Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 27


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 27. E.J. Brill, Leiden 1908  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

Blond.

De afleiding van dit woord wordt in de beste Nederlandsche, Fransche en Duitsche woordenboeken opgeteekend als te zijn onbekend. Wel is men het hier over eens, dat de Romaansche vormen oudere brieven dan de Germaansche kunnen vertoonen, en neemt aan dat mlat. blundus, blondus, fr. blond, sp. blondo, it. biondo het oorspronkelijk zijn van ons Germaansche woord blond. Het Woordenboek der Nederl. Taal beschouwt ons blond als ‘ontleend aan fr. blond (ofr. blunt), waarvan de afleiding niet bekend is’ (bldz. 2914), en Salverda de Grave rekent het reeds in het Mnl. gebruikelijke adjectief natuurlijk tot de groep van in de oudste periode overgenomen Fransche woorden (‘De Franse Woorden in het Nederlands’ bldz. 93 en 113). Kluge, in zijn Etymol. Wtb. der deutschen Sprache s.v., vermeldt dat het in het Mhd. sinds omstreeks 1200 voorkomt als ‘blunt.’ Omtrent het Nhd. zegt hij: ‘dem älteren Nhd. fremd, um 1650 (zunächst in frz. Aussprache, die bis im Anfang des 19. Jahrhunderts möglich blieb) .... entlehnt aus frz. blond. Das noch heute wenig volksübliche (für Westfalen und Nassau als dial. bezeugte) Wort1), wofür man meist gelb, goldgelb gebraucht, drang auch ins Ndl....; im Engl. begegnet es vereinzelt seit dem 15. Jahrh. als blond (eine volkstüml. Benennung von ‘blond’ fehlt im Engl., dafür fair).’ De laatste opmerking ziet m.i. op Grimm, die in zijn Wtb. s.v. - dit

[p. 2]

deel (II) verscheen in 1860 - schreef: ‘auffallend dasz im eng. das wort blond fehlt.’ Zoo gezegd klinkt dat onjuist. In het moderne Engelsch komt het bij oudere schrijvers wel voor - zie Murray - maar alleen in hoogeren stijl; het is nooit populair geweest en is thans geheel in onbruik geraakt.

Het blijkt dus, dat noch in Engeland noch, in het algemeen althans, in Duitschland het woord blond diep in de volkstaal is doorgedrongen. Bij ons heeft het zeker reeds betrekkelijk vroeg het burgerrecht gekregen en behouden; buiten de grenzen van het Nederlandsche taalgebied schijnt het oorspronkelijk Romaansche woord vooral langs den weg van de litteratuur toegang te hebben gekregen tot andere Germaansche talen. Dat het tot ons uit het Fransch gekomen is, valt moeielijk te betwijfelen.

In de Romaansche talen is het adjectief algemeen verbreid; in het Portugeesch schijnt het niet voor te komen. Ducange vermeldt dat de Engelsche koning Willem Rufus (1087-1100) in een ouden charter Wilhelmus Blundus genoemd wordt, ‘quippe est rutilus color quem blondum dicimus,’ en s.v. blondinus citeert hij een tekst uit de vroege middeleeuwen, waarin het heet dat ‘pannarii vendunt pannos albos et nigros, camelinos, blondinos, burnetos, virides.’ Dit laatste voorbeeld wijst er op, dat de gebruiksfeer toen ruimer was, dan die van het Ndl. blond. Ook het huidige Fransch, ofschoon ik het betwijfel dat men het adj. blond van stukken goed en linten zal gebruiken, kent het in verbindingen, die ons vreemd lijken: Littré vermeldt sauce blonde, friture blonde; een glas licht bier wordt une blonde genoemd enz. Aan den anderen kant vind ik in het Wdbk. der Ndl. Taal en in Grimm's Deutsches Wörterb. een paar sporadische gevallen van het gebruik van blond in de technische taal van zekere beroepskringen (Grimm zegt dat de kooplieden onderscheid maken tusschen ‘braunen, gelben, blonden und weiszen zucker,’ en in Groningen is blonden de naam ‘voor een soort van grove, melige aardappelen, zeer licht van kleur’).

Zooveel staat vast, dat men voor de afleiding van blond uit

[p. 3]

moet gaan van het Romaansch, in casu van het Latijn. Of zou het daar eveneens als bij ons van vreemden oorsprong wezen? Kluge is van die meening. Hij houdt het voor waarschijnlijk, dat hier iets dergelijks gebeurd is, als wij in veel later tijd zien bij ndl. woorden als spion en boulevard. Een oorspronkelijk Germaansch woord zou in het gesproken Latijn het burgerrecht hebben gekregen, en later weder uit het Latijn eenigszins vervormd opnieuw zijn overgenomen. De gronden die hij aanvoert, zijn echter vrij zwak. Het is wel aardig te zeggen: ‘Vulgärlat. blundus scheint die urgerm. Benennung der den Römern auffallenden germanischen Haarfarbe gewesen zu sein (lat. flavus, gr. πυρρός)’ en er meteen op te wijzen: ‘umgekehrt übernahmen die Germanen das lat. calvus;’ maar vooreerst is het eerste een losse bewering zonder eenigen den minsten grond, omdat uit die periode van een dergelijk Germaansch woord in die bet. niets bekend is, ten tweede is het een gevoelsargument, dat aan Felix Dahn herinnert. Wij hebben alweder de naïef-pedante tegenstelling van Germaansche deugd en schoonheid tegenover Romeinsche ondeugd en verwelking. Men vergelijke b.v. wat Kluge, uit wiens Et. Wtb. s.v. blond ik zoo even citeerde, s.v. kahl zijnen lezers ten beste geeft. ‘Wahrscheinlich fiel den Römern die germ. Haartracht [sic] (s. blond) und den Germanen die röm. auf [is hier “Haarlosigkeit” soms uitgevallen?], und wir wissen aus Ovid. Amores 1, 14. 45 [en elders] dasz germ. Haar in Rom verkauft wurde.’ Hier vergeet Kluge dat de Kelten, die toch reeds zoovele eeuwen vroeger met Rome in aanraking gekomen waren, in haarkleur niet zoo sterk van de Germanen zullen hebben verschild; Strabo betuigt dat in woesten aard, lichaamsgrootte en blondheid (ξανϑότης) het onderscheid alleen quantitatief was. Evenmin schuilt er bewijskracht in wat K.s.v. blond nog bijbrengt ‘wie denn auch andre Farbenbenennungen aus dem Germ. (s. blau, blank, braun, grau, weisz) ins Roman. gedrungen sind.’ Hiertegenover mag men vragen: hoe komt het dan, dat er bij die kleurnamen van hun oorspronkelijkheid in het Germaansch

[p. 4]

geen kwestie is, maar dit bij blond op zijn minst problematisch moet heeten? Bovendien die andere kleurnamen zijn op Germaansch taalgebied van ouds algemeen verbreid en worden vrij gebruikt; blond daarentegen is niet algemeen, kan geen oude geloofsbrieven vertoonen en heeft eene tamelijk begrensde gebruiksfeer.

Toch is er een Germaansch woord blond, dat veel ouder moet zijn. Verdam vermeldt het in het Mnl., nl. waar hij registreert dat het mnl. blond ook gezegd wordt ‘van de kleur der haren, die door ons in de wandeling peper-en-zout genoemd wordt.’ Hier biedt het Ags. een daarmede overeenstemmende uitdrukking blonden-faex, door Skeat vertaald ‘with hair of mingled colour, gray-haired.’ In het Wdb. der Nederl. Taal vind ik dat in het huidige Ndl. blond in de bet. ‘grijsachtig, peper-en-zout (t.w. van het hoofdhaar)’ nog gewestelijk voorkomt (s.v. bet. 8). Bij Skeat vind ik dat Diez indertijd blonden-faex in verband bracht met ijsl. blandinn = ‘mixed’ of ijsl. blautr = ‘soft, weak, faint’. Te recht zegt Skeat van die laatste verbinding, dat zij ‘absurd’ is; maar aan de verwantschap met blandinn, got. blandan sik (de vertaling van συναναμίγνυσϑαι), en eng. to blend staat niets in den weg. Dan zoude de grondbeteekenis van dit woord blond zijn ‘gemengd’; d.i. van het hoofdhaar gezegd ‘gesprenkeld.’

Deze beteekenis staat in te sterke tegenstelling tot de gewone, dan dat men kan aannemen dat wij hier met beteekenisovergang te doen hebben. Ik houd het er voor dat romaansch blond als bepaalde kleurnaam een ander woord is dan het met een oergerm. w.w. in de bet. ‘vermengen’ verwante adj., dat de ‘peper-en-zout’ kleur van de grijzende haren aanwijst. Wel houd ik het voor waarschijnlijk dat de aanwezigheid van een reeds bestaand adj. blond de overneming van het homonieme woord uit het Fransch heeft in de hand gewerkt. Voor het taalgevoel bleven beide niet gescheiden, zooals zij dan ook in Verdam's Mnl. Wdb. als verschillende beteekenissen van een zelfde woord worden opgegeven.

[p. 5]

Maar voor blond = flavus, rutilus, hebben wij de afleiding in het Latijn te zoeken. Ik zie in blundus, blondus een vulgairen vorm van Hooglat. blandus. Wij hebben te doen met een possessief adjectief van mel, welks bet. ‘honingachtig; (als) van honing; honnig’ zich aldus gedifferentieerd heeft, dat de eene vorm ten opzichte van de kleur, de andere met betrekking van de zoetigheid gebruikelijk werd, waarbij blundus of blondus tot de volkstaal (het populaire Latijn) beperkt bleef, doch blandus juist in het Hooglatijn te huis behoorde.

Om deze stelling te bewijzen, heb ik aan te toonen: vóór alles, dat de etymologie formeel in den haak is; dan dat zulk eene differentiatie in vorm en gebruik plausibel is; eindelijk dat de beteekeningsontwikkeling zelve zich waarschijnlijk laat maken.

Wat de formele zijde betreft: dat van het woord voor ‘honig’, dat in het Latijn mel luidt, een adj. gevormd kan zijn, dat in het Latijn kon uitloopen op blundus, blondus, blandus, is in overeenstemming met de klankwetten. Het lat. mel staat voor *melt = *mĕlῐt, vgl. gr. μέλι, - τος, got. miliþ, en in de ll van de casus obliqui leeft de oorspronkelijke lt voort. Het bijbehoorende adj. kan op nus (ῐnus) uitgaan, vgl. eburnus, populnus, salignus, paternus, aënus [= *ajeznus, van *ajes = aes]; houdt men hierbij in het oog, dat dit suffix -, nom. s. -nus in het Idg. den klemtoon zal gehad hebben, zooals in eenige Grieksche adjectiva van dat type, b.v. ἑσπερινός, ἐαρινός, ἀλγεινός, dan is als grondvorm op te stellen *məlit(i). Drieërlei klankwijziging heeft op den langen duur en reeds in vóórhistorischen tijd hierop zoo moeten inwerken, dat het adj. ten slotte als blundus - blandus klonk: de aanvangs-ml werd tot bl; de volgende vocaal werd dof, d.i. hield op palataal te zijn; tn werd tot nd. Wat dit laatste aangaat, oorspr. tn gaat in het Latijn - evenals oorspr. dn (b.v. in unda), en oorspr. dhn (b.v. in fundus ‘bodem, grond’) - over in nd. Zoo is tendĕre ontstaan uit *titnere (vgl. sistere, bibere), pandĕre = *patnĕre is te beschouwen als het caus. van patēre, mandĕre ‘[met de kiezen] vermalen’ is verwant met skr. math, praes.

[p. 6]

mathnāmi; er is een tijd geweest, dat Brugmann de Lat. gerundiva op -ndus uit -*tnus wilde verklaren, eene verklaring, die m.i. niets minder waarschijnlijk mag heeten, dan de vele andere, die van die nog altijd niet voldoend opgehelderde formatie zijn gegeven. De verdoffing van het timbre van de binnenvocaal past goed bij wat de Romeinsche grammatici omtrent het karakter van de l, die daaraan onmiddellijk voorvoorafgaat, verklaren, dat die nl., als tweede van met dubbelconsonant beginnende woorden, velare uitspraak had, zie Lindsay, The Latin Language, blz. 89 v.o. Eindelijk, het overgaan van ml in bl kan allerminst bevreemden. Het is in overeenstemming met wat wij elders op Idg. taalgebied zien gebeuren. Evenals in het Grieksch βροτός staat voor *μβροτός uit *μροτός (vgl. skr. mṛtá, lat. mortuus, mors) en βλίττω = *μλίττω van μέλι(τ), evenals in het Keltisch verscheidene met bl beginnende woorden op oorsp. ml ternggaan (in het Oud-iersch heeft mlicht ‘melk’ blicht naast zich; mlas ‘smaak’ blas; mlaith ‘week, zacht’ blaith), evenals in het Sanskrit brū ‘spreken’ uit mrū ontstaan is, en evenals men formeel gerechtigd is om voor de Germaansche woorden, die in onze taal blijde en bruid heeten, uit te gaan van met ml en mr beginnende grondvormen (zie Paul u. Braune's Beiträge, 15, 226 vg. en Brugmann, Vergl. Gramm. I2, § 387 a.), zoo kan men tegen de mogelijkheid van den overgang van aanvangs ml en mr in het Latijn redelijkerwijze niets inbrengen1). Het aantal bewijskrachtige gevallen is echter

[p. 7]

schaarsch evenals de verbinding van ml en mr zelve. Inwendig mr werd in het Latijn, naar het schijnt eveneens, behandeld; dit blijkt uit hibernus = *hibrinus = *himrinus, vgl. χειμερινός, en uit tuber bij tumēre. Van inwendig ml is geen voorbeeld bekend.

De vroeger door Johannson (in Kuhn's Zeitschrift XXX, 441) en Von Planta (Gramm. der osk. u. umbr. Dialekten, I, 305) voorgestelde etymologieën van blandus gaan ook uit van de onderstelling dat bl hier uit ml onstaan is. Hun fout is dat zij geen rekening hoegenaamd houden met het werkelijke gebruik en de werkelijke beteekenissen van het woord, waarvan zij eene etymologie construeerden. Zij zoeken in den wortel mld, meld, die o.a. in een idg. adj., uit lat. mollis (vgl. het Hom. ἀμαλδύνω) en skr. mὛdú gemakkelijk te reconstrueeren, aanwezig is, den oorsprong van blandus, zonder er een oogenblik aan te denken dat zij hadden aan te toonen hoe van een woord, dat ‘week, zwak’ bet., eene afleiding kon komen met bet. ‘vleiend’. Etymologizeeren zonder rekening te houden met wat wij uit de documenten en de levende taal omtrent de beteekenis der woorden kunnen leeren is slecht werk doen. Overigens is die afleiding, ook formeel, weinig aanbevelenswaardig, evenmin die van Bezzenberger, die in zijne Beiträge (V, 168) van een Litausch woord galandu ter verklaring van blandus uitgaat.

Dat er naast blandus een blundus, blondus bestaan kon, lijdt geen twijfel. In het Latijn zijn korte vocalen betrekkelijk onvast, een gevolg van het sterk exspiratorische accent. Wisseling van ă en ŏ in verwante vormen is niets ongewoons. Naast portio heeft men pars; vŏcīvŏs en vŏcare zijn oude bijvormen van văcuus en văcare, een wisseling die van het zwakke timbre dier slechts weinig van de neutrale vocaal afstaande korte

[p. 8]

vocalen evenzeer getuigt, als andere dergelijke dubbelvormen: holus en helus; jocinoris en jocineris: fenerare naast fenus-oris (-eris), homo en de oude acc. hemonem bij Ennius. Dat overigens uit de neutrale vocaal veelal ă in het Latijn is voortgekomen, bewijzen dătus, sătus, stătio, cătus en derg.; men vgl. Prof. Kern's opstel in dit Tdschr. XVII, 161; en de binnenvocaal van het onderstelde prototyp *mlendus uit *mlindus zal vrij wel neutraal geweest zijn. Dat de beide uitspraken: blundus en blandus, naast elkander kunnen bestaan hebben, daarvan hebben wij een tegenhanger in het prototype van fr. soin, it. (bi)sogno dat door Bücheler is herkend in *sonium, den nevenvorm van Hooglat. senium; in *clovus (naast Hoogl. clavus) van waar fr. clou, it. chiodo. In het laatste geval is de vulgaire uitspraak die met o-timbre tegenover ă-timbre van den hoogeren stijl. Parallellen vindt men nog in fr. Noël tegenover natalis; it. nuotare, fr. noër tegenover lat. natare; portug. fome tegenover lat. fames.

Eindelijk, de beteekenisontwikkeling. Bij blandus denkt men hoofdzakelijk aan de bet. ‘vleiend, naar den mond pratend, ooren streelend’ want het wordt gezegd van ‘zoete woordjes, vleitaal.’ Dat die begrenzing tot de taal, het gesproken of geschreven woord, niet oorspronkelijk kan geweest zijn, valt reeds hieruit af te leiden dat, vooral in het oudere Latijn, samenstellingen als blandidicus, blandiloquus (zie b.v. Plautus Poenulus 138; Bacchides 1173; Trinummus 239) gevormd zijn. Ware het begrip ‘vleitaal’ aan het enkele blandus van den aanvang af inhaerent, dan zou eene samenstelling met woorden voor ‘spreken’ niet noodig hebben kunnen zijn. Maar ook overigens blijkt het uit het gebruik voldoende, dat blandus en blanditiae niet tot ‘lieve woordjes’ beperkt is; men vgl. b.v. Plaut. Cistellaria 539 en Terentius Hecyra 68. Gaat men uit van de bet. ‘(honig)zoet’ en stelt men zich die voor in de richting van ‘zoete woordjes’, ‘liefkozingen’ dan is de beteekenisontwikkeling volkomen duidelijk. Nog bij een zoo laten schrijver, als de oude Plinius, straalt de oorspronkelijke

[p. 9]

bet. ‘zoet’ door, waar hij zegt Praef. 1 § 42, jucunda dictu aut legentibus blanda. ‘O melle dulci dulcior’ staat ergens bij Plautus (Asin. 614); geliefden noemen elkander in zijn tooneelstukken zoo gaarne mel meum, mellitus, vgl. Casina 135 mea vita, mea mellilla, mea festivitas. Zoo heeft ook het oorspronkelijk bij mel behoorend adjectief blandus een dergelijke overdrachtelijke bet. aangenomen en doordat het, ten gevolge van zijne klankwijziging, voor het taalgevoel van mel geheel losgeraakt was, is het alleen in dien figuurlijken zin in zwang. De meest gewone bet. er van is op dezelfde wijze te verklaren, als in het Fransch b.v. ‘des paroles mielleuses,’ volgens Littré = ‘des paroles qui ont une douceur affectée, qui sont doucereuses et non pas douces.’ Zou men blanda dicta beter kunnen omschrijven?

Eene andere beschouwing ligt aan de beeldspraak ten gronde die den nevenvorm blundus, blondus aan de honingkleur heeft vastgeknoopt. Ook hier zijn analogieën, waarvan ik er enkele zal opnoemen, en die men zonder veel moeite vermeerderen kan. De Açvins, het Vedische paar goden dat met den morgenstond en den dageraad in betrekking staat, rijden op een wagen van de kleur van honing. Als Apulejus in zijne Metamorphosen de pracht van een mooien vrouwenhaardos verheerlijkt (II, 9) vergeet hij niet den tint van de blonde haren met die van goud en honig te vergelijken. Lucretius (IV 1152) vermeldt μελίχρους als het zoete naampje dat de minnaar geeft aan zijn meisje dat een donkergetinte, lichtbruine huid heeft; hierbij heeft Giussani een geleerde noot met parallelplaatsen, waarbij hij zegt: ‘Più volte s'incontra nell' Antologia greca il color del miele a titolo di complimento.’

Wij zagen boven dat in de middeleeuwen blond ook de bet. had van ons ‘rossig.’ Willem Rufus heette ook Guilielmus Blundus, en voor het Mnl. wijst Verdam er uitdrukkelijk op, dat in die taalperiode behalve wat hij noemt onze ‘gewone’ bet. van blond, dit adj. ook de bet. had van ‘lichtrood, vaal, rossig.’ Ook dit strookt best met een oorsprong als door mij is blootgelegd.

 

Leiden.

j.s. speyer.