Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 22


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 22. E.J. Brill, Leiden 1903  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 304]

Bijdragen tot de geschiedenis van ons Middeleeuwsch drama.

I. Jan van Beverley.

Eene herlezing van de Historie van Jan van Beverley, onlangs vanwege de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde door Dr. G.J. Boekenoogen opnieuw uitgegeven, heeft mij een anderen kijk gegeven op dit merkwaardig voortbrengsel onzer letterkunde dan ik tot dusver had. Vroeger heb ik het terloops vermeld en toen gebracht tot de volksboeken in proza, waarvan wij zoovele over hebben; ik vermoedde toen wel, dat het nog tot de 15de-eeuw'sche literatuur gerekend moest worden, doch kon dat vermoeden niet tot waarschijnlijkheid brengen1). Dr. Boekenoogen's uitgave heeft ons die waarschijnlijkheid gebracht; zie bl. 43 der nieuwe uitgave. Bovendien heeft deze uitgever nog ander licht doen opgaan: ‘In oudere gedaante’ - dus lezen wij op bl. 43 - ‘was het verhaal ongetwijfeld geheel in verzen geschreven. De bewerker van het volksboek heeft deze grootendeels behouden, doch sommige gedeelten werden door hem in proza overgebracht. Verder heeft hij op verschillende plaatsen ter verduidelijking eenige regels proza ingevoegd tusschen de verzen die dan natuurlijk doorloopen’ (zie b.v. blz. 6 en 8, 12 en 13, 13 en 15, 17, 24). Dat de prozatekst echter meestal een aantal versregels vervangt, blijkt uit lacunes die ontstaan als men de verzen op zichzelf leest en uit het dikwijls ontbreken van een rijmregel aan het slot of het begin van een berijmd gedeelte.’ Het hier medegedeelde acht ik alleszins juist. Ik voeg er aan toe, dat dit werk zich nog duidelijker vertoont in zijn oorspronkelijk karakter van rijmwerk, indien men er op

[p. 305]

let, dat het aantal der ons bewaard gebleven versregels 572 telt tegenover 200 regels proza.

Een rijmwerk zal dit volksboek dus oorspronkelijk zijn geweest; doch van welken aard? Wanneer wij in het oog houden, dat er in dit werk een vrij groot aantal personen voorkomt, die eene bepaalde handeling in dialogen tot ontwikkeling brengen, dan moeten wij wel gaan vermoeden, dat wij hier te doen hebben met een drama. Immers, de toestand en de verhoudingen zijn hier gansch anders dan b.v. in het volksboek van Roelant en den slag bij Roncevaux, in dat van Floris en Blancefloer en andere van dien aard. Die volksboeken zijn bewerkingen in proza van oorspronkelijk epische rijmwerken; in het eerstgenoemde heeft men een deel der oorspronkelijke verzen, zij het ook min of meer gemodernizeerd, behouden en het overige weergegeven in proza; in het laatstgenoemde zijn de verzen hier en daar in het bestaande werk gelascht met de bedoeling het daardoor op te sieren. In Jan van Beverley daarentegen zijn de dialogen en de daarbij behoorende ontwikkeling der handeling het wezenlijke van het werk; het proza dient slechts om hier en daar een deel van het oorspronkelijke beknopt weer te geven of het verloop van de handeling te verduidelijken.

Het bovenvermeld vermoeden verkrijgt waarschijnlijkheid, indien wij er op letten, dat in dit werk telkens gewag wordt gemaakt van handelingen, die wel op eenig tooneel moeten zijn uitgevoerd, althans op vertooning wijzen. Zoo worden hier meer dan eens, evenals in onze overige tooneelstukken, door de sprekende personages handelingen aangekondigd, die ook inderdaad worden verricht. In vs. 59-62 zegt ‘Jan des graven sone’:

 
Nu willic gaen werden een heremijt
 
Ende wille mi van alle der werelt saten.
 
Vrienden ende maghen willic laten
 
Ende wil gaen ligghen in een wout.

vs. 123-4 zegt Colette, zijne zuster:

 
Oerloef, broeder, ic wil gaen
 
Weder al tot ons vaders hove.
[p. 306]

Zie ook hierbij ook vs. 131-2. Van dienzelfden aard is ook vs. 200: ‘Ic sal haer rechtevoert gaen nemen dleven;’ vs. 235: ‘Ic wil gaen besoeken die romsche stede,’ 344: ‘daerom gaet sonder langher letten’ (ook vs. 362-3 en vs. 513).

Op andere plaatsen wordt blijkbaar gedoeld op een tooneel. Zoo b.v. vs. 219, waar Jan na den moord op zijne zuster zegt: ‘Want ic vinde hier al bebloet mijn mes;’ vs. 401: ‘Nu ben ic hier al by der stede // Daer ick die groote sonden dede’ en alles wat daar verder volgt, nl. dat hij zal gaan kruipen als een dier enz.; in vs. 420 (dus zeer kort hierop volgend) zegt een jager van den nieuwen graaf van Beverley, die met zijn meester en diens gevolg op jacht is, tot den graaf:

 
Nu sie ick dat meeste wonder groot,
 
Dat ick noyt en sach in desen foreeste.
 
Want, heere, ick sie een (dat) wonderlijckste beeste!
 
Ick soude mij daer af vervaren schier!
 
Het is dat wonderlijcste dier,
 
Dat mijn ooghen oyt saghen.

De graaf antwoordt daarop:

 
Gheringe! blaast den hooren! latet ons jaghen!
 
Ende laet die honden loopen daer na.

Nadat het ‘wonderlijc’ dier - onze hermiet - door den jager gevangen is en bij den graaf gebracht, zegt deze:

 
Dat is goet, siet, dat ghijt vaste bint,
 
Dat u niet en ontloope.

De jager antwoordt:

 
Neent, ic salt so vaste knoopen
 
Sonder eenich langher beyen;
 
Dan sal ict neven my gaen leyen.
 
Siet, hoe ghemackelijck dat gheet.

Mag het dus reeds waarschijnlijk worden genoemd, dat wij in Jan van Beverley te doen hebben met een op een tooneel voorgesteld drama, die waarschijnlijkheid wordt tot zekerheid, indien wij het oog vestigen op eene eigenaardigheid der rijm-

[p. 307]

schikking van dit werk, die ook in onze ‘abele spelen’ voorkomt, doch hier nog niet werd opgemerkt. Die eigenaardigheid, door Creizenach, in zijne voortreffelijke Geschichte des Neuern Dramas, Reimbrechung genoemd, bestaat hierin, dat een rijmpaar gebroken wordt o.a. door de opkomst van eenig nieuw personage; het laatste woord van het laatste vers, door een der personages gesproken, rijmt dus telkens op het laatste woord van het eerste vers, door een nieuw opkomend personage gesproken. Het was natuurlijk een hulpmiddel bij de vertooning, om de acteurs door het rijmwoord opmerkzaam te maken, wanneer het hun beurt was op te komen. Maar ook in de onderscheiden tooneelen, niet slechts bij den aanvang, vindt men reimbrechung; natuurlijk ter wille van het gemakkelijk instudeeren en onthouden. Zoo besluit b.v. in Esmoreit de eerst opkomende acteur, Robbrecht, de door hem uitgesproken passage met dit vers:

 
Mach ic volbringhen dese dinc.

Meester Platus, die dan opkomt, vangt aan met:

 
Waer sidi, hoghe gheboren coninc.

In Jan van Beverley is juist de aanvang der meeste tooneelen verloren gegaan en weergegeven in proza, terwijl ook andere deelen van sommige tooneelen op dezelfde wijze behandeld zijn. Slechts op p. 6-8 (vs. 62-63) en p. 13-15 (vs. 162-3) zien wij een paar op elkander volgende tooneelen door reimbrechung verbonden, en het is wel opmerkelijk, dat het tusschengevoegd proza òf niets van beteekenis zegt òf niet meer dan waarschijnlijk in eene tooneelaanwijzing was uitgedrukt. Doch wanneer men ziet dat reimbrechung overigens door het gansche stuk heen wordt aangetroffen (met uitzondering o.a. van lyrische passages die, zooals ook elders in ons middeleeuwsch drama, op zich zelf stonden) dan zal men wel met zekerheid mogen aannemen, dat ook deze eigenaardigheid van vorm dit rijmwerk als een drama doet kennen.

[p. 308]

Jan van Beverley zal dus geschrapt moeten worden van de lijst der proza-volksboeken en in het vervolg gerekend tot ons Middelnederlandsch drama.

II.
Mededeelingen omtrent kerkelijk en geestelijk drama, opvoering, inrichting van het tooneel, marionetten enz.

In het vlijtig bewerkt proefschrift van Dr. H.J.E. Endepols is eene samenvatting gegeven van hetgeen ons tot dusver omtrent ‘het Decoratief en de opvoering van het Middelnederlandsch drama’ vooral uit de Mnl. tooneelstukken zelve is bekend geworden. Tevens zijn daar sommige tot dusver geldende opvattingen omtrent deze dingen getoetst aan hetgeen buitenlandsche onderzoekers ons geleerd hebben.1) Ook in dezen is echter het laatste woord niet gesproken. Over het algemeen valt er voor het onderzoek en de bestudeering van ons middeleeuwsch drama nog veel te doen. De vraag naar den oorsprong van dat drama heeft het onderzoek te lang en te uitsluitend beheerscht; bij de pogingen tot oplossing dier vraag is ook vroeger de prioriteit van geestelijk of wereldlijk drama te zeer op den voorgrond gesteld. Er zijn nog vrij wat elementen, die òf tot dusver zelden of nooit in het debat zijn gebracht òf die eerst eenigen tijd geleden ontdekt en nog niet in verband zijn gebracht met de reeds bekende. Het komt mij wenschelijk voor om iets van hetgeen ik sedert ettelijke jaren hier en daar van dien aard gevonden heb, tot gemeen goed te maken, ook in de hoop daardoor misschien anderen op te wekken tot publiceering van

[p. 309]

andere, in 't geheel niet of althans weinig bekende feiten, die weer licht kunnen werpen op de hier medegedeelde.

a. Kerkelijk en geestelijk drama.

Over de vertooningen die betrekking hebben op of deel uitmaken van het kerkelijk drama is ons vooral door Wybrands in zijne bekende verhandeling heel wat medegedeeld en wie pogen wil zich eene voorstelling van het geestelijk drama te onzent te vormen, zal steeds nog tot die verhandeling moeten terugkeeren. Echter kan daaraan vrij wat worden toegevoegd, dat tot dusver, voorzoover ik weet, niet bekend was. Aan de belangstelling en de hulpvaardigheid van Mr. S. Muller Fz. te Utrecht danken wij de volgende mededeeling uit den nog onuitgegeven Ordinarius van den dienst in den Dom te Utrecht.1) Uit die mededeeling blijkt dat reeds in de eerste helft der 13de eeuw ook in Noord-Nederland op Driekoningen de ster in de kerk vertoond werd, op Palmzondag een Christus-beeld op een ezel gezeten werd rondgevoerd en op Hemelvaartsdag zulk een beeld omhoog werd getrokken. De mededeeling zelve luidt aldus:

‘Theodoricus de Randenrode,2) Major prepositus Trajectensis, qui de consensu decani et capituli instituit officium, qualiter in Epiphania stella ducetur, et in Palmis ymago Christi in asino equitabit, et in Ascensione Domini dicta ymago ascendet, deputans rectori dicti operis pro labore XII maldra siliginis et XXIII amas cervisie, perpetuo de prepositura ministrandas.’

Hierbij behoort deze mededeeling uit het Rechtsboek van den Dom te Utrecht over het ‘officium ductoris asini’: ‘Ad officium

[p. 310]

istius pertinet parare sub expensis capituli ea, que sunt necessaria ad productionem stellae die Epyphanie Domini et producere eam.’1)

Eene aanzienlijke plaats werd onder de kerkelijke vertooningen ingenomen door de onderscheidene handelingen met het heilig kruis, dat dan de persoon van Christus moest voorstellen. In den genoemden Ordinarius van den Dom vinden wij daaromtrent eene uitvoerige mededeeling die ik hier laat volgen:

Completo officio expelluntur omnes layci de templo, quibus expulsis, dantur duo stole duobus sacerdotibus, qui suscipiunt crucem et portant ante altare sancte Marie. Et ibi sepulcro facto sepelitur. Et super sepulcrum ponitur pallium magnum cum leonibus et due candele una ad capud et una ad pedes, que non extinguuntur usque in diem resurrectionis quando cantatur Te deum
Summo diluculo ante lucem surgent confanarii et excitabunt dominos tam in dormitorio quam in domibus. Postquam autem simul convenerint, dantur duo candele duobus pueris et cappa sacerdoti nigra, si episcopus presens non fuerit, et duo stole duobus sacerdotibus et thuribulum tercio puero cum incensu. Qui omnes procedunt ad sepulchrum et duo sacerdotes cum stolis elevant crucem de sepulchro; tercius autem tenet thuribulum et imposita antiphona ‘Cum Rex glorie’ deferunt crucem ante altare sancti Johannis. Interim sonantur omnes campane et remanet ibi crux usque dum matutine incipiuntur. Et cruce ibi posita pulsantur matutine secundum consuetudinem.
In secunda autem lectione deferuntur due dalmatice cum stolis et albis ad sepulchrum et tres cappe et III thuribula. Post ‘Gloriam Patri’ tercii responsorii precedunt duo pueri chorum cum ardentibus cereis et, omnibus in medio stantibus, et angeli et mulieres explent officium suum. Quo facto incipit chorus ‘Te Deum’ et omnia reportantur que apportata fuerant.’

Op deze handelingen met het kruis hebben nog een aantal andere bewijsplaatsen betrekking, welke ik aantrof ten deele in Dodt van Flensburg's Archief, ten deele in de Rekeningen der Buurkerk te Utrecht, en in de Geschiedenis der Kerspelkerk van

[p. 311]

St. Jacob te Utrecht, uitgegeven achtereenvolgens door Ridder Mr. F.A.L. van Rappard en Jhr. Mr. Th. H.F. van Riemsdijk. Zoo leest men in de instructie van den doodgraver der St. Jacobs-Kerk, die van 1492 dagteekent:

‘Item opten goeden vrijdach als dat ambocht gedaen is, sel onsen doetgrever dat houtten dexxel dat over des heeren graft behoort te staen in onze cruyswerck brengen ende mede alle reetschap die men om dat graft dan bezigen zel, ende als dat graft gemaeckt is, zel hijt des middaechs altijt bewaren, totter tijt toe die luyden weder inder kercken komen, ende als dat graft gebroocken werdt, zal hij alle dinck weer brenghen op zijn behoorlicke stede’.1)

Ontleend aan de Rekeningen der Buurkerk zijn de volgende posten:

ao. 1443-4.
‘Item gysbert aerntsz. geset om ons heren heylige graft 4 stalkeersen.’
t.a.p. p. 74 (ook p. 92).
ao. 1485-6.
‘Item noch geg. van een cleet in dat heilige graff te maken.’
t.a.p. p. 170.
ao. 1490-1.
‘Item geg. bomert van dat heylich graf te lichten opten goeden vridach.’
t.a.p. bl. 178.

In de rekeningen der Claes-kerk te Utrecht, welke gepubliceerd zijn in Dodt van Flensburg's Archief (VI, 311 vlgg). vond ik nog deze plaatsen:

ao. 1564-65. (t.a. pl. bl. 341).
‘It. aen handen Jan van Sterrenborch, van tryp, 't welcken verbesicht is aen 't graff ens Heeren, dat men opten goede vrijdach in onsser kercke voordt settende is, 4 gl. 2 st.
It. voor 't hout ende den arbeyt aen 't heylich graft gedaen, 't welcke ther eeren Goodts opten goeden vrijdach in onser kercke ghestelt wordt, Aert Wyersz. voor den arbeyt ende 't hout, daertoe gedaen, bet. 2 gl. 5 st. (Vgl. Mone, Schausp. des Mitt. II, 9 (o.).

Creizenach heeft ons in zijne Geschichte des Neuern Dramas uiteengezet, welk een belangrijke plaats de profeten bekleedden

[p. 312]

in het middeleeuwsch drama, zóózeer dat er zelfs afzonderlijke profetenspelen ontstonden. Bij de schaarschte van voortbrengselen onzer dramatische kunst uit de middeleeuwen moeten wij dankbaar zijn voor elke aanwijzing, waaruit wij iets meer leeren dan het weinige dat wij tot dusver weten. Of er ook te onzent zulke afzonderlijke profetenspelen hebben bestaan in den geest welken Creizenach bedoelt, weten wij niet. Maar gewichtig is het toch te mogen vaststellen, dat in de 15e eeuw ook te onzent in een kerstmis-spel een viertal profeten opgetreden zijn. Wij putten die wetenschap uit een protocol van den Notaris ten Dom, P. Hasert, waar wij lezen:

Anno a nativitate Domini 1457 (in dictione V), die vero Sabbati que fuit festum Nativitatis Christi hora vesperarum, fuerunt deputati infrascripti circa festum Epiphanie proxime, videlicet: Rex Herodes: prepositus S. Petri; nuncius: Egidius de Courcellis; Magi: archidiaconus noster, prepositus S. Johannis, prepositus Aernhemensis; Prophete: Thomas Symonis, Johannes Kock, Lambertus Rijck et Henricus Bor.1)

Opmerkelijk is ook, dat wij hier eenige hoogere geestelijken met name genoemd vinden als vertooners van een Kerstspel.

 

Bij gebreke van overgebleven tooneelspelen moeten wij ons in menig geval behelpen met aanwijzingen in authentieke stukken, vooral stedelijke rekeningen. Toch zijn ons die aanwijzingen dikwijls al van veel nut geweest. Daarom acht ik het in het belang van de geschiedenis onzer letterkunde hier mededeeling te doen van eenige posten vooral uit stedelijke rekeningen, waarin ons zulke aanwijzingen worden gegeven en die, voorzoover ik weet, nog niet de algemeene aandacht hebben getrokken.

Driekoningen-spelen zijn ons, helaas! niet overgeleverd en zij worden slechts zelden vermeld. Van belang is daarom deze mededeeling omtrent een zoodanig spel dat in den aanvang der 15e eeuw te Utrecht vertoond is: ‘Merghen sel een spuel wesen ten Doem, vanden heijlighe Drien Koninghen’ (ao. 1414). Een

[p. 313]

Opstandings-spel wordt vermeld op het jaar 1415: ‘dat men des woensdaechs nae den heilighen Paesdach of cort daer nae spuelen sel een spul op Buerkerchof van ons Heren verrisenisse.’1)

Aan de stedelijke rekeningen van Dendermonde2) zijn ontleend de volgende posten:

ao. 1399-1400:
‘Item also ghecostumeert es dat men telken iiij jaren of so hier pleecht te speelne ons liefs Heeren verrysenesse, up 't kerchof, herde devotelijc met vele ghesellen daer mede spelende ende elc tsine segghende ende bewysende etc.
Stadsrek. 1409-1410.
‘Item, ghegheven den heeren vander kerken in hoofscheden te verdrinckene als sy een goed geestelyc spel ghespeelt hadden in de kerke.’
(Priesters met ghesellen vander kerke).
Stadsrek. 1412-1413.
‘Item, es eenen langhen tijd ghecostumeert dat telken iiij of V. jaren de priestren ende de ghesellen van der Kerken pleghen te speelne smaendaghes in de paeschdaghe de Verrysenesse Ons Heren...
Stadsrek. 1421-1422.
‘Te weten es dat de priestren ende capellane van der hoogher kerken te Denremonde, up den Palmsondach int jaer XX een spel speelden up stellinghen biweerds den kerchove van den verloren sone etc.’
ao. 1467.
‘De ghesellen van Sent Antonis in Sent Gillis hebbende ghemaect de passie ende legende van Sente Katheline ghaende in den ommeganc ende daartoe hebbende ghemaect een huusken.’

In den aanvang der 16de eeuw werd door eene weduwe uit Dendermonde opgedragen aan de Rederijkerskamer De Leeuwrik, jaarlijks ‘dans l'enceinte du grand choeur’ de Verryzenis te vertoonen.3) Dit feit verdient opmerking, omdat daaruit blijkt, dat de rederijkers dergelijke vertooningen van de geestelijkheid

[p. 314]

hadden overgenomen, en tevens dat op dien tijd door de Rederijkers in de kerk gespeeld wordt. Ook de verplaatsing van het tooneel uit de Kerk naar buiten is een element van beteekenis in de geschiedenis van het drama, en hoe meer gegevens wij ook hieromtrent hebben hoe beter.

Uit de oudste stadsrekening van Heusden (ao. 1457) teekende ik den volgenden post op:

‘Den ghilden van Sinte Barbaren, van Sinte Katherijnen ende van Sinte Aechten, omdat zij jaerlicx alsmen onze vrouwe draecht, hoir speelen maken ende toereyden’ enz.1)

In eene stadsrekening van Axel eindelijk van ao. 1519-1520 vond ik dezen post:

Item betaelt Wulffaert Weyse, facteur van de retorycke dezer stede voor tmaken ende stellen van de spele ende sprake vande sybillen, vande joden, vande drie coninghen ende ander personen van de processie ende ommeganck.’2)

b. Inrichting van het tooneel, opvoering enz.

Ook de namen welke onze voorouders aan het tooneel gaven, behooren ons belang in te boezemen. Dat het woord tooneel vroeger tanneel (tineel) geweest is, zooals het onderzoek van Dr. J.W. Muller ons heeft geleerd, is van belang ook voor de geschiedenis van het tooneel. Want dat woord tanneel beteekende oorspronkelijk: ‘het versierde getimmerte, de estrade of tribune’ die bij eene of andere openbare plechtigheid, bij blijde inkomsten enz. op de markt werd opgeslagen.

Later werd die benaming van lieverlede in verband gebracht met het w.w. toonen en toegepast op de stellage waarop een of ander drama werd vertoond. Dat echter juist dit woord, dat betrekking heeft op eene vertooning in de open lucht op een of ander plein, het gewonnen heeft van de overige benamingen voor scena, bewijst wel hoe onze middeleeuwsche voorvaderen

[p. 315]

zich de dramatische vertooningen dachten vooral als vertooningen in de open lucht en voor elk toegankelijk.

Wat de overige namen betreft, zoo wil ik er even op wijzen, dat wij in den Teuthonista het woord amphitheatrum vinden weergegeven door: ‘eyn speelhuyss dayr men to allen syden af ind op syen mach’; eene omschrijving van een tijdgenoot der middeleeuwsche tooneeldichters afkomstig en reeds daardoor van gewicht, doch die ons bovendien eene, zij het ook niet vast omlijnde, voorstelling geeft van een middeleeuwsch tooneel. Een gewoon woord was: ‘schavault’ dat in beteekenis met tanneel verwant is. Wij lezen b.v. ‘van den schavaulte vanden Retorycke, tschavault vanden zotten.’1) Een ander woord was: ‘gherempte’; zoo b.v. in eene stadsrekening van Leuven van het jaar 1444: ‘van den gerempte te stellen daer men tspel van den iij Jerarchien op speelden ende dat, doent ghespeelt was, tselve gerempte weder af te breken.’2)

Opmerkelijk is het woord ordoys dat ik vond in de Historie van Apollonius van Thyro: ‘Hy dede een ordoys maecken op die plaetse daer alle dat volck quam om dese maghet te besien;’ het staat hier ter vertaling van het woord scamna (banken van den schouwburg, amphitheater) in de Latijnsche Historia.3) Of dit woord ordoys hetzelfde is als of verwant met het zeventiend' eeuwsche woord raduys (tooneel), kan ik op het oogenblik niet uitmaken.4)

Wat de onderdeelen van het tooneel betreft, zoo was ons reeds vroeger eene plaats bekend, waar gesproken wordt van de hel als een afzonderlijk stuk van het décor.5) Uitvoeriger en belangrijker is de volgende post uit de stads-rekeningen van

[p. 316]

Axel over het jaar 1533-'34, waaruit wij ons niet alleen eene voorstelling kunnen maken van den omvang van zulk eene hel, doch ook zien dat de hel op rollen kon worden voortbewogen en met zeildoek gedekt was. De bedoelde post luidt:1)

‘bet. voor een nieuwe helle, iij eiken ribben, xj duim lang, iiij eiken ribben ix voet lang, zoo solderberts van xv voeten, zoo scutteberts, ½ bos latten, 8 groote sparren en 9 middelsparren xj £ iii β; bet. voor iij groote rollen om de hel te rollen, ij £. bet. voor tzeyllaken om de hel te decken iiij £; bet. voor ijserwerck, vij £ viij β.’

Dat, evenals op het Oudfransche tooneel Jeruzalem en het Paradijs door afzonderlijke décor-stukken (mansions) werden voorgesteld, wordt ons bevestigd door een post van het jaar 1460 aangaande de O.L.V. kerk te Dendermonde. Wij lezen daar:

‘Betaelt Thy Leurs, smet, van ijserwerc ende naghelen verorbuert an Jherusalem, an 't Paradys en d'ander juweelen.’2)

Aangaande den duur eener voorstelling hebben wij een merkwaardig getuigenis in een Karel V gericht schrijven, waar wij lezen: ‘Ende hoe wel dit vertooch (er is sprake van een in 1493 vertoond stuk: de Zeven Weeën van Maria) vyf uren lanck duerde, nochtans ten was niemanden verdrietelyck oft moeyelyck, noch oock uwen Vader hoewel hy noch jonck was: niemant en haeckte naar 't eynde.’3)

Dat bij middeleeuwsche tooneelvoorstellingen sommige toeschouwers (de aanzienlijken natuurlijk) zaten, de overigen stonden, wisten wij. Opmerkelijk is met het oog daarop de volgende rekening-post der Sint-Jacobskerk te Utrecht van het jaar 1427-'28:

‘Item coste onse sitten te vermaken dat daar ghebroken wert doemen speelde ons heren verrisenis.’4)

Men is geneigd hier te denken aan een grooten toevloed van

[p. 317]

publiek waaronder een bank bezweken is. Draagbare zitbankjes schijnen ten minste in de 16de eeuw in Vlaanderen bekend te zijn geweest. In eene beschrijving van de plundering eener Geuzen-kerk te Gent deelt Marcus van Vaernewyck ons o.a. mede:

‘De manspreecstoelkins, met ledere ghedect, hebbende drijpickels, die men open ende toe doet, daer men de camerspeelen mede pleecht te ghaen hooren (die in de afghemetste oratorie ofte eldere in de zelve keercke bewaert waren, om aldaer de predicatie te hooren) werden van die soldaten aldermeest ghenomen, elc zijn gherieve.’1)

De aanmaning tot het publiek om ‘een ghestille te maken’ is ons uit de prologen der abele spelen welbekend. Dergelijke aanmaningen zullen ook bij de vertooningen van geestelijke spelen wel niet overbodig zijn geweest. Men mag dat reeds opmaken uit de woorden ‘hoort ende swijt’ die ook in de prologen der Maria-Bliscappen niet ontbreken en ‘cesseert van ghescille’ (Sev. Blisc. vs. 46-47), doch overtuigender nog blijkt dat zulke aanmaningen noodig waren uit deze proclamatie van de Utrechtsche Vroedschap in het jaar 1411:

‘Die goede lude van Sinte Jacobs kerspel willen in de paeschheylighe daghen ons Heren verrysene spuelen, daerom laet die raet enen yegheliken weten, dat nyemant dan daer onrust en make ...
en uit deze andere van hetzelfde jaar:
‘Die raet vande stat verbiet, dat merghen then Doem inder kerken nyemant gheen ondaft ofte ousedicheit en drive, terwilen men daer spuelt...2)

c. Marionetten.

Dat het vertoonen van marionetten ook bij onze middeleeuwsche voorvaderen in zwang was, is bekend. Jonckbloet had in de Bijlagen van zijne Gesch. der Mnl. Dichtkunst o.a. een paar plaatsen uit rekeningen medegedeeld, die bewijzen dat men hier

[p. 318]

te lande het vertoonen van marionetten (‘docken’ = poppen) kende. Terwille van het verband laat ik die beide plaatsen hier nog eens volgen;

ao. 1363-4: ‘Item Tordrecht, daer men een dockenspul speelde, dat mijn here (Jan van Blois) was gaen sien.’

ao. 1395-6: ‘..... noch gegeven enen man die een dockespil voir minen here up siin camer upgeslagen hadde.’1)

Het is wel opmerkelijk dat van de voorgeschiedenis der in ons land toch zoo geliefde poppenkast zoo bitter weinig bekend is. In afwachting dat de Fortuin ons in dezen mettertijd wat rijker zal maken, wensch ik alvast hier mede te deelen wat ik op aanwijzing van Creizenach of zelf gevonden heb.

1o.Onder de rekeningen van Blois vindt men den volgenden post:
‘Item aldaer (te Grose in Bohemen) bi heren Muul van Binsvelt enen man, die minen here een spel toende vanden heylighen 3 coninghen’ (ao. 1362-3).2)
Mij dunkt, dat hier, waar één man een driekoningen-spel vertoont, kwalijk aan iets anders dan aan marionetten kan worden gedacht. Waarschijnlijk zal die man een Duitscher geweest zijn, al is dat geenszins noodzakelijk.
2o.In eene stadsrekening van Gent van het jaar 1451 wordt gesproken van een huis aan de Vischmarkt dat verhuurd is: ‘den tijt van halffastenen eenen man van Brugghe, omne spel te houdene van dien,’3) Ook bij dezen éénen man zou ik geneigd zijn aan vertooningen van marionetten te denken.
3o.Twijfelachtig schijnt mij deze plaats uit de Grafelijkheidsrekeningen van Holland (t.a.p. III, 606): ‘2 sanghers die voir minen here songhen ... item enen anderen, die een speelkijn voir minen here seyde.’ Twijfelachtig, omdat tegenover het toonen van no. 1 hier zeggen gebruikt wordt. Dat zeggen doet mij eer

[p. 319]

denken aan ‘deklamation mit Stimmenwechsel’ die in de Middeleeuwen niet zelden voorkomt.1)
4o.Creizenach noemt onder de hem bekende Duitsche werken waarin van marionetten gewag wordt gemaakt het Redentiner Osterspiel en de Hoogduitsche bewerking van den roman van Malegijs.2) In het eerstgenoemde werk (dat zijn naam ontleent aan het klooster Redentin bij Wismar) worden onder de ter helle veroordeelden nl. ook genoemd: ‘Die da spielen mit den Docken // Und den Thoren ihr Geld ablocken.’ Dat ik hier deze mededeeling van Creizenach aangaande een Middelnederduitsch tooneelstuk opneem, schijnt dezen en genen misschien overbodig. Ik acht het niet overbodig, omdat 1o. als auteur van dit stuk genoemd wordt zekere Cisterciënser monnik, de magister curiae Peter Kalff, wiens naam mij doet vermoeden dat de drager daarvan een Nederlander geweest is,3) en 2o. de taal van dit merkwaardig en verdienstelijk Paasch-spel, die aan de onderzoekers van het Middelnederduitsch al veel hoofdbrekens gekost heeft, mij telkens aan het Middelnederlandsch herinnert (ik bedoel natuurlijk in hooger mate dan andere Mnd. werken).4)
Wat den Malegijs betreft, dien kennen wij ook in Middelnederlandsche bewerkingen. In het proza-volksboek dat waarschijnlijk ontleend zal zijn aan het Mnl. gedicht, vinden wij op bl. 222-223 verhaald hoe Oriande vermomd als een gheselle van avontuer’ (later ‘constenaer’ genoemd) in de zaal komt waar haar geliefde Malegys met vele andere ridders en

[p. 320]

heeren aan tafel zit en na verlof bekomen te hebben, een paar gouden tortelduiven (doffer en duif) op tafel zet en die figuurtjes, onder de namen van Oriande en Malegys, een dialoog laat houden over hunne liefde.1)
5o.In het bekende geestelijk volksboek: Duyfkens ende Willemynkens Pelgrimagie dat m.i. de eer van een herdruk wel waard is, vinden wij een poppenkast afgebeeld, die vrij wel gelijkt op de hedendaagsche, behalve dat de vierkante opening waardoor men de poppen zag vertoonen, van boven is afgedekt door een schuin afhellende luifel. Men ziet daar een paar poppen (man en vrouw) in de kleederdracht van den aanvang der 17de eeuw. Een potsenmaker staat op een plankier dat blijkbaar deel uitmaakt van de poppenkast; daaromheen het publiek. De potsenmaker wijst met zijn hand naar boven en schijnt uitleg te geven van de vertooning. In het volksboek leest men op de tegenover deze prent staande bladzijde, dat Willemynken tot hare gezellin zegt:

‘Alhier, ziet eens, hier zijn Guychelaers die spelen met poppen ik sta wat en zie toe. Het is zo drollig, zo drollig, ik lag dat mijn ogen tranen.’2)

Met deze schaarsche aanwijzingen omtrent het marionettentooneel moet ik voorloopig volstaan. Of het belangwekkende werk Van den Jonghen Jacke met zijn fluytjen (de tooverfluit die dwingt tot dansen), ook niet oudtijds de tekst van een marionettenspel is geweest, zullen de tijd en voortgezet onderzoek ons misschien leeren.

 

g. kalff.