Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21. E.J. Brill, Leiden 1902  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 38]

Bijdragen tot de kennis der uit het Frans overgenomen woorden in het Nederlands1).

De franse i in het Nederlands.

I. Gevolgd door één medeklinker, een klinker, of geplaatst aan het einde van het woord.

In deze positie blijft de fr. i ten onzent i of wel wordt, met de germ. î, gediftongeerd tot èi; in enkele woorden is hij, door dissimilatie, veranderd tot e; over dit laatste geval heb ik elders gesproken.2)

Hij wordt op de volgende manieren geschreven:

1. in open sillaben i, 2. in gesloten sillaben ii, ij, 3. vóór klinker i (y) of ij 4. ei 5. ie. Van deze schrijfwijzen zijn alleen ei en ie doorzichtig; i en ij daarentegen kunnen, in de Middeleeuwen altans, even goed de klank i als èi hebben weergegeven3), en daar de overgrote meerderheid der woorden met i of ij worden geschreven, moet men, om te weten of in een woord i is veranderd in èi, te rade gaan met de hedendaagse taal. Alleen voor de uitspraak der 3de periode kan men uit de ortografie van Kiliaen konklusies trekken.

Dat deze een onderscheid in klank kenmerkt door de schrijfwijzen ij en i, blijkt uit de volgende dubbelvormen die hij geeft: advijs-advis, galetijn-gelatine, sijs-sis, trijpe-tripe; juist omdat die doubletten zoo zeldzaam bij hem zijn, moet men aannemen dat zij niet alleen in ortografie verschillen. Zodat wij bij hem een ij als èi, en een i als i moeten lezen. Deze laatste klank drukt hij uit door y: 1) soms in de uitgang ie: enfanterye,

[p. 39]

gendarmerye, saillye, companye; 2) in amys, capelyne, 3) voor gr. v in apocryph. Dat die woorden met i moeten worden gelezen is duidelik: het zijn zeer ongewone termen, die zich blijkbaar niet aan de hollandse uitspraak hebben aangepast.

A. De overgenomen woorden.

1e groep. De franse i is èi geworden.

De diftongering kan blijken: 1. uit de tegenwoordige uitspraak, 2. uit de schrijfwijze ei.

1. alexandrijn 4, begijn 1, bombazijn 3, dolfijn 1, fijn 1, florijn 2, hermelijn 2, Jacobijn 1, jasmijn 2, kalamijn(steen) 3, karabijn 3, kozijn 2, mijn 1, paladijn 4,1) patijn 3, robijn 1, rosmarijn 4, sardijn 1, satijn 3, segrijn 4, serpentijn 1, termijn 1, terpentijn 2, venijn 1;

factorij 3, harpij 1, kandij 4, karwij 2, loterij 3,2) malvezij 2,3) partij 1, pelterij 3, specerij 2;4)

appetijt 1, (de)spijt 1, konfijt 2, kwijt 1;

anijs 2, paradijs 1, patrijs 1, prijs 1, radijs 3; brijzelen 2;5) bijbel 1, trijp 2, vijver 2.

 

2. De schrijfwijze ei, beantwoordende aan fr. i, heb ik aangetroffen in de volgende woorden:

[p. 40]

A. naast i in: fein (één voorbeeld, Lanc. II, 37862), fronsein 2, galmein 4, parchemein 3.

B. als enige spelling in: ceiser 1 (tseiserne 2), feiferen 3, schalmei 21).

2e groep. De franse i is niet veranderd.

1e en 2e periode. Alleen wanneer een woord met ie wordt geschreven, weten wij zeker dat i er niet èi is geworden.

A. Met i, ii en met ie komen voor: barbarijn 1 barbarien 1, engin 1 (: pinen) engien 1 (: gesien), crappaudiene 1 -ine 1, mattiene 1 mattine 2, priemtijt 1 prijmtijt 1, schrijn 1 schrien 22).

B. Uitsluitend met ie worden geschreven: alle i's vóór r; Sisiele 1 (Ro.), Margriet 1 (vrouwenaam; als gemeen znw. komt in deze periode margrijt voor), mielge 1 (ofr. milie)3).

3e en 4e periode. Ook voor de tot deze afdeling behorende woorden heeft natuurlik de schrijfwijze ie bewijskracht. Doch bovendien mogen wij hier opnemen die welke Kiliaen met i of y schrijft, daar deze tekens in het Etymologicum de klank i weergeven4).

assaisine 3, capelyne 3, contramine 4, opinie 3, pelerine 4, ruine 3, saisine 3, sappine 3.

[p. 41]

alcumye 3, amye 3, companye 3, enfanterye 3, gendarmerye 3, filosofie 4, saillye 3, sortie 4, symonie 4 enz. enz. (in de 4e periode zeer talrijk)1);

crediet 3, cubit 3, graniet 4, limiet 3, redit 3;

bries 4, complice 3, devies 3, haschis 4, lambris 3, markies 3, petitie 3, precies 3, propice 3, surplis 3, valies 4, apocrief 3, corrosif 3, definitief 3, excessief 3, perspective 3, portatif 3, positief 3, preservatief 3, recreatief 3;

fistike 3, kliek 4, kritiek 4, mozaiek 4, piek 3 (‘wrok’), politiek 4, publiek 3;

crieme 3, intiem 4, legitime 3, maxime 3, mimime 3;

discipel 3, visibel 32).

guide 3, liquide 3.

fielt 33), inhabil 3, mile 1 (miel 3).

3e groep. Woorden met dubbele vorm.

Zeker is de dubbele uitspraak in de eerste plaats voor de woorden die hem ook tans nog hebben. Maar van vele andere, die tegenwoordig slechts met i worden uitgesproken, kan men hetzelfde beweren: Kiliaen drukt nl., zoals wij zagen, de klank

[p. 42]

èi uit door ij, de klank i door y of i. Nu is het Etymologicum weliswaar alleen bewijzend voor de brabantse uitspraak, maar van sommige woorden die Kiliaen met ij schrijft en die tans bij ons i hebben, komt ook de uitspraak ij voor (b.v. kopij naast kopie), zodat dit ook het geval kan zijn geweest met de andere: een scheiding kunnen wij niet maken. Dat er tussen België en Holland tegenwoordig verschil bestaat, bewijst o.a. het Bastaardwoordenboek van Broeckaert, waar ik vind sacristije (bij ons sacristie), tirannij (bij ons tirannie), profezij (bij ons profetie); voor zover ik zie, bepaalt zich het onderscheid tot de woorden op -ie, zodat ook in België b.v. fabriek, kroniek, motief wordt gezegd. Mag men aannemen dat Kiliaen uit eigen beweging sommige dier woorden heeft ‘verbrabantst’? Ik geloof van neen, daar men in dat geval niet inziet waarom hij zo vaak de i onaangetast heeft gelaten.

Eénmaal komt het voor dat Kiliaen i heeft daar waar wij ij gebruiken, nl. in magasin.

Wanneer een woord waarin wij i zeggen niet bij Kiliaen staat en in de Middeleeuwen met i of ij is geschreven, kan men niet weten of het vroeger met ij is uitgesproken; vandaar dat wij in de volgende lijsten tussen zekere en onzekere gevallen een splitsing moeten maken.

A. Zeker dubbele vorm hebben gehad:

galetijn 3 (gelatine 3), kaskijn 4 (kaskien 4), orijne 3 (urine 4), sardijn 4 (sardine 4), stramijn 3 stamijn 3 (stramien 4);

artillerije 3, fermerije 3 (infirmerie 4), hipocrisije 3, kopije 3 (kopie 4), melanckolije 3, melodije 3 (melodie 1), profetije 3, poëzij 4 (poëzie 4), sacristije 3, selderij 4, simonije 3, tirannije 3, tresorije 3;

heremijt 3, hipocrijt 3, sodomijt 3, subijt 3, tapijt 3 (tapiet 2)1);

advijs 3, logijs 3 (logijst 2, logies 4), sijs 2 (sis 3);

antijck 3, artijckel 3, colijcke 3, cronijcke 1, duplijcke 3, fa-

[p. 43]

brijcke 3, magnifijck 3, melancholijk 3, musijcke 3, replijcke 3, republijcke 3, retorijcke 3, rubrijcke 3.

andijvie 3, motijf 3.

subtijl 3.

B. Onzeker is de dubbele vorm van:

autentijc 3 (autentiek 4).

massief 4 (massijts 1), missive 3 (missijfbrief 3).

prijs 1 (prise 3), vice 4 (vijstproest 2).

Alvorens deze woordenlijsten te onderzoeken, moeten wij nagaan wat de echt nederlandse woorden ons leren ten opzichte van de ontwikkeling van germ. î, waarmede de franse i overeenkwam.

B. De verandering van i in het Nederlands.

Over drie punten moet de studie der verandering van i licht trachten te verspreiden, nl. over het fisiologiese proces zelf, omtrent de tijd en omtrent het gebied waarop het heeft plaats gehad. Prof. Van Helten en prof. Franck hebben hun mening over de datum gezegd; Franck houdt het er voor dat de vorming van de diftong èi niet vóór de allerlaatste jaren der middelnederlandse periode heeft plaats gehad1); volgens Van Helten (p. 50) zijn er bewijzen vóór het bestaan van een brabantse tweeklank èi in de 14e, en van een hollandse in de 15e eeuw.

Maar eerst prof. Te Winkel heeft deze problemen aan een grondig onderzoek onderworpen, en dank zij zijn veelomvattende kennis en onvermoeide ijver is de oplossing ervan mogelik geworden en zijn allen nu in staat zich een helder beeld van het verschijnsel te vormen. Elk onderzoek omtrent de klankwijziging van i zal voortaan berusten op de gegevens die hij heeft verzameld2).

[p. 44]

De konklusies waartoe deze geleerde is gekomen zijn in het kort de volgende: 1. in Noord-Nederland zijn vier streken te onderscheiden: op een betrekkelijk klein gebied wordt i nooit tot tweeklank; op het overige, grotere terrein wordt i overal gediftongeerd vóór klinker, in een kleinere kring óók aan het eind van het woord, in een nog kleinere bovendien vóór medeklinkers; 2. De diftong heeft zich het eerst gevormd in Brabant en is vandaar, in de 16e eeuw misschien door Oost-Vlaanderen, later door Holland ‘overgenomen’; 3. Hij is ontstaan door een j die zich achter de lange i had ontwikkeld.

In de volgende bladzijden zal ik enige denkbeelden ontwikkelen die in strijd zijn met die van prof. Te Winkel; ik stel er daarom prijs op te verklaren dat het mij zonder zijn opstellen zeer moeielik zou zijn geweest mij een mening te vormen.

Ik heb in de eerste plaats een principieel bezwaar. Bedenkelik vind ik dat de verandering van uitspraak van i hier wordt voorgesteld, als ware hij, in Oost-Vlaanderen en Holland, een ‘navolging’ van Brabant. Ik kan mij de wijziging van i tot èi, op elk punt waar hij zich heeft voorgedaan, moeielik anders voorstellen dan als een foneties verschijnsel. Nu is het wel waar dat ook een klankwijziging zich van een bepaald punt steeds verder uitbreidt. Doch zó stelt prof. Te Winkel de zaak niet voor: volgens hem is de uitspraak èi ‘overgebracht’, in Brabant misschien door de hofhouding van Wenzel (p. 92), in Holland door de Brabanders die, na de zegepraal der spaanse wapenen in het Zuiden, in grote getale naar Holland zijn gekomen (p. 96). Maar hoeveel Brabanders zouden er wel nodig zijn om een amsterdamse straatjongen in plaats van tiit tijt te doen zeggen? De eigen uitspraak van een klank in alle woorden waarin hij voorkomt, te veranderen naar een vreemde uitspraak van dezelfde klank, dit is toch nog heel wat anders dan het overnemen van een vreemd woord. Mij dunkt, zulk een kunstmatige invoering van een nieuwe uitspraak kan toch niet ‘eenvoudig’ worden ge-

[p. 45]

noemd (p. 80). Alleen het feit reeds dat die Brabanders, hoe talrijk ook, toch oneindig kleiner in aantal waren dan de bewoners van Amsterdam, maakt de veronderstelling ener ‘ontleening’ van de uitspraak èi onmogelik; maar bovendien, wat misschien mogelik zou zijn in een besloten, kleine en zeer beschaafde kring, hoe kan men dat aannemen van de bevolking van een gehele stad? Ja zelfs, van gehele streken, volgens prof. Te Winkel; zo, b.v. Waterland (p. 88).

Een beroep op Ascoli's teorie van de uitspraak u voor lat. u, o.a. in Frankrijk, moet onvoorwaardelik worden afgewezen; daar was het juist de inheemse uitspraak die de vreemde klank wijzigde, en deze vreemde klank kwam niet alléén in het land, zoals het geval met èi zou zijn geweest, maar tegelijk met de gehele taal waartoe hij hoorde.

Trouwens de teorie van de hoogleraar uit Amsterdam heeft andere zwakke punten. Volgens hem was de i, in Brabant, in de 16e eeuw reeds ai geworden (p. 93); men zou dus mogen veronderstellen dat die klank in Amsterdam als ai zou zijn overgenomen. Geenszins: de ei klonk er oorspronkelik ongeveer als ei (p. 102, 106), en is er eerst later ai geworden. Een andere moeielikheid. Van Amsterdam uit zou de tweeklank zich, niet op natuurlike wijze, niet in steeds wijdere, om de hoofdstad heen lopende, kringen hebben uitgebreid, doch in Waterland zijn ‘ingevoerd’ (p. 88): als men nu echter bedenkt dat toen ter tijde Waterland zeer dun bevolkt en in geen geval een centrum van verkeer was, dan zou men, ook volgens de teorie van Te Winkel, een verklaring van die zonderlinge tegenstrijdigheid mogen eisen. Ten slotte, niets wijst er op dat, hetzij in Oost-Vlaanderen hetzij in Holland, de verandering van i tot de tweeklank zo plotseling was geschied. Op Holland kom ik straks terug; wat Oost-Vlaanderen betreft, zo ontken ik dat de uitdrukking ‘veel Gentenaars’ (p. 96) zou bewijzen dat men in Gent in die tijd aarzelde of men de brabantse uitspraak wel zou durven aannemen. Het

[p. 46]

is bekend, en prof. Te Winkel heeft het zelf gezegd1), dat het Oostvlaams de overgang vormt tussen het Westvlaams en het Brabants, en het zou dus geen wonder zijn dat twee uitspraken van dezelfde klank bestaan hebben in een centrum als Gent. Maar bovendien, de uitdrukking ‘veel Gentenaars’ moet zeer waarschijnlik zó verklaard worden dat er in Gent, gelijk elders, een meer beschaafde en een meer gemeenzame uitspraak van i naast elkaar bestonden (zie later).

Boven de voorstelling der feiten die prof. Te Winkel in zijn jongste opstellen heeft gegeven, zou ik verre verkiezen de formulering die hij zelf vroeger heeft opgesteld: ‘So waren es die Brabanter welche die Aussprache ei zur allgemeinen gebildeten Aussprache erhoben’2). Immers, hier blijft altans in het midden of die uitspraak reeds in Amsterdam algemeen was toen de Brabanders hierheen kwamen. Dat dit zo was staat voor mij absoluut vast. In elk geval ben ik overtuigd dat de diftongering overal waar hij zich vertoond heeft, een foneties verschijnsel is.

 

Hoe moet men zich de ontwikkeling van i tot èi denken?

Dat de verdubbeling van i in de geschreven taal niet als uiterlik teeken van de verlenging van i moet worden opgevat, blijkt uit de vergelijking met de andere klinkers, waar de verlenging bijna altijd door e, in Holland alleen ook door i, is voorgesteld: daar de schrijfwijze ii, ij in het Middelnederlands algemeen was, mag men hem niet met die zuiver hollandse ortografie vereenzelvigen. Welke reden zou er dan ook bestaan hebben om voor i van die gewoonte af te wijken? Toch niet om verwarring met de diftong ie te vermijden? Indien men dit argument wilde gebruiken, zou ik antwoorden door te wijzen

[p. 47]

op de lange o, die oe wordt geschreven, hoewel daardoor verwarring met nederl. oe (hgd. u) ontstond.

Indien de ortografiese groep ii, ij dan niet een lange i voorstelt, moet men wel aannemen dat hij de volkomen fonetiese voorstelling is van i + i, i + j. En dat dit inderdaad het uitgangspunt is van de latere klankwijziging, blijkt indirekt uit het feit dat de woorden waarin i nooit en nergens door een diftong is vervangen, van de oudste tijden af met de schrijfwijze ie voorkomen, nl. vóór r: hier heeft men dus, gelijk gewoonlik, door e de verlenging van i aangegeven. Weliswaar is prof. Van Helten van mening dat zich, na i en vóór r, een onduidelike klinker had gevormd (p. 112); doch het treft mij dat vóór r de franse tweeklank ie in overgenomen woorden juist vaker dan vóór andere consonanten door i wordt weergegeven, en dat, vóór r, omgekeerd een onbetoonde franse i bij ons vaak met ie wordt geschreven1); deze feiten wijzen er juist op dat vóór r de tweeklank ie zeer vroeg gemonoftongeerd is2); en wel zou het vreemd zijn dat, in andere woorden, i vóór r bij ons zou zijn gediftongeerd3).

De schrijfwijze ii is dus een getuigenis voor de klankontwikkeling die geleid heeft tot de latere diftongering4).

Wij zagen dat de nederlandse tongvallen, voor zover zij de i tot èi maken, dit niet altijd in alle posities van i doen. Binnen een ruime kring van dialekten die de tweeklank alleen vóór een klinker vertonen bevindt zich een nauwere waarbinnen hij ook aan het woordeinde voorkomt, en die op zijn beurt weer een nog beperkter gebied omvat waarin i ook vóór medeklinkers is

[p. 48]

gediftongeerd. Uitgaande van het feit dat de verandering van i foneties moet zijn, is men gedwongen, waar het, zoals hier, aan elkaar grenzende streken betreft, aan te nemen dat men er te doen heeft met een verschijnsel dat zich verder of minder ver heeft uitgebreid. Daar de kring waarbinnen i vóór een klinker wordt gediftongeerd het grootst is, ligt het voor de hand dat in die positie de verandering het eerst heeft plaats gehad, daarna in de ‘auslaut’, en toen pas vóór medeklinkers.

Men mag de diftongering van i in het Middelnederlands vergelijken met die van u. Deze beide klinkers staan fisiologies zeer dicht bij elkaar: beide zijn zij de geslotenste palatale klinker, en zij verschillen alleen door de positie der lippen. In hoever de verspreiding van de diftongering van u op nederlands gebied geheel overeenstemt met die van i, ben ik niet in staat te bepalen. Maar twee verrassende punten van overeenkomst vertonen die beide verschijnselen, nl. 1. Ook de diftongering van u is het gevolg van de ontwikkeling van een palatale halfklinker na u, zodat u geworden is ui, uw; 2. Ook voor u heeft de klankwijziging, altans in overgenomen woorden, het vroegst plaats gehad vóór klinkers en in de ‘auslaut.’1) Het is waar dat ook vóór t zich vroeg een i of w na u heeft ontwikkeld. Maar nu is het juist opmerkelik dat, in de vroegste rijmen van i met ei, die dus bewijzend zijn voor de verandering van i, deze klank steeds vóór een t staat. Prof. van Helten heeft reeds uit Willem van Hildegaersberch aangevoerd de rijmen sneit, gleit, creit met Giericheit; weliswaar heeft prof. Te Winkel daaraan alle bewijskracht ontzegd door te beweren dat die w.w. hier imperfecta zijn (p. 97), maar, naar ik meen, ten onrechte: de zin toont duidelik dat het presentia zijn. Prof. Verdam wees mij nog op een zeer oud fragment2), waarin leit met tijt rijmt, en op de schrijfwijze laewijt voor lauheit in de Spieghel His-

[p. 49]

toriaal (IV2, 1, 28), waarvan het handschrift uit het midden van de 14de eeuw dagteekent1); daar dit woord echter niet in het rijm voorkomt, heeft het minder bewijskracht. Ik voeg er nog bij awarijt (= en waarheit) uit het begin van de 15de eeuw (Lippijn), en, bij Everaert, gebenendijt: greit2). Uit die rijmen zou dus blijken dat ook de verandering van i tot èi vóór t vroeger dan voor andere konsonanten heeft plaats gegrepen; en daaruit zou men misschien de gevolgtrekking mogen maken dat ook de ontwikkeling, achter i, van de i-klank die tot de latere verandering heeft geleid, niet alleen vóór klinkers en in de ‘auslaut’, maar ook vóór t ouder is dan vóór andere konsonanten.

Alvorens verder te gaan, moeten wij de vraag behandelen of het aangaat een verschijnsel dat wij in overgenomen woorden opmerken, op gelijke lijn te stellen met een dat wij in eigen woorden aantreffen. Ik geloof van ja, indien het verschijnsel in kwestie niet op rekening is te stellen van de taal waaruit het woord is overgenomen. Nu komt de ontwikkeling van een i of w na u in de dialekten van Noord-Frankrijk wel sporadies voor, doch hij is er niet algemeen genoeg om daarmede een regelmatig voorkomende verandering der, in het Middelnederlands overgenomen woorden, te verklaren3). Als wij echter in het ontstaan van i na u een middelnederlands verschijnsel zien, dan dienen wij de oorzaak aan te wijzen waardoor het zich het eerst in overgenomen woorden vertoont. Dat nu schrijf ik toe aan de sterke ortografiese traditie die voor eigen woorden bestaat, doch niet voor ontleende, waardoor in het schrift de uitspraak der laatste fonetieser is

[p. 50]

dan die der eerste. Zodat het zeer goed mogelik is dat ook echt germaanse woorden een klankontwikkeling hebben vertoond, die alleen in de ortografie der overgenomen woorden aan het licht is gekomen.

En zo wij dan, onder voorbehoud, de behandeling der ontleende woorden mogen gebruiken ter verklaring van onze eigen taalschat, dan wijs ik nog op het, vroeger door mij vastgestelde feit, dat ook een fr. é, juist vóór klinkers, in de ‘auslaut’ en vóór t, ei is geworden, maar in de andere posities is blijven bestaan. Ik heb indertijd1) dit verschijnsel op rekening der noord-franse dialekten gesteld; deze uitspraak moet men misschien aldus aanvullen, dat het algemeen worden van ei in die positie aan de neiging is toe te schrijven die ook bij ons bestond om, in de bedoelde gevallen, een i achter de klinker uit te spreken. Wij zouden dan een nieuw bewijs hebben vóór de gemeenschappelike afkomst der bewoners van Noord-Frankrijk en van Nederland en België. Het is waar, een ontwikkeling van germ. e tot ei is niet te bewijzen met dezelfde zekerheid als die van i tot èi en van u tot öi. Maar ik merk in de eerste plaats op dat, in de ‘auslaut’ en vóór klinkers, wij wel degelik een i achter e uitspreken (zee-i, zee-y-en), en verder dat het niet dan natuurlik is dat na de palataalste klinkers, nl. i en u, dit i-element in de gunstigste kondities was om tot volle ontwikkeling te komen.

Deze feiten zouden misschien de veronderstelling kunnen steunen dat de i zich het vroegst vóór klinker en in de ‘auslaut’, daarna vóór t, en eerst toen vóór andere consonanten heeft ontwikkeld.

Wat hiervan zij, reeds in de oudste periode van het Middelnederlands had zich vóór alle konsonanten, in alle gewesten, blijkens de ortografie een i of j na i gevormd.

 

Er vormde zich dus een groep ii, ij, die op twee manieren kon worden behandeld: òf de i bleef wat hij was, òf hij werd gedissimileerd tot è, soms nog verder, nl. tot a, o. Deze dissi-

[p. 51]

milatie ging natuurlik trapsgewijze, hoogstwaarschijnlik over é heen: de uitspraak éi wordt tans nog in sommige streken aangetroffen. Zodat wij de volgende reeksen mogen aannemen: tît tiit, tèit, tait; bi, bii, bèi, bài1).

Daar de neiging om een halfvocaal achter i te plaatsen in de bekende posities, blijkens de ortografie, algemeen moet zijn geweest, is het noodzakelik aan te nemen dat, ook in de streken waar i tegenwoordig nooit als èi wordt uitgesproken (b.v. het Westvlaams) de ontwikkelingstrap ii heeft bestaan; trouwens ook in West-Vlaanderen wordt de klank met ii, ij geschreven. Het verschil tusschen die tongvallen en de andere is dat in deze de i tot è is gedissimileerd, terwijl in gene i onveranderd is gebleven en vóór consonanten is samengetrokken met de halfklinker; daar is dus ii + cons. tot i + cons. geworden; vóór klinkers en in de auslaut is de halfvocaal gebleven.

Zoals men weet, is i ook in het Hoogduits en in het Engels vroeg tot èi, ai geworden. Naar aanleiding der ontwikkeling van i, u in deze talen merk ik op: 1. dat ook in het Duits de verandering van i voorkomt in sommige streken alleen vóór klinkers, in andere aan het einde van het woord, in nog andere in alle posities2) 2. dat in Engeland de verandering van u in iu (de tegenwoordige uitspraak) verklaard wordt door de vorming van een palatale halfklinker achter u3).

 

Wij gaan tans over tot de vraag wanneer in die groep ii de eerste i tot è is geworden.

Prof. Te Winkel heeft uit grammatici zeer rijk materieel bijeengezameld om te bewijzen dat de ei het oudst is in Brabant (15e e.), dan in Oost-Vlaanderen voorkomt (16e e.), en eerst later (17e-18e eeuw) in Holland. Maar het komt mij voor dat hij aan zijn gegevens te veel bewijskracht heeft toegekend. Voor-

[p. 52]

eerst toch - hij zelf konstateert het - afwezigheid van rijmen i: ei bewijst absoluut niet dat de i nog onveranderd was. Maar vooral, het komt mij voor dat hij niet genoeg rekening heeft gehouden met het feit dat grammatici altijd sterk onder de invloed der traditie staan. Eén voorbeeld. Hij haalt uit de Tweespraak van 1584 een zinsnede aan waarin de vorming van i wordt beschreven, en inderdaad komt de klankbeschrijving aldaar volkomen met i overeen: Spieghel voegt er bij dat sommige, ‘zonderling in Brabant’ de i meer naar è heen uitspreken.’ Nu volgt daar wel niet uit dat Spieghel dus de uitspraak èi uitsluitend brabants noemt - een konklusie die prof. Te Winkel schijnt te trekken1) - maar toch is blijkbaar ie voor hem de enig juiste uitspraak. Edoch, dertien jaar later rijmt Hooft drijgen op eigen; en prof. Te Winkel neemt aan dat dus in die dertien jaar de i zich gehaast heeft ei te worden, of liever, dat men zich in die dertien jaar de brabantse uitspraak in Amsterdam heeft aangewend.2) Dit nu kan ik niet geloven; daar ik in de diftongering van i een foneties verschijnsel zie, ben ik overtuigd dat er eeuwen zijn nodig geweest om i langzamerhand in ei te doen veranderen; en ik trek uit het feit dat Spieghel's bewering door de feiten wordt weersproken, de gevolgtrekking dat men zeer voorzichtig moet zijn met de getuigenissen der grammatici; hun zijn de, zich langzaam in de grote massa ontwikkelende klanken, de aandacht niet waard. Een sprekend bewijs vond ik in een ander spellingstraktaat der 17e eeuw, nl. Ampzing's Taelbericht der Nederlandsche Spellinge, door Chr. van der Heulen oversien en verbetert, Wormerveer, 1649. Men leest daar (p. 46), in een breedvoerige uiteenzetting der voor- en nadelen van de ortografieën i, y, ij: ‘Ik noemse (nl. ij) een dobbele i en geen enkele zieraed i, en die niets meer en doen soude als een gemeyne i; want so mostese bij de enkele

[p. 53]

i in het a b c gesteld worden en niet achteraan onder de dubbele letters daarse ook weleer in de scholen een bijzonderen naem van oy of oye plag te dragen....’ En hoe wordt nu door hem de uitspraak van ii gekenschetst? Als die van ‘twee ii's’. Dus, terwijl de uitspraak van i, blijkens de naam van oy of oye, reeds was veranderd1), kenschetste de schrijver die klank nog steeds als i.

Wil men de ware stand van zaken leeren kennen, dan moet men niet alleen op de getuigenissen der grammatici en dichters afgaan; de verklaring van al de tegenstrijdigheden waarvan wij er een paar vermeldden, is dat, terwijl de officiële uitspraak nog i was, het volk reeds lang èi zeide; de ongegeneerde dichters rijmden daarom kloekweg i: ei. Soms deden zij het uit rijmnood, zoo b.v. Willem van Hildegaersberch, die in een gedicht waarin hij talrijke en verschillende ei-rijmen nodig had, zich door de nood gedwongen zag woorden met i te gebruiken; zeer merkwaardig inderdaad is het dat ook het andere rijm van i: ei dat ik aanhaalde, in een strofe met verscheidene ij-rijmen voorkomt, en niet in een platgerijmd gedicht. Westerbaen gebruikt i alleen in i-rijmen; in dezelfde tijd rijmt Huygens i met woorden die een ei-klank hebben2). Trouwens, prof. Te Winkel (p. 90) zegt zelf dat het ‘een dogma der poëtica schijnt geworden te zijn dat ij en ei niet rijmen mochten.’ Maar hoe kan hij dan nog aan de verzen van Oudaen ter ere van Vondel en aan de uitspraken van Sewel bewijskracht toekennen waar het betreft de ontwikkeling van èi uit i?

Mij dunkt dat de enkele rijmen die wij uit de Middeleeuwen overhebben, bewijzen dat i, vóór t altans, in 1400 reeds ongeveer als èi klonk, in Holland zowel als in Brabant. Die rijmen zijn zeer zeldzaam, zal men zeggen, maar het zij mij vergund te antwoorden met hetgeen, volgens Wilmotte, Foerster gezegd heeft, naar aanleiding van patoisvormen in letterkundige werken:

[p. 54]

‘il suffit, pour la démonstration, d'une seule graphie patoise qui se glisse entre vingt graphies françaises.’1)

Alleen als een rijm van i met ei voorkwam in een tekst, afkomstig uit een gebied waar tegenwoordig i niet gediftongeerd wordt, zouden wij mogen aannemen dat die plaats ons verkeerd is overgeleverd.

En wanneer men er bezwaar tegen heeft aan te nemen dat een traditionele uitspraak als i eeuwen lang de strijd tegen de uitspraak van het volk heeft weten vol te houden, dan bedenke men dat b.v., in het Frans, de oi reeds aan het eind der 15e eeuw als , in plaats van werd uitgesproken, en dat eerst in de 19e eeuw deze uitspraak officieel is geworden.2)

C. Wat leren de overgenomen woorden?

Het is tijd tot de overgenomen woorden terug te keren en ze in hun onderling verband te bestuderen.

 

Eerste groep. Men zou zeggen dat het mogelik moest zijn de datum der diftongering nauwkeurig te bepalen met behulp van de ontleende woorden: wanneer men weet in welke tijd een frans woord bij ons is gekomen, dan kan men, als het nog aan de ontwikkeling van germ. î tot èi heeft deelgenomen, zeker zijn dat deze toen nog niet had plaats gehad. Zó eenvoudig is de zaak echter niet. Vooral kan de analogie gewerkt hebben, en inderdaad is dat bij ons het geval geweest. Zo bewijzen de woorden op -ijn, -ij die in de 4e periode hier zijn gekomen, geenszins dat toen de i nog niet was gediftongeerd, een veronderstelling trouwens die bij niemand zou opkomen; zij hebben èi gekregen door de invloed van de vroeger overgenomen woorden die hetzelfde suffix hebben.3) Deze beide kategorieën laten dus geen konklusie toe.

Onder de andere is er slechts één, nl. radijs, dat eerst in de

[p. 55]

derde periode is overgenomen en waarin èi niet door de analogie is te verklaren. Dit woord komt in het Frans en bij ons pas in het begin der 16e eeuw voor. Is de ontwikkeling van de tweeklank niet in strijd met de konklusie waartoe wij in het vorige hoofdstuk zijn gekomen? Wij zagen dat, in de beschaafde taal, de uitspraak i nog lang heeft voortgeduurd; een vreemde term wordt, in de eerste tijd nadat hij ontleend is, uitsluitend door meer ontwikkelden gebruikt: vandaar dat radijs zonder twijfel eerst als radis is uitgesproken; de hoorbare slot-s bewijst bovendien dat het uit de schrijftaal is overgenomen. Nu kan het niet verwonderen dat, terwijl van alle woorden met i, naast een beschaafde uitspraak met i, een meer gemeenzame met èi bestond, in een woord als radis, vooral toen dit gewas algemeen verspreid werd, eveneens, naast een uitspraak met i, een met èi is ontstaan. Later, toen de i-klank voorgoed veranderd was, zou dit niet meer mogelijk zijn geweest: een woord als valies behoudt de i onveranderd.

Een vaste konklusie laat dit woord dus niet toe; misschien zou men zich mogen beroepen op het feit dat het geïsoleerd staat, terwijl de woorden uit de 3e periode die i niet hebben gediftongeerd, talrijk zijn (tweede groep), om daardoor de veronderstelling van een vroegere ontlening te steunen. Evenwel, daar tegenover staat dat die woorden met i voor een groot deel een meer technies karakter hebben; radijs is een der weinige die tot de gewone taal behoren, daar dit gewas vroeg algemeen werd.

Ook de woorden waarin i tot e is gedissimileerd, en die wij aan het begin van dit opstel vermeldden, pleiten eerder vóór dan tegen de uitkomsten van ons onderzoek; immers, zij zijn alle vóór de 3e periode ontleend, met uitzondering van confelie; daar van dit woord reeds in de 2e periode de vorm confilie voorkomt, mogen wij veronderstellen, wegens de eenstemmigheid van het getuigenis der overige woorden, dat slechts bij toeval confelie eerst zo laat wordt aangetroffen.

[p. 56]

Wat te denken van de woorden waarin i door ei wordt geschreven? Bewijzen zij dat, toen zij ontleend werden, de diftongering reeds een voldongen feit was? Toetsen wij ze één voor één.

Schalmei beschouw ik als een door volksetymologie gewijzigde vorm1); in perchemein en fronsein is ei misschien toe te schrijven aan een verandering van het suffix2); feiferen is waarschijnlik uit het Duits overgenomen, evenals galmei.

Belang hebben voor ons eigenlik alleen fein en ceiser, daar zij tot de oudste periode behoren, en, indien zij werkelijk beantwoorden aan fr. fin en cidre (fr. cisre), zouden bewijzen dat reeds ± 1300 de evolutie van i begonnen was. Nu komt fein slechts éénmaal voor, en betekent ‘klein.’ Is het wel hetzelfde woord als fr. fin, dat nooit die betekenis heeft gehad?3) Men zou kunnen onderstellen, òf dat het verschreven was voor clein, òf dat het ofr. vain is, dat o.a. in de zin van ‘zwak’ wordt aangetroffen4). Het tweede woord, ceiser, komt in de Rijmbijbel (vs. 21062) voor, als vertaling van lat. sicera (Luc., I, 15); het is blijkbaar hetzelfde woord als p. cidre, dat uit sicera wordt afgeleid.5) Deze etimologie is niet twijfelachtig, al laten de romaanse vormen zich niet zonder moeite uit de latijnse verklaren. Vooreerst vertonen zij als beginkonsonant, niet alleen s, maar ook i. Diez6) neemt daarom aan dat sicera tot cicera zou zijn geworden, zonder evenwel deze overgang te verklaren. De mnl. vorm ceiser, tseiser schijnt op lat. c te wijzen;

[p. 57]

doch mogelik is het dat c, ts in dat woord een picardiese eigenaardigheid is; zoo komt in St.-Pol1) tegenwoordig šid naast sid voor, en de š (vroeger uitgesproken ) kan in die streek een dialektiese verandering van een oorspronkelijke begin-s zijn. Meyer-Lübke2) meent dat sicera tot cisera is geworden, en Körting zowel als de Dict. gén. beweren dat ook. Terecht heeft Horning3) deze onderstelling verworpen: de z van ons ceizer beantwoordt, evenals de ofr. vormen, volkomen aan een lat. c. Over de kwantiteit van de i zijn de geleerden het niet eens: Forcellini en de Dict. gén. schrijven ī, Georges en Körting ĭ. De romaanse vormen wijzen op ī: dat i door de invloed van de palatale beginklank zou zijn te verklaren, moet men om verschillende redenen ontkennen; in de eerste plaats wel hierom dat de oudste vormen een s hebben, en niet c. Evenmin mag men de romaanse vormen als ‘geleerde woorden’ beschouwen, daar de ontwikkeling van e volkomen normaal is. Nu is het, met het oog op de mnl. vorm, merkwaardig dat een rom. vorm *seisre de korrekte ontwikkeling zou zijn van *sĭcera, met korte i. Evenwel, andere bewijzen vóór deze hipotetiese kwantiteit heb ik nergens aangetroffen. Dat de overgang van fr. i tot ei op rekening van een dialekt zou zijn te stellen, kan ik niet bewijzen: het Waals kent die overgang alleen vóór klinkers en l.4)

Van de andere kant is het onmogelik in ceiser een bewijs vóór de diftongering te zien, daar het in een westvlaamse tekst voorkomt, en daar het bovendien in de eerste periode met zijn ei zoo goed als alleen zou staan.

 

Tweede groep. De woorden uit de 1e en 2e periode behoeven niet alle op dezelfde wijze verklaard te worden.

Van engien, escrien en barbarien komen ook in het Frans vormen met ie naast andere met i voor. Daar echter barbarien

[p. 58]

eerst laat wordt aangetroffen, terwijl het Oudfrans uitsluitend barbarin kent, mogen wij voor dit woord slechts een franse vorm met i aannemen en het dus ter zijde laten. Hoe zijn de dubbele franse vormen van engin en escrin te verklaren? Engien is een noordfranse formatie; Horning1) konstateert dat het rijm engien: bien voorkomt in een picardiese tekst; ook de Chronique rimée van Phil. Mousket kent zowel engien als engin.2) Dat evenwel ie niet uitsluitend picardies is, zou men opmaken uit mnl. ansien 1, waarin de eerste lettergreep een niet-picardiese klankovergang vertoont; weliswaar kan de mnl. vorm door kontaminatie ontstaan zijn; doch daar wij angien ook in een waalse tekst aantreffen3), is het zeker dat ie in engien niet tot Picardië beperkt is gebleven. De oorsprong van i in engin is lat. ě gevolgd door yod (ingenium); deze combinatie wordt in het Noordwesten van Frankrijk geregeld ie4), maar niet in de streken waar wij engien hebben gevonden; ergo, moet ie hierin anders verklaard worden.

De i van escrin komt uit een lat. i; van dit woord treffen wij een wisselvorm escrien aan in een waalse tekst, in het dialekt van Luik geschreven5), en hier is hij zeker gewestelik; immers, vóór n wordt i tot ie in het Luiks, en, naar het schijnt, ook in Namen.6) Of men daarmede in verband mag brengen de overgang van inam tot èn, die tegenwoordig in het patois van Namen voorkomt7), durf ik niet beslissen:

[p. 59]

men zou hier ook aan analogie van het masculinum kunnen denken.

Wat hiervan zij, in werd in sommige gedeelten van Walenland ien, zoveel staat vast. De moeielikheid is nu echter dat engien ook picardies is, hetgeen ons verbiedt engien en schrien met elkaar in verband te brengen. Daartegenover staat dat niets ons belet in de andere woorden waarin, vóór n, ie naast i voorkomt, ie als een waalse eigenaardigheid te beschouwen. Dan moeten wij ze echter scheiden van die waarin dezelfde wisseling vóór andere konsonanten dan n plaats heeft1), en dan moeten wij er alle bewijskracht aan ontzeggen in zake de diftongering van i.

Wat de andere vroeg overgenomen woorden met ie betreft, zoo meen ik dat zij bevestigen dat van de germ. î reeds zeer vroeg de oorspronkelike klank was veranderd; de schrijfwijze ie moet worden opgevat als een poging om de franse klank met grotere juistheid weer te geven dan dit door de ortografie ii ij mogelik zou zijn geweest. Het zijn Sisiele, Margriet, mattiene en priemtijt.

Prof. Te Winkel spreekt niet van die merkwaardige schrijfwijze. Prof. Van Helten vermoedt dat in priemtijt zich vóór de labiaal een onduidelike klinker zou hebben ontwikkeld2), evenals dat vóór r het geval zou zijn geweest (zie boven). Waarschijnlik lijkt dat niet; van die invloed van een labiaal hadden ten minste nog enige andere voorbeelden moeten worden aangehaald om zijn bestaan aannemelik te maken. Maar vooral, volgens dat sisteem zou men die stomme e ook vóór t moeten aannemen, blijkens Margriet, vóór n, blijkens mattiene, en vóór l, blijkens Sisiele.

Ik waag een andere verklaring. Het treft mij dat van die

[p. 60]

vier woorden twee eigennamen zijn, terwijl de beide andere kloosterwoorden zijn; alle vier zijn het dus ‘geleerde woorden’, waarin de uitspraak van de klinker als i boven alle twijfel is verheven: de eigennamen omdat men ze natuurlik uitsprak, zó als zij in het Frans werden gehoord, de beide andere omdat in de kloosters die termen natuurlik vaak met i, op zijn latijns, zijn uitgesproken. Overtuigend schijnt mij vooral het feit dat, als gemeen znw., margrijt in de oudste periode met ij wordt geschreven; dit was natuurlik, omdat het in die funktie met de andere woorden die i hadden was meegegaan.

Volgens ons zou dus de ortografie ie naast ij wijzen op een verschil in de graad van aanpassing.1)

De woorden der 3e en 4e periode die met i worden uitgesproken kunnen verklaard worden als ontleningen na de tijd van de diftongering. Voor alle is echter deze verklaring niet geheel afdoend. Immers, waarom zouden de woorden op ij en op ijn, voor zover zij tot deze groep behoren, ook niet zijn medegesleept door de analogie der oudere woorden op ij en op ijn, zoals wij dat in de eerste groep hebben geconstateerd? Wij moeten dus wel aannemen - en een blik op de lijst bevestigt die veronderstelling - dat er een andere oorzaak is geweest waardoor de diftongering is tegengehouden. Wij vinden er verscheidene techniese, rechtskundige en wetenschappelike woorden, en deze hebben natuurlik hun franse uitspraak zuiverder behouden, daar zij zelden gebruikt werden en bovendien slechts in een kleine kring: het zijn ‘geleerde woorden.’

 

Derde groep. Zo is zonder twijfel ook het grootste deel der dubbelvormen van de derde groep te verklaren: tusschen advijs en advies bestaat een soortgelijk verschil als b.v. heden ten dage nog tussen sardijn en sardine wordt opgemerkt; als die visjes in een busje op tafel gediend worden zal men ze altijd met de

[p. 61]

naam sardine noemen; misschien omdat de herinnering aan hun, vermeende of werkelike, franse afkomst verlevendigd wordt door het franse opschrift op het doosje, misschien omdat wij nu eenmaal gewoon zijn eetwaren met franse namen te bestempelen. Eigenlijk berust hier de vorm met i op een telkens herhaalde ontlening van het woord; de band tussen het franse woord en het nederlandse heeft lang bestaan, altans in de geest van hun die het Frans machtig zijn; als de zaak, en dus de term ervoor, eenmaal gemeen goed zijn geworden, behandelt de grote hoop die term als een nederlands woord. Dat is, dunkt mij, de oorsprong der dubbele vormen.

Het komt mij niet overbodig voor er nogeens op te wijzen dat al die doubletten niet over ons gehele gebied behoeven te hebben bestaan; vele vormen met ij zullen ongetwijfeld alleen in Zuid-Nederland zijn voorgekomen1).

II. In gesloten lettergreep.

Zoals men weet, is i vóór twee medeklinkers bij ons tot een ‘wijde’ korte gesloten e geworden2), en ook de franse i heeft in die positie die klank gekregen, in alle woorden, wanneer ook overgenomen, behoudens enkele weinige uitzonderingen; alleen vóór nasalen is hij soms anders behandeld. De gelijkstelling kan bevorderd zijn door het feit dat ook het Picardies die klank bezit3).

1. Vóór orale konsonanten.

ametist 1, baptist 4, batist 4, copist 3, epistel 1, fistel 2, minister 1, register 2; artist 2, enz. Zie de voorbeelden in mijn Essai p. 79;

ameril 3, apostille 3, armille 3, beril 1, camomille 3, caville 3, cocenille 3, krokodil 1, pille 1 ‘zuil’;

[p. 62]

compromis 3, melis 3, mis 1, palisse 3, pis 2,1) vernis 2;

district 3, strict 4;

crevitse 1,2) doblitse 1, trits 4;

cirkel 1, mirre 13), mirt;

basilisk 1, crucifix 1;

crypt 4.

 

Gesloten i hebben slechts cierkel 1, cochenielje 4, en het is wel vreemd dat deze verlenging van i zo zeldzaam is. Immers, zoals ik vroeger heb vastgesteld, zijn fr. a, o, e vóór st, ll, r + kons. verlengd4); ook met u is dat het geval, altans vóór st, blijkens juist en luister: hoe komt het dat i een uitzondering op de regel maakt? Is het toe te schrijven aan het ‘geleerde’ karakter der overgenomen woorden waarin i vóór de genoemde groepen staat? Er kan bijkomen dat zeer vele van die woorden uit het geschreven Latijn zijn overgenomen, maar voor enkele woorden passen deze beide verklaringen niet goed, b.v. voor krokodil, pille.

2. Vóór nasaal en konsonant.

Voorbeelden: prins 1 (prens 1), simpel 1 (sempel), timbre 1 (tembre 2), karint 3 (curent 3), tinke 2, pint 3, hiacint 4.

 

Ook in deze woorden heeft men soms gepoogd de franse uitspraak in het schrift weer te geven; zo vond ik piinte (Rek. der Buurtk., 36).

Wat betreft de verandering van i in e, deze is bevreemdend, daar wij juist een neiging hebben om de franse vokalen geslotener uit te spreken, ten einde daarmede de oorspronkelike klank meer nabij te komen; zoo veranderen wij juist zeer vaak fr. è in i.5) Prof. Van Helten vermeldt de verandering waarover wij hier spreken (p. 44), en stelt hem ge-

[p. 63]

lijk met die welke enige echt germaanse woorden vertonen, doch indien ik mij niet vergis, moet men zich bepalen bij de gevallen waarin i door een nasaal werd gevolgd. Ik verwijs naar Franck, p. 54 en 55 (Anm.).

III. Vóór de toon.

Het is nodig onderscheid te maken tussen onbetoonde fr. i die in de eerste lettergreep van een woord is geplaatst, en dezelfde klank, tussen de eerste en de betoonde sillabe: in het eerste geval had hij een bijaccent. In samengestelde woorden telt het prefix niet mee.

A. In de eerste lettergreep van het woord.

De franse i blijft i:

adviseeren 3, billoen 2, bisant 1, biscoet 2, crieeren 1, ghisarme 1, issue 1, liaert 1, lias 3, lidekant 3, limogie 3, limoen 1 (‘dissel’), limoen 1 (‘vrucht’), lioen 1, litiere 1, liverei 2, livessche 3, Milaan 1, minioet 1, mirakel 1, pillorijn 3, Pipijn 1, ribaudie 1, siroop 1, sizoor 2, spittael 2, stilet 4, tiran 1, tisane 2, triangel 1, vilain 1.

Geschreven als ie:

Ghierlande 3, lieaert 1, lievereie 2, lievessche 3, mierakel 1, tieran 2, tieretein 2.

Wordt e:

belgioen 3, besant 1, bescot 2, Gheronde 1, geroffel 1, ledekant 3, lemuen 3, lenement 2, leoen 1, leverei 2, levereeren 3 (leveren 1), levesse 3, Melaen 1, menioot 1, pellerijn 2, rebaud 1, reguer 3, sengerie 1, spetael 2, velain 1.

Wordt a:

assue 2, balioen 2, lamoen 1, lamogie 3, latier 3, lavesche 3, Machiel 1, papeie 2, rabaut 3.

Wordt ai:

craieeren 1, laitiere 1.

[p. 64]

Wordt ei:

creieeren 1, leitiere 1, meinioot 3.

Wordt a:

bulioen 2, buscuut 2.

Wordt o:

lovesse 2, soroop 1 (Nat. Bl., VII, 253 var.)

Wordt o of oe:

boelioen 1.

Deze verschillende klankontwikkelingen geven aanleiding tot de volgende opmerkingen. Dat a, e, u en o zijn te verklaren als franse dialektiese nuances, heb ik vroeger aangetoond: u en o zijn speciaal waals.1) Merkwaardig is het dat wij naast i ten onzent geen enkele maal ij vinden: prof. Van Helten vestigt (p. 47) de aandacht op het feit dat in het Nederlands in zwakbetoonde sillaben de i zijn uitspraak heeft behouden2); elders wijst hij er op (p. 51) dat, wanneer de pronomina met zwakke toon of enclities werden gebezigd, de oorspronkelike ĭ werd bewaard (vgl. nog p. 10 en 11). Zonder twijfel is op deze wijze ook de i in onze overgenomen woorden te verklaren.

De schrijfwijze ie, die wij alleen in enkele woorden aantreffen, is dus een bewijs te meer voor het gebruik van ie voor gesloten (lange) i, waarop wij hierboven de aandacht hebben gevestigd.

Hoe zijn echter ai en ei te verklaren? Dat craieeren een bijvorm van crieeren is en niets met kraaien heeft te maken, blijkt uit de volgende feiten:

1. Voor laitiere kan men geen volksetimologie aannemen, en toch is i daar ai geworden, 2. crieeren is zeer oud, 3. de betekenis kraaien wordt eerst zeer laat aan crayeeren toegekend, 4 de vormen met i zijn zeer talrijk. Men kan geneigd zijn te vermoeden dat in crieeren de i eerst a, e is geworden, en dat toen de overgangsklank j is ingevoegd; doch deze verklaring

[p. 65]

past niet voor de wisselvormen van litiere. Indien dit woord niet in het Frans van lit was gevormd, maar uit een latijns lectaria kwam, dan zou juist leitiere de goede vorm zijn; die komt evenwel in het Frans niet voor. Ik vind bij Godefroy één voorbeeld van laitiere, doch dit staat in Girart de Roussillon, een half-provensaalse tekst. Nu treft men, in overgenomen woorden, ook voor a soms ai aan, b.v. aisuer, en men zou kunnen onderstellen dat laitiere, craieeren latere ontwikkelingen zijn van latiere (dat, zoals wij zagen, ook voorkomt) en craeeren. De diftong ei zou verklaard kunnen worden als ontstaan uit ai, zoals eisel uit aisil.

B. Niet in de eerste lettergreep van het woord.

In deze positie blijft i onaangetast of wordt verzwakt tot stomme e; alleen van dit laatste verschijnsel geven wij enige voorbeelden:

chemeneie 1, civetein 1, descepline 1, ypocresie 2, capetein 2, cardenaal 1, cusseneel 3, loǵesijn 1, medecine 1, pongetijf 3.

De woorden waarin het Frans in de hier bedoelde positie een i heeft, zijn alle ‘geleerd’, daar in volkswoorden de voortonige, niet in de eerste sillabe staande, latijnse i wegvalt. Oorspronkelik hebben die woorden alle i gehad, doch ook in het Oudfrans wordt die i soms verzwakt tot stomme e, b.v. cardenal, chevetain. Ook volgens nederlandse taalwetten zou de verzwakking echter goed te verklaren zijn; tans nog wordt, in de uitspraak van minder beschaafden, de i in die positie in franse woorden vaak stomme e; deze verzwakking is toe te schrijven aan het sterke accent dat wij op de betoonde lettergreep leggen, waaronder de andere sillaben te lijden hebben.

Ten gevolge van de analogie kan, in die positie, aan de i soms bij ons ij beantwoorden, b.v. antijcketeit (Kil.), heremijtagie (Kil.), profijtteeren (Kil.), subijtelick (Kil.), subtijlick (Kil.).

 

Oktober 1901.

salverda de grave.