Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18. E.J. Brill, Leiden 1899  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Klezoor (klisoor).

Dus heet het afgeslagen stuk van een baksteen dat de metselaar bezigt tot het bekomen van een deugdelijk verband; hij onderscheidt, naar vorm en grootte, nog klezoren, klisklezoren, drieklezoren. De oorsprong van dit stellig onnederlandsche woord is tot nog toe niet aangewezen; mij komt het voor niet anders te zijn dan fra. closoir (ook clausoir): ‘Pierre qui achève une voûte, un mur, en remplissant le dernier espace qui restait vide’ (hatzf.-darmest. 453b). Verg. gelijkbet. eng. closer, ‘the last stone in an horizontal course, but of less size than the others, or a piece of brick finishing a course’ (webster; verg. murray 2, 519 c). In: ‘clisooren (in een muur) houwen oft maken’ bij stallaert 2, 77a weet ik het woord hiermede echter nog niet te verklaren. Kennelijk afgeleide beteekenissen van het woord (steen op zijn kant; groote portie) laat ik hier onbesproken.

a. beets.