|
|
|
| |
| | | |
Middelnederlandsche geestelijke gedichten, liederen en rijmen.
Handschrift Nr. 2559-2562 der Koninklijke Bibliotheek te Brussel is een papieren codex, bestaande uit drie onderscheiden gedeelten die door verschillende kopiïsten geschreven en naderhand samengevoegd werden. Het behoorde vroeger tot de librij van het regulierenklooster ‘Galilee binnen Gent’, waaraan het in 1573 geschonken werd door Broeder Jan Stevens, rector in genoemd convent. Het eerste gedeelte, zijnde bl. 3 tot en met 375, is het belangrijkste van den geheelen codex: eigenlijk is het een handschrift op zich zelf, dat niet in een adem werd geschreven, maar waarin een of ander vroom broeder, gedurende een reeks van jaren, ongeveer van 1420 tot 1460, al datgene heeft opgeteekend wat hem onder 't lezen trof en dat hij bij de band wenschte te hebben. De inhoud bestaat hoofdzakelijk uit een groot aantal, meestal korte uittreksels - ‘uitschriften’, zooals de Dietsche term voor ‘excerpten’ luidt -, uit Jan van Ruusbroec's en Jan van Leeuwen's werken, en verder bevat het een zeker getal gedichten, liederen en rijmen, die tot nog toe zoo goed als onbekend gebleven zijn, al worden ze meest alle door Mone in zijn Übersicht vermeld1). En mocht iemand er al eens naar omgezien hebben, dan werd hij zeker van de wijs gebracht doordien Mone ze opgeeft als staande in het Brusselsche hs. 728 (één maal staat er zelfs 828, maar dat is ongetwijfeld een drukfout), een oud nummer.
De bedoelde stukken zijn zeer ongelijk van waarde, maar alle zijn ze uit een taalkundig, letterkundig of kultuurhistorisch oogpunt belangrijk genoeg om uitgegeven te worden. Ze volgen hier in de orde, waarin ze in het handschrift voorkomen, met
| | | | dien verstande dat de rijmspreuken bijeengeplaatst zijn. De nummers der bladen, hier bij elk stuk opgegeven, komen niet overeen met die welke Mone opgeeft, daar deze de oorspronkelijke folieering aanhaalt, die echter niet overeenkomt met het werkelijke bladnummer; men zie verder de noten en aanteekeningen.
| |
I
Wat huwelijc in brinct ende wat vrede reynicheit den menschen geeft.
Merct hier, ghi mechden, wie ghi sijt!
Van eerschen banden te sijn quit,
Ic bidde u dat ghi dien ontfaet
5
Ende merct also, dat ghijt verstaet
Hoe hoghe dat is der mechden staet,
Vliende de broesheit van ertrike
Ende Gode omhelsen minnentlike.
Dese huwelijc sal sekerliken
10
Hier dueren ende in hemelriken;
Dander huwelijc moet vergaen.
Doech waer hi beter ghedaen
Dan in onwette sonde ghedaen!
+Mer beraet u wel, ende en sijt niet snel:
15
Huwelijc is fel, diet proeft weet wel:
Langhe leet ende onlange speel! 16
Hoet met hem gheet, hi en heeft niet el.
Vry ende onbedruct ende sorghen quite,
Sonder wee van hulp[.]ghecrite, 19
20
+Vry van scande ende van verwite,
Dit is der goeder mechden vite,
Sonder dat si hebben van binnen
Ruste ende vrede, ende Gode minnen,
Dat si op eertrike hier beghinnen
25
Ende int eweghe rike vol einden.
In het hs. op bl. 57b-58a; vermeld bij Mone, Übersicht, p. 296, onder Nr. 453, waar opgegeven wordt dat het stuk uit 31 verzen
| | | | bestaat: Mone heeft dus vs. 14, 15, 16, 17 en 18 ieder als twee verzen geteld, maar dan nog komt men slechts tot 30 verzen; hij moet zich dus vergist hebben. Tegen een dergelijke telling is intusschen weinig of geen bezwaar: de kopiïst zelf heeft na de woorden wel in vs. 14, fel in vs. l5, leet in vs. 16, gheet in vs. 17 en onbedruct in vs. 18 een punt (robrik op zwart) geplaatst; of hij die middenrijmen alleen wilde doen uitkomen, of wilde te kennen geven dat de eene regel eigenlijk twee verzen was, is niet met zekerheid uit te maken.
| |
II
Den a b c d e
Aen siet die vrouwen hoe si gaen,
Besiet hoe haer haer tuten staen,
Cns dat si hem blanceetten! 3
Die cleder sijn lanc, dat si hem leetten
5
Ende scley pen opter eerden. 5
Fij der vulder hoeverden!
Ghij vrouwen en scamdij u des niet?
Het is scande dat iement siet.
Ic sie noch wonders meer:
10
Knaepen gaen ghelijc den heer.
Laeghen si te bedde iij dagen,
Men soudse int gaesthuus draegen.
Noch sie ic wonders meer inden lande: 13
Overspel en is nu gheen scande;
15
Papen die quaeliken leeven,
Quaet exempel dat si ons gheven.
Scepen die in onwitte leeven
Recht vonnisse connen sij qualijc gheven.
In het hs. op bl. 58a; vermeld bij Mone, Übersicht, p. 281, onder Nr. 399, 2). Het stuk, dat blijkbaar onvolledig is, schijnt een variante te zijn van den AB recht ende Averecht naar
| | | | hs. 15642 der Koninklijke Bibliotheek te Brussel slordig uitgegeven door Blommaert in zijne Oudvlaemsche Gedichten 3, 143.
| |
III
Dats ave maris stella in dietsche
Ave sonder wee, sterre der zee! Ave, Maris stella,
Gods moeder, niet ontwee, 2 Dei Mater alma,
Maer maget eweliken, Atque semper virgo,
Saeleghe porte van hemelrike, Felix coeli porta.
5
Die ontfinghes die hoeghe groete Sumens illud ave
Van des inghels monde suete. Gabrielis ore,
Vest ons in vreden, maeght bequaem, Funda nos in pace
Verwandelt ons Yeven naem. Mutans Evae nomen.
Die bande der sculdiger ontbinde, Solve vincla reis,
10
............................ Profer lumen caecis, 10
Jage van ons onse quaede, Mala nostra pelle,
Alle goet ons berade. Bona cuncta posce.
Dattu bist een moeder, toene! Monstra te esse Matrem,
Bi di si nemende die gh[ o]ene Sumat per te preces, 14
15
Ons ghebet, die woude sijn Qui pro nobis natus
Om onsen wille die sone dijn. Tulit esse tuus.
No mijn no meere den wedergevers een eere. 17
Eenghe maget, niet ghemeine, Virgo singularis,
Boven al saechtmoedich reine, Inter omnes mitis,
20
Saechtmoedijch, rein ende ontbonden Nos culpis solutos,
Maect ons, quit van al onsen sonden. Mites fac et castos.
Een leeven puer gheef sonder beyde, Vitam praesta puram, 22
Den sekeren wech ons bereyde, Iter para tutum,
Dat wi, siende [...] Jhesus anschijn, Ut videntes Iesum, 24
25
Euwelijc blide moghen sijn. Semper collaetemur.
Loef moet sijn den hemelschen vader, Sit laus Deo Patris, 26
Eerre den oversten Cristus te gaeder Summo Christo decus,
Ende den heilegen gheest. Spiritui sancto,
| | | |
In het hs. op bl. 88a; niet vermeld bij Mone, Übersicht, die daarentegen een andere vertaling kent: zie blz. 159, onder Nr. 180. Het stuk is blijkbaar een slecht afschrift; tot beter verstand is de oorspronkelijke tekst mede afgedrukt. De verzen zijn doorloopend naast elkaar geschreven en alleen hier en daar door een punt (robrik op zwart) gescheiden, maar meest alle hebben een hoofdletter, rood doorstreept.
| |
IV [Lofzangen tot god]
Te Deum laudamus, Te Dominum confitemur
Hi sal sijn onse loen daer boven
Al inder eweger salicheit.
5
Hi es dat rike der zielen,
Gheen herte en cant verstaen.
Die minne moet ons geleiden
Daer die edele geesten weiden,
Dies die vremde niet en smaken.
Te eternum patrem
Hi en es van geenre zaken,
Maer van hem selven so is hy.
Soe wie die waerheit smaken,
| | | |
Dat ghi uwen vrienden doet,
Tibi omnes anghely
25
Die, ingele die daer boven sijn
Die bernen in stercker minnen;
Sy aenstaren den hoghen schijn, 27
Sy sijn int claer bekennen.
Sy staen in vaster zekerheit
Dáer en es geen anderheit:
Men pleget daer lieves wille.
Tibi cherubin et seraphin
Sy sijn van Gode verclaert;
Al tote dien edelen aert.
Sy sijn so diepe ghesoncken
Die daer in sijn verdroncken
40
Hen is zeker wel gheschiet. 40
Sanctus
U wese[ n] dat es sonder beghin. 42
Ghi sijt die hoge mogentheit
Daer alle dinghen sweven in.
45
Daer en licht niet dan één wesen bloet:
Die sone wert daer alle tijt gebaert;
Uut hem beiden sprinct één bloet, 47
Elc persoen d oet daer sinen aert. 48
Die vader is dat ierste sproet,
50
Die ons ghebaert, dat suete rijs,
| | | |
Nu laet ons hem geven loef ende prijs.
Sanctus
Hoe liberael soe sijn u ghiften!
55
Ghi gaft ons den sone der ewicheit,
Daer gi de werelt met wout verlichten.
Ghi en waert jeghen ons niet vrec,
Ghi gaeft ons dat suete lemmeken.
Ghi waert om ons ghenomt .j. gheck,
60
Het woude aent cruce ghebraden sijn.
Nu laet ons God met minnen eten,
Alle die sijns van herten begheren.
Al hebbent die wolve verbeten,
Wi willent met vrouden nochtan verteren.
65
Ic wille mijn herte aen u legghen:
En belghet u niet, al comic spade!
Lief en mach lieve niet ontsegghen,
Nu gheeft mi, lief, u ghenade.
Sanctus
O troestere, invierijch forneis,
70
Van aerde sidy goedertieren.
Dic u minnen, si hebben peys,
Ghi sultse wel met doechden scieren.
Ghi sijt een orspronc alle der minnen,
U strale sijn so wederhaect, 74
75
Ghi sciet na dat herte van binnen,
Hi wert verwonnen dien ghi geraect.
Al sciet hi u, en ontsiet u niet!
Het es zeker een suete verdriet:
80
Si wetcnt wel die gene dies pleghen.
U straelen die sijn suete.
Men saelt niet zeer claeghen.
Al stoet hi oec sulc stont metten voete,
Men moet van vrienden dicke verdraghen.
| | | |
85
Ghi sijt een invierijch brant
+Allen goeden soeten herten.
Nu trect ons in dat suete lant,
Daer es vergheten alre smerten.
Pleni sunt celi et terra
Wie mintene na sijnre werden? 91
Dat hi so cleine wert ghemijnt,
95
Waer sijn doghet van ons bekent,
Te gloriosus apostolorum
Die gloriose apostelen ons heren 97
Sy ghinghen ter hogher scolen,
Dat si voerwaert souden leren
100
Dat hem de meester hadde bevoelen.
Si waren so diepe gheraect,
Dat ment noch leest inder messen:
‘Dat wort es vleeschs ghemaect,
Al in sijn ierste beghin.’
Die ons leerde desen sin.
Te prophetarum
Davidt ende die andere propheten
110
Die scouwen aen Gods aenschijn;
Dies wi noch beroevet sijn.
Dat haer vernuft daer overblijft, 113
| | | |
115
Het geet boven alle begrijp,
Te maertierum
Dye lieve maertelaren, 117
Si en wouden hem niet weren: 119
Minne was stercker dan die doet,
Dor minne leden sy meneghen noet,
Te per orbem terrarum
125
Die heyleghe kerke heeft belijt
Dat Cristus es onse leeven.
Hi heeft ons van sonden ghevrijt
Ende ons hem selven ghegheven.
Dies moet hi sijn ghebenedijt
Dat hi woude comen in deser tijt
In onser aermer natueren!
Patrem immense majestatis
Des ewichs vader majesteit 133
135
Het steet al in sijnre moghentheit,
Hi heeft hemel ende eerde beseten.
Soe wel hem die uws ghesmaect! 138
Nochtan maectty hem wel te suere
140
Dien ghi met uwen pile gheraect.
Och lijef, daer ghi op vechten wilt,
Hi gheve hem selven in die avonture.
Hi behovet enen dicken sc ilt, 143
Want hi moet liden tsuete ende tsure.
| | | |
145
Ghi schijnt uwen vrienden fel,
Dat doedy hem in schine. 146,
Ic sout op u betughen wel
Dat ghy hem pleecht hert te sine. 148,
Venerandum tuum
Hy es des ewijchs vader kijnt,
Soe wie dat sinen sone mint, 151
Die vader heeften vercoeren.
Wildy u iet aen hem bestaeden,
155
Sijn rike en heeft ghenen fijn,
Ghi en moghet u niet bat beraden.
Sijn erve dat es seker groet,
Aen hem leghet goet huwelijc.
Hi sal u bringhen uut alre noet
160
Ende met u bliven ewelijc.
Sanctum quoque paraclitum spiritum
+O suete honich riviere 161
Die comt uten heilegen geeste!
Wien ghi ontfunct met uwen vier,
Hi heeft van binnen grote feeste.
165
Ghi versuft die wise vroede
Ende ghi sentse in elinden.
Doer minne liden si grote aermoede,
Op dat si den nasten wech moghen vinden.
Ghi doetse lopen om haer broet
Si heeten dicke van sinne onvroet.
Die ons der minnen leeven.
Ende liden menijch verdriet;
175
Lachter ende grote scande 175
Die men hem dicke biet. 176
| | | |
Te male der zielen crachte;
Si hebben meneghe selsen ue[.]re, 179
180
Ghi steelt hem haer ghedachte.
Ghi sijt die dat merch verteert;
Ghi maect van heren knechte;
Ghy sijt dat die siele begheert,
Sy moet u minnen met rechte.
Tu rex glorie Criste
185
Ghi sijt een coninc der ewicheit,
Och here, dooer u ghenadicheit 187
Maect ons van allen beelden bloet.
Mine substancie hebbie verdaen
190
Die mi mijn vader hadde gegheven;
Ic bin in vremde lande ghegaen
Ende ic bin van huus verdreven.
Sy sijn in groter weeldicheit
195
Ende wi in groter eleindicheit,
Wi vullen ons metten slike. 196
Sy sijn groeter vrouden rike,
Si ghebruken dat si minnen.
Dat sal hem bliven ewelike. 199
200
God laet ons ghewinnen! 200
Tu patris sempiternus
Hy es een kint der hoger gebort; 201
Sijn wisheit en heeft geenen gront.
Hi es selve dat eweghe wort,
Die minne maectenne zeer ghewont.
205
Nu laet ons seggen der minnen danc. 205
Van minnen ghinc hi om sijn broet:
Het dede die minne diene dwanc
Dat hi woude liden breke groet.
| | | |
Die Gode minnen die sijn vry.
210
Die waerheit salse verlichten!
Het is vor jaer altoes beest met my,
Ic derve der minnen ghiften.
Ay, wat hebbic der minnen misdaen,
215
Int ierste dede sijt mi goet verstan,
Nu schijnt of si mi niet en kende.
Ic wille haer mijn leeven lanc
Nochtan dienen sonder enich ghewin.
Al en wijst sijs mi nemmeer danc,
220
Ic en wouts haer dienen niet min.
Tu ad liberandum
Dye minne maecte wonder groet,
Doen si ons sonde dien sueten gaest.
Hi quam uut sijn vader scoet,
Dat hi woude draghen onsen laest.
225
Hi wert van minnen een jonghelijnc:
God liet ons sinen sone sien.
Hi was vroech een ballinc, 227
Want hi moeste uuten lande vlien.
230
Willijc hem gherne gheven.
Ende sueken daer ons leven.
Vrou we van groter werdicheit, 233
Bidt minen heer, uwen sone,
235
Dat hi om sijn genadicheit
Hem selven ons gheve te loene.
Tu devicto mortis
Hi heve[ t] die doet verwonnen, 237
Hi heeft ons sijn herte ontghonnen,
240
Alse die voghel pellekan.
| | | |
+Ghi gheeft ons, lief, u herte bloet:
Waer was noit mere minne ghesien?
Nu gheeft ons tuwer minnen spoet,
Want ich wille in u herte vlien. 244
245
Alsic mi daer in verspelen ga,
Ende ic mijns selfs daer ledich sta:
So vloeie daer der minnen vloede. 248
Tu ad dextram
Sijn opvaert heeft hi ghedaen: 249
250
Hi sit te sijns vader rechte hant. 250
Hi woude die doet om ons ontfaen
Ende also comen in sijn lant.
Hi heeft ons sijn rike gedeelt,
255
[ O]p dat wi dien doen [ g]hewelt, 255
Met rechte selen wine minnen.
Wi nemens gherne goden coep,
Maer wij sijn gerne inden hoep
260
Daer men leeft metten bliden.
Die vele willen ledech gaen
Si selen cleinen loen ontfaen,
God sal hem luttel gheven. 264
265
Nu laet ons ter minnen keeren,
Want minne altoes haer selven lont.
Si sal ons haer weghe leren,
Die God sinen vrienden toent.
Iudex crederis esse venturus
Hy sal comen ten lesten dage
270
Alse een stringhe richtere;
Hi sal slaen groete sclaghe,
Nochtan en heet hi geen vechtere.
| | | |
Den sone es dat oerdel ghegeven:
Ic an hem seker der eren wel.
275
Daer sal sijn anxt ende beven,
Want sine worde sullen luden fel.
Hi dunc mi alder eren wert,
Ic draghe tot hem een goet moghen:
Soe wie sijns hier van herten begheert,
280
Hi salne daer boven verhoghen.
Ay, of ic waer inde helle,
Daer nochtan [ es] groete pine, 282
Ende mijn lief ware mijn geselle,
So stonde mi blide te sine.
Te ergo quesumus
285
Comt ons te hulpen, lieve here 285:
(Want ghi allene ons hulpen moghet),
Dat wi moeten leven in u ere,
Want in u cs bescloten alle doget.
Ghi heebt ons groete minne bewijst,
290
Met uwen bloede hebbedi ons verloest.
Ghi hebt ons met u selven gheprijst,
Dat es der zielen groeten troest.
Die minne vermach alle dinc:
Dat dede hi ons wel openbaer. 294
295
Doen hi hier op eertrike ghinc
Die minne en liet hem niet geduren:
Hi moeste uut sinen vader gaen
Ende dat hoe[ c]hste werc volvoeren, 299
300
Dat noit van minnen was ghedaen.
Nu laet ons dancken der minnen zeere
Die ons sant dat groete present!
Ic wille hem gheven loef ende eere,
Want hem eest dat mijn herte mijnt.
305
Neemt, lief, mijn herte: ic ans u bat
Dan al dat ic ghescapen weet;
Dat noit eertsche creature besat,
Dats mi van goeder herten leet!
| | | |
Nu hoert, lief, mijn claeghe:
310
Die edel tijt es mi ontleden,
Ic vinde mi in minnen traghe,
Die leden tijt hout mi beneden.
Noch so willic suchten ende carmen,
Ende claghen hem minen groten noet: 314
315
Ic hope hi sal mijns ontfermen,
Want hoefsche minne heeften doet.
Maect ons kindere der ewicheit, 317
Dat wi moten sijn in u ghetal.
Ghi sijt daer al mijn troest aen steit,
320
Want al mijn leven dat es een val.
Ic leve mire armer naturen,
Ic bin uwer sueter minnen bloet;
Noch willict al avonturen
Ende leghen mijn hoet in uwen scoet. 324
325
Hi sal aen mi doen sijn edelheit,
Want seker ic betrouwe hem wel;
Ic verlate mi op sine hovesheit,
Want bi hem te sine dat es goet spel.
Hi es van wandelingen alte goet:
330
Bi hem te sine dat es soe suete.
Hi verblijt des menschen moet
Ende hy gheeft den zielen boete. 332
Sal[v]um fac populum tuum domine
Behout u volc, suete heer, 333
Dat wi werden van u gebenedijt!
335
Want die werelt es uten keer,
Want luttel iement verwint den strijt.
Ic ligghe te velde naecht ende dach,
Mijn viant soude mi gerne deren.
Hi houwet op minen scilt so menegen slach,
340
Ic en can mi langer niet gheweren.
| | | |
Comt mi te hulpen, suete lief!
Ic bin in scricke van binnen;
Hi loept al omme als een dief,
Aen u, lief, steet mijn verwinnen.
345
Die viande sijn mijns heren knapen:
Si slaen, si vaen, si driven grote feesten,
Die God so edel hevet ghescapen
Dat si leven alse groeve beesten.
Ic bin verselt inder wilder see,
350
Zielen ende lijfts bin ic in sorghen,
Die nature geeft ons menich wee,
Oec en hebbenwi gheenen morghen.
Hulpt mi te lande, suete lief!
Die wech es mi verre ende vremde.
355
Ghi sijt alte wel mijn gherijef,
Waert dat ic u met herten minde.
Het sijn alle boeven ende boefinnen 357
Die gherijef sueken in dat si minnen. 358
Et rege eos
Regheert ons, here, in dyt leeven. 359
360
Wi hebbens te doene in deser tijt
Dat wi u loef ende ere moghen gheven,
Want ghi hebt ons ghelach gequijt.
Alsic aen sie die hoghe minne,
So vindic in mi groete scout,
365
So ghevie hem herte ende sinne,
Ic mach qualijc dienen sonder mijn scout.
Hi moet mi uut doen minen coest,
Want ic moet vanden ghereden teeren;
Ghebruucte ic mijns liefs na minen loest,
370
Wat soudic meer moghen begheren?
Maria hadde vercoren dat beeste deel,
Dat en sal haer niet werden ghenomen:
Het es een suete lecker morsceel,
Ic woude ics proven mochte na mijn becomen.
| | | |
375
Welken tijt sal hi mi blide maken,
Die mijn herte heeft soe zeer ghewont?
Ic ligge altoes in een haeken
Dat mi sine minne sal werden cont.
Ic biede hem dicke dat herte mijn,
380
Ic soude geerne mijn scout betaelen.
Joncfrouwen souden nochtan scamel sijn, 381
Het scijnt ic moet op hem verhalen.
Ic hebbe mijn herte aen hem vorloeren,
Ane dat groete onghelike.
385
Hi es hovesch ende wel gheboren,
Hi es mire zielen hemelrike.
Hi wert wel cleine van mi ghemint,
Al sprekic dus behagelike.
Die werken en volgen den worden twint:
390
Dat es mire zielen scadelike.
Per singulos dies
U name moet sijn ghebenedijt,
Ic loefde u geerne nacht ende dach,
Want ghijs allene werdech sijt:
So hulpt mi dat ict volbringhen mach.
395
Die u met rechte souden loeven, 395
+Sy bieden u dicke grote onere.
Si selens ghenieten noch daerboven:
Al beidy lange, ghi slaet zeere.
Ghi laget te gisele hier inder tijt,
400
Ghi en wout u selven niet sparen,
Toet dat was onse scout ghequijt.
Doen woudi weder in u rike varen.
Heer, en laet mi niet vergheten
Dier trouwen, die gi mi hebt gedaen.
405
Dat goet es al onghemeten
Dat ic hebbe, lief, [ van] u ontfaen. 406
Al haddic een herte also groet
Alse alle de werelt hevet gemeine,
Ic liet gheheel in uwen scoot:
410
Nochtan sout mi duncken u te clene.
| | | |
Et laudamus nomen tuum domine
Ic lovede gherne uwen name,
Maer mijn vermogen es te cleine.
Ic hope het sal u sijn bequame,
Eest dat ic u met herten meine.
415
Mijns liefs loef willic breien, 415
Buert mijn herte, doet op minen mont:
Sinen name loven in alre leyen 417
Vroech ende spade, talre stont.
Haddic hulpe na minen wille,
420
Ic soude maken so grot geclanc!
Die ghene die nu swighen stille 421
Selen mi hulpen noch eer iet lanc.
Dat u so luttel eren geschiet,
Dat es al uwen vrienden leet.
425
Het es jammer datmen u misbiet,
Ende men alle goet van u ontfeet.
Sy weten luttel hoe goet ghi sijt
Die u so goeden coep begheven.
Hier en es gheen beiden inder tijt,
430
Hier na volcht een ander leeven.
Ic volbracht gheerne uwen loef:
Hets recht, gi sijt mijns hertsen here!
Nu roept mi, lief, in uwen hoef:
En laet ons sceeden nemmermeere.
Dignare domine die isto
435
Heer, om uwe groete werdecheit
Huet my van sonden desen dach.
Ontfermt u mire nederheit,
Want ic mi selven niet hulpen en mach.
Ic bin my selven dycke ontgaen:
440
Dat mach mi wel zeer rouwen!
Nochtan dat ic hebbe misdaen,
Soe vindic u altoes in trouwen.
| | | |
Doen ic mi noch vander werelt keerde,
Doen vandic u, lief, al bereet:
445
Ghi waert mijn meester, die mi leerde
Hoe men den wech der minnen gheet.
U hoefsheit die heeft mi verwonnen:
Ic wille te male u eyghen sijn.
Dat ic so spade hebbe begonnen,
450
Dat claghic dicke int herte mijn.
Ic soude geerne over u claghen,
Maer ghi hebt vriende die u sijn hout;
Sine selens mi niet verdraghen,
Si sellen op mi leggen die scout.
455
Als gi ons hebt in uwen stricke ghevaen,
Soe vresic dat ic hebbe misdaen
Ende verloren hebbe der minnen zeghe.
Ghi comt met uwer goedert[ i]erenheit 459
460
Ende toent ons uwe suete treken;
Ghi trect ons af uwe suetecheit,
Soe vinden wy ons in groter breken.
Soe wat met Gode omme gheet,
Sy moeten selken tijt sceelden;
465
Eest dat wi hem clagen onse leet,
Dat sal sijn hoefsheit al ghelden.
Ghi cont alte wel soeteleec leiden, 467
Al sout al bliven een spelen gaen,
Maer namals gaet al aen een sceiden,
470
Dan laetty ons opten weghe staen.
Eest dan wonder dat wi croenen
Alse wi soe jammerlijc na u sien?
+Hoe moechdy ons aldus ghehoenen
Ende soe verre van ons vlien?
475
Mochten wi u met orloeve leeren,
Soe sijt des zeker ende ghewes,
U comen ende u henen keeren
Dat dat alte onghestadech es.
| | | |
Waer sach men noit hoefschen gast
480
Op aerme liede dus gheberen,
Ende makent al in ongherast
Al soude hijt alte male verteren?
Ghi sijt te coene alse gi wilt spelen,
Ghi cont u vriende wel verbliden.
485
Altenen en connen sijs niet gehelen
Alse gi wilt comen buten tiden.
Het schint dat hijs heeft goeden moet
Dat iegen hem niement en mach staen. 488
Hoe hi dan metten sinen doet,
490
Dat en dunct hem nemmer misdaen.
Consten wine eens soe vaste gevaen,
Hine en souts lichte soe vele niet bestan.
Diet hem woude wel betaelen.
495
En werre hi niet so groten heer,
Ons souts noch meer verdrieten,
Ende daer toe claghen vele meer.
Nu moet hi sijns selfs genieten.
Miserere nostri domine miserere
Ontfermt u mijns, lieve heer,
500
Want gi allene mijn noet bekent,
Dat ic mot leven in u eer, 501
Maer ic en leeve der minnen twint.
Dadic dat mi minne ghebiet,
Soe soudic mijn lief wel vinden.
505
Nu binnic ongestadech alse een riet
Dat daer waeit met allen winden.
Mijn ontbliven dat is soe groet,
Ic moet u minen commer claghen.
Ic blive onder mine bordene doet,
510
Ghi en hulpse mi selve draghen.
Haddic mijn herte in mijn bedwanc,
Ic souts u soe zeer doen minnen, 512
Mijn lief sous hebben hogen danc.
Nu laet mi God noch gewinnen.
| | | |
Fiat misericordia tua domine super nos
515
Doet an mi u ontfermhertecheit! 515
Ic hebs te doene, ghi wetet wel. 516
U wesen dat es ghenadecheit,
Daer omme mact mi te dochden snel.
Ic wille hopen in minen God:
520
Hi eest die mi trosten mach;
Maer ie breke dicke sijn gebot,
Van minnen wetic cleine gewach.
Ic wille draghen bliden moet:
Die minne salt noch al versien;
525
Mochtic noch hebben ter minnen spoet,
Mi soude noch van minnen goet gescien.
Vremden trost willic begheven 527
Ende laten dat cleine om al.
Al stervende vint men dat leeven,
530
Der doeder loen en es niet smal.
Soe wie wilt doeden die nature,
Het moet hem oosten vleesch ende bloet;
Het wert den meneghen wel te suere
Eer hise can bringhen onder voet.
535
Salich sijn si die also ghescreven sijn!
Sy selen altoes in Gode leeven,
Sy selen sien den blickenden schijn.
So wel hem die daer in sweven! 538
In te domine speravy
Wie dat hoept inden heer,
540
Die en wert nemmermeer confuus.
Soe wie wilt volgen sijnre leer,
hi sal wonen in sijns vader huus.
Daer is die vroude seker groet!
Sy en moghen nemmer meer begeeren.
545
Si eten daer dat hemelsche broet,
Hen blives meer dan sijs verteeren. 546
| | | |
Ach! mochtic vanden crumen hebben. 547
So soudic noch ghevullet sijn.
Maer ic gae ter aermer cribben,
550
+Al eest dat ic draghe den schijn.
Wat hulpen ons de snikelbrocken? 551
Daer luttel es, dats saen verdaen.
En es maer een suete locken,
Alse daermen den hase wylt vaen.
555
Wat hulpet datmen vele claghet?
Wy en hebbens nemmeer dan den goere,
Alse enen diemen zere jaghet
Met haesten voer eens beckers dore.
In het hs. op bl. 97a-100b, in twee kolommen geschreven; naast den eersten regel van elke strophe staat een rubriceeringsteeken; vermeld bij Mone, Übersicht, p. 170, onder Nr. 202. Mone zegt minder juist: ‘Beinahe jedes Wort mit einer vierzeiligen Strophe glossirt’. Er is geen kwestie van glosseeren; veeleer heeft men hier, naar het mij toeschijnt, een reeks lofzangen tot God, waarbij ieder vers van het Te Deum telkens tot uitgangspunt genomen is. Het op vele plaatsen fraaie gedicht is blijkbaar door een vrouw gemaakt (zie vs. 381) en wel door iemand uit de onmiddellijke omgeving van Jan van Ruusbroec: woorden als verwielen (vs. 7) en isticheit (vs. 14) zijn alleen bij hem en zijn geestelijken zoon Jan van Leeuwen te vinden.
| |
V
Merct dit herde wel ende hulpt uwer, zielen snel.
Een ieghelijc si op sijn hode altoes, 1
Want die werelt die es loes.
Haer genuchte es onsuverheit,
Haer raet hoverde ende gierecheit.
| | | | | | | |
5
Haer dienste es suete, haar loen es cranc;
Haer blaue es scone, haer vrucht es stanc.
Haer sekerheit es verradennisse,
Haer medecine es vergefnisse.
Haer gheloven dat es al lieghen,
10
Haer geleisten dats bedrieghen.
Voer blijsscap geeft sy groten rouwe,
Scande voer eer, loesheit vor trouwe.
Vor rijcheit geeft si aermode groet,
Ende voer ewelijc leeven, ewelijc doet.
15
Nu merct u nauwe ende huet u wel:
Die tijt es cort, de doet es snel.
Want alst comt ane dier stont
Dat u ziele lijt den mont,
Dan seldi loen na werken ontfaen.
20
Dat weder keeren, dat es ghedaen!
In het hs. op bl. 100b; vermeld bij Mone, Übersicht, p. 308, onder Nr. 490, 7). Mone geeft 24 verzen op, doordien hij een op zich zelf staande rijmspreuk, die verder volgt, medegeteld heeft.
| |
VI
Dit lieken maecte een riddere die convers was van onser oerdenen in Hollaent. bidt vor hem.
Al ben ic besmet met sonden,
Dine ghenade wil mi toe seynden,
Dat ic dit moet vol eynden,
10
Mijn herte dat maect breyt,
Ende storttet in minen sinne
| | | |
Och leyder, hoe sal ict beghinnen,
15
C omt te hulpen my minnen, 15
Soe wert mijn herte claer.
Mijn craecht wilt te breken
Ende alle mijn innicheyt,
Mijn herte wilt doer steken
O Jhesus suete minne etc. 21
Ontscluyt minre herten sinne,
Och Jhesus comt daer inne.
25
Verblijt al thuusghesinde.
Wiene hevet, die scluten vaste
Ende latene niet ontgaen. 27
Maech ons wel wille staen.
30
O Jhesus suete minne etc.
+Al in des hemels throne,
Of Jhesus daer niet en waere,
Soe en woudic woenen daer.
35
Int afgronde vander hellen,
Ende met Jhesum daer versellen
Ende sien sijn schoen anschijn.
40
Och Jhesus, en wilt niet merren,
Maer comt ende haest u zeer.
Dijn beyden doet my verwerren 42
Van binnen in lanc soe meer.
| | | |
Nu biddic u allen ghelike,
50
Nu helpt doch dencken my,
Oft hier of in hemelrike 51
Enich wordt soe suete sy.
Jhesus, melc inden monde,
Vele bat dan honich smaket.
Dien Jhesus int herte waeket.
Die scierheit van eertrike,
Ende alle der werelt spel,
60
Is Jhesum zeer onghelike,
Die der waerheit prueven wil.
Wie in Jhesum eene voncke
Alle die werelt sal hem duncken
65
Vele mijn dan wesen niet.
Niement sonder desen name
Der hellen mach ontvlien,
Want hemel ende eerde te samen
70
Jhesum Cristum moeten ontsien.
Die dat pec der hellen sughen
Ende met brande sijn ghevest,
Die moeten haer knien bughen
Als men Jhesum singt oft leest.
Dat die zee al incket ware
Elc sant een scrivere ware:
Die en mochten volscriven niet
80
Den na[ e]m in gheenre leye 80
Och nu laet ons screyen, 82
Dat wi van Jhesum sijn soe verre.
85
Want al dat leeft op erde
Van Jhesum dat leven ontfaet.
Die hemel nae groeter werde
| | | |
Daer es blisscap sonder einde
90
Ende die eweghe paeschedach;
Daer singht hi sonder einde
Die te vueren te screyen plach.
Alle die hemelsche scaere
Ende dat met groter lusten.
100
Sy en moegen nemme[.]r meer rusten 100
Al metter sonnen ghecleydt,
In haerre cronen blincken
Niement en mach dat voldencken
110
Die vroude die si heeft al daer.
Daer singhen die inghelen choeren,
Scherubin ende scheraphijn.
Daer maech men wonder horen
115
Van menigher stemmen fijn.
In soe menigherhande wijs
Dat niet te denchken en is.
Gaen vort met haesten zeer;
Vor Jhesus onsen lieven heer.
125
Sy hebben den rechten trede
Vor menich jaer gheleert,
| | | |
Sy singhen ende springhen mede,
130
Die iiij ewa[ ng]elisten 130
Boven goude schone ghecleedt, 131
Al daer van ghescreven steet,
135
Ende die Baptiste sente Jan,
Gheen man volgronden en can.
140
Die maket soe groete ghescael,
Dat moeghen hoeren wael. 142
Hy ruert die suete scnaeren 143
Voer Jhesum als hi plaech,
145
Dat hondert dusent jaeren
Daer schijnt mer enen dach.
Die propheten ende patrierken,
Met purperen byssen ghecleyt,
Sy verbliden hem sonder beyden
Vor Jhesum, haren troest,
Die daer inder hellen screyen,
155
Daerse Jhesus [ heeft] uut verloest. 155
Die apostelen blincken groene
Vele schoenre dan enich samit:
Dat meynt haer vroude schoene,
160
Die nemmermeer en wert besmet.
| | | |
+Die riddere ende maertelaeren,
Bloeyen sy in haeren schaeren,
Ende driven blijscap groet.
170
Sy spelen in vieregher minnen
Vor Jhesum tot alre tijt,
Dat alle themelsche ghesinne
Daer af is zeer verblijt.
Die hebben der vrouden veel; 176
Sy blincken in haeren choeren
Vele sconre dan blauw fuweel. 178
180
Haren sachten stadegen moet:
Sijn si voer Gode groet. 182
Die ermiten ende monnicken
P[ r]iesteren ende canonnicken 186
Ende singhen Jhesum loef.
190
Alle die sijn in hemelrike 190
Die mechden met reinen zeden
Die clemmen dan hoechsten grat.
195
Sy gaen na Jhesum treden,
Sy blincken inden throene
Soe reine ende claere wit,
| | | |
Daer en was nie lelie soe schone,
200
Sy en was daer by besmet.
In soe menigherhande wijs,
Singhen ende discanteren,
205
Dat niet te dencken en es.
Soe hort men in dat choer,
Die singhen daer selve voer.
Dat ghetaal es sonder maten
Van soe menigherhande staten,
Dat niet te scriven en waer.
Van allen consten gheleert,
Daer Jhesus al dat gheeft
Dat men mach dencken oft spreken,
Al wonden sy inden gront der hellen,
225
Rechte vort so waren sy daer.
Nochtan souden si sonder quellen
Daer scouwen Jhesum claer.
+Eelken duncket int ghemeyne
230
Dat Jhesus hem mijnt soe zeere, 230
Recht oft hijt waere allene.
Och wat es wonders meere!
Elc mijnt die vroude claer
Die hi inden anderen siet;
Soe es hi daer in verblijdt.
O Jhesam zuete minne etc.
| | | |
240
Dat en soude in gheenen sin[ n]e 240
Volscriven [ in] gheenre wijs 241
Eenen graet der minster vrouden
Die de nederste daer plien.
Nochtan en es niement, hi en soude
245
Boven al dit Jhesum sien.
O Jhesum zuete minne etc.
Die maech hem spieghelen claer. 248
‘O lieve zuet[ e] Jhesus, 251
Sanctus, sanctus, sanctus,
Nu beghint mijn macht te crencken
Mijn herte van minnen bevet,
Als ic te gronde wil dencken
260
Met soe wonderliken goede
Al na hem selven ghewroecht,
Ende met sinen dieren bloede
Tot deser vrouden ghecoecht.
O Jhesum zuete minne etc.
Van Jhesum, dien ic soechte.
My duncket dat hi bi my sy.
Dat herte wilt mi ontsincken,
270
Ende en weet waer heenen gaen,
Want hi comt ende wilt my schincken
Den sueten hemelschen traen.
My duncket ic hebbe vernomen
| | | |
Ic sie te hulpen comen 276
Wel op ende laet [ ons] springhen 278
280
Ende met allen inghelen singhen
Ende die werelt gans versmaen.
O Jhesum zuete minne etc.
+ Wat selen wy in dese elleinde?
285
Soe moeghen wi sonder einde
Met alle den inghelen schooen,
Wanneer ons herte sal breken,
Dat wy dan met vrouden spreken: 298
Ghebenedijt soe sy Jhesus! amen.
Die repeticie die salmen segghen op[.]
Mijn herte dat maect breyt, 301
Ende storttet in minen sinne
Dine suete theghenwordicheyt!
In het hs. op bl. 103a -105b; vermeld bij Mone, Übersicht, p. 155, onder Nr. 166. De waarde en het belang van het in vele opzichten fraaie lied worden in niet geringe mate vergroot, doordien de tekst vergezeld gaat van de muziek, waarvan een
| | | | facsimile hierbij gevoegd is. Daaraan kan men tevens zien hoe het lied in het handschrift staat: steeds twee verzen op een regel; de aanvangswoorden van de repeticie, van het refrein, zooals we nu zeggen, zijn altijd rood onderstreept; aan 't begin van elke strophe staat een rood rubriceeringsteeken. De herhaling van het opschrift is afkomstig van iemand die, toen de codex verbonden werd, alles wat door het afsnijden dreigde verloren te gaan (en op verschillende plaatsen in het handschrift ook werkelijk verloren ging) bijtijds nog eens overschreef. Vermoedelijk is dat geschied in 1573, in welk jaar het handschrift aan het klooster Galilee te Gent geschonken werd door den rector Jan Stevens, al dient erkend te worden dat het schrift van dien aard is, dat het ook bijna een kwart eeuw vroeger kan geschied zijn.
Het lied, waarvoor de dichter op uitnemende wijze partij heeft getrokken van hetgeen de kerkvaders over de hemelsche vreugden leerden, komt ook voor in hs. II 111 op de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, bl. 78a tot 80b. Dit handschrift, 146 mm. hoog bij 111 breed, geschreven op perkament en papier in de eerste jaren der 15de eeuw, is gevuld met werken van en uittreksels uit kerkvaders in het oorspronkelijk Latijn, en bevat, behalve dit lied, geen ander Nederlandsch dan een paar dicta patrum uit S. Gregorius en S. Bernardus. Blijkens aanteekeningen voor- en achteraan, heeft het behoord tot de boekerij van het klooster Bethleem nabij Leuven. De Brusselsche Bibliotheek kocht het in 1873, voor 28 frank (nog geen 14 gulden), uit de nalatenschap van Serrure1), die het in 1833 voor 5 frank gekocht had uit de nalatenschap van J.F. van de Velde2), den bekenden bibliothecaris der hoogeschool te Leuven (Serrure zelf heeft op bl. 1b geschreven: Cat. Van de Velde Nr. 15127).
| | | | In dit handschrift zijn de verzen van het lied doorloopend achtereen geschreven, met dien verstande dat voor elke strophe een nieuwen regel begonnen werd. Alleen in de twee eerste strophen zijn de verzen door een punt van elkaar gescheiden. Het opschrift ontbreekt. De varianten, welke de tekst van dít handschrift oplevert, worden hierachter medegedeeld.
Ook Mone vermeldt een tweeden tekst van ons lied, met deze woorden: ‘Dasselbe Lied steht in einem Gebetbuch in Duodez, des 14. Jahrh., welches Serrure in Gent besitzt, worin es in fortlaufenden Zeilen geschrieben ist. Diese Hs. gibt bessere Lesarten, z.B. Vers 5 wilt. 10 bereit. 11 stort; aber auch slechtere, V. 7. dat-volbringhen.’
Me dunkt, na het bovenstaande over de inrichting en de lotgevallen van het handschrift, en gelet op de varianten, hoeven we niet langer te twijfelen of het door Mone bedoelde tweede handschrift is hs. Brussel II 111 zelf.
De waarde en het belang van dit lied zijn niet alleen van aesthetischen, maar ook van geschiedkundigen aard: het komt nl. ook voor in het Devoot ende Profitelyck Boecxken door Simon Cock mi 1539 te Antwerpen uitgegeven, onder Nr. 4, maar 1o met een andere repeticie; 2o zonder de twaalf eerste strophen; 3o met eene andere melodie1). Daardoor wordt een eigenaardig licht geworpen op de geschiedenis van het lied zelf, dat in 't begin der 16de eeuw, wie weet sedert hoe lang, bekend was in een lezing, waaraan het fraaiste gedeelte ontbrak; en op de samenstelling van het Devoot ende Profitelyck Boecxken: wellicht heeft de verzamelaar tekst en melodie zoo gevonden of gekregen; misschien heeft hij op den tekst de melodie van ‘Solaes wil ic hanteren’ toegepast.
| |
| | | |
Varianten naar hs. II 111 op de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.
2 Soe coemt te hulpen 5 Dijn gh. wilt mi toeseinden 6 crist in het hs. voluit 7 dat moghe volbringhen 9 suete 10 bereit 11 stort 12 Dijn teghenwoerdicheit De aanwijzing boven de ‘repeticie’ ontbreekt.
13 Ach leider h. salic dit b. 14 is mi 15 Coemt Jhesus leert mi minnen 17 M. cracht wel te b. 18 al mijn innicheit 20 dijnre sueticheit 21 O Jhesu suete
22 Ontsluyt mijnre hertes. 23 daer in 25 Verblijdt al thuysghesin 26 Wien heeft die sluten vast 27 laten 28 Tot selken l. gast 20 Salmen te moete gaen 30 ontbreekt.
31 troene 32 waer 34 Soe woudic 35 afgront 38 s. suete aenschijn 39 O Jhesu
40 Ach Jhesu wilt n.m. 41 Mer coemt e.h. di z. 42 D. beiden d. mi v. 43 soe lanc s.m. 44 mi 46 bi di bl. 47 M. suete m. 48 O Jhesu suete m.
49 al ghelike 50 mi 51 Of h. of in h. 52 Eenich woerd 53 Jhesus smelt inden m. 54 smaect 55 Salich 56 waect 57 O Jhesu suete m.
58 Die cierheit van al eertrike 59 al der werelt 60 Is Jhesu seer ontlike 61 proeven 62 een v. 64 Al die w. 65 Veel min 66 ontbreekt.
69 te ontbreekt. 70 moet ontsien 71 Diet pec 72 bevest 74 of least 75 O Jhesu suete
76 al ent 78 scriver 80 name in gh. leyden 83 van ontbreekt. 84 ontbreekt.
85 eerden 87 in gr. weerden 89 D. is bliscap s. eynde 90 E. eweghe paeschdach 90 D. singt h.s. eynde 92 Die te voren weenen plach 93 O Jhesu
94 clare 95 In sijnre driuewldicheit (sic) 96 Al die h. scare 97 H. lof e. eere seit 98 groeter 100 Si en moghen nemmermeer r. 101 Noch loven worden sat 102 O Jhesu suete
103 scoene 104 sonnen cleet 105 groeten 106 steet 107
| | | | In haer croene 109 N. dat mach v. 110 al ontbr. 111 O Jhesu
112 enghelen 113 Cherubin e. seraphin 114 D. machmen w. hoeren 115 menegher 116 Ende sp. die melodien 117 menegherhander 119 dencken 120 O Jhesu
121 Vier ende twintich oude coene 122 G. voert m.h. seer 123 Ende o. haer c. 124 Vor Jhesum onsen heer 125 Ende houden rechten trede 126 Voer meneghen jare gheleert 127 Si singhen springhen m. 128 Op dat Jhesus sy gh. 129 O Jhesu
130 ewangelisten 131 scone 132 wonderliken lusten 133 Als daer af 134 Verbliden hen (voluit) soe sere 135 sinte 138 O Jhesu
139 David m. sijnre h. 140 Die maect soe groten ghescal 141 stede 142 Moghen hoeren over al 143 Hi roert die suete snaren 144 plach 145 jaren 146 scinen met (sic) enen d. 147 ontbreekt.
148 Propheten e. patriarcken 149 M.p. bisse ghecleet 150 arken 152 Si vervrouden sonder beiden 153 Voer 154 Die neder inder h. screyden (verbeterd uit screyen) 155 heeft uut v. 156 ontbreekt.
158 Veel scoenre d.e. samijt 159 Datmen haer vr. scoene 160 en ontbreekt. 161 Si m.d. melodie 163 marie 164 gherne 165 ontbreekt.
166 Ridders e. mertelaren 167 roese roet 168 Bloyen in haren scaren 169 bliscap 170 Si 171 Voer Jh. tot alle t. 172 alle hemelsche ghes. 173 sere 174 ontbreekt.
175 heyleghen 176 daer vrouden veel 177 Si bl. in haren troen 178 Vele scoenre d. blau flueel 179 Uut blaeu soe suldi merken 180 stadeghen 181 woerden 183 ontbreekt.
184 Heremiten e. moncken 186 Hoeren m. in d. ghet. 186 Priesters e. canoncke 188 Ende dienen soe eersamelike 189 lof 190 Al die 191 Benuwen sich daer af 192 ontbreekt.
193 Die joncfrouwen m. reynen seden 194 clymmen d.h. groet (sic) 195 Ende 197 Si bl. i. troene 198 reyne e. claer wit 199 Daer was nie lilie s. scoene 200 Si en w.d. bi b. 201 ontbreekt.
| | | |
202 jubileren 203 menegherh. 205 is 206 melodien 207 hoertmen 210 ontbreekt.
211 D. ghetal is s. mate 213 menegherh. 215 ghemeene 2l7 Mer (in het hs. voluit) Jhesus alleene 218 Die al dit sp. r. 219 ontbreekt.
221 al dit 222 Datmen dencken mach of spr. 223 Eest dat na willen heeft 224 Al w. si int gront d.h. 225 Rechtvoert soe w. si d. 226 Noch souden si s. qu. 228 ontbreekt.
229 Elken dunct int ghemeene 230 Dat Jhesus h. mint soe sere 231 Oft h. waer alleene 232 is 233 mint d.v. clare 234 in anderen 235 sy s.s. ware 236 S. is hi d. in verblijdt 237 ontbreekt.
238 Al dat 239 V. adam c. is 240 Dat soude in gh. sinne 241 V. in gheenre wijs 242 graed 243 Die die n. 244 nochtan es niement 246 ontbreekt.
247 alleene 248 mach spieghelen cl. 249 Alle dinghen ghemeene 250 si 251 suete 252 Nu wes ghebenedijt 254 alre tijt 255 ontbreekt.
257 beeft 259 mi hier heeft 261 Al na h.s. wracht 263 T.d.v. cocht 264 ontbreekt.
265 Als ic d. overdochte 266 S. voeldic dat in mi 267 Want Jhesum d. ic sochte 268 Mi dunct dat bi mi sy 270 Ic en weet w. henen g. 271 Want Jhesus coemt wilt ghedencken 272 Den hemelschen sueten tr. 273 ontbreekt.
274 Mi dunct ic heb vern. 278 ende ontbreekt. 279 Ende Jhesus omvaen 280 E. metten enghelen s. 281 E.d.w. al versmaen 282 ontbreekt.
283 W.s. wi in deser ellende 284 Na (sic) 285 S. moghen wi s. eynde 286 soete 287 sueter 288 M. alden enghelen scoen 289 A. ghebenedien 290 troen 291 ontbreekt.
292 O ontbreekt. 293 wi 294 vrien 295 W. si sceiden s. 297 So helpe o.d.a. 298 D. wi met vr. dan spreken 300-303 met hun opschrift ontbreken.
|
1)Zie eene uitvoeriger beschrijving van den codex in mijne Handschriften van Jan van Ruusbroec's werken, onder N r. 75 (tweede stuk, blz. 565 vlgg.).
16speel in het hs. aldus.
19hulp[.]ghecrite hs.: hulpt ghecrite.
3Er staat in het hs. duidelijk Cnſ De tweede tekst bij Blommaert heeft Claer dat si enz.; men lette er verder op dat Blanketten in 't Mnl. Wdb. niet opgenomen is.
5scley pen hs.: scleyten ( deze vormen met sc in den anlaut zijn talrijk in dit hs.)
13daaraan gaat vooraf, doch doorgehaald: souden met rechte gheen vonnisse gheeven.
2Opschrift. mari s hs.: maria niet ontwee. Er wordt blijkbaar bedoeld: gaaf, ‘ongeschonden’, ‘onbevlekt’, zuiver.
10Dit vers is blijkbaar overgeslagen.
17Ik begrijp niet wat dat vers hier komt doen; het. behoort niet tot den context. Zie ook beneden op vs. 26 vlgg.
22Vóór puer een uitgekraste p
24siende [...] jhesus anschijn hs.: siende mogen jhesus anschijn. Het ww. mogen is er te veel en blijkbaar een vergissing van den kopiïst, veroorzaakt door datzelfde woord in 't volgende vers.
26vlgg. Hier is blijkbaar op de eene of andere wijze geknoeid. Ik vermoed dat vs. 17 hier op de eene of andere wijze bij behoort.
1Opschrift vóór vs. domin um hs.: domine
10zaken door een jongere hand verbeterd in zalen, blijkens het rijm ten onrechte.
14Boven isticheit in de andere hand: ewicheit
27aenstaren staat nog niet in 't Mnl. Wdb.
47hem in het hs. voluit ( dit wordt alleen vermeld voor den meervoudsvorm, daar in 't enkelvoud hem alleen mogelijk is).
74wederhaect = van we( d) erhaken voorzien
91mintene hs.: mintene Opschrift vóór
97apostol orum hs.: apostolen ( de volledige tekst luidt: Te gloriosus Apostolorum chorus ... laudat)
113vernuft Zooals uit deze plaats ten overvloede blijkt, is vernuft reeds in de 14 de eeuw bekend, en dus niet ‘eerst vroeg nnl.’; het woord komt o.a. nog voor Tien Plaghen vss. 1 en 2341; bij Ruusbroec is vernuftich gewoon. Het is niet onwaarschijnlijk dat het woord door de mystieken is in zwang gebracht, daar ook vernunft bij Duitsche mystieken zeer gebruikelijk was.
117Vóór lieve: een te vroeg geschreven maerte met robrik doorgehaald.
119hem in het hs. voluit. Opschrift vóór
146,hem in het hs. voluit.
148,hem in het hs. voluit.
161suete de s is met de robrik van 't voorafgaande O bedekt
175vóór grote: ghe maar zwart doorgehaald.
176hem in het hs. voluit.
179ue[.]re hs.: veere d.i. ueere
187dooer verg. beneden blz. 316.
199hem in het hs. voluit.
200Er ontbreekt blijkbaar iets in dit vers. Lees God laet (= laet et) ons oec ghewinnen?
205laet de a verbeterd uit e
227ballinc de i verbeterd uit e
233Vrou we hs.: Vroude Dat er Vrouwe vereischt wordt, blijkt uit de volgende verzen: het is duidelijk dat Maria aangeroepen wordt.
244ich in het hs. aldus. - Vóór vlien: vll verbeterd uit vil, maar zwart doorgehaald.
248vloeie aan de laatste letter is geknoeid, ze staat althans op ratuur. - vloede de v verbeterd uit een b Opschrift vóór vs.
249Vóór dextram: pa rood doorgehaald.
255Dit vers is door den kopiïst overgeslagen en door een andere hand in margine bijgeschreven; door het afsnijden is de O van Op en de g van ghewelt weggevallen.
264hem in het hs. voluit.
282[es] niet in het hs. Opschrift vóór vs.
285:ques umus hs.: quesimus
294openbaer hs.: open baer
299hoe[ c]hste hs.: hoehste
314minen hs.: mīnē Opschrift vóór vs.
317Etern a hs.: Eternus ( de volledige tekst luidt: Aeterna fac ... in gloria numerari)
324leghen verbeterd uit legghen: de eerste g is uitgekrast.
332hy verbeterd uit he Opschrift vóór vs.
357Men lette er op dat deze twee verzen, die een volledigen zin uitmaken, op elkander rijmen, en dus niet het eerste en tweede vers kunnen zijn van een strofe waarvan de twee andere ontbreken. Zou het een rijmspreuk zijn die den kopiïst onder 't schrijven der twee voorgaande verzen inviel?
358Men lette er op dat deze twee verzen, die een volledigen zin uitmaken, op elkander rijmen, en dus niet het eerste en tweede vers kunnen zijn van een strofe waarvan de twee andere ontbreken. Zou het een rijmspreuk zijn die den kopiïst onder 't schrijven der twee voorgaande verzen inviel?
381scamel de a is verbeterd uit e
395rechte boven op herten dat zwart doorgehaald is.
415breien door den kopiïst zelf verbeterd uit breiden: de d is doorgehaald en geëxpungeerd.
417en 418 zijn door den kopiïst overgeslagen maar door een andere hand evenals vs. 250, in margine bijgeschreven; daarenboven zijn ze in de 16 de eeuw nogmaals bijgeschreven, nl. tusschen vss. 417 en 420.
421ghene Misschien staat er gheene; in elk geval staat dan het eerste been der n op de tweede e
459goedert[ i]erenheit hs.: eerst goederterenheit, en dit verbeterd in goedertierenheit, waarna de boven -ter- bijgeschreven i weer werd uitgekrast.
467Ghi aanvankelijk vergeten, maar naderhand door den kopiïst zelf vóór het vers bijgeschreven.
488niement eerst iement, maar boven ie- heeft de kopiïst zelf bijgeschreven ni
492ontbreekt, en dit is aangewezen door een rood kruis in margine; het ontbrak dus blijkbaar ook in het voorbeeld van den kopiïst.
501leven daar de e van le- niet zeer' duidelijk was, is er een andere bovenop geschreven.
512Ic souts eerst vergeten, maar naderhand door den kopiïst vóór het vers bijgeschreven
515Opschrift vóór vs. : vóór tua een te vroeg geschreven do en vóór super een dergelijk si ( begin van super) met een korte s; maar telkens rood doorgehaald
516te verbeterd uit ee: de t boven op de eerste e
527trost verbeterd uit troste: de e, die niet heelemaal afgemaakt is, is zwart doorgehaald.
538hem in het hs. voluit.
546Hen in het hs. voluit.
547mochtic de m op een of meer andere letters; voor de duidelijkheid heeft de kopiïst het geheele woord nog eens tusschen de regels bijgeschreven.
551snikelbrocken zie b.v. Kil.
1altoes aldus afgekort: alto9. Dit gebruik van het teeken 9 als verkorting voor es is zeer zeldzaam; een enkele maal nog heb ik het aangetroffen, nl. in hs. 6838 1
op de Bibliothèque Nationale te Parijs, waarin op bl. 154 a des ( genitief van die) is afgekort d 9 ( zie mijne Middelnederlandsche Geneeskundige Recepten en Tractaten, p. 127).
7dit boven op moet dat geëxṗungeerd is.
21vóór jhesus: suete doch doorgehaald.
27Boven den regel is tusschen latene en niet bijgeschreven: hem, maar naar het mij voorkomt is het woordje onmiddellijk nadat het geschreven was, met den vinger uitgewischt.
42Het is haast niet uit te maken of er in 't hs. doot of doet staat; de o en e zijn zeer vaak moeilijk te onderscheiden.
100nemme[.]r hs.: nemmeer
130ewa[ ng]elisten hs.: ewadelisten
131schone: de n op ratuur.
142Vóór hoeren: wael doch doorgehaald.
143Tusschen die en suete een ratuur, oogenschijnlijk van scn, de eerste letters van 't weldra volgende scnaeren
155[ heeft] niet in het hs.
167rooet: aldus in het hs.; de spelling ooe komt in dit en andere Brabantsche handschriften meer voor.
176der in het hs. voluit.
186P[ r]iesteren hs.: Piesteren
190sijn hs.: s  n
191hen in het hs. voluit.
248spieghelen verbeterd uit spieghen: -lē boven op de slot-n bijgeschreven.
276sie de i op een ratuur waarvan nog een en ander over is, zóó dat er meer dan sie schijnt te staan.
278op verbeterd uit en̄; het verkortingsteeken boven de oorspronkelijke n is gebleven - [ ons] niet in het hs.
298Tusschen vrouden en spreken boven den regel bijgeschreven: dan maar weer doorgehaald. Opschrift der repeticie op[.] hs.: opt
1)Zie den catalogus der auctie-Serrure, onder N r. 2065. Daar wordt gezegd dat het hs. verscheidene geestelijke gedichten, o.a. het hier uitgegeven lied, bevat; doch dit is onjuist.
2)Zie den catalogus der auctie-J.F. van de Velde, onder N r. 15127, met bijbehoorende lijst der besteedde prijzen.
1)Zie de ed. Scheurleer, blz. 21.
|
|