Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21. E.J. Brill, Leiden 1902  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 146]

Zoo koud als een bot.

Het behoeft geen betoog, dat het zijne eigenaardige moeielijkheden heeft eene verklaring van eene zegswijze, eenmaal als vaststaande aangenomen met eenige kans op succes aan te vallen; en dit is dubbel gevaarlijk, wanneer die verklaring niet gezocht is en bij het grootste deel der landgenooten zelfs voor de hand ligt.

Dit alles echter kan me niet weerhouden in dit tijdschrift dat waagstuk te ondernemen, vooral ook omdat het, om eenzijdigheid te vermijden, nuttig is verklaringen van Nederlandsche woorden en spreekwijzen ook eens door eene Geldersche bril te bekijken.

Wat beteekent bot in bovenstaande uitdrukking?

Natuurlijk de visch van dien naam, denkt een geboren Hollander (zie Woordenboek der Ned. taal, deel III kol. 678).

Wel neen, dat beteekent been, knook, zegt iemand uit de Oostelijke provinciën.

Wie heeft gelijk?

Visch en koud zijn twee begrippen, die zeer wel bij elkaar passen; in Zeeland en Holland zegt men dan ook: zoo koud als een visch. Een aal is bijzonder glad, vandaar ook de spreekwijze: zoo glad als een aal; maar is het ook eene bijzondere eigenschap van bot, dat ze eene lage lichaamstemperatuur heeft? Immers neen. Waarom koos de spraakmakende gemeente dan juist eene bot uit? Is dat willekeur?

De bekende, breedruggige ‘men’ zal met liefde die beschuldiging mededragen, al is het maar om ons niet te doen blozen over onze onwetendheid.

Het woord bot in den zin van been is een Geldersch woord1),

[p. 147]

dat dagelijks in tal van uitdrukkingen gebruikt wordt1); bot als naam eener vischsoort daarentegen is in Gelderland vrijwel onbekend en komt daar dus in geen enkele zegswijze voor. Wanneer de Graafschapper spreekt van: zoo kold as en bot, zoo stîf as en bot, zoo ha(r)d as en bot, dan denkt hij aan beenen, en dat hij been werkelijk koud vindt, blijkt uit: zoo kold as en bikkel2), zoo kold as en köttel3). Hollandsche schrijvers trouwens noemen doodsbeenderen ook kil en koud. Derhalve hebben beide beteekenissen van bot in bovenstaande uitdrukking recht van bestaan, doch door de analoge Geldersche spreekwijzen helt de weegschaal een weinig naar die zijde over.

En nu zouden we, zooals dikwijls het geval is, op het doode punt gekomen zijn, indien het hier geen bijzonder geval gold. Immers bot (visch) is oorspronkelijk slechts in de zeeprovinciën bekend en bot (been) kwam toen slechts in het Oosten van ons land voor. De vraag is nu nog slechts deze: uit welke streek is de uitdrukking afkomstig?

Bij ondervinding weet ik, dat ze in de Oostelijke provinciën dagelijks gebruikt wordt en vooral in die streken, welke weinig met de buitenwereld in contact zijn gekomen, zijn de menschen 's winters zoo koud als een bot (ook wel bikkel, köttel, îs); waar de beschaving wat meer is doorgedrongen, worden ze tevens zoo koud als een steen, en heel enkele ‘nijlichters’ voelen zich

[p. 148]

zoo koud als een kikker. Bot is echter overal nog het meest gebruikte woord.

Een onderzoek (bij ± 50 personen verdeeld over Holland en Zeeland) leerde mij, dat geen enkele ongeletterde de spreekwijze kent in het land, waar de botboeren dagelijks hunne waren venten.

Opmerkelijk is het bovendien, dat ik in woordenboeken en verzamelingen van spreekwoorden en spreekwijzen bijna altijd te vergeefs zocht, hoewel de schrijvers in de zeeprovinciën geboren en getogen waren.

Uit het bovenstaande besluit ik:

a.de uitdrukking is in Holland en Zeeland waarschijnlijk niet inheemsch;
b.van het drietal: zoo stijf als een bot,
zoo hard als een bot,
zoo koud als een bot
is de laatste zegswijze evenals 't woord bot (been) allengs de westelijke provinciën binnengeslopen; de twee eerste echter pasten niet in den mond van hen die bij bot uitsluitend aan visch dachten.
c.dat de schrijfwijze: zoo koud als eene bot (zie Woordenb. der Ned. taal, deel III, kol. 678) foutief is, aangezien hier bot onzijdig is.

 

Voorschoten.

g.j. klokman.