Het bree.
Het bree is het samengetrokken, zwak verbogen, zelfstandig gebruikte onzijdige bijvoegelijke naamwoord breed, en beteekent uitgestrektheid, gebied. Het beduidt dus ongeveer het zelfde als de vrouwelijke woorden breede (Woordenboek der Ned. taal, III, 1191, 4, en Karel Stallaert, Glossarium, 282) en breedte (Woordenboek, III, 1197, B). In vorming staat ‘het bree’ gelijk met ‘het diep’ in namen als het Hollandsch diep, het Marsdiep, en met ‘het nauw’ voor een zeestraat. Staring (4, 42) gebruikte eens ‘het Breed’ als dichterlijke benaming van het Kanaal:
Getuige er van dat woelig Breed,
dat Neêrland scheidt van Albion.
Ook vergelijke men den plaatsnaam ‘het Breed’, b.v. van een buurt bij Hoorn en van een zandbank vóór Duinkerken (Woordenboek, III, 1169, beneden).
Voor de eerste maal vond ik ‘het bree’ gebruikt in een oktrooi van keizer Karel van 21 Januari 1554 1), waarbij hij den burgemeesters, schepenen en raad van de stad Den Briel, en breedsten geërfden, schouten en schepenen, en inwonenden