Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21. E.J. Brill, Leiden 1902  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 123]

Ooit.

Het woordje ooit komt, gelijk men weet, reeds in de middelnederlandsche bronnen overal voor en wisselt, vaak in een en hetzelfde geschrift, met het thans in het Nederlandsch uitgestorven ie af. Een echt westnederfrankisch woord, dat terecht als bepaald nederlandsch geldt. De mnl.-nederrijnsche Teuthonista vermeldt het niet, evenmin zijne ontkenning nooit. Thans echter zijn beide woorden ook in de oostelijke tongvallen van Nederland in gebruik, ja zelfs buiten de nederlandsche grenzen, t.w. in een streek van duitsch Oostfriesland. De dialectus communis der nl. provincie Friesland kent ze tevens, naast de inheemsche friesche woorden ea, nea, uit ofri. ā, nā afkomstig.

Omtrent de etymologie van ooit vindt men in de woordenboeken, voor zooveel mij bekend, in het geheel niets of slechts min of meer onzekere gissingen. Men heeft verondersteld, dat een oudnederfrankisch eo, os. en ohd. eo, in het woord zou schuilen, en gemeend een oorspronkelijker vorm te mogen zien in den bijvorm ooint of wel in het zeldzame mnl. oite. Toch is ooint, naar het schijnt, van den beginne af tot een zeker taalgebied, Zuidnederland, beperkt geweest (nog heden nooint in zuidnl. tongvallen, bij De Bo en Schuermans vermeld) en laat zich gereedelijk uit het algemeen verbreide ooit verklaren door inschuiving eener n in de ongeaccentueerde lettergreep it (vgl. beneden over de oorspronkelijke tweelettergrepigheid des woords), gelijk in mnl. in lanc uit i lanc, ie lanc, in toe uit i toe, ie toe. Mnl. oite echter mag volgens de hier beneden veronderstelde etymologie als bijvorm van ooit worden verwacht. Het onderzoek zal dus met den vorm ooit moeten beginnen.

Het vroeger geheel duistere woord is na eene opmerking van Franck, Tijdschr. XVII, 81 vlg. eenigszins duidelijker geworden. Ooit en nooit waren eertijds tweelettergrepig, zooals uit den versbouw in het mnl. Sinte Lutgard's Leven blijkt. Indien men nu vasthoudt, dat de eerste syllabe aan got. aiw

[p. 124]

gelijk is, rest de vraag, wat voor een woord in de tweede schuilt. Hierin ziet genoemde geleerde mnl. iet, in de ongeaccentueerde lettergreep verkort tot it, uit iewet, ieweht, eowiht. Maar iet zou slechts ʿietsʾ of ‘te eenigen opzichte’ kunnen beduiden, en dit is in strijd met de zuiver tijdelijke beteekenis van het woord.

Eene verklaring, die de feitelijke beteekenis ‘te eeniger tijd’ helderder doet uitkomen, geeft Prof. H. Kern Tijdschr. XIX, 201 vlgg. Volgens zijne meening - indien ik ze juist opgevat heb - is ooit ontstaan uit eene samenstelling jo-tīt, synoniem met hd. je-mals, waar māl in den ruimeren zin van got. mēl ‘tijd’ te nemen is. Ooit ontstond uit jotīt op dezelfde wijs als het saksische (Twenthsche) aait ‘altijd’ uit altīt. Soortgelijke contracties echter zijn in het Mnl. en in de nieuwere taal niet bekend en behooren dientengevolge thuis in den tijd vóór het Mnl. tijdvak.

De vergelijking van ooit en aait, die mij door het betoog van Prof. Kern wordt aan de hand gedaan, heeft mij gebracht op eene andere beschouwing omtrent den oorsprong van het Twentsche aait, waarin ik meen een steun te mogen zien voor een vroeger door mij geopperde gissing aangaande de etymologische verklaring van ooit1). Ik vermoed dat ooit en nooit op eene samenstelling ō̌ jit, nō̌ jit, met oudeng. áefre ʒīet ‘adhuc umquam’, náefre ʒīet ‘adhuc numquam’ overeenkomend, teruggaan, dus oorspronkelijk eene beteekenis hadden, die tegenovergesteld is aan de bet. van immer, nimmer, uit eo mēr, neo mēr, wier tweede bestanddeel op de toekomst ziet. Aait nu heeft m.i., wat zijne vorming aangaat, niets met altīt te maken2). Indien ik, in navolging van Prof. Kern, veronderstel, dat de hedendaagsche vorm van het woord oud is, dientengevolge reeds

[p. 125]

in het mnl. tijdperk aldus luidde1), zie ik maar eene mogelijkheid om het in overeenstemming met bekende nederduitsche klankregels te verklaren. In aait kan niets anders schuilen dan eene oorspronkelijk korte, volgens den bekenden regel in open syllabe gerekte a, daar een lange a, onverschillig van welken oorsprong, in de latere ontwikkeling der nl.-saksische tongvallen door å̄ (oa) vervangen wordt. Ik zie in aait een vroeger tweelettergrepig woord, op ā̌ jit teruggaande; de ā in Tw. aait blijkt dus aan ā in Tw. maagd, maakte, twaalf uit maget, makede, twalif2) gelijk te zijn. Volgens Prof. Kern wordt in ooit een zachte o gehoord; naar deze opvatting was ō̌ in ō̌ jit evenwel een korte, vervolgens gerekte klinker. De Bo echter (zie het Westvl. Idioticon op nooint) vermeldt eene scherpluidende o. Inderdaad laten zich beide voorstellingen vereenigen met de beschouwing van het woord, die hieronder nauwkeuriger zal worden toegelicht. De meeste Nederlanders zullen wel in ooit geen andere o doen hooren dan in hooi, oog, zoon, komen enz., dus slechts één langen o-klank kennen. Hoe dit nu ook zij, er bestaat een nauwe overeenkomst tusschen ooit en aait, wat het formeele uiterlijk der woorden betreft. En houdt men in 't oog, dat ooit vroeger de beteekenissen ‘te eeniger tijd’ en ‘altijd’ in zich vereenigde, dan blijkt de samenhang met Tw. aait nog nauwer te zijn, en de voor 't laatstgenoemde woord te veronderstellen grondslag ā̌ jit ‘adhuc semper’ komt geheel met ō̌ jit ‘adhuc umquam’, ‘adhuc semper’ overeen.

De bijwoorden nl. ooit, Tw. aait, naar deze zienswijze beschouwd, zijn gevormd uit een partikel ō̌, ā̌, ‘umquam’, ‘semper’, welke aan got. aiw gelijk moet zijn, en een uit de engelsche en friesche talen welbekend woord: eng. yet, fri. jit, oe. ʒēt, ʒīet, ʒyt, ‘etiam’, ‘adhuc’, dat eertijds ook in westnederfrankische en saksische tongvallen zal hebben bestaan en voor

[p. 126]

een Os. dialect bewezen wordt door Hel. Mon. Cott. 3893, aldaar geth geschreven. Een bijvorm van het woord vindt men in oe. ʒēta, ʒīeta, ʒyta, ofri. ieta, later iette, nieuwfriesch jitte: hierdoor wordt mnl. oite verklaard.

Omtrent dit ō̌, ā̌, ‘ooit’, ‘altijd’, doen zich nu verscheidene vragen voor. Vooreerst aangaande zijne betrekking tot os. eo, io, dat naar blijk van mnl. ie, iewer, ergen (iergen uit iewergin), ieweder (nnl. ieder), immer (ie mer) ook de oudnl. vorm van got. aiw was.

Ik zie geen mogelijkheid om ō̌, ā̌ in onmiddelijk verband met os. io, ia (ie) te brengen. Wel is waar staan in het Nd. naast elkaar ümmer en jümmer ‘immer’1), doch dit is m.i. te verklaren op eene wijze, die geene analogie biedt voor het ontstaan eener o uit io (jo) door een elders onbekend verdwijnen der beginnende j.

De ontwikkeling van eo, io is, zooals Prof. Kern t.a. pl. aangetoond heeft, langs twee wegen geschied. De klemtoon kan op het eerste element van den tweeklank rusten; dan wordt eo mer tot ie mer, iemmer, immer, gelijk in de meeste duitsche dialecten. Als eene dialectische bijvorm van immer verschijnt nd. en nl.-saks. ümmer, dat het naast met nd. en nl.-saks. nümmes nüms, nüm uit nimmes, nimmen2) ‘niemand’ te vergelijken is. Reeds het Mnl. kent ummer, ten minste in saksisch gekleurde bronnen, daarbij ook ommer. In nieuw-nl. tongvallen komt dit vocalisme te voorschijn in ummers, ommers in pl. v. immers. Ommers, met eene zachtdoffe o, laat zich vergelijken met holl. dial. sont uit sunt, sünt ‘sinds’3). De gewoonste vorm van immer in het Mnl. is, gelijk men weet, emmer, eene wijziging òf van immer (zie Franck, Mnl. Gr. § 71), òf van ummer (ümmer),

[p. 127]

zooals mnl. lettel van luttel, sellen van sullen, selc van sulc1).

De klemtoon in io kan evengoed op o rusten. Dit wordt bewezen door mnd. io (= ), met hō, tō enz. rijmend, in het Os. gio (vgl. giamar enz.) geschreven2). De verplaatsing van het accent in eo, io geschiedt in eenige tongvallen later, nadat o reeds tot e verzwakt is. Hierdoor ontstaat je (os. ge), nu de gewone vorm van het woord in het Hoogduitsch. Op gelijke wijs wordt iu, een bijvorm van io, tot . Hierbij behooren in het Nl. mnl. saks. geman(t), giemant (= nhd. jemand), limburgsch-nederrijnsch get (= os. giowiht, mnd. gicht) ‘iets’, saks. tongv. jümmer, jümmes3), kortom vormen, die, voor zooveel mij bekend, alleen in oostelijke dialecten aangetroffen worden. Hetzelfde geldt van mnl. io (), in het Mnl. Wdb. III, 793 slechts uit duitsch gekleurde teksten opgeteekend. Het is zeer licht mogelijk, misschien waarschijnlijk, dat een vorm nooit in het Westnfr. heeft bestaan.

Voor zoover ik kan zien, blijft alleen ééne mogelijkheid over: het eerste bestanddeel der woorden ooit, aait moet met oe, ofri. ā, uit aiw, in verband worden gebracht. Dit onderstelt, dat zekere westnfr. en saks. tongvallen een met de engelschfriesche klankontwikkeling overeenkomende vorm ō̌, ā̌ gekend hebben, die reeds vóór het mnl. tijdvak het veld heeft moeten ruimen voor zijn mededinger eo. Ten gunste eener dergelijke gissing is, naar ik vertrouw, wel het een en ander aan te voeren.

Het is bekend, dat het Oudsaksisch in eene reeks van ver-

[p. 128]

schijnselen met de nauw verwante friesche en engelsche tongvallen overeenkomt1). Enkele dezer eigenaardigheden zijn nog heden, geheel of ten deele, een kenmerk der saksische tongvallen in Nederduitschland en Nederland. Van de eigenaardigheden, die hier in aanmerking komen, vindt men in het eigenlijke Nederlandsch of Westnederfrankisch de syncope der m voor f in vijf en zacht overal terug. Het gelijksoortige verdwijnen der n voor s blijkt daarentegen een dialectisch beperkt verschijnsel te zijn. Dus b.v. wvla. en holl. dial. uis, mnl. vl. en holl. ūs, Holl. der zeventiende eeuw uys ‘ons’. De syncope der n voor th komt algemeen te voorschijn in nnl. elk-aar, malk-aar, holl. en ook elders (Winkler, Dialection I, 315) aar, nl.-saks. å̄r (oar, Gallée Wdb. p. 64), in het Nl. der zeventiende eeuw aer, uit mnl. *āder, os. āthar tegenover nl. ander, nd. anner, mnl. mnd. ander, os. andar. Eindelijk dient vermeld te worden de overgang der nasale ā voor h, f in ō (verkort ŏ) in de volks- en spreektaalvormen praet. brocht, docht, mnl. brochte, dochte, mnd. brochte, oe. brōhte, thōhte, ofri. brochte, thochte tegenover bracht, dacht, mnl. mnd. brachte, dachte, os. brāhta, thāhta, of in de gewestelijke adj.-vorm zocht, (wvla. en elders), mnl. sochte, oe. sōfte tegenover het gewone zacht, mnl. mnd. sachte, os. (bijw.) sāfto.

Uit de - overigens welbekende - feiten, hier bijeengebracht, is blijkbaar voor het Nederlandsch zekere verwantschap met de engelsch-friesch-saksische tongvallen op te maken2), al wordt het aan den anderen kant vooral door ééne gewichtige afwijking, de meervoudsuitgangen van het Praes. Ind. van het werkwoord, als een overgangstongval naar de frankisch-hoogduitsche dialecten gekenschetst. Nu heeft het Saksisch in het tijdvak, waaruit de oudsaksische bronnen dateeren, tal van andere verschijnselen bezeten, die een stelliger friesch-engelsch karakter vertoonen en door geen saks. dialect tot heden zijn bewaard; soortgelijke

[p. 129]

eigenaardigheden zal ook het Nl.-Saksisch en het Westnederfrankisch (Oud-nederlandsch) hebben gekend. In eenige streken van het oud-saks. gebied waren deze ‘frisonismen’ sterker verbreid; voornamelijk echter worden hier bedoeld taaleigenaardigheden van beperkter uitbreiding, wier gewestelijke begrenzing tot nog toe niet gelukt is1). In het Nederlandsch laten zich zulke verschijnselen beschouwen als indringelingen uit het Friesch of als overblijfsels van oudfriesche tongvallen2), reeds in ouden tijd door frankische (saksische) dialecten verdrongen; zij zullen eigenlijk in de zoogenaamde friso-frankische (friso-saksische) tongvallen in zwang zijn geweest.

In dit redeverband nu, hoop ik, zal het bestaan van een Oudnl. ā̌, ō̌ nevens eo niet als eene geheel losse en bevreemdende hypothese voorkomen. Deze vorm zal niet meer bevreemden dan bijv. os. grē voor grao, gēr voor jār of wel hālag, lāra, a-rās voor hēlag, lēra, a-rēs. Nog resten echter te verklaren de o-klank in ooit en de oorspr. korte a in aait.

De samenhang der vormen ā̌ en ō̌, uit āw, aiw voortgesproten, wordt aan de hand gedaan door het oudengelsche bijwoord āwo, een ouden vorm van āwa, dat volgens de verklaring van Kluge, Engl. Stud. XX, 333, tot eene samenstelling āw āw terug te brengen is. In de eerste lettergreep verschijnt steeds ā, naar den gewonen regel; in de tweede, mingeaccentueerde syllabe werd ā̌ onder den invloed der volgende w tot ō̌ gewij-

[p. 130]

zigd (zie Bülbring, Altenglisches Elementarbuch § 377b en, bijzonder over de hier in aanmerking komende woorden, Pogatscher, Anglia, Beiblatt XIII, p. 15 vlg.). Daarom vertoont ook het niet samengestelde woord, āw in het Ags. twee vormen: ā1 oorspr. betoond en ŏ, oorspr. zwakker betoond, die nu weer kort of lang kunnen voorkomen, naar gelang van het er in den zin op vallende accent.

Het ontstaan van den vorm ō̌ in het Oudengelsch is, zooals Pogatscher t.a. pl. aantoont, zeer oud en moet, hetgeen uit de samenstellingen óeʒhwelc, óeʒhwēr is op te maken, reeds vóór de door umlaut bewerkte wijziging van ō in óe worden aangenomen. Met des te meer waarschijnlijkheid zal men kunnen vermoeden dat in verwante tongvallen op het Oudnederlandsch gebied eene parallele ontwikkeling van āw in ō̌ plaats heeft gehad. Aldus blijkt de ō in ō̌ jit, ooit met oe. ō̌ overeen te komen. De korte a in ā̌ jit, aait1) behoeft na het boven gezegde geen verdere verklaring.

De woorden ooit en aait, tot welker vergelijking mij het artikel van Prof. Kern aanleiding gaf, werden hier boven - naar eene andere zienswijze - met elkaar in verband gebracht. Het spreekt echter vanzelf, dat de juistheid mijner hier nader toegelichte gissing omtrent den oorsprong van ooit niet staat of valt met de eene of andere beschouwing aangaande aait, over welks geschiedenis de kenners van de nl.-saksische tongvallen wellicht beter zullen kunnen oordeelen dan de schrijver van dit opstel, die reeds over vraagpunten der Nederlandsche grammatica breeder heeft gehandeld dan wellicht voor een vreemdeling raadzaam te achten is.

 

Upsala.

hj. psilander.