Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19. E.J. Brill, Leiden 1900  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 85]

Eenige woordafleidingen.

1. Abreye, Abreiscap.

In de fragmenten eener vertaling van den ‘Roman de la Rose’ komt, op ééne plaats, het woord abreye voor:

 
Als dat die quade abreye horde,
 
Si was blide van die worde (blz. 254, 36),

alwaar in den franschen tekst sprake is van ‘la vieille’. In samenstelling met -scap was dit woord in West-Vlaanderen gebruikelijk en beteekende ‘koppelarij’.

Het Mnl. Wk. verwijst voor de afleiding er van naar het Mnl. Wk. van De Vries, alwaar wij lezen: ‘Van ofr. abrier, protéger, défendre, mettre à l'abri; prov. abriar, vanwaar nog fr. avril, hetzelfde als maquereau koppelaar. Merkwaardig is de overeenstemming van fr. avril en maquereau in de dubbele beteekenis van beide woorden. Gelijk het laatste zoowel een koppelaar aanduidt, als den visch die bij ons makreel heet (naar den oorsprong echter zijn het twee verschillende woorden), zoo vereenigt ook het eerste de beide beteekenissen: avril in de volkstaal voor koppelaar bekend, en avriol, hetzelfde als makreel. Nog heden wordt die visch in de wandeling poisson d'avril geheeten, en diezelfde benaming werd vroeger mede op een entremetteur toegepast’.

Tegen deze afleiding zou men, dunkt mij, het volgende kunnen aanvoeren: 1. Indien abreye werkelijk van abrier kwam, zou het niet anders dan het substantivum verbale kunnen zijn, evenals fransch abri. Nu beteekent dit nooit anders dan de ‘schuilplaats’. En zelfs al gaf men toe dat in het Nederlandsch zich een nieuwe beteekenis zou hebben kunnen ontwikkelen, dan zou nog de overgang van ‘schuilplaats’ tot ‘degene die een schuilplaats aan iemand bezorgt’ niet onbedenkelijk zijn. 2. Indien abreye als het fem. van fr. abri mocht worden be-

[p. 86]

schouwd, zouden wij hier met een uiterst zeldzaam verschijnsel te doen hebben, dat nl. aan fr. i bij ons ei beantwoordt1). Wel is waar komt, volgens den Dictionnaire général, naast abrier abreyer voor, en Thomas neemt daarom een grond abbregare aan2); maar, al was die afleiding juist, dan toch zou alleen in de zwakke vormen ei hebben bestaan; de subst. verb. nu beantwoorden altijd aan den sterken stam. Juist omdat de overgang van fr. i tot ei bij ons zoo zelden voorkomt, moet men dus niet dan in de uiterste noodzakelijkheid besluiten eene afleiding er op te gronden. En dat de geslachtsverandering in het Mnl. zou hebben plaats gehad, zou bovendien zeer zonderling zijn.

Wat nu verder de, zonder twijfel geestige, vergelijking betreft tusschen avril en maquereau, zoo merk ik op dat

1. slechts een vèr verwijderd etymologisch verband bestaat tusschen avril en abrier, 2. een koppelaar ‘poisson d'avril’ genoemd werd, juist omdat dit de naam van een makreel was, zoodat de overeenstemming niet toevallig, maar opzettelijk is, en dus alle bewijskracht mist.

Het komt mij voor dat abreye niet anders is dan de oudfransche vrouwennaam Auberee, waarmede het in vorm volmaakt overeenkomt: fr. au wordt vaak a bij ons in onbetoonde syllabe (vgl. favisage, verbabeeren, abergoel), de onbetoonde e valt weg (evenals in pluis, floers, marnier, hostelrie enz. enz.), de uitgang ee eindelijk is regelmatig eie geworden3).

Ook de beteekenis van het woord maakt deze afleiding waarschijnlijk. Immers Auberee is de naam van een koppelaarster, die de voornaamste rol speelt in een fabliau dat naar haar

[p. 87]

genoemd is, en waarvan in 1895 een afzonderlijke uitgave is verschenen te Berlijn, van Georg Ebeling1). Het behoeft niet bepaald dit fabliau te zijn dat den naam heeft verspreid; zelfs is het waarschijnlijk dat de dichter zijn heldin genoemd heeft naar een beroemde koppelaarster die aan zijne hoorders goed bekend was2). Ook elders wordt een koppelaarster Auberee genoemd, en in een ander fabliau wordt deze naam gegeven aan een vrouw die in zedelijkheid weinig boven een ‘abreye’ staat3).

Men zou geneigd zijn te denken dat de verhouding tusschen eigennaam en afgeleid zelfstandig naamwoord omgekeerd was, dat nl. aan de koppelaarster deze naam is gegeven, omdat auberee die beteekenis had. Evenwel, een spoor van zulk een zelfstandig naamwoord heb ik althans niet weten te ontdekken.

Het komt mij dus voor dat de oorsprong van abreye te vergelijken is met dien b.v. van renard. Met dit merkwaardig verschil evenwel dat, terwijl renard in Frankrijk zelf tot gemeen zelfst. nw. werd, dit met abreye alleen in Vlaanderen het geval is geweest. Vandaar dan ook dat men dit woord niet op gelijke lijn mag stellen met b.v. Richeut, eveneens naam der heldin van een fabliau, die ook koppelaarster is, en eveneens gebruikt als nomen generis4). Inderdaad is het feit dat Frankrijk auberee niet kent als zoodanig, van dien aard dat het ons zou doen twijfelen aan de juistheid der voorgestelde etymologie, indien het zich niet voordeed, juist in West-Vlaanderen, met twee andere eigennamen, welke ik geciteerd vind bij De Bo. Het zijn: eemszeune, ‘schertsende toegepast op iemand die uitmunt in eigenaardigheid, in schran-

[p. 88]

derheid, in dapperheid, of in iets anders’1), en pantekrul ‘een mensch die kluchtig en origineel is, maar dikwijls de welvoegelijkheid en de zedigheid kwetst’2). Het eerste woord is afkomstig van den roman der Heemskinderen, het tweede van Pantagruel. Welnu, noch deze laatste naam noch die van Aimon de Dordonne is ooit in het Fransch als nomen generis gebruikt.

2. Baanrots.

Men is het er in het algemeen over eens dat baanrots door volksetymologie is ontstaan uit oudfransch banneret. Zie Franck i.v. baanderheer, Mnl. Wk. i.v., Nederl. Wk. i.v. Alleen Prof. Van Helten erkent de bezwaren aan die afleiding verbonden: ‘Baenroetse, baanderheer, is in zijn verhouding tot het ofr. banneret al even onbegrijpelijk als de wisselvormen baenroche enz.’3).

Inderdaad, ook indien men den vorm baanrots door de bijgedachte aan rots verklaart, blijven toch nog over baenrets, baenrits, baenruts en baenraets, welker ontstaan men onmogelijk op rekening der volksetymologie kan stellen. Dat deze woordengroep van vreemden oorsprong is, lijdt geen twijfel. Hoe zou anders de zeldzame rijkdom van vocalen te verklaren zijn welken zij vertoont? Ook ligt het voor de hand dat zij op een of andere wijze met banneret in verband moet staan. Laten wij trachten dit verband zoo juist mogelijk aan te geven.

Ik begin met de verklaring af te wijzen die men van de slot-s heeft gegeven, als zou deze de fransche nominatief-s zijn4). Dit komt mij niet waarschijnlijk voor, daar de weinige substantiva die deze uitgangsconsonant ten onzent hebben be-

[p. 89]

houden, eigennamen of titels zijn, die vaak in den vocatief werden gebruikt1). Bovendien is dit verschijnsel te zeldzaam om het als uitgangspunt te nemen bij het zoeken naar de verklaring van een onduidelijken vorm. Men moet in elk geval eerst andere sporen volgen.

Het grondwoord van baanrots is zeldzaam in het Oudfransch; het komt laat voor en alleen in noordfransche teksten: dit maakt reeds waarschijnlijk dat het vooral in België in gebruik is geweest. Godefroy vermeldt in zijn Supplement: banerech (Froissart), uns baneres (J. de Charny), baneres (Geste des ducs de Bourg.), en, in den Dictionnaire zelf, chevalier banerech2) (charter van Willem van Beieren 1403).

Banerech nu is de picardische vorm voor centraalfransch banerez (spreek uit -ets), later baneres, en men herkent hierin eene afleiding van baniere, gevormd met het suffix ez (lat. icium)3). De vorm baneret is zonder twijfel later ontstaan door verwarring met het diminutiefsuffix et, of door de analogie van de woorden welker radicaal op t uitging: deze t ging later verloren vóór de s van den Nominatief (b.v. faiz, later fais), doch bleef in den casus obliquus (fait)4).

De vorm banerech nu kan bij ons slechts banerets, baenrets geven en dezen vorm treft men in den Invent. v. Br. met de schrijfwijze baenreche aan. Van de wisselvormen die men in het Mnl. vindt, kies ik uit de citaten van het Mnl. Wk. de oudste van elke groep: 1. baenrits (Oorl. v. Albrecht), 2. baenruts (Brab. Yeesten II), 3. baenraets (Sp. H.), 4. baenrots (Heelu), baenroets (Grimb.), baenroche (ao. 1393).

Het komt mij voor dat de beide eerste phonetisch verklaard moeten worden, uitgaande van den vorm baenretse. Zoo heeft

[p. 90]

men naast cessen zoowel cissen als sussen1), naast gemme zoowel gomme als gumme, naast lets2) zoowel lits als luts. Vooral vormen met i naast vormen met e zijn talrijk: atramint, prosint, bofit, maellit (Pelgrim., fr. maillet); zij zijn te verklaren door de uitspraak van den fr. è, die geslotener is dan de onze.

Wat baenraets betreft, zoo zou men hier kunnen denken aan een verwarring met het suffix -age (lat. -aticum, mnl. -aedse), dat o.a. collectief is. In het Ofr. was zeer gewoon barnage (bernaie bij Ruusbr.), dat in beteekenis somtijds geheel overeenkomt met baenraets, dáár nl. waar dit woord voor baronnen, niet bepaaldelijk baanderheeren, gebruikt wordt. Zoo bijvoorbeeld op de vermelde plaats (Sp. H. 38, 82, 67):

 
Karel die grote trac te samen
 
Sine ridderscap van groter namen,
 
Baenraetsen ende lantsheren,
 
Abden, bisscoppe .....

Trouwens, ook in het Fransch werd banneret later als gelijkwaardig met baron beschouwd3). Doch de overgang van è tot a vóór ts komt nog in twee andere woorden voor, nl. prouaetse (: laetse, Wal. 11191) en maetsen, maetselen4), en het zou mij niet verwonderen indien wij hier met mnl. dialectische vormen te doen hadden. In elk geval doen wij beter baenraets niet van deze woorden te scheiden en een gemeenschappelijke verklaring voor alle drie aan te nemen.

En eindelijk baenroets. In het Ofr. komt noch *baneroch noch *baneroche voor; althans de teksten bevatten ze niet. Doch wij hebben reeds geconstateerd dat ook de andere vormen van het

[p. 91]

woord zeldzaam zijn, en men zou misschien mogen veronderstellen dat die op -och wèl bestaan hebben, doch over een beperkt gebied (waarschijnlijk België, zie boven), vanwaar weinig documenten tot ons gekomen zijn. De mnl. schrijfwijze baenroche zou inderdaad doen vermoeden dat het Fransch den overgang ook heeft gekend. Een afdoend bewijs is dit echter niet, daar baenroche ook de gefranciseerde vorm van baenrots kan zijn. Wat hiervan zij, ook mij is het niet gelukt voor deze variant van baenrets een phonetische verklaring te vinden. Evenmin kan men haar in het Fransch door ‘suffixvertauschung’ doen ontstaan, want -och (-oz) komt in de Middeleeuwen zoo goed als niet voor1). Er zit dus niets anders op dan volksetymologie aan te nemen. Dat rots in beteekenis wel wat ver af staat van ‘baanderheer’, maakt geen bezwaar; zóó nauw luistert dat niet; desnoods zou men kunnen veronderstellen dat roche genomen werd in de beteekenis ‘kasteel, vesting’, welke het woord in het Ofr. had.

Banieret is een jongere vorm, die ook reeds in het Ofr. voorkwam.

Wat ten slotte de accentsverandering aangaat, zoo mag men waarschijnlijk aannemen dat zij eerst na de vervorming van baenrets tot baanrots heeft plaats gehad, daar het woord er eerst toen nederlandsch uitzag.

3. Corre.

Volgens het Mnl. Wk. (i.v. corne) komen in Mnl. twee woorden corre (corne) voor, waarvan het etymologisch verband onzeker is: het ééne zou beteekenen ‘eelt’, het andere beteekent ‘kreng’. Het schijnt mij toe dat, als het eerste woord corre alleen voorkomt op de in het Wk. geciteerde plaats, men beter doet het te schrappen, immers de beteekenis ‘eelt, verharde huid’ past hier slecht. Misschien moet men in plaats van corre lezen: porre = erwt (vgl. porloec, Harl. Gloss., Diut.

[p. 92]

II, 227). In elk geval is een andere etymologie voor het woord te zoeken dan fr. corne - want alleen dit woord (= lat. *corna) en niet corn (= likdoorn, lat. cornu) kan in het Mnl. corre worden -, daar het mij onwaarschijnlijk lijkt dat een puist op de hand met een ‘hoorn’ wordt vergeleken. Trouwens, in het Fransch komt cor met de beteekenis ‘likdoorn’ eerst in de 16e eeuw voor, en de likdoorn is aldus genoemd omdat hij uit een hoornachtige massa bestaat, niet omdat hij op een hoorn gelijkt. Terwijl de in het Wk. geciteerde plaats ‘als of een corre stonde optie hand’ alleen de verklaring ‘hoorn’ zou toelaten1).

Ook corre = ‘kreng’ kan niet uit corne afgeleid worden, daar niets den overgang van beteekenis verklaarbaar maakt. Reeds Kiliaen had - zonder het te weten misschien - de etymologie van het woord aangegeven: ‘Korne, vetus j. karonie’; het komt mij nl. voor dat corre, door assimilatie uit corne ontstaan - men weet dat beide vormen voorkomen -, teruggaat op pic. carone, fr. charogne. De picardische vorm is geheel regelmatig, zoowel wat c in plaats van ch, als wat den overgang van palatale tot dentale n betreft2), en uit carone kan corne zeer goed verklaard worden: ten gevolge van de syncope van a werd het crone, en daaruit door metathesis corne. De vraag is of deze beide laatste veranderingen in het fransche dialect of bij ons hebben plaats gegrepen. Indien zij mnl. zijn, vergelijke men pruik, pluis en bordes, karmozijn. Doch, ook in het Picardisch kon carone misschien wel aldus veranderd zijn; althans men treft er vaak metathesis aan, ten minste van cons. + er tot cons. + re3), en syncope is er een gewoon

[p. 93]

verschijnsel, althans van e vóór vocaal, en ook van a vóór vocaal (vandaar dat wij pongijs zeggen voor cfr. poigneïz, en callijt voor cfr. chaalit1)). Ik geef mij rekenschap dat het eenigszins willekeurig is de syncope en metathesis die wij in corne aantreffen, op gelijke lijn te zetten met deze beide speciale gevallen; doch in Berry komt een dialectische vorm van het woord voor die te denken geeft, nl. carne2), dat aan fr. charogne beantwoordt en als scheldnaam gebruikt wordt, precies als het mnl. woord. Het dialect van Berry nu is nauw verwant aan het Picardisch.

4. Springaal.

Prof. Blok, die zich met dit woord heeft beziggehouden, was zoo vriendelijk mij af te staan hetgeen bij erover heeft verzameld. Daaronder bevond zich een uitvoerig en scherpzinnig advies van een onzer taalbeoefenaars, dat ik wil trachten in het kort weer te geven. ‘In het Mnl. komt een woord sprinckel, springhel voor met de beteekenis locusta. Dit woord werd (in Vlaanderen?) toegepast op den armborst op wielen, en overgenomen in 't Fransch als springále of springóle, in welken laatsten vorm men misschien de Vlaamsche “o-klankte a” (De Bo, p. 5) kan herkennen. In dien franschen vorm werd het woord terug-overgenomen in het Nederlandsch’. Hetgeen deze afleiding op het eerste gezicht verleidelijk maakt, is dat een naam als ‘sprinkhaan’ voortreffelijk zou passen voor een dier schietwerktuigen, waarvoor men gaarne een schetsende benaming zocht3).

Toch twijfel ik aan de juistheid dar afleiding, waartegen ik drie bezwaren heb, nl. 1. Wat den vorm betreft, indien wij uitgaan van een germ. springel, kunnen wij in het Fransch niet komen tot espringale, dat fem. gen. is en waarin de a geheel onverklaard zou zijn, maar tot *espringuel. Vgl. bridel4),

[p. 94]

bedel1). 2. Wat de beteekenis aangaat, zoo is bedenkelijk het feit dat het Germaansch springhel alleen kent in de beteekenis ‘sprinkhaan’, niet in die van ‘schietwerktuig’. Immers als schertsnaam kan ‘sprinkhaan’ op den armborst alleen zijn overgedragen op germaansch grondgebied, dáár waar de naam voor het beest algemeen bekend en gewoon was; want hoe zouden eenvoudige soldaten in Frankrijk een ‘jeu de mots’ hebben gemaakt met een uitheemsch woord? En toch, in de beteekenis ‘sprinkhaan’ is springhel in Frankrijk niet bekend geweest. De schrijver van het advies heeft, dunkt mij, dit bezwaar wel eenigszins gevoeld; ik zou dit opmaken uit de vraag: ‘in Vlaanderen?’ welke hij tusschen haakjes in zijn betoog invoegt, daar waar hij spreekt van den overgang van beteekenis van springhel. 3. Het woord komt eerst laat in het Fransch voor (2e helft der 13e eeuw), en het lijkt mij onwaarschijnlijk dat men in dien tijd nog aan een schietwerktuig een germaanschen naam zou hebben gegeven.

Het zij mij daarom vergund op andere wijze een verklaring van het merkwaardige woord te zoeken. Zooals ik reeds zeide, moet men niet uitgaan van een germ. springel of sprinkel2): er blijft dan niet anders over dan espringale als een fransche formatie te beschouwen3). Dat het van den stam van espringuier met het suffix -alis zou zijn gevormd, is niet aan te nemen, daar dit nooit achter werkwoordsstammen gevoegd wordt. Doch een andere verklaring is mogelijk. Naast espringuier komt in het Oudfr. eveneens in de beteekenis ‘dansen’, een vorm espringaler voor (voorbeelden bij Godefroy): deze kan worden opgevat als een afleiding, in het Fransch ontstaan door middel van

[p. 95]

van het suffix -eler, en dat wij hem aldus mogen beschouwen leert ons de vergelijking met sauteler (van sauter), tripeler (van treper = ‘dansen’), sautiller (eveneens van sauter), trépiller (van treper) enz.; immers wij zien uit deze voorbeelden dat men - hetgeen trouwens a priori reeds waarschijnlijk kon worden geacht - aan die werkwoorden welke een snelle beweging uitdrukken gaarne een deminutiefsuffix geeft1). Evenwel, de onderstelling van een vorm *espringueler verklaart nog niet het ofr. espringaler. Deze verandering kan, dunkt mij, op niets anders berusten dan op de analogie van een ander, zeer gewoon, ofr. werkwoord dat ‘zich vermaken, dansen’ beteekende, nl. galer (zie de voorbeelden bij Godefroy)2).

Van dit espringaler nu is de stam gebruikt als zelfst. nw. en dit substantivum verbale is het fr. woord espringale. Volgens Diez (i.v. springare) heeft het de beteekenis ‘dans’ gehad (bij Godrefroy ontbreekt deze), en waarschijnlijk is het een bepaalde soort dans geweest; althans in de voorbeelden die Godefroy aanhaalt van espringuier (en ook in één dat hij van espringaler geeft), wordt dit woord gecombineerd met andere namen voor ‘dansen’, en het is niet aan te nemen dat men daar eenvoudig te doen heeft met tautologieën.

Dat men nu met dit woord espringale, hetwelk een handeling aanduidt, een werktuig genoemd heeft, lijkt zonderling, en zou alleen te verklaren zijn als men aannam dat het oorspronkelijk als eigennaam werd gebruikt, zooals b.v. de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij aan hare locomotieven namen geeft als ‘Koophandel’, ‘Veeteelt’ enz. En in dezen zou de naam zeker passender zijn, daar het immers een instrument betreft welks bestemming is ‘de faire danser l'ennemi’. Doch, hoewel Diez terecht zegt (i.v. springare) dat men ‘für solche werkzeuge

[p. 96]

individuelle zum theil scherzhafte benennungen liebte’, meen ik dat men met de voorgestelde uitlegging niet tevreden kan zijn. En toch, ik herhaal het, een subst. verb. espringale kan geen werktuig uitdrukken dat de handeling van dansen volvoert; dat kunnen wèl de van een actief werkwoord gevormde zelfst. nw., zooals la montre, l'allonge, la foule, welke, als afgeleide beteekenis, die van nomina agentium hebben.

Espringale komt uitsluitend in Frankrijk voor. In Italië treft men voor hetzelfde werktuig een anderen naam aan, nl. springarda, spingardus, waarvan Du Cange drie voorbeelden geeft van 13061), 1334 (i.v. sclopetum) en 1344. Volgens Diez komt dit woord van springare. Inderdaad kan het, op romaansch grondgebied, met het suffix -ard van dit werkwoord zijn afgeleid, waarna door dissimilatie de eerste r is weggevallen. Trouwens, ook in het Fransch kon spr tot sp vereenvoudigd worden, zooals blijkt uit espinguier, espingale.

Dit woord spingarda komt, zooals wij zagen, alleen in Italië in de 14e eeuw voor: Godefroy geeft een laat voorbeeld van espringarde in het Fransch, dat dezen vorm uit het Italiaansch kan hebben overgenomen.

De vraag is of wij niet mogen aannemen dat het vroeger meer algemeen is geweest. Ik geloof van ja, op grond van den oudengelschen vorm springald (zie Godefroy, i.v., die een voorbeeld van springarde geeft uit de Chron. de Lond.2), en E. Müller). Dat dit niet anders is dan een door dissimilatie ontstane vorm van *springarde, ligt voor de hand; zulk een wisseling van l en r komt in het Fransch vaak voor3), en in het Engelsch kan de d niet zijn ingevoegd4). Nu is het, dunkt mij, niet aan te nemen dat dit woord in het Oudeng. zou zijn

[p. 97]

gekomen uit Italië: het is zeer waarschijnlijk dat het uit Frankrijk afkomstig is.

Indien wij dan mogen aannemen dat espringarde, of liever nog, espringalde vroeg in het Fransch heeft bestaan, hebben wij daarmede wel iets gewonnen. Immers dit woord stond dan, wat den vorm betreft, zeer dicht bij espringale.

Nu waag ik het vermoeden dat de espringalde door de fransche soldaten schertsende espringale genoemd is, daar men in dit laatste terug meende te vinden (en voor een deel ook vond, zooals wij boven gezien hebben) het woord gale dat ‘amusement, feest’ beteekent, en dat van galer (zie boven) komt. Dit vermoeden zou ik willen ondersteunen door twee opmerkingen: 1. Alleen in Frankrijk treft men gale en galer aan (wèl vindt men in Italië en Spanje andere afleidingen van denzelfden stam1), doch ik heb hier alleen het oog op de twee gemelde vormen); welnu, alleen in Frankrijk komt ook de vorm espringale voor. 2. Ons bezwaar, een woord dat ‘sprong, dans’ beteekent te beschouwen als den naam van een werktuig, vervalt thans, daar het hier slechts een aanpassing geldt van het, volkomen aan zijn begrip beantwoordende, espringalde aan een, in vorm ermede overeenkomend, woord; dit staat in beteekenis vrij ver af van den term die ‘armborst’ aanduidt, maar men weet dat bij de volksetymologie de vorm, zoo goed als uitsluitend, in het spel is.

Ziedaar de uitkomsten waartoe een nauwgezet onderzoek mij gebracht hebben. Ik ontveins mij niet dat de redeneering wat gewrongen lijkt, doch dit is nog niet een bewijs van hare onjuistheid, en volkomen natuurlijk kan de ontwikkeling van een woord als espringale nooit zijn, daar het zeker is dat het, om nog eens Diez' woorden aan te halen, een ‘individuelle und scherzhafte, benennung’ is2).

[p. 98]

Op één bezwaar mijner afleiding wil ik bovendien zelf wijzen. In het Fransch komt naast espringale ook esprinqualle voor, welke vorm als argument zou kunnen dienen voor den schrijver van het advies waarvan boven sprake is geweest: immers deze wisselvormen beantwoorden juist aan springel naast sprinkel. Mag ik van mijn kant dan echter doen opmerken dat de vormen met k zeldzaam zijn, en verklaard kunnen worden door de verandering van k in g (uitspr. gue), die in het Noorden van Frankrijk niet ongewoon is1), zoodat esprinqualle eenvoudig een dialectische ‘graphie inverse’ kan zijn? Zeker dialectisch is in elk geval de vorm espringole, welke reeds in het Fransch voorkomt; dus nederl. springoel kan niet, zooals de schrijver van het advies wil, verklaard worden door den ‘vlaamschen overgang van a tot o’: wij hebben hier met een oost- en noordfransch verschijnsel te doen2).

5. Karabijn.

De lezers van dit Tijdschrift herinneren zich zonder twijfel het scherpzinnige artikel dat Dr. A. Kluyver, op blz. 52 vlgg. van dezen jaargang, gewijd heeft aan den oorsprong van het woord Karabijn. Op de hem eigen keurige wijze heeft hij tal van feiten kunstig gegroepeerd en gecombineerd, en hij is tot de slotsom gekomen dat het woord oorspronkelijk zal hebben beteekend ‘kaf, onkruid’, vandaar ‘homme de rien’, eindelijk ‘scheldnaam van een zekere soort soldaten’.

De gronden waarop deze afleiding steunt, zou men aldus kunnen samenvatten: 1. In het Engelsch komt (dial.) voor crap ‘kaf, boekweit, droesem’; 2. Van dit woord zijn niet te scheiden ofr. crape ‘kaf, ziftsel’, grape ‘ziftsel van pleister’, crapin en grapin ‘ziftsel van koren’; 3. In Midden-Frankrijk treft men aan een woord carabin ‘boekweit’; 4. Indien dit

[p. 99]

woord hetzelfde is als crapin, dan zou dus crap (sub 1) het grondwoord ook van carabin zijn; maar dan zou ook dit laatste, evengoed als crap, niet alleen ‘boekweit’, maar ook ‘kaf, afval’ hebben kunnen beteekenen.

De hoeksteen van dit zorgvuldig opgetrokken gebouw is natuurlijk de gelijkheid van oorsprong van carabin en crapin. Dr. Kluyver heeft dit gevoeld en daarom het etymologisch verband der beide woorden aan een afzonderlijk onderzoek onderworpen; de uitkomst was dat er geen bezwaar bestond ze als varianten van één grondwoord te beschouwen, mits men carabin opvatte als een vorm die oorspronkelijk eigen was aan zuidwestelijk Frankrijk.

Naar aanleiding van het allerlaatste onderdeel van dit betoog, zij het mij vergund een kleine opmerking te maken, die trouwens de hoofdstrekking van Dr. K.'s redeneering onaangetast laat. Ik meen nl. dat, indien carabin en crapin hetzelfde woord zijn, men carabin veeleer als een noordfransch dan als een zuidfransch woord moet beschouwen.

Als men carabin met crapin vergelijkt, dan merkt men twee punten van verschil op: 1. tusschen c en r heeft zich een a ontwikkeld, 2. de p is vervangen door b.

Naar aanleiding van het eerste verschijnsel wijst Dr. Kluyver er op dat ‘cara voor cra in het gewone Fransch ongehoord is, en dat men de voorbeelden van dat verschijnsel veeleer zal vinden in het Port., Spaansch, Provenç. en Italiaansch’. Hij citeert zes woorden waarin bedoelde verandering zou hebben plaats gehad, drie italiaansche en drie portugeesche. De eerste zijn twijfelachtig1), de laatste kunnen nog vermeerderd met port, garoupa = clupea2); immers ik zie niet in waarom de ontwikkeling van het vocalische element der liquida r tot klinker, gescheiden zou moeten worden van die van de liquida l. Doch ik meen dat men met meer recht de verandering van cra tot

[p. 100]

cara in verband zou kunnen brengen met de ontwikkeling van een vocaal uit r welke in Midden-Frankrijk een gewoon verschijnsel is1), wanneer r in een groep voorkomt. En hierop zou Dr. Kluyver zich zeker hebben beroepen, daar carabin juist in Midden-Frankrijk voorkomt, indien hij niet had gemeend het zuidwestelijk deel noodig te hebben ter verklaring van het tweede verschilpunt tusschen carabin en crapin, nl. de b in plaats van p. Ik laat daar dat de uitspraak b voor fr. v in Midden-Frankrijk - althans wat men gewoonlijk daaronder verstaat, nl. Berry, Maine, Poitou - zeker niet de gewone was2): onmogelijk is zij er geenszins3). Doch hoe zouden die fr. v en prov. b naast p verklaard kunnen worden? Volgens Dr. Kluyver bestaan er twee mogelijkheden, nl. òf naast germ. pp is bb voorgekomen in den (germaanschen) grondvorm van het woord, òf er heeft oorspronkelijk een vorm met één p gestaan naast eenen met pp; in den eersten zou p, volgens den regel, fr. v, provenç. spa. b zijn geworden; in den tweeden zou pp tot p zijn vereenvoudigd. Het komt mij voor dat Dr. K. deze laatste oplossing verkiest. Doch indien wij nagaan van welke woorden, naast vormen met p, zoodanige met pp voorkomen - Lindsay4) citeert de eenige woorden waarin men naast de korte vocaal gevolgd door twee consonanten, soms de lange vocaal gevolgd door één consonant aantreft (b.v. cūpa en cŭppa, stūpa en stŭppa) - dan zien wij dat slechts één dier vormen in het romaansch is blijven bestaan, op twee uitzonderingen na, nl. cupa en strēna, en van dit laatste is het nog niet eens zeker. Vandaar dat, bij het zoeken naar het verband van crapin en carabin, de tweede door Dr. Kluyver geopperde onderstelling, nl. het bestaan van germaansche grondvormen met pp naast bb, aanbeveling verdient;

[p. 101]

en dan vervalt ook tevens de verplichting carabin in het Zuidwesten te localiseeren.

Trouwens, Littré noemt - Dr. Kluyver wijst er op - ook Normandië als het gebied van carabin, en het gelijktijdig voorkomen er van hier en in Midden-Frankrijk, maakt reeds waarschijnlijk dat het een noordfransch woord is: de dialecten van Berry enz. en het Normandisch staan zeer dicht bij het Picardisch.

Met de hypothese van germaanschen oorsprong is bovendien zeer goed ook de vorm car voor cr in overeenstemming te brengen. Men is nl. geenszins gedwongen hem te verklaren door een middenfransche klankontwikkeling. Immers in germaansche woorden kwam het vaak voor dat in het Noordfransch1) en in het Italiaansch2) zich zulk een onduidelijke vocaal in een groep van begin-consonanten ontwikkelde, vooral om de uitspraak van voor Franschen moeielijke groepen te vergemakkelijken, maar ook zonder dat die aanleiding bestond. Trouwens één der italiaansche voorbeelden van Dr. Kluyver is misschien germaansch (carapina).

Een ander feit nog - door Dr. Kluyver terloops aangeroerd - past niet minder goed bij de onderstelling van germaanschen oorsprong. ‘In het Romaansch gaat aan het begin der woorden cra dikwijls over in gra’, leest men op p. 62 van het hier behandelde artikel, naar aanleiding van den vorm grapin die naast crapin voorkomt. Twee gevallen zijn hier te onderscheiden, nl. de verandering van cr in gr is algemeen romaansch3), maar dan heeft, op één uitzondering na (crassus), altijd één vorm den anderen verdrongen; of wel, de verandering van cr in gr komt voor in germaansche overgenomen woorden4), en dan vindt men vaak de beide vormen naast

[p. 102]

elkaar1); trouwens niets is natuurlijker; immers hier zijn het ontleende woorden, die zich min of meer aangepast bebben2).

Nu schijnt het - en op dit punt vestig ik de aandacht, daar het waarschijnlijk maakt dat crapin en, als het hetzelfde woord is, ook carabin noordfransch zijn - nu schijnt het dat, waar de twee vormen voorkomen, die met c speciaal in het Noorden worden aangetroffen. Voorbeelden: crape ‘tros’ is picard., naast grappe, dat fransch is (Darm. et Hatzf.); ons woord (mee)krap is in het Fransch grappe geworden, doch in een stuk van 1579 uit Rijssel vindt men crape (zie Godefroy, die echter de juiste beteekenis niet geeft; Darm. et Hatzf. vermelden het woord eerst in 1784); cras is de eenige vorm in België, terwijl in het Fransch gras uitsluitend wordt aangetroffen (Zeitschr. f. rom. phil. XXIV, p. 15; Meyer-Lübke, p. 377).

 

Ik waag mij niet aan gissingen omtrent het etymon van carabin; alleen constateer ik dat, als het in verband stond met grappe ‘tros’, men het Vlaamsche krabbe, dat naast krappe voor ‘tros’ voorkomt, misschien zou kunnen gebruiken voor de verklaring van b naast p in carabin naast crapin, grapin.

 

salverda de grave.