Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18. E.J. Brill, Leiden 1899  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 219]

Tooneel en houweel.

De afkomst dezer woorden schijnt glashelder: een tooneel is immers eene plaats waar of, bij overdracht, iets dat vertoond wordt, eene vertooning; een houweel iets om mede te houwen. En let men alleen op het hedendaagsch gebruik van beide woorden, dan heeft ons taalbesef ook stellig gelijk. Of deze opvatting echter ook historisch beschouwd den toets kan doorstaan moge het volgend onderzoek leeren.

Bij nadere beschouwing blijkt er inderdaad wel grond tot twijfel aan de juistheid dezer afleiding te zijn. Indien zij juist ware, zou men moeten aannemen òf dat de beide woorden rechtstreeks met het oorspronkelijk Romaansche achtervoegsel -eel zijn afgeleid van de Nederlandsche ww. toonen en houwen (aldus bij Franck); òf men zou met de spraakkunsten van Brill (4de dr., I, § 50, 3), Cosijn - Te Winkel (7de dr., § 333) en Van Helten (4de dr., § 121) moeten gelooven, dat in die beide woorden de Nederlandsche uitgang -el, waarmede namen van werktuigen van ww. worden afgeleid, is ‘verscherpt tot’ of ‘overgegaan in’ of ‘vervangen door’ -eel, onder den invloed van zoovele vreemde woorden met dien uitgang, m.a.w. dat tooneel en houweel oorspronkelijk toonĕl en houwĕl geluid hebben. En nu moet ik bekennen - al moge dit thans den schijn hebben eene achterna gevonden bedenking te zijn - altijd eenige achterdocht te hebben gekoesterd zoowel tegen de eerste als tegen de tweede wijze van afleiding. Tegen de eerste geldt al dadelijk het bezwaar, dat dit dan de eenige woorden op -eel zouden zijn die een ww. tot grondwoord hadden; onder de talrijke woorden met dit suffix is er geen te vinden, eenigszins hiermede te vergelijken. Doch dit bezwaar zou op zichzelf wellicht niet onoverkomelijk zijn.

Zwaarder weegt echter de volgende bedenking. Aangenomen dat de vormen *toonĕl en *houwĕl bestaan hebben -

[p. 220]

tot dusverre is er geen spoor van gevonden1) -, is het dan waarschijnlijk dat twee znw., van ww. afgeleid met een in zijne beteekenis zoo duidelijk suffix als -el (verg. sleutel, hevel, prikkel enz.), dien uitgang zonder blijkbare aanleiding zouden hebben verwisseld voor een vreemd suffix met uitheemschen klemtoon, en bovenal, met zeer onduidelijke functie? Dat nominale suffixen als -ier en -ist, uit tal van woorden van vreemde herkomst bekend en voor ons taalbesef gemeenzaam geworden als dienende tot vorming van nomina agentis, ten slotte ook achter Nederlandsche znw. zijn geplaatst ter afleiding van dergelijke nomina (tuinier, herbergier, hovenier, kruidenier, warmoezenier; bloemist, klokkenist) is zeer begrijpelijk en natuurlijk; hetzelfde geldt van de ww. van Nederlandsche nw. gevormd met -eeren (halveeren, kleineeren, waardeeren): deze achtervoegsels hebben eene duidelijke, voor ieder voelbare beteekenis of kracht. Valt er daarentegen uit de bonte reeks der op -eel uitgaande woorden voor dit suffix eene eigen functie af te leiden, waardoor deze woorden tot eene bepaalde groep verbonden worden en waardoor onze voorvaderen er toe verleid konden zijn, hetzij rechtstreeks met dit suffix tooneel en houweel van toonen en houwen te vormen, hetzij *toonĕl en *houwĕl in tooneel en houweel te veranderen? Zoover ik zien kan, ontbreekt zoodanige gemeenschappelijke functie geheel: het zijn allerlei namen van voorwerpen, gebouwen, schepen, werktuigen, stoffen, personen enz. enz., zonder eenig duidelijk aan allen gemeen begrip. En geen wonder; immers ook de Oudfransche woorden op -el, waaruit onze Nederlandsche woorden op -eel ontsproten zijn, vormen niet eens ééne groep, daar in -el, ten minste later, twee Latijnsche suffixen zijn samengevallen: -ellus en -alis2). De beteekenis van het laatstgenoemde, waarmede (later vaak gesubstantiveerde) bnw. zijn gevormd, is reeds vrij vaag; het eerste, eigenlijk dienende ter vorming van verkleinwoorden, heeft, evenals zoovele andere van dien aard,

[p. 221]

in de Romaansche talen die beteekenis reeds zeer vroeg verloren: de diminutieven zijn - het is overbekend - in zeer vele gevallen de gewone woorden geworden, die de grondwoorden verdrongen hebben en niet meer als diminutieven opgevat worden. Vormen dus de talrijke Fransche znw. op -el geene groep, worden zij door niets anders dan door het formeele van den uitgang gekenmerkt en bijeengehouden, hetzelfde geldt natuurlijk in nog veel sterkere mate van de betrekkelijk weinige uit dat groote aantal overgenomen Nederlandsche woorden op -eel. Mij dunkt, zulk een vreemd suffix mist de functioneele kracht, noodig om aanleiding te geven tot de analogische vorming van nieuwe of de vervorming van bestaande woorden; het is niet ‘productief’1).

Doch, zal men zeggen, dit zijn algemeene beschouwingen, welker bewijskracht gering is, wanneer zij in strijd blijken met of althans niet gesteund worden door het getuigenis der feiten, der oude voorbeelden van de beide woorden. Zien wij wat de geschiedenis der woorden zelve leert.

I.

Tooneel blijkt al aanstonds, althans in dezen vorm, niet van oude dagteekening te zijn. In de 17de eeuw is het gewoon; ook op het einde der 16de eeuw vindt men het, met een bijvorm tonneel daarnevens, die, hoezeer op zich zelf bij de thans en zeker ook toen ter tijd gewone uitspraak begrijpelijk, toch reeds niet getuigt van een algemeen, sterk sprekend en helder besef der afleiding van toonen. Ook bij Kiliaan staat: ‘Tooneel. Theatrum, visorium: locus spectaculi ubi ludi eduntur’; doch ... daarnaast staat in denzelfden zin een andere vorm, nl.: ‘Tanneel. j. Tooneel. Theatrum, visorium’. Plantijn kent alleen dezen laatsten vorm: ‘Tanneel. L'eschafault où on ioue des farces. Pulpitum’.

[p. 222]

Wat voor een vorm is dit tanneel? Is het soms een dier vormen met eene a in plaats van eene oudere ō, ŏ, ĕ enz. in eene lettergreep vóór den klemtoon, waarop nog onlangs Prof. Kern heeft gewezen1) en die men b.v. vindt in andijvie, baffetoen, bardes (bordes), bardezaan, gardijn, kampanje, kantoor, karbeel, kardeel, karwei, nvl. saldaot, en vóór eene enkele consonant, in ajuin, apeel2), babijn, bagijn, bazuin, katoen, lakooi, lamoen, latier enz.3)? In dat geval zou het mogelijk zijn dat een oudere vorm tooneel tijdelijk en ten deele door een jongeren bijvorm tanneel verdrongen, maar later, door het besef van den nooit geheel vergeten samenhang met toonen, weder in 't algemeen gebruik teruggekeerd was; zelfs is het denkbaar, dat zoodanige oude en echte vorm tooneel uit den oudsten tijd niet meer aan te wijzen, en het woord dus eerst in zijn gewijzigden vorm tanneel aan het licht gekomen, d.i. in een handschrift gevonden ware. Toch wettigt het feit dat men, verder in de 16de en 15de eeuw teruggaande, nooit tooneel vindt, eenigen twijfel aan de juistheid dezer onderstelling. En wanneer men, voortzoekende, nog een anderen, ouderen vorm, nl. teneel, in eene kennelijk verwante beteekenis vindt, dan wordt de achterdocht tegen de gangbare afleiding van tooneel tot volslagen ongeloof en blijkt tevens eene gansch andere herkomst mogelijk en waarschijnlijk. Want deze vorm en deze beteekenis zijn de schakels die ons vergunnen het Nederlandsche woord te verbinden, te vereenzelvigen met een eerst, als niet ter zake dienende, terzijde geschoven Oudfransch woord tinel. Inderdaad zijn wij, geloof ik, hiermede op het goede spoor: tooneel blijkt geen ‘bastaardwoord’ te zijn, maar een echte vreemdeling, die zich naar onze zeden en gebruiken geschikt, en daardoor een Nederlandsch aanzien gekregen heeft; kortom het woord is ontleend aan ofr. tinel, doch

[p. 223]

later in vorm en beteekenis gewijzigd door de bijgedachte aan toonen: een aardig voorbeeld van volksetymologie. De korte geschiedenis van het woord, met voorbeelden toegelicht, moge dit nader verduidelijken.

In de 17de eeuw is tooneel, zooals gezegd, een gewoon woord, zoowel in Noord- als in Zuid-Nederland. Men zie, om slechts enkele voorbeelden aan te halen, Vondel III, 163; VI, 319 vlgg. en de titels in dl. XII, 312; voorts de afl. tooneelen ww. (Vondel I, 105), tooneelier (VI, 320, 321), tooneelist (VI, 325; X, 500, 602; XI, 28) en de samenst. tooneelkunst (VIII, 11), -poëzij (VI, 324), -schild (VI, 317), -spel (VI, 320), -stof (VI, 204), -trompet (VI, 206), -wet (VIII, 11), speeltooneel (III, 319), treurtooneel (VI, 205; VIII, 11) enz.: genoeg om te doen zien hoe gebruikelijk het was. Een iets ouder en zeer duidelijk voorbeeld is het volgende:

Hy (K. van Mander) had op een groot seyldoeck gheschildert veel doode lichamen ..., dat over het tooneel getrocken wiert, en met hant-pompen over een huys op het toneel ghebracht enz. (Bredero,) Lev. v.V. Mander (ed. 1624), 16.
(Een spel) dat ... cierlijck ende heerlijck uytghevoert en ghespeeldt werdt, en het Tooneel was zeer aerdich en konstich toeghemaeckt, 17.

Wat den vorm betreft valt op te merken, dat enkele malen geschreven wordt tonneel (b.v. Six v. Chandelier, Poëzy 114). De beteekenis is overal dezelfde: plaats waar een drama vertoond wordt, lat. scena, hd. bühne, evenals thans. Alleen schijnt speeltooneel ons, van modern standpunt, eene tautologie. En er is eene plaats van Vondel waar de hedendaagsche beteekenis niet past en eene oudere nog schijnt door te schemeren. In een gedicht aan Hooft (III, 163) verhaalt hij dezen een ‘droeven droom’, waarin hij hem heeft zien onthoofden op een ‘wreed schavot’; en dit schavot noemt hij r. 25 een tooneel:

Een wasser op 'tooneel die sich ter neder streckte, En 't versch geplengde bloet met syne tonge leckte.
Ofschoon in den aanvang (r. 3) sprake is van ‘uw treurspelig end’ en 't dus mogelijk is dat Vondel 't min of meer als eene dramatische vertooning beschouwd wil zien, is de toepassing van het woord tooneel op een schavot voor ons toch vreemd, en schijnt

[p. 224]

zij nauwelijks te verklaren indien niet toen ter tijd (1632) nog eenigermate de herinnering leefde aan eene ruimere, meer algemeene beteekenis van 't woord, zooveel als: getimmerte, stellage (de oudere beteekenis ook van schavot). En deze is inderdaad aan te wijzen, en wel bij de Rederijkers van den aanvang der 17de en het eind der 16de eeuw, tot wie wij ons thans natuurlijk in de eerste plaats wenden. Dikwijls heeft tooneel (of toneel, tonneel) ook bij hen de hedendaagsche beteekenis. Om slechts één voorbeeld te noemen: in de in 1596 geschreven ‘Drie nieu Spelen van Sinnen’ door Rijssaert van Spiere uit Oudenaarde (blijkbaar een naar Holland uitgeweken Vlaamschen kamerbroeder) staat telkens achter den inhoud de ‘Ordonnantie van 't Toneel’, b.v. vóór het eerste stuk ‘Vanden Christelijcken Ridder’:

 

1.Aende hooghe zijde s' Hemels Throon.
2.Daer aen volghende 't Dal van Weene.
3.Daer na s' Werelts Pryeel.
4.Ende aende laghe zijde den Throon der Hellen.

 

Kennelijk is hier echter nog een tooneel met verschillende verdiepingen bedoeld, zooals in de middeleeuwen in gebruik is geweest: waarschijnlijk een los, opzettelijk voor de gelegenheid vervaardigd en opgeslagen getimmerte, waarop gespeeld werd. Immers het is welbekend dat de vaste schouwburgen eerst uit later tijd dagteekenen; oudtijds speelden de Rederijkers misschien ook wel binnenshuis, doch stellig zeer dikwijls, en bij landjuweelen en intreden zeker wel altijd, op eene dergelijke stellage, in de open lucht op de markt opgeslagen. Zulk een getimmerte nu werd met verschillende namen genoemd, b.v. stellagie (Excell. Cron. v. Vlaend. 293 b, c; bij Schotel, Gesch. d. Reder. II, 298, 299; Hermans, Gesch. d. Reder. in Noord-Brab. II, 325; Van Hauwaert, Vl. Toon. in de XVIIde eeuw 12), stellinge (Exc. Cron. 293b; bij Schotel II, 199), staedge (Exc. Cron. 139 a), schavaute, schavot (N. Chron. v. Brab. 5a; bij Schotel I, 19, 159; II, 149). Bovendien waren er nog de ‘wagenspelen’ die op een wagen vertoond werden (bij Schotel I, 155; II, 185; Hermans, Gesch. d. Reder. in Noord-Brab.

[p. 225]

II, 325; Everaert XIII, 99; XV, 37) enz. Naast deze benamingen vindt men ook tooneel, in dezelfde (van de hedendaagsche eenigszins verschillende) beteekenis, t.w.: een op een plein of straat gebouwd getimmerte, waarop bij een landjuweel de verschillende kamers niet alleen hare dramatische spelen van sinne, esbatementen en factiën ‘vertoonden’, speelden (of liever opzeiden, voordroegen), maar ook hare prologen, liedekens, refereinen enz. ten gehoore brachten, waarop bovendien bij den aanvang der feesten de broeders der feestgevende Kamer (of wel een zinnebeeldig personage, ‘Rhetorica’), in staatsie zittende, de ‘inkomende’ kamers verwelkomden en wederkeerig door deze begroet werden, waaraan deze verder de medegebrachte en ten geschenke gegeven blazoenen ophingen, en waarop veelal ook de prijzen werden uitgedeeld. Natuurlijk behoeft dit alles niet altijd en overal op ééne stellage te hebben plaats gehad; waar men er plaats en geld voor had, zal wel dikwijls meer dan één tooneel opgeslagen zijn. In allen gevalle: er werd op een tooneel dus niet alleen en niet altijd ‘vertoond’. Men zie de beschrijvingen der landjuweelen bij Jonckbloet en Schotel, benevens de volgende, naar tijdsorde gerangschikte plaatsen, waarin de laatstgenoemde toepassingen van tooneel duidelijk uitkomen.

De voorsz. Cameren, zijn aende Zijlpoort op een Toneel aldaer aldus ontfangen. Lusth. v. Rhetor. (Leiden, Ravelengien, 1596) 50.
Uytsprake gedaen op 't Tonneel in 't overleueren van 't Blazoen, 85.
 
Ten laetsten verzoucken wy den broederen vol trouwen,
 
Wt elcke Camer een te stellen opt Toonneel.
 
Om de gerechticheyt dees handels (t.w. der prijsuitdeeling) daer te aenschouwen,
 
En zien dat los van jicht elc een becoemt zijn deel.
 
 
 
14.
 
Als zij de vijf Eerste Camers hebben gehaelt,
 
Om te leyen op Tonneel, aldaer haer verwachten
 
Rethorica met die Nimphen van haer geslachten.
 
54 (en zoo nog viermaal op 54 en 55: tonneel).
 
 
 
Dees prijsen op 't Toonneel sullen werden gewonnen
 
Met licht en blaeckers veel alle avonden begonnen.
 
 
 
Cort Verhael enz. (Leiden 1596; zie Cat. Lett. I, 313) 2.
 
16
[p. 226]
 
Een ander die hem dunct dat (hij) deur de beste tarmen
 
Op 't Straet of op Toonneel gemaect heeft tmeeste gelach enz.
 
3.
Van daer zijn alle de Cameren by die van Trou moet blijcken d'een voor ende d'ander naer in haer blijf-plaetse gheleydet ende des ander daechs weder elck bysonder nae ‘Thoneel om den sin van haer Intrede te verclaren.... Het Thoneel was cierlijck toegherust met schoone tapyten behangen, alwaer dien dach Rhetorica met de Muses cierlijck toeghemaeckt sittende, alle de Camers wel ghecomen hiet. Constthoon. Juw. (Haarlem 1607) vi.

In dezelfde opvattingen en toepassingen nu vindt men in een vroeger tijdperk, in Noord- maar vooral in Zuid-Nederland - waarheen wij, gelijk in zoo menig ander geval, om de ontwikkeling onzer Nederlandsche beschaving in dien tijd gade te slaan, ons thans moeten verplaatsen - nooit tooneel, maar altijd tanneel of taneel. Ziehier ettelijke voorbeelden, wederom naar tijdsorde (en dus niet naar de verschillende toepassingen) gerangschikt; men vergelijke hiermede ‘de figure van het Speeltanneel’ in de uitgave der Antwerpsche spelen van 1561 (A va) en de afbeelding in de oudste uitgave van 1539 der Gentsche Spelen van dat jaar, alsmede Constthoon. Juw. iv en v.

Dat alle de ghone, die, van den broederscepe ende gulde ... ghelieven zal te commene ter voors. feeste ende beroupe, zullen ghehouden zyn te wesene binnen ... Hulst tsondaechs ..., binnen pleyne zonneschijn hem presenterende voor ons taneel. Prijskaart der Kamer te Hulst (ao 1483) in Belg. Mus. IV, 413.
Item so wie tonsen taneelefeeste ende spele ons speelwijs tooghen oft bewijzen zal de alderscoonste ... materie enz. Ald.
Item zo wie tonsen beroupe aldermeest de beste ende ghenoughlicxte esbatement spelen zal, voor ons taneel, ende ghenoughte anthieren enz. IV, 414.
Item zo wat camere ... commen zal tonser feesten ende spele, hem alderscoonst... presenteren zullen tonsen taneele, die zal ontfaen enz. Ald.
Item zo wie commen zal tonsen spele ende feeste, die zal ghehouden zijn, ten daghe van der lotinghe, ons over te ghevene eene wapene van der plecken van daer zy gheseten zijn met harer duuse, omme te hanghene ten taneele. IV, 416.
 
Jc biddu slaet elders hu tanneel bloet.
 
Want Elckerlijc met hu niet beclyuen can.
 
Everaert XVII, 151 (‘Elckerlijc’ tot ‘Aerm in de buerse’).
[p. 227]
 
R. Maer Bezouck et zoude belaemen redelic
 
Dat wy te gader jn dit versaemen edelic
 
Om de heeren te ghenoughen hier
 
Groetenesse boden.
 
B. Jc wilder my toe voughen schier.
 
Hu groetic die heeren van den tanneele zyt
 
Voort hooghe middel neder jnt gheheele wyt.
 
XXI, 26.
Als ic int vertalen deser boecxkens v.l. personagie, dwelck ghy op swerelts tanneel met eeren personeert, so dicwils met menichuuldigher ghelijcheit gheware wert in den persone Vlyssis. Coornhert, Odyss. (ed. 1561) I, ii.
De banieren op het taneel te doen maken 4; twe met de wapenen van den seilders, ende een met Prince wapen, ende een met des Houftmans wapen. Bij Van Even, Het Landjuweel v. Antw. in 1561, 52.
Men (heeft) tot Athenen een schoone Fabrike ghebout, dwelck aldaer ... Theatrum werdt ghenoemt, hebbende die forme van eenen haluen circule ... Voer dese Fabrike oft Theatrum stondt tspeelhuys oft speeltaneel int Latijn Scena ... ghenoempt, ... Alsmen een Comedie speelden... alsdan was tspeeltanneel toegherust ghelijck eens middelbaers borgershuys enz. Antw. Sp. A iij a.
Retrogade dwelck ops Heeren Tanneel geschreuen stont (t.w. op het tanneel van den Prins der Antwerpsche Kamer, Melchior Schets van Stralen), C 1 b.
Maer pronuncieert van buyten voor ons Tanneel. Antw. Sp., Haagsp. a ij a.
 
Wie 't triumphanst onkostelijcxt blasoen presenteert
 
Op het Taneel, en tschoonste dicht allegeert
 
Wort met prijs vermeert, van ses kroesen playsant ...
 
Past ghy de Refereynen en Liedekens grosseert,
 
Ende op het Taneel levert in haerder hant.
 
Rotterd. Sp. vi.
 
 
 
Van 't Taneel gaende, sy (Rhetorica) u verbeyen zal
 
In 't logijs, en tvry ontbyten bereyen zal.
 
vii.
 
 
 
Elck twee stadts kannen wijns, wort zonder dangier...
 
Gheschoncken, als ghy van 't Taneel zult gaen.
 
ix.
Die derde op taneel neer leggende en slaept, wert wacker en sprect enz. Trou m. bl. 221 (uit een spel van den Haarlemschen factor Lauris Jansz., ao 1665).
De Clausulen waer mede dat Rhetorica (opt Taneel sittende) elcke Camer met haer Bloem, ende Deuijse lieflick ontfanghen ende t' bewijs van elcke Camers Intrede vereyscht heeft. Refer. ghepronunch. opte Intreden binnen ... Delft (ao 1581) A ij a (verg. de afbeelding op C i a).
[p. 228]
 
Mits dat elck ons met vier derthienen sal induceren
 
T' verstant van haerder Intrede opt Taneel daer ontrent
 
Daer men een yeder wilcom sal heeten pertinent.
 
B 2a.
 
Ende nae de lotinghe verstaet wel desen
 
So salment openbaerlijck op het Taneel lesen.
 
B 3 a.
Om dat het (t.w. het vergaderen in besloten ruimte) maeckt de menschen ... dromende van ydele dinghen, ... of indien het is een taneel, om aen te sien Scenam, dat is te segghen, de plaetse, daermen de spelen van speelt. V. Zuylen v. Nieuvelt, Plut, 18 d.
Het taneel, of het redeys der musijcken ghemaect om de spelen der musijckers daer van te hooren, welck ghenoemt wort Odeon, dat is van binnen wel ghemaeckt met veel ryen van setelen ende glederen van colommen. 69 a.
De Messeniensen hem in haer handen hebbende, deden de kinderen uyt het school comen in het taneel, om aldaer te sien een van de schoonste schouspelen, te weten, de straffe des tyrans, welck opentlick ghegheesselt, ende daer na ghedoodet worde 117b.
Mamercus ... onderstont (hem) voor het volck uyt te spreken een reden ...: maer siende dat het volck ... groot gherucht maeckte om hem niet te hooren, begost hy dwers over het taneel te loopen, ende stiet met sijn hooft ... teghen een van de trappen, daermen in het taneel op sit, Ald. (in 't Fr. orig. van Amyot overal: theatre of auditoire).
 
Waerom quaemt ghy, Cato, in die taneelen?
 
Die doch 'svolcx sotheyt wel kende te vooren,
 
Haer wulpsheyt, haer vryheyt, haer sotte speelen.
 
Visscher, Brabb. (ed. 1612) 92.

Uit enkele der bovenstaande plaatsen, bepaaldelijk de eerste en die uit het Antw. Haagsp., zou men afleiden dat in den ouderen tijd ook wel vóór een tanneel gespeeld is. In allen gevalle is het tanneel daar kennelijk niet allereerst de plaats waar gespeeld wordt, maar: de estrade of tribune waarop de gastheeren gezeten zijn1).

[p. 229]

En gaan wij verder terug, dan blijkt deze laatste opvatting niet alleen te hebben gegolden bij tooneelwedstrijden of ‘landjuweelen’ van Rederijkers, maar evenzeer bij die andere luisterrijke feesten: ‘schietspelen’ (schutterswedstrijden), tournooien, ‘blijde inkomsten’, ‘intreyen’ enz., zooals er gedurende de 15de en 16de eeuw in de rijke Zuidelijke Nederlanden onder de prachtlievende Bourgondische vorsten telkens gegeven werden en waarvan de uitvoerige beschrijvingen een goed deel der Vlaamsche en Brabantsche kronieken van dien tijd vullen. Het tan(n)eel, of in nog ouderen vorm ten(n)eel, was de estrade of tribune, waarop de hoofdpersonen, de vorst, de voorname heeren en vrouwen of de prijsrechters gezeten waren en waarvóór degenen die aan den wedstrijd of den intocht deel namen moesten voorbijtrekken. Ziehier weder eenige aanhalingen ten bewijze.

[p. 230]
 
Ipre in vlaendre sachmen eerst in comen
 
Xx. in Meye tsondaechs voor noene
 
Daer hertoghe Phelips lach tonser vromen
 
Ende ons princersse bi haren baroene
 
Passerende tanneel in reynen doene.
 
Exc. Cron. v. Vlaend. 2S9c (bij een schietspel, ao 1497).
 
 
 
Ons prinche deidse (die van Maastricht) tweewarf intreden
 
Met .lxxxij. peerden si het tanneel leden.
 
290b.
 
Lueuene (Leuven) sachmen passeren het tanneel.
 
290c.
(Alle gilden) worden ghehouden ... intreye te doene als huerlieder ghebuerte zyn zal ... en hemlieden presenteren ten tanneele van de ghilde deser stede, en aldaer laten een panais ofte blazoen; en die jntreye doen willen om prys, worden ghehouden de juge ten taneele over te ghevene ... de menichte van haerlieder volcke enz. De Meyer,) Jaerb. d. Gilde v.S. Sebastiaen te Brugge 163 (ao 1534).
 
Buyten der stadt was gemaect een schoon tenneel
 
Daer de heeren op saten sonder verdrieten
 
Om Jugeren die prijsen te gheuen elck zyn deel.
 
N. Chron. v. Brab. 412a (bij de feestelijke opening
 
van het kanaal van Willebroek, ao 1561).
 
 
 
Daer stont ghemaeckt een triumphant tanneel,
 
D'welck soo wel buyten binnen als aen alle syen,
 
Verchiert was met menich costelijck juweel,
 
Van constighe borduren en tapesserijen,
 
Daer de triumphateurs voorby moesten lyen,
 
Op dit tanneel is de Hartoghinne ierst gheclommen,
 
En haer edel dochters hebben onder hun dryen,
 
My oock boven met henluyden heeten commen,
 
Alle den adel en waer niet om volsommen,
 
Die daer versaemde op dit tanneel voorseyt.
 
Houwaert, Gen. Loop 21.
 
 
 
Recht teghen over stont noch een playsant,
 
Cleijnder taneel: daer de Jugen op saten,
 
Daer de prysen oock hinghen aen den eenen cant.
 
22.
De ghene die ... eenige boecken oft schriften laten vuytgaen: Als de welcke hun stellen (by maniere van segghen) gelijck een persoon op een openbaer theatre oft Taneel, om van alder werelt gesien, gekent ende berispt te zijne. Numan, Striit d. Gem. 2a.
 
Men rechter tenten, theatren en tanneelen:
 
Men stelder licen om toernoijen naer crijchs aert ...
 
Die tanneelen waren vol Nymphkens vermaert
[p. 231]
 
Om wyens wil men hem ter banen stelde ....
 
Die prijs creech, men zeer eerlijck verselde
 
En leydde ter plaetsen daer zijn Nymfe lach,
 
Die hy gaen groeten mocht naer des tournoijs gewach.
 
15b.

Wij zijn hiermede al vrij ver van ons hedendaagsch tooneel afgedwaald, zoowel wat den vorm als wat de beteekenis aangaat. Toch moeten wij nog verder terug. Zeer dikwijls vinden wij nl. de uitdr. (sijn) tan(n)eel houden, vanwaar ook tanneelhouder, naast en kennelijk in denzelfden zin als (sijnen) staet houden, t.w. in staatsie zitten, d.i. plechtig met het geheele gevolg (den hofstoet of de kamerbroeders) op eene versierde estrade zitten om receptie te houden, een stoet te zien voorbijtrekken enz. Verg. hiermede de jongere uitdrukking (zijn) staat op houden, staat voeren, bij eene openbare plechtige of feestelijke gelegenheid de aan zijn rang en stand passende pracht ten toon spreiden (zie bij Kiliaan: ‘Staet. Pompa: apparatus sollennis cum ostentatione et magnificentia’, en ook Proza-Rein. 7, 5 aant.).

Van te makene eene groote tente, staende up viij masten, met eenen portale ende aleye, metsgaders eenen pauilloene, staende thenden ande vorseide aleye, omme teneel ende den staet vande stede jn te houdene, ende omme tvertrec van den borchmeester ende den raed te houdene jnt vorseide pauilloen. Rek. v. Brugge (ao 1436), in Invent. d. arch. de Bruges I1, 5, 120.

Item, hilden heere ende wet, scepenen van bieeden banken, met datter ancleefde, (bij den intocht van Philips van Bourgondië in 1458) haerlieder staet ende 't meel (l. tineel1)), in 't Scepenen-huus van der kuere, daer sy vierden (illumineerden) met xiij. tortssen ende was voer 't Scepenenhuus ghehanghen een groen laken, daer up dat ghehect waren de wapenen van minen gheduchten heere ende der steede an biede inden van mijns heeren wapenen, ende daer was ghespeelt ende ghesbatement enz. Kron. v. Vlaend. van 580 tot 1467 (edd. Serrure en Blommaert) II, 233.

Die ... forestier (track) ... (in 1427) te Rijssele ter Spinette, met ... Jan Gheer-
[p. 232]
wout, dieder met vroomst te stekene de sparrewaer wan, keerende alzo weder triumphantelick thuysewaert, ende houdende tsnavens zijn tanneel up die poortersche logie naer costume. Despars, Cron. v. Vlaend. III, 306.

Int sghelijcx die te watere sullen commen ... werden ghehouden ... te commene binnen der seluer stede met huerlieder schepen ende gheselschapen in die cooruileye, tusschen sinte Michielsbrugge ende die veebrugghe, lijende voor dye taneelhauders aldaer. Ende dat ghedaen, wtgaende ten lande ende hem lieden vertooghen voor het princepael taneel, ende dan hem lieden te doen teekenen ende scrijuen enz. Exc. Cron. v. Vlaend. 287a (bij het schietspel van 1497).

Item voort so wat gheselscap dye eerlicste ende chierlicste sijnen prijs halen sal die hy met schieten ghewonnen hebben sal, ende tsauonts voor haer vertrec eerbaerlijcxt sijn taneel houden sal, die salmen gheuen een ... canne enz. 288c.

Item ten zal niet gheorloven eenighen Gildebroeder ... te reysene teenighen scietspele ... noch oock tanneel te houdene, pannassen ofte wapenen ... uuyt te slaene, zy en hebben alvooren enz. (De Meyer,) Jaerb. S. Sebast. 150 (ao 1520).

En hemlieden voorts beweeghen in zulck logyst als 't hemlieden believen zal te nemene binnen dezer stede, die aldaer elck gheselscip ofte ghilde wordt ghehouden tanneel te houdene met opene standaerd en bannieren ofte andere teekenen enz. 165 (ao 1534).
 
S. Nu eer wy ons te deser hueren gheuen
 
Ter princepale materye van keeste zoet
 
Tes behoorlic dat men minste ende meeste groet
 
Sonderlinghe de tanneelhouders ende upstelders van pryse.
 
R. Wy groeten hu edele discrete wyse
 
Gheestelic weerlic hooghe ende nedere.
 
Everaert XVIII, 74.
 
 
 
Of eenich prince niet uuyt en wilt trecken
 
Die mach binnen der stede doen vreught bedrijfven
 
Elcke camere zal vragen om vreught ontwecken
 
Wie believen zal te compareren ter plecken
 
Daer den prince tanneel houdt om zijn beclijven
 
Snavonts ter meltijt enz.
 
Reglement der Kamers te Kortrijk (ao 1561), in Belg. Mus. III, 15.

In de hier volgende oudste voorbeelden die ik van het woord heb kunnen opsporen is de beteekenis van tineel of teneel niet volkomen duidelijk. In het tweede schijnt bedoeld: stoet, gevolg; in het eerste ditzelfde of wel: verblijfplaats, logement; in het derde dit laatste of wel: open hof, receptie.

It. van coste die sij (‘die coninc van den ribauden ende sine ghesellen’, uitgezonden ‘omme de weghe te makene voer 't karijn’, d.i. den legertros) eer si quamen ten tineele van onsen heeren scepenen, 5 ℔ 10 s. Rek. v. Gent II, 254 (ao 1342).
[p. 233]
Den xxijsten dach in den oust, trocken ende voeren vte bede de buerchmeesters metsgaders eenichghe van haren ghezellen...; ende waren vte iiijXX ende viij daghe; doe bi hemlieden verteirt binnen der voors. tijt, met dien hemlieden vollechden ende huerlieder tenele toebehoorden, mids den gherechten die de temmerlieden ... daghelyx hadden; ende bouen den prouanche hemlieden daghelix ghesent enz. Rek. v. Brugge (ao 1379), in Invent. d. arch. de Bruges I1, 2, 396.

Costen ghedaen anghaende de maltyt van den gaye-daghe...: Eerst Gay-avende ten teneele in tercosten (teerkost) boven den ontfanghe van den Ghildebroeders. Rek. v. St. Sebast. te Iperen, bij Vandenpeereboom, Des Ghildes, 78 (ao 1472; evenzoo blz. 80: teneele).

Hoe het zij, dat hier overal hetzelfde woord bedoeld is lijdt wel geen twijfel. En evenmin zal het twijfelachtig zijn dat dit tineel, teneel is overgenomen uit het Fransch, wanneer wij daar in denzelfden en ouderen tijd een woord tinel aantreffen in dezelfde beteekenissen. Bij Godefroy kan men tal van voorbeelden vinden, ten bewijze dat tenir (son) tinel (ook faire -, avoir tinel) zooveel beteekent als: goede sier maken, open hof houden, en dat tinel alleen ook wordt gebezigd in de bett.: ‘repas, banquet, train de maison, les gens de la suite d'un roi où d'un prince’1); ten overvloede staat ook in 't Fransch tenir (son) tinel gelijk met tenir (son) estat (mnl. sijnen staet houden, zie beneden).

Is hiermede de herkomst van nnl. tooneel uit ofr. tinel voldongen, mijn betoog zou eerst volledig zijn, wanneer ik den gang der beteekenissen in het Ofr. en het Mnl. juist kon aanwijzen. En dit staat weder in verband met het vraagstuk der afleiding van ofr. tinel, die ons anders op zich zelf niet of nauwelijks aangaat, doch in dezen, als punt van uitgang voor de latere beteekenissen van het woord, ook voor ons van belang is. Uit den aard der zaak laat ik dit laatste punt echter aan de Romanisten over. Ik vermeld hier alleen dat ofr. tinel geacht wordt ontleend te zijn aan it. tinello, en evenals dit en sp. tinelo, port. tinello (en mlat. tinellus, tinnulus), ook beteekent:

[p. 234]

(lage) eetzaal van het ‘gesinde’, d.i. de bovelingen eens vorsten of de bedienden eens edelmans1); dat ofr. tinel en it. tinello ook: tobbe beteekenen en in dien zin zeker wel diminutieven zijn van lat. tina2) (tinum), wijnvat; en dat men er aan gedacht heeft deze bet. met die van: eetzaal te verbinden door de vergelijking van fr. tonnelle, eig.: tonnetje, doch ook: prieel, ‘berceau’, ‘loove’ (verg. het hieraan ontleende eng. tunnel)3). Zou men hier - ik durf de gissing haast niet wagen - wellicht mogen denken aan een kelder of lage zaal met eene soort van ‘tongewelf’ (zooals 't thans ten minste heet), waar het gevolg afzonderlijk maaltijd hield (vgl. b.v. kemenade, uit caminata, eig. kamer met een schoorsteen en roef, kajuit met een roef, dak)?

Van meer rechtstreeksch belang voor ons is de onderlinge betrekking der beteekenissen van het woord in het Fransch en het Nederlandsch. Met de thans bekende gegevens voor zich kan men gissen, dat ofr. tinel achtereenvolgens heeft beteekend: 1. eetzaal van het gevolg, 2. gevolg, hofstoet, 3. hof, staat, staatsie, open tafel, receptie, plechtige bijeenkomst, inzonderheid in de uitdr. tenir (son) tinel = tenir (son) estat; dat dit woord als tineel, teneel, ten(n)eel in 't Mnl. is overgenomen, in de bet. 2 en 3, vooral in de vertaalde uitdr. (sijn) tanneel houden = (sijnen) staet houden; en dat in deze uitdrukking, dikwijls toegepast op den staat, de staatsie, door een vorst of door een gilde bij een feest tentoongespreid in eene luisterrijk versierde estrade of tribune, het eigenlijk abstracte woord tanneel bij overdracht concreet is genomen voor die estrade zelve4). Het best is het woord dan te vergelijken met woor-

[p. 235]

den als fr. cour en nl. hof (binnenplaats - hofstede - hofstoet, gevolg - hofhouden) en tafel (ook collectief, en daarnaast tafel houden = staat houden1)), waar dezelfde beteekenissen naast elkaar staan. Maar dit zijn alles slechts gissingen, die alleen door nader onderzoek en met meer gegevens bevestigd - of verbeterd - kunnen worden2).

In 't vertrouwen dat de Romanisten over den oorsprong en de geschiedenis van ofr. tinel, en Zuidnederlandsche vakgenooten, beter bekend met de geschiedenis en de oudheden der 14de eeuw, over de begripsontwikkeling van mnl. tanneel meer licht zullen doen schijnen, meen ik de hoofdzaak: de herkomst van nnl. tooneel uit ofr. tinel wel bewezen te mogen achten. De a van tanneel is dus inderdaad van denzelfden aard als die in de boven, blz. 222 genoemde woorden: zij is, evenals in al die woorden, ontstaan uit ĕ (tĕneel), doch deze is hier niet verzwakt uit o(o), maar uit i (tineel). Tooneel is een jonge vorm, niet ouder dan het laatste gedeelte der 16de eeuw, blijkbaar in dien tijd ontstaan door de bijgedachte aan toonen, die vanzelf3) opkomen

[p. 236]

moest toen het woord inzonderheid werd toegepast op de stellages, de losse ‘schouwburgen’ der Rederijkers, waarop deze hunne spelen ‘vertoonden’. Denkelijk is die verandering hier en daar ook in de hand gewerkt door het bestaan (althans in Brabant en Holland) van 't znw. toone, bij Kil.: ‘vetus. j. spel. Ludus: ludi, spectacula publica’, en ook elders voorkomende1). Dat tonneel een oude bijvorm is geweest van tanneel en op de vervorming tot tooneel eenigen invloed heeft gehad zou ik niet gelooven: dit zal geen vorm zijn, te vergelijken met jongere bijvormen als rot naast rat, koffie uit kaffie (waar, de o niet protonisch is), maar alleen een jongere bijvorm van tooneel, uit de uitspraak der protonische o te verklaren. De bonte reeks tineel, teneel, taneel, tanneel, tooneel, tonneel kan alleen aan onkundigen aanleiding geven tot eene herinnering aan Voltaire's berucht gezegde over de nietswaardigheid der klinkers voor de etymologie. Al die klankveranderingen zijn in dit geval te verklaren en met analoge voorbeelden te staven; en de hedendaagsche beteekenis ziet men in de medegedeelde citaten uit de oudere voortvloeien.

En zoo is dus ons tooneel van Zuidnederlandschen, en ten slotte van Franschen oorsprong. In hoeverre de herkomst van het woord wel niet in oorzakelijk verband staat met, maar toch als een symbool is van de herkomst der zaak: dit zij aan de beoefenaars van de geschiedenis onzer dramatische letter-

[p. 237]

kunde overgelaten. Dat lat. scena (eig.: tent) en hd. bühne (eig.: getimmerte) een dergelijken oorsprong hebben is niet toevallig, maar veeleer natuurlijk. Men zou kunnen zeggen dat de Nederlanders, tanneel in tooneel veranderende, het van eene scena of bühne hebben gemaakt tot een ϑέατρον, een ‘schouwplaats’ of ‘schouwburg’, tot een woord dus, dat ook in zijn vorm uitdrukt wat het tegenwoordig beteekent.

II.

Omtrent het tweede woord, houweel, kan ik veel korter zijn. Niet altijd en overal wordt er hetzelfde werktuig mede aangeduid. In alle gewesten schijnt het bekend te zijn als de naam van een gereedschap, bestaande uit een ijzer, in een breed, eenigszins gebogen, bijlvormig blad eindigende en nagenoeg rechthoekig op den steel staande, door aardwerkers, mijnwerkers, sappeurs enz. gebruikt om harden of steenachtigen grond los te maken; loopt het ijzer in plaats van in een breed blad uit in een punt, dan is 't een pik; loopt het aan de andere zijde van den steel in een punt uit, dan is 't een pikhouweel (zie verder Van Dale4, Boekenoogen, Pasteur-Noot, Pijtak, Van Houcke en Sleypen, en Bilderdijk VI, 409). In Zuid-Nederland schijnt 't echter ook een soortgelijk landbouwwerktuig aan te duiden, maar met korter, breeder en meer omgebogen ijzer, dienende om den bovengrond om te woelen, onkruid uit te schoffelen enz., in Vlaanderen ook groot krabijzer geheeten, en hetzelfde wat in noordelijker gewesten meestal hak wordt genoemd. Zie Ned. Wdb. op Hak, 5de art., 1) en Aelbroeck, Landb. d. Vlam. 80 benevens de bijbehoorende afbeelding, alsmede bij Marnix, Ps., 1 Lofs. Esaie, vs. 6, het afgeleide ww. houweelen (naast snijden en spitten genoemd). Kiliaan kende, blijkens de verschillende vertalingen die hij er van geeft, ook meer dan één werktuig van dien naam; bij Plantijn wordt het gelijkgesteld met hafteel en vertaald met ‘beche, instrument crochu pour rompre la terre en houant’. Ook in de middeleeuwen komt het woord

[p. 238]

in de vormen houweel, hauweel en (h)aweel (in hoec-aweel) voor1); of het volkomen hetzelfde werktuig is als het tegenwoordige valt uit het geringe aantal plaatsen niet op te maken.

Vergelijkt men nu houweel met ontwijfelbare samenstellingen van houwen als houwbijl, -degen, -hamer, -mes, dan kan men, dunkt mij, wel zeggen, dat de beteekenis van houwen in het eerstgenoemde minder goed uitkomt. Men houwt, althans tegenwoordig, met een zwaard, eene bijl iets af (een hoofd) of om (een boom); verder kent men vanouds vleesch- en steenhouwers. Maar de handeling, met een houweel verricht, zou men thans eer spitten, pikken, losmaken, loshakken, uithakken, schoffelen, enz. noemen dan houwen. Doch het ww. en zijne afleiding konden uit elkaar geloopen zijn: alleen op grond hiervan zou men de afleiding van houwen zeker niet mogen loochenen.

Ziet men echter bij Godefroy, Complém. opgegeven: hoel, hauel, hawel, heuel, hewel, houwiel, houwel, howel, hauwel, houel, hoyel, alle verschillende vormen van één woord, dat in 't Nfr. regelmatig hoyau (uit hoyel) luidt2) en bij Littré omschreven wordt als: ‘houe à lame forte, aplatie, taillée en biseau, servant au défoncement des terrains et aux façons de la petite culture qui demandant le plus de force’, dan kan er aan de identiteit van het Fransche en het Nederlandsche woord wel geen twijfel zijn; en evenmin aan de herkomst uit het Fransch, nu het

[p. 239]

woord daar wel, in het Nederlandsch niet geregeld te verklaren is. Immers ofr. hoel, houel wordt door Littré, door Hatzfeld-Darmesteter e.a. eenstemmig voor eene diminutiefafleiding gehouden van houe, den naam van een dergelijk landbouwgereedschap. Volgens sommigen, als Diez, Littré, Hatzfeld-Darmesteter, is dit houe ontleend aan 't ohd. (onfr.) hauwâ, mnl. mnd. houwe, nnl. houw vr., eene afleiding van 't ww. hauwan, nnl. houwen; volgens Förster daarentegen vindt het zijn oorsprong in germ. hôc, hoek, haak, hak (hôc: houer = crôc: encrouer); zie Körting, Lat.-rom. Wtb. no. 3973. In 't eerste geval spruit nnl. houweel dus ten slotte toch, zij 't ook langs een omweg over Romaansch taalgebied, uit denzelfden stam voort als het zinverwante vr. znw. houw, en is het in de verte inderdaad eene afleiding van houwen; in 't laatste daarentegen staat het met dit ww. waarschijnlijk evenmin in betrekking als met hakken en het bovengenoemde vr. znw. hak, maar is het veeleer verwant met andere synoniemen als haak en hoek.

Ik merk ten slotte alleen nog op 1o dat de Vlaamsche bet. van houweel nader schijnt te staan bij die van ofr. hoel en nfr. hoyau en dus wellicht oorspronkelijker, ouder is dan de algemeen-Nederlandsche; 2o dat houweel ook in 't Mnd. schijnt doorgedrongen (houwel)1), hetgeen echter nog niet aanstonds tegen de herkomst uit het Fransch behoeft te pleiten.

Ofschoon, zooals ik later heb gezien, deze afleiding van houweel reeds in den 1sten druk van Vercoullie's Etymol. Woordenboek te vinden is - bij Franck ontbreekt het woord -, heb ik gemeend ze even te mogen en te moeten toelichten, omdat de oude verklaring stellig nog algemeen gangbaar is.

Leiden, Juni 1899.

j.w. muller.