Waldensine, waldandsini.
In mijn opstel over Waltowahso1) noemde ik de Friesche bijvormen waldensine, waldandsini zonderling. Thans geloof ik eene aannemelijke verklaring van walden- te kunnen geven.
In bedoeld opstel werd reeds opgemerkt dat Friesch wald-, Ohd. walto in hoofdzaak overeenkomt met Iersch folt, hoofdhaar. Nu bestaat echter naast folt in 't Oudiersch een bijvorm foiltne, Gen. foiltni, Acc. foiltne, Dat. pl. foiltnib. Een overeenkomstige bijvorm in 't Germaansch zou in 't Friesch walden luiden, en hiermede is waldensine verklaard. Of er een derde bijvorm bestaan heeft, waarin een d voorkomt, is onbekend, en inzooverre is waldand- nog niet met zekerheid verklaard. Noodzakelijk is het niet zulk een bijvorm te veronderstellen, want de toevoeging van een zuiver fonetische d na n is geenszins zeldzaam.
h. kern.