Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 23


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 23. E.J. Brill, Leiden 1904  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 316]

Ketelaar.

Eene op onze oorlogsschepen zeer gebruikelijke uitdrukking is ketelaar van iets blijven. Zij is, van boord, in de gezinnen der marine-officieren doorgedrongen, en wordt tegenwoordig meer en meer in de dagelijksche taal ook van anderen gehoord. Zij wil eigenlijk zeggen: van iets niet medekrijgen; er niet in mededeelen (er ‘koud’ van blijven), maar wordt ook gebezigd in den zin van: in iets teleurgesteld worden; kaal -, sneu van iets afkomen. Als voorbeeld van het laatste gebruik kan dienen: ‘Ik had gedacht van avond naar de komedie te gaan, maar daar ben ik ketelaar van gebleven’, of ‘Hij had beloofd me dien dienst te bewijzen, maar ik ben er ketelaar van gebleven’. Ook zegt men wel: ‘Daar blijf je ketelaar van’ als men uit wil drukken: dat zou je wel willen, maar dat gebeurt (lekker) niet!

Deze uitdrukking wordt begrijpelijk wanneer men weet dat men bij de marine onder (de) ketelaars verstaat, die mannen of jongens welke door dienst (wachten, enz.) verhinderd worden aan den bak mede te eten, en voor wie - derhalve - het rantsoen bewaard en warm gehouden wordt1), in den ketel blijft; de naëters dus2). ‘Ketel’ heeft, gelijk men ziet, bij de zeemacht, en trouwens ook bij het landleger, nog niet alleen de beperkte beteekenis, als in het burgerlijk leven, van metalen vat om water in te koken (water-, theeketel), maar ook nog die van metalen kookpot. Men denke voor de ruimere beteekenis trouwens maar aan de zegswijze het vet is van den ketel, en voorts aan visch-, voeder-, vee-, koeketel, aan de voormalige eetketeltjes der soldaten enz. Een paar aanhalingen kunnen het gebruik, aan boord en in de groote maatschappij, van de besproken zegswijze zoowel nader ophelderen als bewijzen.

[p. 317]

Het eerste versje is een naar de gelegenheid gewijzigde vorm van het kwartierlied waarmede de vervangende wacht uitgepord wordt:

 
Rijzen, rijzen met verlangen,
 
Bakboordskwartier heeft sigaren ontvangen;
 
Stuurboordskwartier blijft er ketelaar vaan,
 
Rijzen, rijzen in godsnaam!
 
't Is rijzen, 't is rijzen voor Stuurboordskwartier!1)

Dit gedeeltelijk extempore vindt men medegedeeld in het Tijdschrift van de Vereeniging Het Nederl. Zeewezen, 3de Jaarg. blz. 35a.

Het volgende is een Verkiezingsrijm op een welbekend persoon2), dat met meer dergelijke te lezen was in Het Volk van 9 Juni 1901:

 
't Vet is van den ketel, man!
 
Ketelaar blijft er ketelaar van.

Op dezelfde wijze als bij de oorlogsmarine ketelaar van iets blijven is bij de koopvaardijvloot in gebruik koksgast van iets blijven. De koksgast, de hulp van den scheepskok, mag het eten helpen klaarmaken en opscheppen, maar hij ziet het wegdragen, en krijgt zelf eerst wat als alle anderen bediend zijn. Hij ‘mag er’, als in het liedje, ‘naar kijken, maar aankomen niet!’

Minder algemeen bekend, maar onder zeelieden gebruikelijk is de uitdrukking ketelaar voor iemand houden, waarmede bedoeld wordt: (het) eten voor iemand bewaren en warm houden. ‘Hou je ketelaar voor me?’ zal iemand vragen die onverwacht niet medeëten kan (die b.v. van tafel wordt weggeroepen), maar die aanstonds gelegenheid hoopt te hebben zijn maal nog te doen. Ketelaar, al heeft men het ook leeren kennen in den zin van: iemand voor wien (het) eten wordt bewaard, is hierin op een zeer grillige wijze gebezigd. Maar het is òòk zelfs in den oorspronkelijken, niet onlogischen zin, onder de met -aar gevormde substantieven een op zich zelf staande zonderling.

[p. 318]

In welken zin het te nemen is in de zegswijze Hij is ketelaar voor: hij kan niet betalen, hij is bankroet, zou ik niet kunnen zeggen. Men vindt deze zegswijze opgeteekend door Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal 417, onder ketelaar, ketelmaker, dat volgens hem behalve in deze uitdrukking niet meer voorkomt; maar ik acht het de vraag of het wel de beteekenis: ketelmaker is waar wij hier mede te maken hebben.

Ketelaar voor: ketelmaker en ketelboeter1) is ons uit het Mnl. en uit nog levende tongvallen zeer goed bekend en in geheel Noord- en Zuid-Nederland bestaat het woord als geslachtsnaam voort. In de volgende regels uit een gedicht van Jan van Hout zal men ook wel met dien geslachtsnaam te doen hebben. Van Hout heeft het over het herstel van het Leidsche ‘drillen’ (zie Tijdschr. 22, 240) en zegt:

 
De ketelaer die zal de speelman wel verstrecken
 
En houdende de maet vast boecken op zyn becken2).

Eerst meende ik hier nog eene andere beteekenis van ketelaar voor mij te hebben, namelijk die van: bespeler van een keteltrom, paukenist. Doch eenige regels vroeger in het vers3) wordt de speelman die het ‘drillen’ regelt een ‘tambouryn’ genoemd, zoodat het waarschijnlijker is hier te denken aan een persoon die Ketelaer (of De Ketelaer) heet. Men vergelijke de vele namen van Leidsche burgers die in datzelfde stuk van Van Hout worden genoemd4).

 

Enkele aanteekeningen, door mij zelf gemaakt over ketelaar, heb ik aan mogen vullen met hetgeen aan Dr. D.C. Hesseling over dat woord bekend was, en met de belangrijke gegevens hem door Dr. F.A. Stoett verschaft. Aan die beide heeren betuig ik dus ten slotte mijn vriendelijken dank.

Leiden, 1904.

a. beets.