Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20. E.J. Brill, Leiden 1901  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Mnl. blissem, blixene, blixeme enz.

Ter benaming van ‘fulgur’ bezit het Mnl. een groote verscheidenheid van vormen:

blissem Natuurk. 639 v., 760 v., 761 v., 774 v., 809 v.;

blixen(e) Natuurk. 774, Salc e. cl. 10, Ruusbr. 4, 100, 101, Nat. bl. 8, 445 v., 12, 745 v., Alex. 3, 1242 (vgl. ook blixien Nat. bl. 12, 973 v., vermoedelijk schrijffout voor blixen), -enen Ruusbr. 4, 55 v.;

blixem(e) Natuurk. 639 en v., 732 v., 760 v., 761 en v., 774 v., 809 v., Nat. bl. 12, 297, 973, -emen Ruusbr. 4, 55, blixme 732 (vgl. ook blixine Nat. bl. 12, 297 v., vermoedelijk schrijffout voor blixme), blixome Natuurk. 774 v., 761 v., 797 v., 809 v. en blixom Bern. Serm. 102 b met een zeldzame spelling o der onduidelijke vocaal vóór m (vgl. deysoms aangehaald in 't Mnl. wb. 2, 138);

[p. 305]

blexem(e) Wal. 1018, Natuurk. 760, 797, 809, Nat. bl. 8, 445 v.; 12, 297 v., 745, 973 v., Rijmb. 4246, -emen Rijmb. 5795, blexme Natuurk. 732 v.;

blessem Natuurk. 797 v. en blessene ib. 732 v.

Blissem berust op een tot de familie os. blīcan, ags. blícan, ohd. blīhhan coruscare, ohd. mhd. blic fulgur (vgl. oudslov. bliskati ‘fonkelen’ uit *bligskati? volgens Kluges Et. Wtb. i.v. bleichen) behoorend, door middel van een mannelijk suffix -sman (vgl. Kluge, Nomin. Stammbild. § 154) afgeleid *blihsmo (de oude g, waaruit door klankverschuiving de k van blīcan enz., was vóór de s van 't suffix tot k verscherpt en daarna bij het in werking treden der klankverschuiving een scherpe, naar de oude Germ. orthographie door h voorgestelde spirans geworden): dit *blihsmo moest volgens een bekende oudwestgermaansche klankwet, nam. synkope der spirans h vóór s + consonant (vgl. Paul en Braunes Beiträge 7, 193 vlgg.), *blismo worden, waaruit door verdubbeling der consonant vóór m en ontwikkeling eener anorganische vocaal vóór m ons blissem (vgl. mnl. bessem, bloeseme, broeseme ‘brok’, deesem, met s ter voorstelling der nog thans gesproken ss, en ags. besma, blōsma uit *besmo, *blōsmo, os. brōsmo, ohd. deismo.

Den grondslag van blixen(e) vormt een tot dezelfde familie blic enz. of tot de door ϕλέγειν ‘branden’ c.s. vertegenwoordigde behoorend en met een vrouwelijke uitgang -isnō (vgl. Kluge, Nomin. stammbild. § 86) afgeleid derivatum *blikisna (bij herkomst van een wortel bhleg, verschoven blek, ontwikkeling der i onder invloed der i des uitgangs), dat we in de Lipsiaansche glossen 121 als plur. = ‘fulgura’ aantreffen (in het hs. staat een verschreven blikisni) en dat eveneens terug te vinden is in den gen. sg. blicsniun van den Hēliand (Cott.) 5808, waarvoor blicisnun dient te worden gelezen (Sievers' verandering in blicsmun is af te keuren, dewijl den gen. sg. van een met -smo gevormd, dus mannelijk nomen geen uitgang -un, maar -en, -on of -an zou toekomen, vgl. Holthausens As. gramm. § 308); door metathesis trad voor -is- des uitgangs -si- in de plaats, van-

[p. 306]

waar blixen(e), dat als zoodanig te vergelijken is met de mnl. vormen alsene, elsene ‘schoenmakersels’, seisene ‘zeis’ uit een oorspr. *alasna, *alisna, *segasna (vgl. de ohd. vormen met een door een andere metathesis ontwikkeld suffix -ansa alansa, segansa en z. ook nog Kluge t.a. pl.).

Voor het ontstaan van blixem(e) uit blissem(e) is aan de werking van twee factoren te denken: aan den invloed van blixene en aan dien van het ww. blicken ‘schitteren’ (vgl. ook mnd. blixeme, blixene en blicken ‘schitteren’, waarnaast volgens 't Mnd. wb. geen blissem meer in gebruik was).

Voor de ontwikkeling der e van blexem(e) is de vocaal aansprakelijk te stellen van den naast blicken gebezigden mnl. wisselvorm blecken (= ohd. plecchen fulgere, waarnaast plicchen fulgere = mhd. mnd. mnl. blicken m. gel. bet.).

In blessem en blessene ontstond de e naar 't voorbeeld van blexem(e) naast blixem(e).

Natuurlijk is het in verband met het aangetoonde niet te verwachten, dat de vormen op -em(e) hun oorspronkelijk mannelijk, die op -en(e) hun oorspronkelijk vrouwelijk genus getrouw bewaard hebben. We vinden inderdaad onder de bovengemelde citaten naast van dien (den) blixme, blexme, blixeme Natuurk. 732 en varr. en gene blixene nom. sg. Nat. bl. 8, 445 v. (welks gene evenwel geen absoluut bewijs levert voor het fem. genus, vgl. Mnl. Sprkk. § 367b) ook van den blessene Natuurk. 732 v. en gheene blexeme nom. sg. Nat. 8, 445 v., ter blexeme, der blixome, in de blessem Natuurk. 797 en varr. (voor het ontstaan der feminina op -eme was natuurlijk behalve de bedoelde verwarringsfactor ook de in § 285 der Mnl. Sprkk. besprokene werkzaam).

 

w.l. van helten.