Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21. E.J. Brill, Leiden 1902  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 238]

Boomsche maat.

Dit nog niet opgehelderde bijv. naamw.1) zou ik willen houden voor den samengetrokken vorm van bodemsche, en wel om de volgende redenen. In het Hagelandsch komt naast boomsche ook bomsche voor, dat men zeker wel uit boomsche mag verkort achten, daar in het Westvlaamsch, ook in het land van Waas, het znw. boôm, samengetrokken vorm van bodem, als bom wordt uitgesproken2); de uitdrukking ‘bommeloos rijk’ bijv. is aldaar zeer gewoon voor bodemloos rijk3). Wijst de vorm bomsche reeds op boomsche = bodemsche, een analoge uitdrukking in het Friesch steunt dat vermoeden. In die taal bestaat een znw. boazem, d.i. bovenlaag vet of ook rookleiding boven den zolder. Van dit znw. boazem, is een bijv. naamw. boazemer gevormd, dat voorkomt in de uitdr. boazemer miette, d.i. overloopend volle maat4), wat in Zuid-Nederland dialectisch boomsche (bomsche) maat genoemd wordt. De beteekenissen van boazem komen merkwaardig overeen met die van boôm, dat ook bovenlaag (vet) kan beteekenen (o.a. nog in het Friesch), in welken zin het in de uitdr. ‘van den hoogen boom teren’ nog voorkomt5). En in het Westvlaamsch beteekent boom ‘ijzeren plaat, die, in een openvier, als eene zoldering ligt boven de viering en dient om den rook langs de buis in de kave te leiden’ (De Bo), eene beteekenis, die vrij dicht staat bij die van het fri. boazem. De beide znw. boom (ook uitgespr. bom) en het fri. boazem komen dus zoo goed als geheel in beteekenis overeen, en waar nu van het laatste een bijv. naamw. is gevormd, dat volmaakt hetzelfde beteekent als bo(o)msche, daar is het dankt me niet te gewaagd, dit

[p. 239]

af te leiden van boom = bodem. Onder boomsche (bomsche) maat zal men dan moeten verstaan: maat tot het deksel toe, en vervolgens overvolle maat.

Den bij Rutten 35a uit Kempeneers aangehaalden vorm bompsche maat (Tijdschr. XXI, 117) acht ik ontstaan uit bomsche met epenthesis der p tusschen m en s (vgl. mnl. dempster; Franck § 115 (5); Van Helten § 134 c en 17de eeuw kompst Nauta, Bredero § 44). Het Noordnederlandsche bonsche houd ik met de HH. Cramer en Hattink voor eene afleiding van Bonn (stadsmaten zijn in de middeleeuwen zeer gewoon1), waaruit met inlassching der t tusschen de n en de s wederom bontsche kon ontstaan (Kern, Limb. Serm. § 123 en vgl. in de 17de eeuw andersints en gantsch voor gansch).

Naast dit boomsche maat komt in Zuid-Nederland ook voor broemende maat, dat in het Ndl. Wdb. III, 1513 aarzelend verklaard wordt als schuimende maat. De twijfel aan deze verklaring wordt m.i. opgeheven, wanneer men vergelijkt het evenzeer Zuidnederlandsche (Land v. Aalst) broebele maat, opgehoopte maat van vloeistoffen, zaden, enz.2). Dit broebele behoort natuurlijk bij het wkw. broebelen, dat te Denderleeuw gezegd wordt van zeepsop, waarop bobbels ontstaan, wanneer men er met een steeltje in blaast; het is dus synoniem van brobbelen waarvan brobbelend vol, brobbelde vol, zeer vol, zoo vol dat er niets meer bij kan, zooals in het land van Waas gezegd wordt3). Nog eene derde uitdrukking wensch ik hier even ter sprake te brengen nl. bommelsche maat, dat niet overvolle maat, maar ruwe maat beteekent. Vgl. Pamfletten (Muller), 662, ao 1608, bl. 1 v: ‘ick laet staen de groote broecken (bluffers), die met de bommelsche mate meten’; Van Spaan, bl. 177: ‘voorts

[p. 240]

wierd 'er gevraagt of het (de verleiding) gemakkelyk toegegaan was, of ze 'er groot plaisier in geschept hadden, en wanneer ze rekenden, als mede wie 'er den eersten Aanleider van was geweest, als ook of ze niet verloofd waren, en waar 'er blyk was; of heb je (vervolgden ze) uw napje maar opgehouden, iets in de veel laten douwen, of, by de Bommelse maat, maar zoo wat laten beregten?’ Vergelijken wij andere uitdrukkingen die hetzelfde beteekenen, als op de pof, op de bof en het Zuidndl. op den bots, waarin de substantieven pof, bof, bots samenhangen met werkwoorden, die alle een dof geluid voortbrengen beteekenen1), dan rijst de vraag of op de bommelsche maat niet op dergelijke wijze moet worden verklaard en wij bommelsch in verband moeten brengen met bommelen, frequentatief van bommen, in den zin van een hol en dof geluid maken, welke beteekenis dit wkw. in Vlaanderen inderdaad heeft2). Met het bij Rutten vermelde bommersche (Schuerm. Bijv. 42 boemersche?) maat weet ik geen raad, tenzij men naast bommelen een wkw. bommeren (vgl. hd. bummern) mag aannemen, dat ik evenwel in onze taal nergens kan aanwijzen.

 

f.a. stoett.

Bladvulling.

Zou wellicht achter perduic op blz. 161 hierboven ook kunnen schuilen polverduyc, hetwelk op blz. 99 voorkomt, en dat weer denken doet aan poyere dick op blz. 97?

 

f.a.s.