Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 25


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 25. E.J. Brill, Leiden 1906  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 316]

Straatroepen.

In de door Prof. J.W. Muller bl. 30 vlgg. van dit deel uitgegeven liedjes zijn sommige straatroepen hem duister gebleven. Ofschoon ik ze niet alle kan verklaren, wil ik hier toch mededeelen, wat ik er van weet weet, en ook bij sommige goede verklaringen nog iets bijvoegen.

VI. 9. Teemsen. In West-Friesland is er verschil tusschen zeef en teems of teemis. De eerste is van perkament, kalfsvel of schapevel met gaatjes en dient om fijn zaad, b.v. mosterd of koolzaad, van steentjes, aardkluitjes en onkruidzaad te zuiveren. Eene zeef met grootere gaten voor het zuiveren van erwten en boonen heet rol. Eene teems is van dicht gevlochten paardenhaar of koperdraad en dient om de melk van haren enz. te zuiveren.

27. In Groningen heb ik stoof nog gehoord voor eene soort van alkoof.

Bladz. 40. Prof. Muller vergist zich, als hij zegt, dat tegenwoordig in Amsterdam alleen in de volksbuurten nog geschreeuwd wordt. Ik hoor nog geregeld o.a.: ‘bót, bŏt, bót’, ‘rámmenās, mooi rámmenās’, ‘haal Zeeuwsche moss'le, ze benn' zoo fijn’, ‘twaalf cente d'el’ (nl. kant), ‘panne kóó’, ‘poppekást’, ‘Pietje Puk’, (nl. een uitschuifbare pias), ‘lemoen en sinaasapp'lé’, ‘ŏblíe, dribbel drabbel’ [deze venter schijnt onlangs overleden te zijn], ‘schellevís’, ‘kabliáuw’, ‘déksels vŏor dékschalé’, ‘leest, burgers, leest’, ‘plúmoo’, ‘vijf cent te kop’ (nl. uien), ‘nou ken je stove’ (nl. sla), ‘de laaste mooie’ (van allerlei groenten en vruchten), ‘de laaste van et jaar’, ‘stoelé tĕ matté’, ‘kom nou, juffrou, kom nou’, ‘jacobikanne’, ‘goudvissché’, ‘vuurvaste potte en panne’, ‘bossies hóut’ enz. enz. Dat er steeds nieuwe bijkomen, ligt voor de hand, b.v. ‘trappé, trappó’ (houten trappen), ‘waschborde te make’ enz.

Rommelzoo (bl. 46). 1. Betiel, in West-Friesland petiel, vooral

[p. 317]

in de samenstelling gatepetiel = ‘vergiet’. (Zie Ned. Wdb. IV, 345).

2.Koningsbrieven. Deze worden in Amsterdam nog gedrukt en verkocht; voor enkele jaren heb ik ze althans nog gezien. (Zie Eigen Haard 1906, no. 2).
Vuil smeer. Is dit het overtollige vet uit de keuken, dat dan door den koopman aan de kaarsenmakers verkocht werd?
2.Turkze boonen, hier waarschijnlijk geen slaboonen, maar groote boonen of paardenboonen, en wel gepoft. Zoo passen ze beter bij de kastanjes.
Krane-wasz'. Kan hierin eene volksetymologie schuilen, b.v. voor kanefas (om dweilen van te maken?)
3.Elle Kant is hier zeker geene samenstelling: de man verkoopt kant voor drie groot de el.
Nieuwe Neering. De naam van een volksboekje of liedje?
4.Het geroep ‘Wie heeft er een kind gevonden?’ heb ik nog wel gehoord.
6.Haire Zool'. Kiliaen geeft sole als synoniem van pantoffel. Daaraan zou ik liever denken dan aan ‘vilten zooltjes’.
7.Aakkertjes, Koorde-band' is geene samenstelling, maar noemt twee artikelen.
8.Boon-peule is nog, of was althans tot voor korten tijd, in Waterland de gewone naam voor ‘groote boonen, tuinboonen’.
Kalf wordt nog juister door ‘kloof’ of ‘barst’ weergegeven dan door ‘kale of bloote plek’.
9.Errette. Wat is dat? Toch zeker geen ‘erwten’.
10.Matze-beusz en Aske-beusz' = ‘mattenbezem’ en ‘aschbezem’
12.De in al deze regels is het article partitif van den Waalschen koopman.
Een Nieuw Lied, 10. Versche waar is nog de gewone naam.
13.Nysen is zeker niet = anijs. Dat toch kan moeilijk bij de el verkocht worden. Kan het ook kant zijn uit Neisse (in Silezië)? Vgl. nanking, tibet, cachemir, mouseline, armozijn, damast, marokkijn, cordewane, astrakan, hondskoten, kamerdoek enz.
[p. 318]
20.In den tweeden regel is een koopman in oude boeken aan het woord; hij heeft een kar vol, voor een dubbeltje per deel.
Een maatje Rijp is zeker wel ‘een maatje rijpe klapbessen, kruisbessen’.
Brieje boonen zijn wel ‘snijboonen’, van het breede, rechte soort, dat gewoonlijk slagzwaarden heet.

 

Amsterdam.

p. leendertz jr.

Naschrift.

Bovenstaande, dankbaar aanvaarde, opmerkingen van Dr. Leendertz geven mij aanleiding om ook enkele, onder of na den afdruk door mij gevonden toevoegsels mede te deelen.

Vooreerst worde even de aandacht gevestigd op de plaats uit den Esopet (XLVIII, 20), die mij pas tijdens de correctie onder 't oog gekomen is, en daardoor alleen in een verscholen hoekje der noot op blz. 20 - bij ongeluk onderaan, in plaats van in 't gevolg der aanhaling uit De Brune's Banketwerck - nog juist vermeld is kunnen worden, en die toch meer in 't oog verdient te vallen. Immers dat Reinaert daar den ‘herde’ met ‘Robijn’ zonder meer aanspreekt is een opmerkelijk blijk van de bekendheid reeds in de 13de eeuw - indien althans die fabel uit den Esopet zóó oud is - van de liederen of spelen over Robin en Marion ook aan deze zijde der taalgrens. En ook in 't algemeen, als blijk van literair leven, is die benaming merkwaardig. Robijn was dus ook in Dietsch-Vlaanderen de vaste naam van den typischen herder; later allicht ook van den ‘paysan qui veut faire le finaud’ (zooals Hatzfeld-Darmesteter de toepassing van den naam omschrijft), dus niet veel meer verschillende van den boven (blz. 19) besproken Gautier. - Dat deze zelfde naam robin in Engeland gebezigd is als soortnaam voor het roodborstje had, in verband met het op blz. 20, noot 1, en blz. 22-24 besprokene, aldaar althans even vermeld mogen zijn.

[p. 319]

De in V, 3 (blz. 29) naast elkaar genoemde ‘const, wil oft macht’ vormen eene ook elders voorkomende, in de middeleeuwen vermaarde trias: zie b.v. Maerlant, Mart. III, 163 en de aanteekeningen van Franck-Verdam.

De op blz. 46 en 50 vermelde ‘koningsbrieven’ vond ik onlangs in woord en beeld in Gheschier, Des Werelts Proefsteen, 188-189: een aardig prentje, voorstellende een man die op een stadsplein met zulke ‘brieven’ loopt te venten, in de linkerhand een stok met papieren strooken, in de rechter een blad papier; met het onderschrift:

 
Coningh-brieven, Coningh-brieven,
 
Om een ieder te gherieven;
 
Groot begrijp voor weynigh geldt
 
Wordt van my te coop ghestelt enz.

en dan ten slotte:

 
Wel! hoe compt ghy soo te tieren
 
Langhs de straet, als wilde dieren?

Dat de op blz. 44 en 59 vermelde Fransche ‘Cris de Paris’ in veel grooter verscheidenheid en ook uit ouder tijd - immers reeds uit de 13de eeuw - bekend zijn, kan men zien uit G. Paris, La litt. franç. au moyen âge § 109 (en de ‘note bibliographique’ daarop), en vooral uit de rijke en leerrijke biblio-iconographische studie over dit onderwerp van den Vicomte De Savigny de Moncorps: Petits Métiers et Cris de Paris (Par. 1905), een met veel liefde en smaak samengesteld, keurig gedrukt boekje (mij door Dr. Boekenoogen ter leen verstrekt), dat telkens en telkens - te dikwijls om hier in bijzonderheden aan te toonen - in proeven en aanhalingen herinnert aan de hierboven door mij uitgegeven Nederlandsche straatroepliederen. Men krijgt soms zelfs den indruk dat hier weer, in de middeleeuwen en later, Frankrijk zoowel in 't leven als in de literatuur, ons voorbeeld is geweest: de soort van roepen, de wijze van de koopwaren aan te prijzen en uit te venten, de

[p. 320]

latere klachten over de drukte en het getier op straat, de afbeeldingen der venters: dat alles en meer vindt men hier terug. Natuurlijk is die indruk stellig ten deele onjuist; ook hier is ‘meer gelijk als eigen’. Maar al is het schijnbaar oorzakelijk verband zeker vaak slechts parallelie, het blijft aardig in Frankrijk denzelfden gang van zaken waar te nemen. Ook ter verklaring der Nederlandsche stukken zou er allicht een en ander uit te halen zijn; maar ik laat het hierbij. Te meer omdat onze hedendaagsche straatroepen intusschen ook van andere zijde aan de orde gesteld zijn door de prijsvraag, uitgeschreven door de Vereeniging voor Noord-Nederlands Muziekgeschiedenis.

 

Utrecht, April 1906.

j.w. muller.