Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21. E.J. Brill, Leiden 1902  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 297]

Bijdragen tot de kennis der uit het Frans overgenomen woorden in het Nederlands1).

Over afgeleide werkwoorden.

Men kan de uit het Frans afgeleide werkwoorden op de volgende wijze verdelen:

A.Werkwoorden die van de franse stam zijn afgeleid, d.i. van dat gedeelte van de verschillende vormen van een frans werkwoord dat in alle of vele tijden, wijzen en personen steeds gelijk blijft, zoals parl in parler, parlons, parlais enz.
B.Werkwoorden die door de franse Infinitief zijn te verklaren: 1. die onmiddellik uit het Frans zijn afgeleid; 2. die bij ons door analogie gevormd zijn van franse werkwoorden.
C.Werkwoorden met dubbele vorm, afgeleid volgens het precédé A zowel als B.
D.Werkwoorden van een verbogen vorm van het franse werkwoord afgeleid.

A. Werkwoorden van de Franse stam gevormd.

Bij de bespreking dezer werkwoorden dient in de eerste plaats de aandacht gevestigd te worden op een moeielikheid waarvoor men bij de beoordeling ervan geplaatst wordt. Het komt nl. zeer vaak voor dat, in het Nederlands, naast het van de franse stam afgeleide werkwoord, ook het verbale substantief voorkomt: in dat geval is het dikwijls zeer moeielik uit te maken of het nedl. werkwoord gevormd is van dat subst. of van de fr. stam. Zeker zijn b.v. afgeleid van de stam: benediën, bersen, brassen, kastiën, malediën, mailloten, seizen, waarnaast geen substantiva

[p. 298]

voorkomen. Maar voor de andere moet men naar middelen zoeken om zekerheid te krijgen, en dit gelukt niet altijd; zo b.v. kunnen maelgetten, morselen, perselen, fienten òf van maelget, morseel enz. zijn afgeleid òf onmiddellik van fr. mailleter, morseler komen, al is het dan ook waarschijnliker dat zij zijn afgeleid van het substantivum. Veel hangt er van af te weten of het zelfstandig naamwoord eerder is overgenomen dan het werkwoord, maar de teksten geven daaromtrent slechts zelden voldoende inlichtingen. Dat meskieven van het subst. meskief - en niet van de sterke vormen van ofr. dial. mescaver komt - zou ik hieruit opmaken dat meskief vroeg en vaak, meskieven zelden en laat voorkomt; ook voor grieven zou men op die wijze kunnen redeneren. Een enkele maal kan de middelnederlandse vorm van het werkwoord ons van dienst zijn: dat joyen van mnl. joie, en niet van jouir, evenals pleiten van pleit, en niet van plaidier komt, is duidelijk; evenzeer dat accorden, descorden van fr. accorder, descorder, en niet van mnl. accoort, descoort zijn afgeleid. Zelden helpt ons de betekenis van het mnl. werkwoord; ziehier één voorbeeld: boerden, dat uitsluitend ‘schertsen’, niet ‘toernooien’ betekent, is zonder twijfel van mnl. boerde gevormd.

Vooral hierom zou men gaarne meer zekerheid hebben, om te bepalen of de nederl. woorden van de franse sterke of van de zwakke stam zijn afgeleid. Indien het vaststond dat grieven van grever kwam, zou men de konklusie mogen trekken dat de franse sterke stam het uitgangspunt van de nieuwe formatie is geweest, zoals prüfen bewijst dat in het Hgd. soms het geval was. Maar voor het Ned. ontbreekt mij een vast bewijs. Ik kan alleen eenige waarde hechten aan de vorm meinen (De Bo) naast menen, mennen, fr. mener, die inderdaad op de fr. sterke stam mein zou wijzen1). Dat daarnaast afleidingen van de zwakke stam werden gevormd bewijzen plooien, proeven. Ik

[p. 299]

neem de vrijheid te verwijzen naar de (hypotetiese) verklaring die ik indertijd1) gegeven heb van de dubbelvormen vernoien en verneien, en waaruit ook zou blijken dat, zowel van de sterke als van de zwakke franse stam, bij ons werkwoorden konden worden afgeleid.

B. Werkwoorden gevormd van de Franse infinitief.

1. Onmiddellik uit het Frans overgenomen.

Dat de werkwoorden op -eren gevormd zijn van de franse Infinitief lijdt geen twijfel. Het feit is evenwel bevreemdend en vereist een kleine toelichting. Alleen het Hgd. vertoont analoge formaties. Bréal2) haalt deze aan om te doen zien hoezeer de Infinitief, voor het gevoel van hen die Frans hoorden spreken, van belang geacht werd: hij vatte al de overige tijden en wijzen van het werkwoord samen. Het komt mij voor dat zijn opmerking moet worden aangevuld om juist te zijn. Het lijkt mij zeker dat, waar het betreft ontlening aan de gesproken taal, er slechts één manier is om een vreemd werkwoord over te nemen, nl. de stam ervan te voorzien van inheemse uitgangen; van een psychologies standpunt lijkt mij dat het enig verklaarbare procédé3). Alleen voor hen is de Infinitief het essentiële, die de vreemde taal als vreemde taal geleerd hebben, hetzij op school hetzij uit de boeken. En daarom mag men, dunkt mij, beweren dat de, van de Infinitief gevormde, werkwoorden aan de geschreven taal zijn ontleend, niet berusten op een onmiddellik overnemen van het gesproken woord. Door deze verklaring zou het tevens volkomen natuurlik worden dat het Engels, waarin de franse woorden uit de mond van Fransen zijn overgenomen, geen franse werkwoorden in de Infin. ontleend heeft, maar alleen in de stamvorm; terwijl juist het Hoogduits en het Nederlands, waarvan wij reeds wisten dat zij veel franse

[p. 300]

woorden langs literaire weg hebben gekregen, ze wèl kennen. Een steun voor de verklaring leveren nog de volgende feiten. In het Hgd. zijn de, van de franse stam gevormde, werkwoorden veel minder talrik dan die van de Infinitief komen; bij ons is de verhouding anders; m.a.w. in Duitsland heeft het Frans vooral door de letterkunde invloed geoefend, bij ons zowel door de boeken als door de levende taal. Bovendien, de oudste ontleningen aan het Latijn zijn, zoals men weet, uit de gesproken taal gekomen; welnu, alle oude latijnse werkwoorden zijn in de stamvorm overgenomen.

Zoals men weet kent onze tegenwoordige taal alleen -eren, de middeleeuwse -eren en -ieren, het Hoogduits alleen -ieren; van enkele franse werkwoorden op -re hebben wij een vorm op -eren met stomme e.

Wij zullen thans moeten onderzoeken in welke verhouding de vormen op -eren tot die op -ieren staan. Zoals men weet komt -eren van fr. -er, -ieren van fr. -ier en van fr. -ir.

a.fr. -er = mnl. -eren1).
josteren: verweren, Tro., 2729, 1580.
josteren: gheren, Tro, 8234.
useerde: leerde, Ro., 4362 var.
blameren: eren, Sto., IV, 1315.
visiteren: deren, Sto., II, 1066.
flateren: heren, Sto., X, 1022.
antieren: verweeren, Ro., 8753 var.
b.fr. -ier = mnl. -ieren.
payire: sciere, Rincl., 852.
losengieren: manieren, Rein., I, 309.
dangieren: vieren, Wal., 9753.
vernoyeren: bestieren, Hs. Pelgrim., Argum. 390.
ontmaelgieren: quartieren, Wal., 10607.
logieren: banieren, Grimb. O., I, 2906.
[p. 301]
octroyeren: manieren, Lanc., II, 1903, 8153.
faelgieren: meneghertiere, Hild., 15, 109.
regieren: goedertieren, Hild., 19, 65.
dangieren: manieren, Lanc., II, 11925.
c.fr. -er = mnl. -ieren.
visieren: manieren, Tro., 3723; Lanc., II, 7169.
antierden: bestierden, Ro., 10607.
antiren: taverniren, Ro., 10803.
hantieren: manieren, Melib., 2248; Lanc., II, 5246.
antieren: portieren, Ro., 6933.
presentieren: manieren, Lanc., II, 19138.
joesteren: banieren, Tro., 5192.
ghevisiert: bestiert, Grimb. O., I, 4156.
d.fr. -ier = mnl. -eren.
gelogeert: onverveert, Gr. O., II, 1104.
gelogeert: ongemeert, Gr. O., II, 1204.
e.fr. -ir, -ire = mnl. -ieren.
finieren: manieren, Lanc., II, 14565.
asselgieren: manieren, Wal, 9901.
mantenieren: manieren, Lanc., II, 13165.
obedyeren: officieren, Ovl. Lied. en ged., p. 345.
faelgieren: manieren. Lanc., II, 9019, 11756; Ro., 9589.
scoffieren: manieren, Lanc., II, 10267.
f.fr. -ir = mnl. -eren.
ghescoffiert: ongeveert, Grimb. O., I, 3870.
conquereren: heren, Sto., III, 1011.
gesconfiert: wederkeert, Sto., IX, 839.
gesconfiert: verkeert, Sto., VIII, 1354.
obediren: eeren, Aanhangsel Brab. Y., 415.
g.fr. -re = mnl. -eren (met stomme e)1).
[p. 302]
peisteren 2, reimeren 1, reren 1 (fr. raire).
h.fr. -re = mnl. -eren.
debatteren 3, exponeren 21) (ofr. espondre), responderen 31).
i.fr. -oir = mnl. -eren.
moveren 11), valeren 4 (Broeck.)1).
j.In het Middelnederlands gevormd2).
ghepingiert: verchiert, Wal., 7895.
gescakiert: geciert, Fl. en Bl., 1506.
regieren: manieren, Ned. Kluchtsp., I, 134.
ongewaerneert: gekeert, Grimb. O., I, 2582.

 

Uit deze lijsten ziet men vooreerst dat, gedurende de gehele mnl. periode, -eren naast -ieren bij ons in gebruik is geweest; het best blijkt dat wel uit het feit dat, in woorden die bij ons met die uitgang zijn gevormd, zowel -eren als -ieren is gebruikt. Als men de lijsten nagaat, zou men zeggen dat -ieren bij ons meer verspreid is geweest in de Middeleeuwen dan -eren; ten minste er zijn veel meer voorbeelden van -ieren = fr. -er, dan van -eren = fr. -ier, -ir3). Dat kan hiervan komen dat in het Mnl. meer woorden met -ier dan met -eer voorkomen, zodat de dwang van het rijm aan -ieren meer dan aan -eren ten goede kwam. Niet geheel te verwerpen is de verklaring dat -ieren zó talrik is, door de analogie der werkwoorden afgeleid van een subst. op -ier (b.v. drapieren, geplankiert)4). En eindelik, men

[p. 303]

vergete niet dat, in het Oudfrans, de werkwoorden op -ier zeer talrik waren, en, daarbij gevoegd die op -ir, in aantal zeker niet onder die op -er stonden.

Wat daarvan zij, in het Hoogduits is alleen -ieren gebleven, bij ons uitsluitend -eren1). Dit verschil kan, dunkt mij, verklaard worden door de volgende twee feiten. In de oostelike oudfranse dialekten - waaraan dus in de eerste plaats de franse woorden van het Hgd. zijn ontleend - heeft men meer dan eens gekonstateerd een uitbreiding van de uitgang -ier, ten koste van -er; daarentegen komt in het Noordfrans dit verschijnsel niet voor; eerder het tegenovergestelde2). Ziedaar dus hoe men kan verklaren dat alleen -ieren in het Hgd. voorkomt. Dat bij ons, hoewel -ieren talrik was in de Middeleeuwen, thans uitsluitend -eren voorkomt, schrijf ik hieraan toe dat ook in het Frans -ier in alle werkwoorden tot -er is geworden, en dat wij, in afwijking van Duitsland, steeds in aanraking met het levende Frans zijn gebleven, waardoor wij de ontwikkeling daarvan hebben medegemaakt. Deze onderstelling wordt gesteund door de overeenstemming van de datum waarop bij ons -ieren verdwijnt en waarop in Frankrijk -ier tot -er wordt. In het Frans is in de 16de eeuw -ier verdwenen3); ziehier wat ik gevonden heb omtrent het laatste optreden van -ieren ten onzent.

In een kluchtspel van 1562 (zie de lijst hierboven) leest men het rijm manieren: regieren. Bij Despars, Cronijcke van Vlaanderen (1562), treft men eveneens nog -ieren aan, maar betrekkelik zelden. In de eerste honderd bladzijden vond ik meer dan eens regieren (66, 69, 86, 92), pylgieren (fr. piller, 26, 73, 79);

[p. 304]

verder corrigieren en punieren1) (51, 96), outragieren (36), logieren (40), vertravaylgieren (45), alligieren (48), allegieren (49), gedesoilliert (74), justicieren (94), assiegieren (235), gedebarquiert (185), touchieren (57).

In overeenstemming daarmee is dat Anna Bijns, hoewel zelden, -ieren in het rijm heeft: b.v. Tweede Boek der Refereynen creyieren: pieren: putieren; Derde Boek hantierde: versierde; hantieren: vieren (daarnaast hanteren: abstineren). Over obedyeren (: tieren) zie beneden.

Uit de Velerhande Geneuchl. Dichten (1600) vermeld ik manieren: obedieren, waarover beneden. Verder vond ik alleen, 165, spancieren: manieren; waaruit schijnt te volgen dat -ieren in 1600 zeer ongewoon was geworden in Antwerpen.

Is dat in Noord-Nederland eerder het geval geweest? In de Psalmen van Marnix van St. Aldegonde komt noch -eren noch -ieren in het rijm voor. In het Lied-Boeck van Coornhert en in de Dichtwerken die in het 3de Deel van zijn werken (uitg. 1630) gedrukt zijn, vond ik geen enkele maal -ieren in het rijm, en werkwoorden op -eren waren er betrekkelik zeldzaam: in het Lied-boeck drie (hanteren, accorderen, pelgrimeren), in het genoemde derde deel zes (hanteren, philosopheren, propheteren, faelgeren, ordonneren, visiteren). In de Bloemhof van de Nederlandsche Jeught (1608) komen slechts twee rijmen op -eren voor (commandeert: begeert (27); eclypseren: keeren (33)); verder dieren: obedieren (85), waarover later meer.

Eindelik, in Van Haeften, Lusthof der Christelijcke Leeringhe (1622) trof ik aan éénmaal -ieren (geschakiert: verciert, 112), vijfmaal een rijm op -eren (geregeert: gheleert (34); accordeert: ghereformeert (82); Heeren: blasphemeeren (178); kleeren: braggeeren (260); braveeren: palleeren (290)).

Uit dat alles volgt niet dat in Noord-Nederland -eren vroeger in de plaats van -ieren is gekomen dan in het Zuiden. Zowel hier als daar is om en bij 1600 -ieren reeds een antiquiteit;

[p. 305]

de uitgang is er dus ook in de 16de eeuw verdwenen, gelijktijdig met het verdwijnen van -ier in het Frans, misschien iets later. Er bestaat dus verband tussen die beide feiten, en -ieren is bij ons in onbruik geraakt doordat in het Frans niet meer -ier voorkwam. Bovendien, ook hierom is onmiddellike invloed van het Frans zo waarschijnlik, omdat de uitgang -eren altijd, tot heden toe, als een vreemde uitgang is gevoeld.

 

De werkwoorden gevormd van de Infinitief geven nog tot enige opmerkingen aanleiding.

In het tegenwoordige Frans komen nog werkwoorden op -ier voor, meest geleerde woorden; wanneer die door ons zijn overgenomen na de periode waarin -ieren door -eren is vervangen, krijgen ze bij ons de uitgang iëren. Vergelijk bijvoorbeeld fantaseren 3 (fr. fantasier) met variëren 4 (fr. varier).

Wel te onderscheiden van de ofr. uitgang -ier met de tweeklank ie, is de uitgang -ier, van twee lettergrepen. Deze laatste heeft reeds in het Middelnederlands iëren geluid. Evenwel - en daarom vermeld ik ze hier - daarnaast vindt men vaak -ieren. Sommige voorbeelden heb ik reeds in mijn Essai (p. 108, Noot) geciteerd, nl. glorieren, licensieren, subtilieren. Ik voeg daar nog bij: approprieren, Despars, 58; trieren, D. War. VII, 28 (het betekent daar ‘behandelen’; ofr. trier, als subst. gebruikt, heeft de zin van ‘precédé’); tornieren (: nederstieren, Grimb. O., I, 4294); defieren 1 (vermoedelik aldus te lezen in de Merlijn; zie Mnl. Wk.; fr. défier); oytrieren, Lanc., IV, 1307 (naast otroyieren, II, 12635; otroyeren, II, 5988); ordieren (: faelgieren, Ro., 13643 var.; tekst orderen: falleren), cryeren (: manieren, Anna Bijns)1).

Of obedieren hierbij hoort is onzeker. Men vindt het in rijm op -ieren, zoals wij gezien hebben, en men kan het als een samentrekking van obediëren beschouwen, dat ook in het Middelnederlands voorkomt, b.v. Franc. 6187, waar de vorm

[p. 306]

obedient bewijst dat het Mnl. Wk. terecht obediëren leest. Evenwel, obedieren zou ook te verklaren zijn uit de fr. Infinitief (obedir is een oudere vorm van obeïr, en desnoods zou de d als een latinisatie beschouwd kunnen worden).

Het is niet zeker hoe deze vormen verklaard moeten worden; zij kunnen zijn gewijzigd naar analogie van de werkwoorden op -ieren, of wel is er samengetrokken, zoals in suppleren 4 (fr. suppléer), surceren 3, Rek. v. Utr. Gloss. (fr. surséer), en in affleren 1 (fr. affluer), gehabiteert, naast gehabitueert (ofr. habituer, ‘kleden’)1).

2. Werkwoorden op -eren, gevormd door analogie.

De afleidingen op -eren, -ieren moeten reeds zeer vroeg in groten getale bij ons gevormd zijn. Immers reeds in de oudste periode vindt men werkwoorden op -eren, -ieren, waarin bij ons dat suffix is aangezet.

Ik noem in de eerste plaats werkwoorden als: policieren 1, namptisseren 3, applaudisseren 4, approfondisseren 4, florisseren 4, saisisseren 4. Zoals men ziet, zijn zij voor het merendeel modern, maar policieren bewijst dat het procédé reeds vroeg is toegepast. Zij onderscheiden zich hierdoor dat zij niet onmiddellik van de franse Infin. zijn gevormd, maar van de stam van het franse werkwoord: vergelijk b.v. floreren 3 (van florir) en florisseren, polieren 1 en policieren, nampteren 3 naast namptisséren. Men weet dat in het Engels deze formaties veel talriker voorkomen dan bij ons2).

Dat wij in staat zijn deze groepen te onderscheiden van de ww. die van de franse Infinitief zijn gevormd, komt hiervan dat de werkwoorden waaruit hij bestaat, in de Inf. een andere stam hebben dan in de meerderheid der andere vormen: het zijn de zoogenaamde inchoatieve werkwoorden. Het spreekt echter vanzelf dat de mogelikheid bestaat dat,

[p. 307]

onder de verba die wij, als vanzelf, aan de Infinitief ontleend achten, er ook zijn die bij ons van de stam zijn gevormd met bijvoeging van -eren. Zo kan restaureren van restaurer komen plus de nederl. uitgang -en; maar onmogelik is het niet dat wij het vroeger overgenomen restoren ‘verfranst’ hebben door de uitgang -eren. Natuurlik moet men aannemen dat, in het begin, vele werkwoorden in de vorm van de Infinitief zijn overgenomen, daar de populariteit van -eren ten onzent anders niet te verklaren zou zijn; maar omtrent de latere blijft twijfel bestaan.

Ik kom op deze kwestie terug bij de behandeling van de dubbelvormen.

Merkwaardig zijn ook vormen als de volgende: obediëren 1, puniceren 3, demoliëren 4, apercipiëren 4 (die beide door Broeckaert worden genoemd) en recipiëren 4, dat algemeen in gebruik is bij ons. Demoliëren is zonder twijfel van franse oorsprong in het Vlaams, en moet dus op gelijke lijn worden gesteld met eng. obeye1); niet de verlengde stam op fr. iss (die zou demolisseren gegeven hebben), maar de stam op i is uitgangspunt van de nieuwe formatie geworden: trouwens, ook in de franse konjugatie der inchoatieve werkwoorden is i als caracteristicum van de stam gevoeld. In apercipiëren en recipiëren, die beide latiniseringen van franse woorden zijn, en niet uit het Latijn komen2), is als stam beschouwd de vorm die het Latijnse werkwoord in de 1ste pers. sg. en 3de plur. praes. ind., in de praes. conj. enz. had. Wat eindelik obediëren betreft, waarvan daareven sprake is geweest, ook dit moet zonder twijfel met apercipiëren op één lijn worden gesteld.

 

Ten slotte een korte vermelding van een andere groep van werkwoorden op -eren, die eigenlik niet tot de hier behandelde horen, nl. die bij ons zijn gevormd van bestaande werkwoorden, van hetzij germaanse oorsprong, b.v. happeren 3, boekeren 3; hetzij franse b.v. pleiteren (naast pleideren, dat van de franse Infini-

[p. 308]

tief komt), of gemaakt zijn van uit het Latijn bij ons overgenomen woorden, b.v. kerkereren, clareren1). Ook voor vele werkwoorden van deze groep kan men in twijfel staan of zij gevormd zijn van bestaande infinitiva (happen, boeken, pleiten, kerkeren, claren), of onmiddellik van het grondwoord zijn afgeleid (hap, boek, pleit enz.), dezelfde vraag dus die wij daareven hebben gesteld voor een andere groep van werkwoorden.

C. Werkwoorden met dubbele vorm.

Er zijn er zeer veel. Ik zal beginnen met bijeen te stellen die welke ik gevonden heb, en ik voeg (onder 2) daaraan toe de door analogie gevormde werkwoorden, zelfs die met germaanse stam.

1. Afgeleid van franse werkwoorden:

acorden 22) (?) accorderen 1
bataelgen 1) bataelgeren 1
batementen 3 batementeren 3 (?)
blamen 1 blameren 1
boerden 2 boerderen 1
brassen 3 brasseren 3
bullen 1 bulleren 1
cessen 1 cesseren 1
discorden 1 discorderen 1
dobbelen 2 dobbeleren 1
duren 1 dureren 2
faersen 3 farceren 4
faelgen 1 faelgieren 1
favelen 2 faveleren 1
feesten 2 festeren 1
finen 1 fenieren 13)

[p. 309]

glosen 1 gloseren 2
grieven 2 greveren 3, grieveren 3
kabassen 3 kabasseren 3
kleuren 3 koloreren 3
kolen 1 koleren 2
konfijten 3 konficeren 2
konkorden 1 konkorderen 1
kuren 1 kureren 2
queesten 2 (?) questeren 2
kwijten 1 quitteren 4
leveren 1 livereren 1
luten 3 luteren 3
meskieven 3 mescaveren 2
murmeren 1 murmureren 1
payen 1 payeren 1
passen 1 passeren 1
planen 2 planeren 1
planken 1 geplankiert 1
polijsten 1 policieren 1
posen 1 poseren 1
proeven 1 proberen 3
presenten 1 presenteren 1
profiten 2 profiteren 2
rantsoenen 3 rantsoeneren 3
restoren 1 restaureren 4
rooien 1 royeren 3
sommen 2 sommeren 21)
taillen 1 tailleren 4
tamboeren 1 tamboereren 1
temperen 1 tempereren 1
tenten 1 tenteren 4
termijnen 3 termineren 1

[p. 310]

toernooien 1 tornieren 11)
tormenten 1 tormenteren 2
trompen 1 tromperen 1
trossen 1 trosseren 1
truffen 2 trufferen 32)
veninen 1 venineren 1
vercoeveren 1 vercovereren 2
vormen 1 formeren 1

2. In het Nederlands gevormd:

(na)bootsen 4 boetseren 4
garrelen 3 garruleren 3
jokken 3 jokeren 2
kerkeren 1 kerkereren 1
klaren 1 klareren 1
kronen 1 kroneren 1
muren 1 gemureert 13)
pleiten 2 pleitieren 3
blinden 1 blinderen 4
boeken 3 boekeren 3
dolen 1 doleren 3
gronden 1 gronderen 1
happen 3 happeren 3
harden 1 harderen 14)
horden horderen 15)
hoven 1 hoveren 1
schaken 1 geschakiert 1

[p. 311]

getant 1 getandeert 11)
trotsen 4 trotseren 4

Deze dubbelvormen zijn zó talrik dat het de moeite waard is een ogenblik stil te staan bij de vraag hoe zij zijn te verklaren, en welk verband tusschen de beide reeksen bestaat.

Het komt mij voor dat men afzonderlik moet beschouwen die dubbele vormen die ongeveer in dezelfde tijd uit het Frans zijn overgenomen en bij ons dezelfde betekenis hebben. Het zijn de volgende (ik noem telkens slechts één der beide): bataelgen, batementen, bullen, cessen, diskorden, duren, faelgen, favelen, feesten, glosen, kabassen, kleuren, kolen, konkorden, kuren luten, murmeren, payen, planen, planken, polijsten, presenten, proeven, profiten, queesten, rantsoenen, sommen, tamboeren, temperen, toernooien, tormenten, trompen, trossen, truffen, veninen, vercoeveren.

Dus 36 groepen van de 56.

Uit hetgeen wij hierboven gezegd hebben over de afleidingen op -eren, vergeleken met die van de franse stam, zou volgen dat van deze twintig dubbele vormen één aan de gesproken taal, één aan de schrijftaal is ontleend. Deze mogelikheid bestaat inderdaad. Evenwel, waarschijnlik is het niet dat de taal, in dezelfde tijd en met dezelfde betekenis, hetzelfde woord tweemaal heeft overgenomen. En mij dunkt dat wij in vele gevallen de vorm op -eren moeten beschouwen als verfransingen van de overgenomen stamvorm.

Ik zou dit te eerder willen aannemen, omdat het feit der ‘verfransing’ vaststaat voor de dubbelvormen die zeker uit mnl. woorden zijn ontstaan (groep 2): doleren is zeker gevormd van dolen, gronderen van gronden. Immers deze dubbelvormen zijn gemaakt naar analogie van de dubbele stellen van werkwoorden, aan het Frans ontleend; daardoor is de mogelikheid uitgesloten dat gronderen, onafhankelijk van gronden, van grond is afgeleid2).

[p. 312]

Indien onze onderstelling juist is, dan hebben wij in deze werkwoorden een nieuw bewijs van het belang dat de ‘vervorming’ van bestaande woorden voor de taalontwikkeling heeft; hij steunt dan de mening die ik indertijd heb verdedigd over de rol van de latinisering van de overgenomen woorden, en hij komt overeen met wat wij in het Frans zelf waarnemen, waar, zoals Meyer-Lübke onlangs helder heeft aangetoond1), de zgn. ‘geleerde’ woorden vaak niet anders zijn dan latinisaties der bestaande ‘populaire’ vormen.

Het spreekt vanzelf dat, van de beide vormen, de één zeldzamer is dan de andere; maar dat bewijst niet dat hij niet de oorspronkelike is. Minder vaak dan de dubbelvorm op -eren komen voor: akkorden, diskorden, feesten, finen, konkorden.

Als de vorm op -eren ouder is dan de van de stam afgeleide, moet men dan aannemen dat zij onafhankelik van elkaar zijn gevormd? In de hierboven geplaatste lijst vind ik: favelen, feesten en planen. Van deze komt feesten zonder twijfel van mnl. feeste, niet van ofr. fester. Favelen en planen zijn zeer zeldzaam en verschillen in datum te weinig met hun dubbelvormen, om bezwaar te geven.

Dat evenwel soms wel degelik moet worden aangenomen dat het franse werkwoord tweemaal is ontleend, staat vast.

Indien de vorm der beide werkwoorden verschilt, moet men natuurlik onderstellen òf dat zij onafhankelik ontleend zijn, òf dat één der beide van het mnl. subst. verbale is afgeleid.

Bij grieven en greveren, meskieven en mescaveren valt zulk een verschil te konstateren, maar omdat juist grieven en meskieven, zoals wij zagen, waarschijnlik van de subst. grief en meskief komen, dwingen ook deze woorden ons niet om dubbele ontlening aan het franse werkwoord aan te nemen.

Evenwel, leveren en livereren, finen en fenieren schijnen wèl

[p. 313]

in dat geval te verkeren; livereren staat bovendien in betekenis dichter bij het Frans.

Soms is de ‘geleerde’ oorsprong van het werkwoord op -eren te herkennen aan de minder alledaagse of aan de zwakkere, soms aan de uitsluitend figuurlike betekenis. Vergelijk brassen en brasseren, blamen en blameren.

Sterker is het verschil van betekenis tussen dobbelen, konfijten, passen, rooien, taelgen, tenten, termijnen, sommen en hun dubbelvormen. Wat poseren betreft, zo blijkt uit de enige plaats waar het voorkomt (Rek. d. Buurkerk, p. 213) niet wat het aldaar beduidt; in de betekenis ‘zitten voor een portret’ is het natuurlik te scheiden van poozen.

En eindelik, het verschil in datum (en voor een deel, in vorm) bewijst dat faersen en farceren, kwijten en quitteren, restoren en restaureren, vormen en formeren onafhankelik van elkaar zijn overgenomen.

D. Werkwoorden, die van andere vormen van het Franse werkwoord zijn afgeleid.

Ik noem in de eerste plaats paveien. Dit kan komen noch van fr. paver, dat paven zou hebben gegeven, noch van het subst. pavei, dat in het Frans (pavé) eerst in de 16de eeuw voorkomt. Daar het, in de oude teksten, bijna uitsluitend in de vertaling van sale pavee dienst doet, mogen wij veronderstellen dat het van het fr. deelw. pavé komt, waaraan het volkomen beantwoordt. Het verl. dw. geplaveit heeft dus bij ons bestaan vóór de andere vormen.

Ook conterfeiten beschouwt men algemeen als ontleend aan het fr. deelwoord1), maar in het Mnl. Wk. vindt men een andere verklaring. Het noemt contrefaire als etymon van dit werkwoord, doch erkent dat ‘het daarvan niet rechtstreeks kan afkomen’. Het veronderstelt ‘dat het een afleiding is van het bnw. conterfeit ... of van een tot heden in het Mnl. niet gevonden znw.

[p. 314]

conterfeit, dat in het Mhd. en Hd. gevonden wordt’ ... Evenwel, dat van zulk een algemeen gebruikt werkwoord het grondwoord bij ons niet zou voorkomen, is niet waarschijnlik; en dat het adjektivum ter verklaring zou kunnen dienen, moet ik ontkennen: het komt éénmaal voor, in de 15de eeuw, terwijl het werkwoord reeds bij Maerlant te vinden is.

En toch begrijp ik dat prof. Verdam er tegen op heeft gezien het werkwoord zo maar van het franse deelwoord af te leiden. Immers, wil zulk een verklaring afdoende zijn, dan moet men ook aantonen dat werkelik het franse deelwoord het vaakst voorkwam in de teksten die vertaald werden, zoals wij dat hierboven voor pavei hebben gedaan en zoals ook zeker is van vormen als gefretteleert, geclaveelt, waarnaast men eigenlik ten onrechte infinitiva als fretteleren enz. onderstelt. De vraag is dan echter hoe men wèl de t moet verklaren; immers plaveien, laveien bewijzen dat tegen de uitspraak -eien geen bezwaar bestaat, zodat bij ons, evenals in het Mnd., conterfeien te verwachten was.

Dat de t zou zijn ingevoegd om de hiaat op te heffen, is onmogelik; daarvoor gebruiken wij altijd d (kastijden, balgide, enz.). Dat de t epenteties achter de stam zou zijn gevoegd - men weet hoe talrik de voorbeelden van dat verschijnsel zijn in onze vreemde en eigen woorden - is evenmin aan te nemen, daar de stam van het franse ww. hier nooit als een geïsoleerd woord heeft bestaan. Evenmin is te vergelijken de vorm greiten naast greien, die Kiliaen terecht als één beschouwt1); immers greiten is een zeer jonge vorm, gemaakt zonder twijfel van greit (Kil. greyte), dat een pikardiese vorm van fr. gré is (mnl. grei).

Dezelfde zwarigheid als met conterfeiten heeft men met (her)polijten (Rek. d. Gr., III, 158), fr. polir; friten 1, fr. frire2); konfijten 3.

[p. 315]

Tenzij men kan bewijzen dat deze werkwoorden vooral in vaste uitdrukkingen in de vorm van het verleden deelwoord zijn overgenomen, zou ik in alle, evenals in conterfeiten, de t willen toeschrijven in de eerste plaats aan de invloed van de vormen van het franse werkwoord waarin achter de stam een t voorkomt, dus niet alleen het verleden deelwoord, maar vooral de 3e persoon enkelv. van het Praesens; en in de twede plaats aan de afgeleide woordgroepen die in het Frans een t hebben en ook door ons zijn overgenomen (feiture, feituren, feitijs; friture enz.).

 

Oktober, 1902.

salverda de grave.