Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20. E.J. Brill, Leiden 1901  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Koek en ei.

Bekend is nu, dat de uitdrukking koek en ei zijn reeds in de 17de eeuw bestond; of desalniettemin kan gezegd worden, dat ze onverbasterd is overgeleverd, is nog de vraag. In een traktaatje, voorkomende in een handschrift op het Historisch Archief te Keulen, gemerkt G.B. 8o 65, dat in de tweede helft der 15de eeuw geschreven werd (ca. 1470), leest men bl. 52 a-b:

‘Wy souden gherne alle te hemelrike comen Ende groten loen hebben, Maer wy moghen qualike om gode lide ende arbeiden. Wy souden gherne onderwilen oetmoedich sijn, Maer wy laten node onsen eyghenen wille Ende wy moghen qualic liden versmaetheit ende armoede Ende yeghenheit. Wy souden gherne arem sijn ende ghenoegh hebben, Wy souden gherne reyne sijn, Maer wy laten node onse quode [sic] ghenuchte, Ende doen node penitensie. Wy souden gherne gode mynnen Ende onsen even kersten, Maer wy en willen ons selven neit haten Noch onser synnen sterven, Noch ertsche dineghen begheven. Ende dit en mach neit te ghader staen. Wi en moghen neit hebben koeke ende ey, Wij en moghen neit hebben onsen wille op erterike Ende die eweghe blijtschap in hemelrike’ enz.

Uit deze passage schijnt te blijken, dat men oorspronkelijk gezegd heeft: koek en ei hebben, d.w.z. alles hebben wat men verlangt, en dat is, dunkt me, ook beter te begrijpen: koek te eten hebben is al wat extra's3) en dan nog een ei er bij! Of is koek en ei een bepaald gerecht geweest, een koek waarbij een ei behoorde. Daaruit zou koek en ei zijn misschien nog eer ontstaan zijn; uit de beteekenis bij elkander hooren, kon wel voortkomen: onafscheidelijk zijn, het met elkander eens zijn, twee handen op een buik(je) zijn. Aan ‘onafscheidelijk zijn, evenals koek en ei in een eierkoek’ te denken, zooals Dr. Stoett in

[p. 247]

zijne Nederlandsche spreekwoorden wil, schijnt onmogelijk: in een eierkoek is er géén koek en ei, maar de deeg, het ‘beslag’, waarin eieren zijn, is tot een koek gebakken.

Het wil me nu ook voorkomen, dat de plaats uit Wildschut, in Tijdschr. 10, 304 aangehaald, nu niet meer zoo zonderling schijnt. Er moet van de oorspronkelijke uitdrukking koek en ei hebben nog tot in de 18de eeuw iets overgebleven zijn, want de bedoeling is duidelijk: ‘Betje is bij Oom alles.’

 

w.l. de vreese.