Beitel.
In het Ndl. Wdb. wordt onder het artikel Beitel (I) gewezen op een paar spreekwijzen, die Winschooten, Seeman, bl. 18 opgeeft nl. ‘Kom voor den beitel!’ d.i. volgens dien schrijver ‘Kom voor den dag, sooje een rechtschaapen Kaarel sijt’; en ‘het vaatje op den beitel setten, d.i. een vaatje ten besten geeven.’ De heer J. Prinsen heeft in den vorigen jaargang van dit tijdschrift, bl. 87 nogmaals de aandacht op deze twee onverklaarde spreekwijzen gevestigd en het vermoeden uitgesproken, dat ze eerder thuis behooren onder beitel (II), d.i. een soort schip, daar het voorkomen dezer uitdrukkingen in een zeemanswoordenboek hem anders duister is. Voor iemand, die wat meer dan oppervlakkig met het werkje van Winschooten heeft kennis gemaakt, is dit geen bezwaar, daar tal van woorden en uitdrukkingen, die met het zeewezen niets te maken hebben, daarin genoemd en somtijds ook verklaard worden. Van Lennep heeft Winschooten eenvoudig nageschreven, zoodat het voorkomen bij hem in dezen niets beteekent. Met Dr. A. Kluyver zou ik deze beide uitdrukkingen onder beitel (I) brengen, en wel om de volgende redenen.
In de 16e eeuw verstond men onder een beitel den lepel, die gebruikt werd bij het klossen. Schotel haalt in zijn Maatschappelijk Leven onzer vaderen in de zeventiende eeuw, bl. 129 uit een schoolboek der 16e eeuw het volgende gesprek aan tusschen eenige knapen:
Hier. Hou, hou, cameraeten, willen wij met de klos spelen? Siet de baen is droogh ende effen.
Aug. Seer geerne. Gy twee brenght de beytels. Wy sullen den rinck in de aerde planten.
Ambr. Gy steckt den ringk te diep: ick sal hem ophaelen, opdat hij lichtelijcker magh draeijen.
Greg. Neemt elck een beytel.
Hier. Geeft hier eenen om te proeven.