Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18. E.J. Brill, Leiden 1899  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 146]

Brit.

In het verhaal zijner wandeling over de Amsterdamsche markten zegt Kackerlack o.a. het volgende (Bredero, ed. Unger, II, 40; Moortje, vs. 680 vlgg.):

 
En juyst most ick bloemen, en ick liep onger de Varcke-sluys:
 
Daar sat Koren Jansz en vertrock van 'thuys en d'afcomst van Britten.
 
Mit dat hy men sach, nam hy zyn naers insen arm, hy rees en lietme sitten, ...
 
Doe verlienden ickse daer een quack van ouwe kousjes jaergetijen,
 
Van 't eevangely van 't spinrocken, van Waaren, en Spookerijen,
 
Die in hiel ouwe Tijen hier dickwils plegen te geschien enz.

De geheele situatie is duidelijk. Kackerlack maakt gebruik van een dier ‘houten secreeten, tot geryf der kleine gemeente gemaakt’1), die zelfs thans ook jongere Amsterdammers zich nog kunnen herinneren onder de hoekbogen van sommige bruggen of ‘sluizen’ gezien te hebben. Hij vindt daar Koren Jansz, bezig met vertellen: een te dier plaatse in ons oog wellicht zonderling, maar blijkbaar niet ongewoon tijdverdrijf; immers als eerstgenoemde is opgestaan en Kackerlack laat ‘zitten’ (d.i. gaan zitten, als in afzitten), haalt deze eveneens allerlei oude historietjes op: sprookjes en spookgeschiedenissen, geschikt voor het daar aanwezige publiek. Koren Jansz nu heeft ‘vertrocken’ van ‘'thuys en d'afcomst van Britten’. Wat is dit? Moltzer meent, dat hiermede bedoeld is het bekende Huis te Britten of de Brittenburg, het kasteel aan de oude uitmonding van den Rijn bij Katwijk, sinds eeuwen, met het strand waarop het stond, door de landverslindende zee bedekt2). Redelijkerwijze

[p. 147]

valt hieraan ook niet te twijfelen. Doch is 't daarmede uit? Heeft Bredero niets meer willen zeggen dan dat Koren Jansz daar, evenals later Kackerlack, eenige oude geschiedenissen ophaalt? Het is mogelijk. Maar men mag toch betwijfelen of die burcht op zich zelf wel eene heel geschikte stof was voor Koren Jansz en zijne toehoorders. Zij leende zich alleen tot eene archaeologiche verhandeling, die daar, zacht genomen, misplaatst ware geweest; immers van romantische legenden, aan die burcht vastgeknoopt, wordt noch hier noch, zoover ik weet, elders gerept, en alleen daardoor toch zou men dit onderwerp te dier plaatse kunnen verklaren en vergelijken met de door Kackerlack later opgedischte spookgeschiedenissen, die daar zeker veel beter thuis hoorden.

Bovendien, wat beteekenen de woorden ‘'thuys en d'afcomst van Britten’? Staat dit voor ‘'thuis (van Britten) en de afkomst (van het huis) van Britten’? Eene zeer ongewone soort van zinssamentrekking! En even ongewoon schijnen mij zoowel het gebruik van afcomst voor: oorsprong (van een huis) als de naam van Britten (vanouds heeft het steeds ‘het huis te Britten’ geheeten). Op mij heeft dit ‘'thuys en d'afcomst van Britten’ altijd een vreemden indruk gemaakt, alsof het (s.v.v.) uit de lucht kwam vallen. Dat ik hierin niet alleen sta blijkt wel uit eene vraag van den heer J.E. ter Gouw in den Navorscher XXX, 409 naar de beteekenis en bedoeling dezer woorden. Op die vraag heeft Dr. J. van Vloten (op blz. 556 van denzelfden jaargang) geantwoord met eene verwijzing naar een paar regels uit de in 1628 verschenen zeer vieze ‘Boertighe klucht van de Feyl’ (blz. 9), voor welker afdruk ik inderdaad verschooning moet vragen:

[p. 148]
 
Ick loof niet datter ien swaerder last is as ien rype stront te drage
 
Ick souw wel ien wint laten, maer ick vrees dat ick daer met ien ien Engelsman sou uytiagen, ...
 
Neen tis beter een lustige kau-jyse1) op de Feyl eset,
 
In dat ic evewel in men broec scheet ic sout niet keunnen betren enz.

Van Vloten vermoedt t.a.p. eenigen samenhang tusschen dit Engelschman en 'thuys van Britten bij Bredero, doch vraagt ‘waarom aan zulk een product de naam van Engelschman of Brit gegeven werd’. Die reden alleen te zoeken in den volkshaat tegen onze buren en mededingers ter zee gaat dunkt mij niet aan; zonder meer is dit niet voldoende. Er moet eene bijzondere aanleiding tot zulk eene benaming, zulk eene woordspeling zijn geweest. En die meen ik te kunnen aanwijzen, althans gissen.

Brit beteekent in onze taal: brok turf, ‘frustum cespitis’ (Kiliaan); in dien zin is het woord vanouds bekend geweest of nog bekend in Friesland, Holland en Vlaanderen. Deze beteekenis schijnt eene bijzondere toepassing der oudere, meer algemeene: brok, stuk (thans nog in Groningerland bekend); zie hierover verder Ned. Wdb. i.v. Bedenkt men nu dat schok, oorspronkelijk: hoop (zie Franck), in Noord-Holland reeds in de 16de eeuw de bijzondere beteekenis had, door Kiliaan als ‘Fri. Holl.’ vermeld en aldus omschreven: ‘j. schitte. Cespes stercorarius: cespitis genus in tessellas conformatum fimo bubulo constans, interspersis straminis, arundinis, foeni quisquiliis, ad solem aestiuum excocto’2), en vergelijkt men verder de algemeene beteekenis en de bijzondere toepassing (in de latere, gemeenzame taal, vooral de kindertaal) van hoop en stuk, dan begrijpt men welke beteekenis ik gis dat brit in de toenmalige platte taal gehad heeft, nl. nagenoeg dezelfde als drol, hetzij dit eene algemeen bekende, ‘usueele’ beteekenis, hetzij het slechts eene meer ‘occasioneele’ toepassing, die altoos eene aardigheid bleef, is geweest.

[p. 149]

Ofschoon ik deze beteekenis niet rechtstreeks met eene ontwijfelbare aanhaling kan staven, pleit m.i. voor deze gissing vooreerst, dat de laatstgenoemde, anders duistere uitdrukking uit de Klucht van de Feyl er aanstonds door verklaard wordt. Dat aldaar met Engelschman zulk een ‘product’ bedoeld wordt lijdt wel geen twijfel. En nu ligt het, dunkt mij, geheel in den geest des volks van de dubbelzinnigheid van een woord als brit dadelijk gebruik te maken om het aangeduide verder te verbloemen door brit te veranderen in Engelschman: eene aardigheid, die zich natuurlijk bovendien nog aanbeval door de beschimping van het gehate volk, die er in gelegen was. Geheel analoog is de woordspeling met Poortegaal en Poortegaalsche specie, waarvan bij Oudemans V, 678 en in Taal en Letteren VI, 336 voorbeelden gegeven zijn.

Een bezwaar tegen mijne gissing is dat ik het voorkomen van den naam Brit voor Engelschman reeds in dien tijd - een onmisbare schakel - niet of nauwelijks bewijzen kan. Wel vind ik, om van Bilderdijk te zwijgen1), bij Antonides II, 14: ‘'t Brittenlandsch gezag’, bij Rotgans, Poëzy 218: ‘'t Brittenlandsche ryk’, bij Vondel XI, 6: ‘Ick, de Koning van de Britten’ en XI, 7: ‘Brittenlant’ (ao. 1667), en reeds VI, 3: ‘'t Hoofd der Britten’ (ao. 1649); verder b.v. bij S. Muller Fz., Mare Clausum 17: ‘Brittische Zeeen’ (ao. 1673); maar dit alles is van vrij wat later tijd en behoort ook meer tot de taal der dichters of der staatslieden, terwijl wij den naam liefst reeds omstreeks 1600 in de volkstaal zouden vinden. En ofschoon Brit bij Sewel in 1727 dient ter vertaling van Eng. Britan, heet het bij Halma in 1733 nog een ‘digtkundig woord’; evenzoo luidt het bij Marin in 1769: ‘in de Dichtkunde voor een man uit Brittanie’. In 't Mnl. schijnt alleen Bertoen, Bortoen bekend geweest te zijn; en Kiliaan (869 b) heeft wel Bretanie voor ‘Britannia, Armorica, Hermionia, Albion’, maar niet Brit. Toch kan ik althans ééne plaats uit ouderen tijd aanwijzen waar Brit voorkomt, t.w. Vlaerd. Redenr.-bergh 333 (ao. 1617):

[p. 150]
 
Siet oock van zuyden gaen
 
d'Gezanten hant aen handt van den Venetiaen.
 
De Britten spannen 'tzeyl. Siet gints de stoute Francken
 
vercieren het getal aen dijn vrient-rijcke bancken,
 
Den Zweder sit me aen. Den Daen geeft dy gehoor.

Weliswaar moet ik erkennen dat ook dit niet zeer ‘volksaardig’ is: die ‘Britten’ zien er even boeksch uit als de ‘Francken’, de ‘Zweder’, de ‘Daen’ en de later genoemde ‘Teutsch’. Maar het bewijst toch dat het woord hier te lande toen niet onbekend was; en allicht zal men, langer en beter zoekende, meer voorbeelden vinden van dit woord, dat, wijl het in ons oog niets bijzonders heeft, zeker nooit door ‘woordenaren’ of excerpenten is opgeteekend1). Een onoverkomelijk beletsel voor het verstaan der woordspeling schijnt trouwens betrekkelijke zeldzaamheid mij ook niet: daarvoor was het niet noodig dat men den naam algemeen gebruikte, maar voldoende dat men hem kende; en Groot-Brittannië enz. waren zeker toen, evenals nu, hier te lande meer of minder mondsgemeen.

Om nog even bij dien ‘Engelschman’ te blijven, er is eene derde plaats, waar eene andere, maar toch soortgelijke woordspeling met een ander, homoniem woord brit bedoeld schijnt. In de Veelderhande Geneuchlijcke Dichten komen, op blz. 171 van den onlangs verschenen herdruk, de volgende regels voor:

 
Leert nuchteren rispen, spouwen, ende quylen
 
Nae den coning van Engelant schiet vry pijlen,
 
Sonderlinghe als ghy Hutspot etet.

Schuilt ook hierin niet eene toespeling op een woord brit, niet in den boven gegisten zin, doch in dien van: oprisping, langs gansch anderen weg ontstaan en te vergelijken met verklankingen van onhebbelijke geluiden als bor, prt enz. (zie Ned. Wdb. op Bor en Bort)? Wie dezen ‘coning van Engelant’ beter weet thuis te brengen zegge het.

[p. 151]

Doch keeren wij ten slotte tot de plaats uit Bredero terug. Is mijne gissing aangaande de toenmalige beteekenis van brit in de Hollandsche volkstaal juist, dan heeft Bredero deze hier gebezigd voor eene andere woordspeling die met de beide bovenbedoelde (Brit, Engelschman) alleen het punt van uitgang gemeen heeft, doch er geheel onafhankelijk van is, zoodat de drie plaatsen met elkander eigenlijk niets te maken hebben. Gebruik makende van de gelijknamigheid van het onderzeesche, tijdelijk bovengekomen kasteel met meergemeld ‘product’, heeft hij een dier huisjes, volgens een oud spreekwoord bekend om hunne ‘drollige invallen’1), aangeduid als het huis van Britten, en daaraan in d'afcomst van Britten eene tweede woordspeling toegevoegd die zeker geen naderen uitleg behoeft. Begrijp ik Bredero's bedoeling wel, dan laat hij dus Koren Jansz onder de bedrijven deze woordspelende aardigheden werkelijk ‘vertrecken’, d.i. vertellen, ofschoon ook eene andere opvatting mogelijk is2).

Om het boven gezegde even samen te vatten; er hebben, gis ik, twee woorden brit bestaan; beide zijn tot dusverre alleen vermomd aangetroffen. Het eene, eig.: brok, stuk, zit in de bijzondere toepassing: drol verscholen in twee woordspelingen met het Huis te Britten en met Brit, Engelschman; het tweede, met de bet.: oprisping, schijnt aangeduid te zijn in een versregel waar sprake is van ‘den coning van Engelant’, dus blijkbaar ten gevolge eener dergelijke woordspeling met Brit, Engelschman.

Dat Bredero, evenals zijn tijdgenoot Shakespeare, gaarne woordspelingen te pas bracht is bekend genoeg3); ook dat hij niet terugdeinsde voor in onze oogen bedenkelijke en eenigszins

[p. 152]

gezochte als de hier onderstelde. Stellig is zulk eene woordspeling in zijn geest, en wint een anders vrij zoutelooze regel er eene ‘pointe’ door; dit schijnt mij toe voor mijne gissing te pleiten. Of is dit alles hypercritiek, zoek ik er te veel achter, en bestaat deze beteekenis van brit ten slotte alleen in mijne verbeelding? Ik geef mijne verklaring gaarne voor beter.

Ten slotte een woord van verontschuldiging voor den stercorairen, coprologischen inhoud van het bovenstaande. Waren er niet de verklaring eener plaats uit Bredero en de aanwijzing eener beteekenis van een merkwaardig oud woord mede gemoeid, ik zou de lezers van dit tijdschrift niet vergasten op het uitpluizen dezer vieze woordspelingen. De liefhebberij in dergelijke aardigheden heb ik hier noch te verdedigen noch te wraken. Ik wil alleen opmerken dat zij niet uitsluitend Hollandsch is, en dat wie er - begrijpelijk genoeg - thans niet meer van gediend is evenmin Rabelais, noch Aristophanes, noch ook Shakespeare moet lezen; voorts dat zij eerst wanneer er alle geest, alle vernuft aan ontbreekt en de aardigheid alleen gezocht en gevonden wordt in het rondwentelen in 't vieze en vuile - en dit is inderdaad in onze latere kluchten maar al te dikwijls 't geval - volslagen verwerpelijk zijn.

 

Leiden, Maart 1899.

j.w. muller.