|
|
|
| |
| | | |
Waarloos.
De zeeterm waarloos heeft, naar het mij voorkomt, nog nooit eene bevredigende opheldering gevonden, en het is zeker ook daarom dat Franck (Etymol. Wdb. kol. 1126) zich van de vermelding van welke verklaring ook liefst geheel onthoudt. Aldaar leest men: Waarloos bnw. Slechts nnl.; oorsprong niet bekend.
Het bnw. waarloos wordt door den zeeman toegepast op al datgene wat ingescheept wordt om hetgeen van het tuig enz. onderweg versleten raakt, breekt of verloren gaat, te vervangen. Dus leest men in technische werken die de uitrusting van een (zeil)schip beschrijven van ‘waarlooze rondhouten, trossen, blokken’; ‘waarloos ijzerwerk’ enz., en dit alles wordt samengevat in de benaming ‘waarlooze behoefte’1).
In verband met het bnw. waarloos met beteekenissen als: achteloos, onachtzaam enz., waarvan ons ww. verwaarloozen ongetwijfeld komt2), heeft men - naar ik mij herinner meer
| | | | dan eens gelezen en zeker vaak gehoord te hebben - het gelijkluidende scheepswoord willen verklaren alsof het beteekende: waar geen acht op geslagen wordt, wat geen toezicht behoeft, waar men niet naar omkijkt voor dat men het noodig heeft. Dit is voorzeker eene opvatting die ieder zeeman onmiddellijk wraken moet. Immers, die behoeften waarop men in het oogenblik van nood zich zal moeten kunnen verlaten vereischen evenzeer als de in gebruik zijnde stukken toezicht en onderhoud. De ‘waarlooze’ artikelen worden dan ook aan boord zorgvuldig geborgen en bewaard en op geregelde tijden nagezien; die welke het noodig hebben, het touwwerk enz., worden nat gemaakt, gelucht, gekeerd, volgens vaste voorschriften daaromtrent gegeven1).
Eene andere, natuurlijk echter niet minder onjuiste opvatting van waarloos schijnt te wezen als beteekende het waardeloos. Een voorbeeld2) van het gebruik van waarloos uit het dagelijksch leven - b.v. in de vraag: Hebt gij ook een waarlooze kist voor mij? - vond ik namelijk omschreven als: ‘d.i. eene kist die ge toch niet gebruikt en die dus voor u geene waarde heeft.’
De verklaring, welke Vercoullie in zijn Beknopt Etymol. Woordenboek (2de druk, 1898) van Waarloos geeft, luidt aldus: ‘behoort bij waarnemen dat als zeewoord beteekent: aanpakken, gebruiken.’ Blijkbaar bedoelt de schrijver dat waarloos beteekenen zal: buiten gebruik, ongebruikt3). Dit komt met het wezen der
| | | | zaak niet kwalijk overeen, ofschoon men in het bnw. liever de beteekenis zou willen opgesloten zien van: om (in geval van nood) gebruikt te worden. Maar daarvan afgezien, de onhoudbaarheid van Vercoullie's verklaring is hierin gelegen, dat in zeemanstaal zeer zeker waarnemen in den zin van aanpakken gebezigd wordt1), maar in dien van gebruiken - door V. uit de bet.: aanpakken, willekeurig, afgeleid - onbekend is.
Ik waag het op eene geheel andere wijze eene - naar het mij voorkomt niet onmogelijke - verklaring te beproeven, ofschoon ik gevoel haar niet in allen deele te kunnen bewijzen, en al blijven er sommige dingen over die ik alsnog in 't geheel niet vermag op te helderen.
Het bnw. waarloos als zeeterm bestaat, indien ik af mag gaan op de daarover beschikbare gegevens, in onze taal betrekkelijk nog niet lang. Maar een term om het daardoor aangeduid begrip uit te drukken, hebben onze zeelieden natuurlijk altijd gehad.
In de 17de eeuw en later wordt dat begrip uitgedrukt door het bnw. loos. Wat aan boord wordt medegenomen om het verloren gegane, het gebrokene of beschadigde te vervangen, heet alsdan loos. Men leest in de technische werken van dien tijd van ‘loose Bouts’, ‘loose Rosen en Glasen’ (t.w. voor het kompas), van ‘loose’ stengen, wangen, reeên (raas), van een ‘loosen’ ankerstok ‘loose’ pomp enz.; ook van ‘het loose Blok-werk om te dienen als 't gevalt dat andere (blokken) reddeloos worden of weg-raken’2).
Uit G. Brandt's Leven en Bedrijf van ... Michiel de Ruiter, blz. 800 haal ik het volgende aan: ‘Zyn voorsteng werdt aan
| | | | stukken geschooten: zoo dat hy zyn looze steng, die op zy (d.w.z. in gereedheid) lag, moest op zetten’.
In den Dictionaire de marine (door Aubin1), uit de eerste jaren van de 18de eeuw, vindt men (blz. 556) voor fr. Mât de rechange: ‘Een loose mast, Een mast in voorraadt’. Fr. Fausses manoeuvres (blz. 539) heeten daar in 't Nederlandsch: Loose touwen... ‘celles... qu' on fait servir quand les autres sont coupées’; verg. voorts: Loose zeilen, Loose reeên enz. (a.w. onder Rechange). In hetzelfde werk lees ik ook (blz. 662): ‘Ik neem dat voor de Loose mede’ als vertaling van: Je prens cela pour l'avoir de Rechange.
Ook het Zeemans Woordeboek van Van Lennep (1856) en de door wijlen den Kapitein Luit. ter Zee J. Modera als bruikbaar en juist gewaarmerkte uittreksels daaruit ten dienste van het Woordenboek der Nederl. Taal vermelden nog Loos met de omschrijving: ‘alles wat men waarloos aan boord heeft: steng, zeil, voor-, achtersteven, stag.’
En niet uit een zeevaartkundig geschrift, maar geheel in de beteekenis in welke loos uit zoodanige werken is aangewezen, vindt men het in 't Westvlaamsch Idioticon van de Bo (tweeden druk, blz. 569) in toepassing op eene massche of maasch (d.i. schakel of schalm); een looze massche (maasch) wordt daar omschreven als: ‘een ijzeren schakel die schuins open- of toegeduwd kan worden’ en welke dient ‘om provisoir eenen gebroken schakel van eene keten te vervangen’. De ophelderende voorbeelden luiden ald.: ‘De keten (t.w. van eene kar) brak, maar hij vermiek ze seffens met eene looze massche’ en ‘De voerman heeft altijd eenige looze masschen meê’.
Wanneer komt nu, in plaats van loos2), een bnw. waarloos
| | | | voor den dag, met de beteekenis van ‘in voorraad aanwezig’ of: ‘tot behulp, als noodhulp moetende (kunnende) dienen’? En hoe kan het misschien verklaard worden dat in plaats van loos dit bnw. waarloos in gebruik is geraakt?
In het Ned. Fransch en Engelsch Zeemans Woordenboek van Twent, ‘Kapitein en Kolonel ter zee’, in 't jaar 1813 verschenen, lees ik voor het eerst: ‘Waarlooze rondhouten. Mâts et vergues de rechanges. Spare top masts and yards’. In het genoemde jaar dus mag men zeggen dat waarloos een gebruikelijk woord was. Hoe veel vroeger het in gebruik was gekomen kan, bij gebrek aan schriftelijke gegevens, voor 't oogenblik niet worden bepaald.
In den Dictionaire de marine (van Aubin), van 1702, vindt men het nog niet. Maar wel vindt men daarin de uitdrukkingen of benamingen die naar mijn gevoelen het ontstaan van den zeemansterm waarloos hebben veroorzaakt. Genoemde Dictionaire, waaruit ik reeds eenige voorbeelden voor loos vermeld heb, vertaalt de Fransche uitdrukking Rechange de vaisseau, wat in hedendaagsche zeemanstaal heeten zou: waarlooze behoeften, met: Waar-goedt, Rondt-hout en Touwerk in voorraadt (a.w. blz. 662); verder (t.a. pl.) Voiles de rechange, behalve met ‘looze zeilen’ (zie boven), ook met: Waar-zeilen, Zeilen in voorraadt.’ Waargoed en waarzeil vind ik dan verder ook in het Scheeps- en Zeemans Woordenboek van De Flines, zonder jaartal verschenen, maar vermoedelijk uit het begin van de 19de eeuw, en naar allen schijn een uittreksel uit den Dictionaire de marine. Het blijkt dus dat men in 't begin van de 18de eeuw op onze schepen het begrip ‘in voorraad’ of ‘tot hulp in nood’
| | | | op twee wijzen uitdrukte, dat men namelijk sprak van ‘looze zeilen’ zoowel als van ‘waarzeilen,’ van een ‘loozen steng’ en met dezelfde beteekenis van een ‘waarsteng’; in 't kort, van ‘looze goederen (of behoeften)’, of, met een gelijkbeteekenend collectief, van ‘waargoed.’ Mijne gissing met betrekking tot het zeemansadjectief waarloos is nu eenvoudig deze dat het ontstaan zal zijn door eene versmelting van synonieme benamingen: een ‘loos zeil’ kon men ook een ‘waarzeil’ noemen; het lag als 't ware voor de hand om van een ‘waarloos zeil’ te gaan spreken. En die om zoo te spreken gecombineerde manier van zeggen won het op den duur van de beide andere en werd de gewone, de thans alleen gebruikelijke.
Vanwaar echter in onze taal die - het vroegst in den Dictionaire de marine aangewezen - benamingen waarzeil, waargoed enz.? Ongetwijfeld uit een der Noordsche talen; misschien door bemiddeling van het Nederduitsch, doch er zullen, gelijk nu, wel altijd veel Skandinaviërs op onze vloot hebben gediend en veel Nederlanders op Skandinavische schepen, zoodat het aannemen van dien tusschenschakel volmaakt onnoodig is.
In het Noorsch en Deensch is samenstelling met vare- (var)- het gewone middel om uit te drukken dat iets als reserve, als noodhulp dienst doet of daarvoor bestemd is. Als voorbeelden noem ik, niet uitsluitend uit de zeemanstaal: varebru, hulpbrug, noodbrug; varekloeder, reservekleeden; varamand, plaatsvervanger; varerundholt; varespire; varastyre, noodroer; varavott, reserve-want, t.w. een (derde) handschoen dien men mee neemt ‘voor 't verliezen’; in figuurlijken zin een noodhulp in 't algemeen, en in 't bijzonder toegepast op een tweeden vrijer dien men achter de hand heeft1). In varegods, varesejl, varestang2) herkent men de voorbeelden van onze thans verouderde woorden waargoed, waarzeil, waarsteng. Het eerste lid in deze samen- | | | | stellingen is hetzelfde znw. *waar (mnl. ware), ‘opmerkzaamheid waarneming, opzicht, bescherming, verzorging’1), dat bij ons alleen nog in het ww. waarnemen voortleeft. In de Skandinavische talen komt het ook voor met de beteekenis van: wat men in gereedheid heeft om er zich mede te behelpen, - te ‘redden’ - in geval van gebrek of verlegenheid2); noodhulp, reserve3), namelijk in de uitdr. onr. til vara, nnr. til (te') vare. In 't Nnr. vindt men ook i vare voor: in reserve, als b.v. in bramstoenger (osv.) i vare: spare top gallant masts (etc.)4).
Er blijven een paar moeilijkheden. Onder het hoofd Mât de rechange geeft de reeds meermaals aangehaalde Dictionaire de marine (blz. 556): ‘Een loose mast, Een mast in voorraadt, of tot waar-noodt.’ Met dit znw. waarnood weet ik geen weg. In de Skandinavische talen heb ik niets kunnen vinden dat tot opheldering zou kunnen dienen. Aan eene poging tot verklaring waag ik mij niet. - De andere zwarigheid geeft een vorm waarloo, dien ik aantrof in het Woordenboek der Fransche zeetermen van den Kapitein ter Zee Lantsheer, verschenen in 1833. Daar vindt men onder Rechange, s(ubst.) m(asc.): ‘Waarloos, alles wat men te waarloo aan boord heeft, als rondhout, touwwerk, zeilen enz. - (eng.) Spare’. ‘Te waarloo’ moet ongeveer hetzelfde beteekenen als het pasgenoemde ‘tot waarnood,’ maar daarmede is de vorm niet verklaard. Het woordenboekje van Lantsheer is evenwel niet het eenige werk waarin die vorm voorkomt. Het Wörterbuch der Deutschen Sprache van Sanders, van het jaar 1865, heeft (in Dl. II, ii, 1484 b) een artikel: ‘Wārlo, neutr., gen.-s, ohne Mehrzahl: Schiff:
| | | | Reserve-gut an Tauen und Rundhölzern’ met verwijzing naar Bobrik, Nautisches Wörterbuch (1850), blz. 227, en het toevoegsel: ‘holländisch waarlo, waargoed.’
Al wat ik gissen kan is, dat het ndl. bnw. waarloos in eene uitdrukking als b.v. ‘dat is waarloos’ door Duitsche zeelieden als een pluralis is opgevat; dat daaruit een collectief enkelvoud wârlo is afgeleid, en dat dit uit den mond van Duitsche (Nederduitsche) matrozen weer in 't Nederlandsch is terechtgekomen en vermeld is geworden in een Nederlandsch woordenboekje (dat van Lantsheer)1). Het blijft een bezwaar dat de uitdrukking te waarloo er zoo goed Nederlandsch uitziet, maar het kan ook Nederduitsch zijn.
Leiden, Maart 1906.
a. beets. |
1)Zie b.v. J.C. Pilaar, Handl. t.d. kennis v.h. tuig, de masten, zeilen, enz. van het schip, 3de druk, aanmerkelijk verbeterd... door G.J.P. Mossel, Amsterdam 1858, blz. 428-430, en voorts G.J.P. Mossel, Manoeuvres met zeil- en stoomschepen, Amsterdam, 1865, blz. 405-406. Op de laatstaangehaalde plaats is o.a. bij herhaling sprake van een ‘waarloos roer’; dit is ald. te verstaan als een roer (noodroer), samengesteld uit waarlooze en andere stukken. Verg.: ‘materialen voor zoodanig waarloos roer’, a.w. 406.
2)Zie Franck, Etymol. Wdb. kol. 1075, op Verwaarloozen: ww., van mnl. * waerloos, b.a. mnd. warlôs, ‘verwaarloosd’ [: worauf nicht geachtet wird, verwahrlost, in het Wtb. van Schiller u. Lübben]. - Voor mnl. waerloos vergelijke men: (1) een znw. waerlose, gelijkbet. met wanhoede ˛(veronachtzaming, verwaarloozing) in Saksensp. (uitg. De Geer v. Jutfaas) II, 93 (zie ook ald. II, 88); voorts 2) waerlosicheit, onachtzaamheid, verzuim, a.w. I, 64; waerloosheit, - hede in Cron. v. Vlaend. (uitg. Vla. Biblioph. n o. 3) I, 238 (si quamer ... in (t.w. in de belegerde stad) bij waerloosheden van de wachters, die de poorten verwaerden). - Op eene plaats bij Krul, die ik echter niet heb kunnen vinden ( Minnesp. 2, 14, reg. 11 v.o. = Pamp. W. I, 114?) moet staan: Dat ick my heb vertrouwd op warelooze dromen; hier moet wareloos waarschijnlijk beteekenen: waar men geen acht op slaat (behoeft te slaan); onbeduidend; ijdel. In de hedendaagsche taal schijnt waarloos alleen bekend in de uitdr.: waarloos rondloopen d.i. zonder toezicht, zonder bescherming (zie v. Dale 4). - ( Waerloosen, ww. gelijkbet met verwaarloozen leest men bij Huygens Korenbl. I, 120, en Westerbaen, Ged. II, 81; verg. nhd. wahrlosen naast verwahrlosen). Zie voorts D. Wtb. op Wahrlos. - Waerloos,
Etst. v. Drente, blz. 16 (verklaring ald. op blz. 40) is hetzelfde bnw. als weerloos, hd. währlos ( D. Wtb.): ‘des besitzes ledig.’
1)Zie b.v. Pilaar - Mossel, Handl. t.d. kennis v.h. tuig enz. blz. XX: ‘§ 450. De bewaring en het onderhoud der waarlooze behoeften’, en ald. blz. 428: ‘(§ 450) Evenals de kettingen, vereischen ook de zwaartouwen, de kabeltouwen en de waarlooze behoeften eene gestadige naziening en zorgvuldige bewaring (enz.).’
2)Aangetroffen onder de bouwstoffen voor het Woordenboek der Nederl. Taal van de hand en met de verklaring van Mr. H.I. Swaving.
3)Waarloos: ‘wat niet aangepakt, niet gebruikt wordt’; ik stel mij voor dat dit Schrijvers bedoeling is.
1)Waarnemen.... 2 o. Aanvatten. ‘Neem waar dat end! (grijp dat touw)’, Van Lennep, Zeem. Wdb. 254. - ... (zeew.) een touw waarnemen, aanvatten, Van Dale 4. - Verg. misschien ook hawaar, houwaar (enz.), voor hou(d) waar! (?) Zie Wdb. d. Ned. T. op Hawaar.
2)Zie b.v.N. Witsen, Aeloude en hedendaegsche Scheeps-bouw en bestier, Amst. 1671, blz. 281; 282; 283; C. Van Yk, De Nederlandsche Scheeps-bouw-konst open gestelt, Delft, 1697, blz. 278; 282.
1)Dictionaire de marine, contenant les termes de la navigation et de l'architecture navale, Amsterdam, chez Pierre Brunel, 1702. De op̣dracht van dit werk is onderteekend: Aubin.
2)Het is voor dit betoog onnoodig in bijzonderheden na te gaan met welke der beteekenissen van het bnw. loos de toepassing van dit bnw. op in voorraad gehouden, of tot (nood)hulp dienende (scheeps)behoeften het nauwst of het meest waarschijnlijk in verband staat. In 't kort kan men dit zeggen. Gelijk de benaming ‘looze bodem’ geen echten, maar een valschen bodem aanduidt, gelijk in eene eenigszins andere opvatting de ‘looze (scheeps)kiel’ niet de ware (‘vaste’), eigenlijke, maar een tot bescherming daartegen aangebrachte kiel beteekent, zoo kan men b.v. ook een bramsteng dien men in voorraad aan boord heeft, den ‘looze(n) bramsteng’ noemen, in zoodanigen zin als het niet de eigenlijke bramsteng, de br. die dienst doet is, maar een die den ‘echten’ bramsteng als 't noodig is vervangen moet.
1)Zie de bekende Nnr. woordenboeken van Aasen en Ross; voorts Clausen, Söordbog, en het Haandbog i.d. pract. Sömandskab.
2)Zie daarvoor b.v. Kaper, Dän.-Norw. Handwtb. 2 (1889).
1)Aldus bij Franck, Etym. Wdb. onder waarnemen (kol. 1126). Zie ook Falk og Torp, Etymol. Ordb. o.d. norske og det danske sprog, blz. 428 a op Vare (I).
2)Verg. Fritzner, Ordb.
o.d.g. norske sprog 2 3,871 op onr. vari, znw. m., de bet. 2). De ald. aangeh. plaats uit Biskupa sögur, I, 755 15 luidt in haar geheel aldus: Herra A'sgrímr var þá ok kominn bygđum í Frađarholt ( var. Stađarholt), þar hafđi hann látiđ húsa sér til vara, ef biskup taeki af honum Baugstađi.
4)Clausen, Sö-ordbog, 555 a.
1)De laatstverschenen aflevering der letter W van het D. Wtb. (Maart 1906), waarin wahrlos en währlos (zie boven blz. 26, in de noten) behandeld worden, gaat nog niet verder dan wahrnemen; de nieuwsgierigheid naar wat het Wtb. over warlo brengen zal kan dus nog niet worden bevredigd.
|
|