothese te verklaren. Doch hierover elders en bij een andere gelegenheid. Voorloopig zij verwezen naar Grundriss d. Germ. phil. I2, 694, Idg. Forsch. 3, 285 en 5, 348, Tschr. 15, 166 vlg. en op het feit opmerkzaam gemaakt, dat de meeste der voor een niet uit umlaut te verklaren ē aan-

[p. 139]

gehaalde getuigenissen vormen zijn van het subst. gēr, jaar, welks vocaal tusschen een palatale conson. en r staat.

 

Op blz. 4 vlg. der ‘Bijdragen’ wordt ter verklaring der aanwezigheid van vormen als gebēre, gēve, leege, ghenēme enz. in westmnl. teksten en van daaraan beantwoordende hedendaagsche vormen op westnederfrankisch taalgebied (vgl. Mnl. Sprk. § 21 en Te Winkels Noordnederl. tongvallen bl. 97 vlgg.) de hypothese voorgedragen: gelijk de e der beklemtoonde syllabe in 't Oudgerm. door invloed van i, ī of j der volgenden zwak geaccentueerde lettergreep een i was geworden, had ook de oudgerm. āe der beklemtoonde syllabe ten gevolge van de werking deszelfden factors wijziging ondergaan tot een lange onvolkomen i, d.i. īe; door analogie of ‘ausgleich’ zou nu bij menig woord het onderscheid tusschen de āe der vormen zonder i, ī of j in den uitgang en de door i, ī of j te voorschijn geroepen īe zijn uitgewischt, d.i. de īe zou in den regel met de āe of een daaruit voortgekomen klank zijn samengevallen en slechts bij uitzondering haar qualiteit behouden hebben, die dan met een of andere geringe wijziging in de ē van gebēre, gēve, enz., de ae van het bredaasche gaef, het oostbrabantsche genieëm enz. ware terug te vinden. Intusschen een āe en īe liggen phonetisch wel wat al te ver uit elkaar om maar zonder meer samen te vallen; en de hypothese eener ontwikkeling van āe der beklemtoonde lettergreep door i-umlaut tot īe is door geen enkel feit uit de geschiedenis van het oudgermaansche vocalisme waarschijnlijk maken. Doch waarom ook hier een onderstelling te hulp te roepen, wanneer een eenvoudige verklaring der aanwezigheid van vormen als gebēre, gēve enz. op westnederfrankisch taalgebied als 't ware voor 't grijpen ligt? De historie van het nederlandsche klankstelsel levert ons, gelijk men weet, voorbeelden te over van het indringen van een of anderen vorm uit het eene in het andere dialekt; herhaaldelijk ontmoeten we vormen, die, phonetisch in het oosten thuis hoorende, ook in het westen zijn in gebruik gekomen of om-

[p. 140]

gekeerd, in het westen thuis hoorende, ook in het oosten ingang hebben gevonden, of vormen, die niettegenstaande hun noordelijke bakermat ook in het zuiden, respectief niettegenstaande hun zuidelijke bakermat ook in het noorden in zwang waren geraakt. En wat zijn nu gebēre, gēve e tutti quanti anders dan vormen, die met een volgens het oostnederfrankisch taalkarakter door umlaut der ā ontwikkelde ē in het oosten in gebruik waren en vandaar uit sporadisch als inkomelingen ook in het westen zich naast de echt westnederfrankische gebāre, gāve enz. burgerrecht verworven hadden?

 

Op bl. 10 leest men, dat als de reflexen der mnl. vormen blā, blauw-, grā, grauw-, braeuwe, klaeuwe enz. in het Friesch vormen met eeuw of ieuw zouden te verwachten zijn; dat uit het Oudfriesch slechts grē, brē, wenkbrauw, en blāw (l. blaw, d.i. blau) als ‘belege’ voor vormen der bedoelde kategorie zouden bekend wezen; en dat blaau, graau, klaauwe, blău, grău, klăuwe, blou, grou, klouwe, die in de friesche dialekten in zwang zijn, voor ontleende vormen zouden moeten gelden. In werkelijkheid leveren de oudfriesche bronnen ons het volgende materiaal: āchbrē, brēskrēdene (Altostfries. gr. § 15 α), grē Jus Munic. 94, gree Jur. Fris. 33, 7, 8, clē klauw Jus Munic. (Hett.) bl. 38 (vgl. Tschr. 11, 308 vlgg.) en blaw (Altostfr. gr. § 15 γ), graw Schwarz. 1, 26, blauw, clau houweel, pa(e)uwes, -is, paues, pa(e)us, paus, tauw(e), scheepswant, gereedschap (z. Beitr. v. Paul und Braune 19, 376): de ē uit ā, waarachter de door vocalisatie uit w voortgekomen u of o was weggevallen; de au uit ā, die vóór de w geen wijziging tot ē had ondergaan en voorts door samentrekking met de door w te voorschijn geroepen anorganische u een diphthong (met halflange a) had opgeleverd (vgl. Beitr. v.P.u. Br. t.a.pl.). Aan deze aau nu beantwoordt de hedendaagsch gesproken aau (met halflange a! gelijk trouwens, voor zoover ik heb kunnen nagaan, ook de nietfriesche aau); daaruit voortgekomen zijn: de au met een quantitatief en de ou met een ook qualitatief gewijzigd eerste element.

[p. 141]

Natuurlijk was bij de woorden dezer kategorie bovendien de ontwikkeling mogelijk van een diphthong eeu (met halflange e): de ā vóór w werd verdrongen door de ē van den onverbogen vorm; uit zulk een ē-w ontstond dan in 't vervolg eu-w. Vandaar de zaansche vormen greeuw, kleeuw, wijnbreeuw enz., bleeuw naast blaauw in Koedijk, greeuw, wainbreeuwe, kleeuw in Aalsmeer. Voor het bleejw der laatstgenoemde plaats is blijkbaar invloed aan te nemen van een eertijds gebezigd *bleej uit *blē; raadselachtig is evenwel een naast dit bleejw staande wisselvorm blīw.

Min juist is voorts wat op gemelde bladz. omtrent het in Zaanland en Aalsmeer gebruikelijke ankleeuw, enkel, is opgemerkt: ‘ankleeuw onder invloed van kleeuw uit Ofri. onklef (Ags. ancleow) verbasterd, evenals een in 't Oudnederlandsch en nu nog te Urk levend anklaauw’. Het woord in questie ontmoeten we in 't Oudgerm. in tweeërlei vorm: ohd. anchlāo en ags. oncléow (met éow uit ew, vgl. Sievers, Ags. gramm. § 198 anm. 2), oudoostfri. onclevon (dat. pl.), oudwestfri. onclewe en -a (dat. sg.; z.V. Richth.'s wb. 965 en Idg. F. 7, 330), alzoo met een oude ā-w en een oude e-w. Met anchlāo stemt overeen bovengemeld anklaauw alsmede het mnl. bij Verdam te vinden anclau. Omtrent den prototypus van ankleeuw verkeeren we in 't onzekere: eeuw uit ē-w, gelijk in greeuw enz., of eeuw uit e-w (want ook achter de korte vocalen heeft in 't Westfriesch de heterosyllabische w een u doen ontstaan). Op een grondvorm met i uit e vóór ī des uitgangs, op een oudnederfrk. *ancliwīn (-īn als diminutief suffix) wijzen verder de mnl. bij Verdam opgeteekende vormen anclieven (l. ancliewen) en ancluwen: u, d.i. de lange ü, uit *iu, dat ontstaan was uit i + de door w te voorschijn geroepen u (vgl. voor een soortgelijke eeu uit e + vóór w ontwikkelde u mnl. leuwe uit *lewo, geuwen uit *gewōn en zie voor hetzelfde klankproces achter een lange vocaal Beiträge v. Paul w. Br. 16, 306 vlgg.); voor de ie naast de lange ü vgl. mnl. nieuwe naast nuwe (Beiträge 21, 452 anm. 2).

[p. 142]

Omtrent nauw wordt op bl. 13 gezegd, dat het twijfelachtig is, of de a van dit woord oorspronkelijk wel lang was en het adjectief wel aan het got. nēhws (l. nēhw) beantwoordt. Zeer zeker bestaat er geen verband tusschen het got. nēhw en het mnl. nauwe; want uit de oudgerm. consonant hw is, gelijk ons de feiten leeren, in den in- en auslaut nooit een w voortgekomen. Het adjectief vertoont zich in 't Mnl. met tweeërlei diphthong, als nauwe en als nouwe (z. Mnl. wb. i.v.), en vindt als zoodanig een tegenhanger in het mnl. dau (verb. dauwe) en dou (verb. douwe). De ou der beide woorden berust, zooals men weet, op een oorspronkelijke a + door de zoogenaamde w1 te voorschijn geroepen westgerm. u (vgl. on. hnǫggr, mhd. mnd. nouwe, on. dǫgg, ohd. tou). Uit zulk een oudwestgerm. au had zich geen mnl. au kunnen ontwikkelen; en evenmin ware een overgang van ou tot au denkbaar. Rest dus alleen de mogelijkheid van een zich door ablaut ā van *hna-w1- en *da-w1- onderscheidenden prototypus *hnā-w2-, *dā-w2-, waaruit een mnl. nauwe, dau had moeten te voorschijn komen (de anorganische u als in grau, blau enz., want de w1 stond in het Germaansch alleen achter een korte vocaal).

 

De opgaven op bl. 17 vlgg. van de oudwestfriesche vormen voor den plur. praeteriti ind. (en den optat. praeteriti) der sterke verba van de 4de en 5de klasse zijn niet volledig. Ter aanvulling daarvan zij verwezen naar Beitr. v.P.u. Br. 19, 392 vlg. en Idg. Forsch. 7, 333. Mogelijk dat ook het aldaar meegedeelde kan bijdragen ter aanvulling en verbetering van hetgeen in de besproken ‘Bijdragen’ ter verklaring der oudfriesche flexie is opgemerkt. Aan de hand dezer oude vormen worden ons de meeste der door Te Winkel voor 't Nieuwfriesch verzamelde gegevens zonder verderen commentaar begrijpelijk. Als toevoegsel diene voorts het volgende. Het voor Rottevalle opgegeven praeter. kommen (tegenover kāmen en kōmen van andere friesche dialekten) en nommen van Tzum, Hallum, Rottevalle enz. (tegenover nāmen en nōamen van andere dialekten)

[p. 143]

zijn de in het praeter. ingedrongen vormen van het part. perf. kommen, nommen1); vgl. den naast sprieken enz. in het Landfriesch gebezigden bijvorm sprutsen (‘Bijdr.’ 18), die uit het part. sprutsen (= oudwestfr. spritsen) herkomstig is. Het nieuwfriesche leien, praeter. van lizze, liggen, is stellig geen ‘analogievorm naar den singularis lei (uit lag)’ (z. ‘Bijdr.’ 19): bij geen enkel werkw. toch van de 4de en 5de klasse zien we in 't Westfriesch de korte vocaal van den sg. praeter. ind. in den plur. dringen, wel regelmatig het tegenovergestelde (vgl. Beitr. v.P.u. Br. 19, 410); we moeten daarom in leien den eigenlijk bij het zwakke lizze, leggen, behoorenden praeteritalen vorm erkennen, die ten gevolge van het samenvallen van lizze, leggen, en lizze, liggen, ook bij dit laatste is in gebruik gekomen. Voor het ontstaan van een ander praeteritum laeien en van het op Schiermonnikoog in zwang zijnde lieǵen vgl. Beitr. v.P.u. Br. 19, 393 noot 1.

 

Bl. 21. Over het bestaan en ontstaan van een oudwestfriesch naast mōne(n)dei en monnen-, monnadei voorkomend manne(n)dei z. Idg. Forsch. 7, 332 (een op blz. 22 der ‘Bijdr.’ denkbaar geacht oudfriesch māna is evenwel volgens de klankwetten ondenkbaar). Als reflex van dit laatste ontmoeten we in het hedendaagsch Friesch mandei en mandji. Raadselachtig is de vocaal van het voor Bakkeveen opgegeven mendei.

 

De woorden op bl. 22 ‘Daar Zaterdag ontstaan is uit Sāturnidag’ zijn natuurlijk een lapsus. Men leze ‘Daar Zaterdag een vertaling is van Sāturni dies’. Met betrekking tot de tweeërlei prototypen, waarop de dialektische vormen van dezen dagnaam wijzen (z. ‘Bijdr.’ 23 vlg.), is te vergelijken hetgeen Kluge in den Grundriss der Germ. phil. I2, 350 opmerkt omtrent de verkorting der lat. voc., die vóór de met hoofdklemtoon gesproken syllabe stond.

[p. 144]

Voor de ontwikkeling van het oudwestfriesche snjōnd, nwfri. snioen, zaterdag, dat allerminst door breking en met een tusschentrap snjiwwen (z. ‘Bijdr.’ 23) ontstaan is, maar als het produkt te gelden heeft van een reeks van andere klankwijzigingen, zie Beitr. v.P.u. Br. 19, 355 vlg. (Siebs' snīoen is kennelijk foutief). Met de opgaaf voor Tzummarum, Sneekerland en Lemsterland sneun zal wel een uitspraak snȫan (a ter voorstelling van een korten doffen naslag) bedoeld zijn; zóó althans (met ȫa uit de contractie van j + ō) luidt het woord in verschillende nieuwfriesche dialekten, bv. in Holwerd. De opgaaf van Barradeel sneĭn begrijp ik niet; snein toch is in Friesland de benaming voor ‘zondag’ (vgl. over dit woord Beitr. v.P.u. Br. 19, 426).

 

Dat voor het Oudfriesch een vorm frēgia en niet fregia aan te nemen is (z. ‘Bijdr.’ 24 vlg.), lijdt geen twijfel. Aan de oudwestfriesche conjugatie-vormen frēgia, frēgade, fregad beantwoorden in overeenstemming met de 't Nieuwfriesch voorbereidende klankwetten de thans bijna overal in zwang zijnde freeǵje, freeǵe, freeǵe. Voor de in Westerschelling gebezigde freie, freǵǵe mogen we de volgende verklaring laten gelden: de door assimilatie uit ǵj ontwikkelde jj deed de ē overgaan in een korte vocaal; zóó viel het praesens freie (d.i. frejje) samen met jeie, jagen, kleie, klagen (uit jeggia, kleggia voor jagia, klagia), waartoe een praeteritum en partic. jeǵǵe, kleǵǵe behoorde (voor de ontwikkeling dezer vormen uit jagia, -ade, -ad, klagia, -ade, -ad vgl. Beitr. v.P.u. Br. 19, 348); naar analogie hiervan ontstond freǵǵe in plaats van freeǵe. Over de genesis der voor Hindeloopen en Deinum opgegeven vormen friǵje, frijje, friǵǵet, friǵǵe durf ik mij, als met het dialekt dezer plaatsen niet voldoende bekend, voorshands niet uitlaten.

Uit de woorden op bl. 26 ‘In de òa-, óa- of ō-streek heeft het (werk)woord overal den klank òa, óa of ō, dien men er verwachten mag, en nergens umlaut, waarom dan ook niet als in 't Landfriesch een grondvorm fraegjan (frāgjan) moet worden

[p. 145]

aangenomen, maar frāgōn, zooals in 't Oudsaksisch, of frāgēn, zooals in 't Oudhoogduitsch’, zou men mogen opmaken, dat dat Te Winkel het friesche frēgia voor een zwak verbum der eerste klasse aanziet, met een oorspronkelijk suffix -jan. De oudfriesche uitgang -ia evenwel berust niet op een ouder -jan, maar op -ōjan der tweede klasse = ohd. -ōn. En de j van dit suffix heeft nooit umlaut te voorschijn geroepen dan in een bepaald geval, waarover op de zooeven aangehaalde plaats der Beiträge gehandeld wordt, nam. achter l, r, k of g met daarvóór staande a. In verband met dit klankproces beoordeele men ook het op bl. 30 der ‘Bijdr.’ geciteerde hellje, halen.

 

Opmerkelijk is voorzeker het verschijnsel, waarop in ‘Bijdr.’ 32 wordt gewezen: de òa-klank van bòard, baard, in dialekten, die òa voor de oorspr. ā en ae of ā voor de door rekking uit a voortgekomen ā bezigen. Ter verklaring dezer abnormaliteit een grondvorm met een oorspronkelijke ā aan te nemen, gaat evenwel niet aan, dewijl volgens een bekende oudgerm. klankwet een oudgerm. prototype bārdō iets onmogelijks is.

 

Groningen, 3 Mei 1899.

w. van helten.