Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19. E.J. Brill, Leiden 1900  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 52]

Karabijn.

Naast carabine, als naam van een vuurwapen, staat in het Fransch carabins, in het laatst der 16de eeuw een term voor zekere soort van lichte ruiterij of bereden infanterie, van een licht vuurwapen voorzien. Die woorden hebben spoedig de aandacht getrokken, want reeds in de Mémoires van den maarschalk Gaspard de Tavannes (geschreven omstreeks 1600) wordt er eene etymologische verklaring van gegeven: ‘le nom de carabin - leest men hier - a esté apporté de nos predecesseurs de la guerre saincte: carra en turc, c'est à dire soldat, et bei, du seigneur.’1) Ménage, in zijn woordenboek (ao. 1694) verklaart zich evenzoo voor eene afleiding uit het Turksch, maar zoekt den oorsprong in ‘caravuli, speculatores, exploratores.’ In eene jongere editie van zijn werk wordt carabin daarentegen verklaard uit de Semitische talen. Carlo de Aquino, in zijn Lexicon militare (ao. 1724), meent dat carabina is afgeleid van carabus, eene soort van schip, ‘quoniam ejus sclopi majoris usus in bello navali primum valuit.’

Andere verklaringen van gelijke waarde voorbijgaande, kom ik tot de door Diez gegeven etymologie, die steunt op een artikel van Roquefort, en die ook door Littré en zelfs nog door Murray wordt vermeld bij gebrek aan beter, en niet zonder eenige goedkeuring. Bij Roquefort staat zonder eenige bewijsplaats: ‘Calabrien, calabrin: carabin, sorte de troupe légère’; hij bedoelt dus dat een hem bekend woord calabrin hetzelfde moet wezen als carabin. Vandaar dat bij Diez van carabin dit wordt gezegd: ‘Für letzteres giebt es eine ältere form calabrin Roquef., ... und so läszt sich carabine aus dem pr. calábre, wurfgeschütz, ableiten: dass man waffennamen älterer kriegskunst auf neuere übertrug, kann nicht befremden.’ Diez gaat dus een stap verder dan Roquefort, en beschouwt den door deze ver-

[p. 53]

melden vorm calabrin als eene afleiding van prov. calabre, een woord dat zelf verklaard wordt uit catabola. Al wil men de mogelijkheid erkennen, dat namen van middeleeuwsche werptuigen werden toegepast op vuurwapenen in de 16de eeuw, toch blijft er een bezwaar over. Want de vorm waarvan Roquefort uitgaat, is niet calabrin maar calabrien, en hoe hij daaraan gekomen is, kan dunkt mij zeer goed worden gegist. Reeds in een Fransch werk van 1731 vindt men deze aanteekening, waarin wellicht ook toen geen nieuws werd verteld: ‘Je ne sçai si carabin ... ne seroit pas une corruption de calabriens, sorte de milice étrangère, dont parle avec mépris en plus d'un endroit la Chronique Scandaleuse sous l'année 1465’1). Wat ook de afleiding van dit calabrien moge wezen, van het door Diez genoemde calabre zal het wel niet zijn gevormd; en, wat hier van meer belang is, het kan zeer moeilijk als een oudere vorm van carabin worden beschouwd. Wat bewezen moest worden, nemen Roquefort en Diez zonder bewijs aan, en wat zij beweren is onwaarschijnlijk. Want vooreerst: waarom zou een vorm calabrien in ongeveer eene eeuw tijds in carabin zijn veranderd, terwijl er in de klanken van het woord niets is wat in strijd komt met het Fransche taaleigen? Ten tweede: bij de onderstelling van dien overgang zou men tevens moeten aannemen dat het woord aldoor in gebruik was gebleven, op zijn minst genomen van de tweede helft der 15de eeuw tot het laatste kwart der 16de. De gegevens der geschiedenis bevestigen dit niet, en eene kleine uitweiding is hier niet te ontgaan.

Raadpleegt men de noodige werken, dan leest men dat de naam carabins eerst omstreeks 1575 in gebruik is gekomen. Vandaar dat die term voorkomt b.v. in de historische geschriften van d'Aubigné, van Gaspard de Tavannes, maar in de Commentaires van de Montluc, die met 1574 eindigen, zal men - indien ik goed heb gezien - het woord carabin niet vinden. Dat het

[p. 54]

de geheele 16de eeuw door in gebruik zou zijn geweest, mag men geloof ik ontkennen. In het Spaansch en Italiaansch moet het, volgens de woordenboeken althans, zoogoed als niet zijn voorgekomen; de naam van het wapen daarentegen, carabine, is in allerlei talen aan te wijzen, evenals carabinier en andere daarvan afgeleide vormen. Nu vindt men in de Grammaire historique van Darmesteter (3,118) carabine wel is waar genoemd onder de termen die het Fransch uit het Italiaansch heeft overgenomen, maar die bewering is waarschijnlijk onjuist. Reeds Ménage zeide van carabine: ‘c'est l'arme que portent les carabins, d'où elle a été ainsi appelée.’ De jongere etymologen (zie b.v. Hatzfeld-Darmesteter) zijn het daarmede eens: carabine kan zijn afgeleid van carabin, zooals b.v. pèlerine van pèlerin. Men komt dan tot deze geenszins ongerijmde onderstelling, dat carabin het eerst in Frankrijk moet hebben bestaan en zoogoed als alleen in Frankrijk werd gebruikt, maar dat het afgeleide carabine zich in allerlei talen verspreidde. Maar dan is ook de afleiding van carabin uit het Turksch of Arabisch, die door oudere geleerden werd gezocht, nagenoeg onmogelijk, aangezien termen uit die vreemde talen waarschijnlijk evenzeer of nog eer in het Italiaansch of het Spaansch zouden worden gevonden. De slotsom van het onderzoek, die men bij Hatzfeld-Darmesteter lezen kan, is, dat men den oorsprong van het woord carabin niet kent. Toch zou ik eene poging willen doen om, zij het ook gissenderwijze, wat verder te komen, en wel door vergelijking met een ander Fransch woord van ongeveer dezelfde beteekenis, dat eenige jaren vroeger dan carabin in de Fransche legers een gewone term was: ik meen het woord argoulet, waarvan de afleiding evenmin bekend is.

De gelijkwaardigheid van de beide termen wordt uitdrukkelijk uitgesproken door een bij La Curne de Ste Palaye aangehaalden historieschrijver; deze zegt van de carabins: ‘C'étoient les mêmes qui sous le règne de Henri second, étoient appelés argoulets. Ils prirent le nom de carabins sous le règne d'Henri III.’ Eene definitie van argoulet uit de 16de eeuw vindt men in de

[p. 55]

Mémoires van de Vieilleville, opgesteld door zijn secretaris Carloix, eenige jaren na den dood van dezen veldheer en diplomaat die in 1571 overleed1). Men leest daarin, onder het jaar 1558 (L. 7, ch. 17); ‘en ce temps-là à chasque compaignie de gendarmes il y avoit cinquante harquebuziers à cheval, qui servoient à faire les descouvertes et escarmoucher çà et là; et les appelloit-on argoulets.’ Behalve in deze plaats wordt die term nergens in dit werk gebruikt, daarentegen vindt men hem telkens bij Montluc die grootendeels denzelfden tijd behandelt. Niet onwaarschijnlijk moet dat verschil aldus worden verklaard. Montluc is een soldaat, die zeer krachtige en onbewimpelde soldatentaal spreekt, en de secretaris van Vieilleville was geen militair, zijne uitdrukkingen zijn meer algemeen, meer beschaafd, minder technisch. Argoulet moet een gemeenzame term zijn geweest, waarvoor men ook zeggen kon - wat men ontelbare malen leest - arquebusier à cheval.

Deze lichte troepen waren dus toegevoegd aan de ouderwetsche zwaargewapende gendarmerie, door wie zij zonder twijfel werden geminacht. De gendarmes waren adellijke krijgslieden, en hoe zij behandeld werden, kan men b.v. zien uit eene toespraak van Montluc vóór het begin van zekeren slag2); ‘Je m'en courus à la gendarmerie, trouppe à trouppe, .... leur disant: ‘Ce n'est pas à vous, messieurs, à qui il faut par belles remonstrances mettre le coeur au ventre; je sçay que vous n'en avez pas besoin: il n'y a noblesse en France qui esgalle celle de nostre Gascongne.’ Bij dergelijke menschen was de strijd met vuurwapenen in minachting, en Montluc zelf, die zooveel busschieters heeft gebruikt, verklaart dat de vuurwapenen eene uitvinding van den duivel zijn, een middel waardoor de dappersten moeten sneuvelen door de hand van de lafaards, ‘qui n'oseroient regarder au visage celuy que de loing ils renversent’; in diezelfde passage vertelt hij dat er in 1523 nog zoogoed als geene arquebusiers in Frankrijk waren3).

[p. 56]

De diensten van deze argoulets worden bij Tavannes aldus omschreven: ‘Les compagnies d'arquebuziers à cheval servent pour couvrir le logis des armées, aller aux entreprises et faire des desgats; tirant à cheval ils ne font rien qui vaille; ils doivent estre contraincts de mettre pied à terre .... Ils sont grandement necessaires pour les advancer en de meschans logis, couvrir la cavallerie et luy donner temps de monter à cheval: barriquez dans les eglises à demy lieuë de la teste des armées, sont très-necessaires, pour par leur perte, de nulle importance, empescher une surprinse’1). Ook elders verklaart dezelfde schrijver: ‘estant la perte d'iceux de peu de consideration, au respect de l'utilité de l'advertissement que l'on reçoit par leur attaquement.’2) Soms schijnt nog een onderscheid te worden gemaakt tusschen arquebusier à cheval en argoulet, zooals in deze plaats van Montluc: ‘les autres deux ou trois cens, arquebuziers à cheval et argoulets, dont il ne faisoit pas grand cas’3). Dat zij te voet streden, blijkt o.a. uit deze woorden van denzelfde: ‘nous eussions deffait le comte de Montgommery avecques la cavallerie seule et nos argoulets, qui fussent descenduz à pied, sans que homme de pied des nostres s'en fust meslé’4). Dat hunne paarden gewoonlijk van eene mindere soort waren, mag men misschien afleiden uit den volgenden zin: ‘craignant de perdre lesdits argoulets, pource qu'ils n'estoient gueres bien montez’5).

De afleiding van argoulet (ook argolet en argollet) is niet bekend, want die welke Ménage heeft voorgesteld, kan niet in aanmerking komen: hij zegt, dat die troepen waarschijnlijk in den beginne met een boog gewapend waren, en dat dus de grondvorm van argoulet zal zijn arculettus. Die afleiding heeft toch nog dezen invloed gehad, dat men als beteekenis soms vindt opgegeven archer à cheval (b.v. bij Hatzfeld-Darmesteter),

[p. 57]

hetgeen waarschijnlijk onjuist is, want argolets worden samen genoemd met pistoliers, en zelfs wordt vermeld hoe zij hunne arquebuse droegen (zie plaatsen bij Godefroy). In het Spaansch en Italiaansch vindt men argoulet niet, het schijnt evenals carabin een bepaald Fransch woord te zijn. Maar het beteekent niet alleen een soldaat. Ménage geeft ook de beteekenis homme de néant (in andere woordenboeken staat homme de rien, en bij Honnorat homme de petite et basse mine). Men verklaart die toepassing uit het geringe aanzien der busschieters te paard in vergelijking met de eigenlijke cavalerie der gendarmes. Maar Honnorat zegt ook: ‘on désigne en quelques lieux par ce mot ... les petits enfants pris collectivement’, en hij geeft als synoniemen marmaille, marmousets, waarbij hij vraagt of dit zooveel zou beduiden als les petits arquebusiers. Dat zal men niet onmiddellijk durven gelooven. Dat argoulet, naam van een weinig geacht soldaat, ook vervolgens homme de rien zou beteekend hebben, klinkt niet al te dwaas, maar dat men het daarna ook op kleine kinderen zou hebben toegepast, is minder geloofbaar. Indien het echter vaststond, dat argoulet in de eerste plaats een soldatennaam was geweest, dan zou men de andere beteekenissen inderdaad als daaruit afgeleid moeten beschouwen. Maar aan argoulet is niet te zien dat het een eigenlijk militair woord zou zijn: het is niet de naam van een wapen, noch van een deel der militaire kleeding of iets dergelijks, en les argoulets kan men dus niet vergelijken met les lances, les corselets, les salades, les plumes d'autruche en dergelijke termen die bij overdracht alle op personen worden toegepast.

Gewestelijk is de vorm argolet in gebruik voor hulst, nl. in le Morvan, een heuvelland in midden-Frankrijk, ongeveer tusschen Auxerre en Autun, en als synoniem daarvan wordt opgegeven argouniau (zie Jaubert, Glossaire du Centre de la France). Volgens de taalvormen van deze streek is argouniau een diminutief dat in gewoon Fransch zou luiden argonneau, en dit kan eene afleiding zijn van argon, dat volgens Littré beteekent: ‘bâton ou morceau de bois plié en arc, dont on se sert pour

[p. 58]

prendre des oiseaux.’ Blijkbaar is het dus de naam van een eenigszins dunnen zeer buigzamen tak. Doch nu vindt men bij Jaubert ook opgegeven argoulin, in den zin van petit morceau de bois, bâton. Men zou dus vermoeden dat argon en argoulin hetzelfde beteekenen, en in dat vermoeden wordt men versterkt doordat argolet en argouniau beide namen zijn van den hulst. Ik geloof dat men tevergeefs zal trachten die woorden uit botanische namen van dezen boom te verklaren; de gewone naam is acrifolia (acrifolium) of aquifolia, en wel geeft Kiliaan ook aquilenta dat desnoods eenigszins op argolet gelijkt, maar hij doet dit alleen op gezag van Junius, die zich, naar het schijnt, heeft vergist (zie het wdb. van Forcellini op Aquilentus). De gewone naam van den hulst is in het Fransch houx, maar houx wordt ook gebruikt voor een tak van den hulst; die takken zijn zeer buigzaam en veerkrachtig, vandaar housser in den zin van veerkrachtig zijn (zie Littré). Stel dat argolet kon beteekenen een buigzamen tak, en dus in dien zin een synoniem was van houx, dan is het denkbaar dat argolet evenals houx soms ook de naam voor den geheelen boom kon worden. De vormen argon, argoulet en argoulin zouden dan hetzelfde beteekenen, en wel een eenigszins dunnen tak.

Maar in deze Fransche vormen zijn verschillende suffixen aanwezig, en de vraag is of niet elders in het Romaansch nog andere afleidingen van dezelfden stam zijn te vinden. Ik zou de aandacht durven vestigen op port. argueiro, dat bij Michaëlis wordt verklaard als strohhälmchen, splitterchen enz.; evenzoo in de oudere Portugeesche wdbb., o.a. in de zegswijze ver o argueiro no olho alheio (den splinter zien in het oog van een ander); ook deze wdbb. omschrijven het met palhinha, festuca: in het Fransch kan men zeggen brin de paille. Maar brin is eene ‘tige menue’ in het algemeen; het is een jonge tak, een loot (jet de bois), maar men zegt ook brin d'herbe, brin de paille, ja de vezels van touw heeten brin de corde. Van zulke vezels wordt het werk gemaakt dat de schepenmakers gebruiken, en een der bij de Basken voorkomende namen voor werk (fr.

[p. 59]

étoupe) is volgens het woordenboek van van Eys arkola. Men kan bijna gelooven, dat dit uit eenig Fransch of Spaansch dialect is overgenomen, en dat het met argolet in verband staat: ook daardoor zou worden bevestigd, dat argolet een synoniem is van brin. Dat nu een woord voor een jongen tak, loot, spruit, rejeton, een naam wordt voor iemands kleine kinderen, daarin is niets vreemds. Maar nog andere toepassingen zijn denkbaar. Aan brin is het denkbeeld verbonden van iets duns, iets kleins, iets nietigs. Een ‘kerel als een boom’, dien men in het Latijn caudex of truncus kan noemen, is juist het tegenovergestelde van een homme de petite et basse mine: zou het niet mogelijk zijn dat deze argolet werd genoemd, omdat argolet een dunnen tak kon aanduiden? Dan zouden de arquebusiers à cheval met een minachtenden term argoulet zijn genoemd, in den zin van homme de rien, mannetjes van een min voorkomen, op geringe paarden, en die men kon gebruiken als eene soort van enfants perdus. Het zou dan een Fransche scheldnaam zijn geweest, in Frankrijk ontstaan, niet door andere volken overgenomen, en tusschen de verschillende beteekenissen waarin argoulet voorkomt, zou dan een zeer natuurlijk verband zijn aangewezen.

Wat nu carabin betreft, reeds is opgemerkt dat het in zijn gebruik met argoulet eenigszins overeenkomt. Het schijnt ook een Fransch woord te zijn, buiten Frankrijk nagenoeg onbekend, en evenmin als argoulet een bepaald militaire term: men kan het niet verklaren als naam van een wapen of van iets dat den soldaat betreft, waarna het vervolgens een naam voor den soldaat zelf zou zijn geworden. Het komt voor in eenige vaste uitdrukkingen, en is later een term geworden voor een student in de medicijnen, maar dat gebruik is eerst ontstaan uit de beteekenis van lichte ruiter, en voor dat later gebruik kan men de woordenboeken raadplegen. Maar evenals argoulet is carabin een scheldnaam geweest, en wederom kan men de vraag stellen: is het als zoodanig ouder of jonger dan als soldatennaam? Men zie de volgende plaats uit Les avantures du baron de Faeneste (L. 3, ch. 22). Er is sprake van menschen die niet begrijpen

[p. 60]

hoe belachelijk de taal is van velen onder den kleinen adel, door wier schuld ook de taal aan het hof geheel ontaardt van de goede traditie: ‘de là toutes choses vont sur ce mot, sursum atque deorsum, et tous ceux qui estiment autrement, sont piégris, rustiques et carabins.’ In het volgende hoofdstuk wordt iemand van slechte manieren genoemd ‘petit rustre, petit carabin, enfant de vanité.’ Deze beide plaatsen worden reeds door Littré aangehaald, maar hij onderstelt blijkbaar, dat carabin een synoniem van rustre is geworden nadat het eerst een term voor soldaat was geweest. Doch ook het omgekeerde is niet onmogelijk, gelijk ik nader zal trachten aan te toonen.

In verschillende streken van Frankrijk, volgens Jaubert in het midden, volgens Littré ook wel in het westen, is carabin een naam voor boekweit. Zijn nu twee etymologisch verschillende woorden toevallig aan elkaar gelijk geworden, of is carabin, soldaat, en carabin, boekweit, één en hetzelfde woord? De beteekenissen komen al zeer weinig overeen, maar om de zaak te kunnen beoordeelen zou men de etymologie van carabin in den zin van boekweit moeten kennen. Men zou voor het frumentum turcicum allicht een naam verwachten van Oosterschen oorsprong, en cara- doet bovendien denken aan het Turksche woord voor zwart, dat men allicht zou zoeken in een naam voor het gewas dat ook blé noir heet. Doch ik geloof dat men zich op een dwaalspoor zou begeven. Er zijn zooveel namen voor de boekweit bekend, ook uit de talen van Oost-Europa en Azië, men kan er verschillende vinden bij Hehn en in het woordenboek van Nemnich, doch men kan niet aantoonen dat een van die namen in gewestelijk Fransch carabin had moeten worden: men kan toch b.v. niet van een Turksch dialect, waarin kara budai (Radloff 2, 136) boekweit beteekent, ineens tot het Fransch komen, wanneer daarop gelijkende vormen niet voorkomen in de talen van Oost-Europa. Daarom is het waarschijnlijker, dat woorden die met carabin, boekweit, in verband staan, in West-Europa moeten gezocht worden.

Men vergelijke in de eerste plaats bij Murray het artikel

[p. 61]

Crap. Dit woord beteekent: 1o. ‘the husk of grain, chaff. - 2o. a name of some plants; a. buckwheat; b. applied locally to various weeds growing among corn. 3o. the residue, formed in rendering, boiling ... 4o. the dregs of beer or ale.’ In het Fransch bestaan woorden, daarmede nauw verwant. Bij Honnorat: ‘crapa, lie, marc, rebut’, waarvan ‘crapar, mettre au rebut, rejeter’. Bij Godefroy: ‘crape, crappe, criblure’; verg. daarmede bij Honnorat: ‘grapier, grapasses, grapissss, criblures du blé et des autres grains; ce sont en général des grains mal nourris qui ne se sont pas séparés de la balle, et que le mouvement du crible ramène à la surface, comme plus légers’; daarnaast heeft hij: ‘grapa, la partie la plus grossière du plâtre, celle qui reste sur le crible quand on l'a passé.’ Ducange heeft crapinum in den zin van kaf (en verklaard als palea minutior) in eene plaats waar stramen et crapinum et paleam te zamen worden genoemd, en hier wordt verwezen naar fr. crapin, ‘qua voce significantur purgamenta tritici ..., vulgo criblures’; behalve de vormen met c heeft hij ook grapa en grapinum, ‘frumenti purgamentum, quod remanet in area, frumento ventilato ac purgato.’

Uit de Fransche vormen blijkt dat crape en crapin dezelfde beteekenis hebben, en daar fr. crape hetzelfde moet zijn als eng. crap, is het duidelijk dat de verschillende beteekenissen daarvan bij fr. crapin althans mogelijk zijn. Men kan zich zoo uitdrukken, zonder iets omtrent de hoogere afkomst van die woorden te willen beslissen; zeker is het dat in Frankrijk en in Engeland althans zulke woorden hebben bestaan. Het begrip dat er in ligt is o.a. dat van kaf, ondeugdelijk graan, onkruid, en uit het Engelsch ziet men dat ook de boekweit soms met dien term genoemd werd. Indien de boekweit in het Fransch nu ook carabin kan heeten, en dit wordt, zooals ik heb gezegd, opgegeven voor de taal van midden-Frankrijk, dan zal men dit carabin waarschijnlijk mogen identificeeren met fr. crapin, dat in verband staat met eng. crap.

Eenige toelichting is hierbij noodig. Vooreerst is het een

[p. 62]

bekend verschijnsel in het Romaansch, dat aan het begin der woorden cra- dikwijls overgaat in gra-, waardoor crapin en grapin naast elkander worden verklaard. Verder is het niet twijfelachtig, dat men soms in plaats van cra- of gra- vindt cara- of gara-. Zoo wordt ital. carapina, jeuk, waarnaast vormen die met s beginnen, afgeleid van schrapen, schrappen, krabben in het Germaansch (Caix, Studj 255); ital. carabattola van grabatulus (Caix 253); aan lat. crabro beantwoordt, met dissimilatie, ital. calabrone. Vooral in het Portugeesch vindt men duidelijke voorbeelden. Uit fr. cravate is ontstaan garavata; aan sp. cangrejo (van cancer) beantwoordt port. garanguejo; garatujar, krabbelen, is niet te scheiden van prov. gratar, fr. gratter. Dat carabin dus hetzelfde zou zijn als crapin mag men alleen om dit cara- niet voor absoluut onmogelijk houden.

Evenmin is waarschijnlijk de b tegenover de p een overwegend bezwaar. De p in het Fransch tusschen twee klinkers is ontstaan uit pp, de b in echt Fransche woorden, in diezelfde positie, uit bb (bv. abbatem = abé, gespeld abbé). Dat in de Romaansche volkstaal twee grondvormen bestaan hebben, een met pp en een met bb is niet ondenkbaar, vooral niet wanneer zij uit het Germaansch afkomstig zijn dat bij de dubbele mutae dikwijls mediae en tenues naast elkander heeft (b.v. schrabben, schrappen). Doch het is ook mogelijk dat er twee grondvormen zijn geweest, een met pp en een met p. Wel is waar zou een vorm met p in het Fransch een vorm geven met v (verg. cuve uit cupa, naast coupe uit cuppa), maar deze regel geldt voor de taal van meer noordelijke streken, waaruit de vorm carabin niet afkomstig kan zijn. Want cara- in plaats van cra- is in het gewone Fransch ongehoord, en de voorbeelden van dat verschijnsel zal men veeleer vinden in het Portugeesch, Spaansch, Provençaalsch en Italiaansch. Nu ziet men in de Gascoensche taal die gesproken wordt door den hoofdpersoon uit Le baron de Foeneste, dezelfde betrekking tusschen v en b als in het Spaansch: in de spelling van die taal worden b en v aldoor met elkaar verwisseld, en evenals in het Spaansch kan hier tusschen twee vocalen eene

[p. 63]

b staan waar het gewone Fransch eene v heeft. Maar ook zelfs tot in midden-Frankrijk vindt men volgens Jaubert datzelfde, en spreekt men b.v. van acheber, cube, nabette, rabe enz. Zoowel de onderstelling dat carabin eene b heeft, gelijkstaande met fr. v, als het ontstaan van cara- uit cra-, zou aannemelijk zijn wanneer men mag gelooven, dat carabin uit het zuidwestelijk deel van Frankrijk afkomstig is, en daartegen is geen enkel bezwaar.

Carabin is een naam voor boekweit, en moet een bijvorm zijn van crapin, een synoniem van crape, dat niet te scheiden is van eng. crap, dat ook boekweit beteekent. Maar dan bestaat ook de mogelijkheid dat carabin een term is geweest niet alleen voor boekweit, maar ook voor kaf, onkruid, droesem enz. In de toepassing van dergelijke woorden op menschen is niets vreemds; les carabins zou dan hebben kunnen aanduiden de personen die van het lichtste allooi zijn, van de geringste beteekenis in de maatschappij, en carabin kon evenals argoulet, een scheldwoord worden in den zin van homme de rien. Mag men het als zoodanig niet opvatten in die plaatsen waar het met petit rustre, rustique, enfant de vanité wordt gelijkgesteld? Aan de beteekenis van soldaat wordt daar in 't minste niet gedacht. Door wie zijn die scheldnamen aan de lichte ruiterij gegeven? Ik heb ondersteld dat de naam argoulet kon gegeven zijn door andere troepen van grooter aanzien, doch ook het volk zelf kan er aan hebben meegedaan, want die ruiters waren in de Fransche burgeroorlogen de schrik van het platte land. In eene passage uit dien tijd worden de handelingen van zeker soldaat gelijkgesteld met die van ‘un arquebusier à cheval, qui part d'un gros au lieu de prendre langue, court de village en village en petardant les barattes des bonnes gens, prenant les poulles au joug, tuant et massacrant tout le monde, et puis quand il eut bien tout assommé, il se met à prendre des prisonniers, tellement qu'après lui nous ne trouvons bêtes ni gens, mâles ni femelles à qui parler’1) enz.

[p. 64]

Zou het te verwonderen zijn, indien het volk zulke soldaten had uitgescholden voor ‘ontuig, uitschot?’ Zeker niet, en dat een dergelijk begrip door carabins kon worden uitgedrukt, heb ik getracht eenigszins waarschijnlijk te maken. Is mijne verklaring in het algemeen juist, dan behoeft men niet voor twee Fransche woorden, beide carabin, en beide alleen in Frankrijk voorkomende, eene verschillende etymologie te zoeken, maar laten zich, evenals bij argoulet, de verschillende beteekenissen uit een zelfden oorsprong afleiden.

 

a. kluyver.