Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28. E.J. Brill, Leiden 1909  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 206]

Hollando-Russica.

I. Holl. namen van vruchten in het Russ.

Abrikoos. Over de geschiedenis en vorm van dit woord zie men Dozy, Oosterlingen, en het Ned. Wdb. Aan den Hollandschen vorm abrikoos moet Russ. abrikós ontleend zijn. Russ. abrikós wordt zoowel voor den boom als de vrucht gebruikt: plod i derevo Armeniaca vulgaris. Bedoelt men den boom, dan kan men ook de afleiding abrikósnik bezigen. Verdere afleidingen zijn: de adj. abrikósovyi en abrikósnyj (het eerste b.v. in: abrikósovyj cvět, abrikozekleur; het tweede b.v. in: abrikósnaja kostočka, abrikozepit) en de subst. abrikósnik, 1. abrikozeboom, 2. liefhebber van abrikozen, en abrikósovka, abrikozenlikeur. In Dal' staat naast het gewone Russ. abrikós ook een vorm aprikós vermeld, die òf rechtstreeks van Hgd. aprikose afstamt òf, wat mij wegens de laatste letter waarschijnlijker voorkomt, slechts door dit Hgd. woord beinvloed is. Het woordenboek der Akademie kent Russ. aprikós niet.

 

Appelsien. Het Ned. Wdb. heeft: appelsina en appelsine, Hd. apfelsine: in de volkstaal niet ongewone bijvorm voor sinaas- of chinaasappel. Het Holl. appelsien is door de Russen overgenomen in Russ. apel'sі´n, plod i derevo citrus aurantium. Afleidingen zijn: de adj. apel'sі´novyj en apel'sі´nnyj (het eerste b.v. in: apel'sі´novoe moroženoe, sinaasappelijs; het tweede b.v. in: apel'sі´nnoe derevo, oranjeboom) en de subst. apel'sі´nnik oranjeboom; apel'sі´nščik, appelsinekoopman; apel'sі´nščica appelsinekoopvrouw.

 

Kruisappel. Deze appelsoort staat genoemd in het Ned. Wdb. I kol. 557, vgl. vooral J.H. Knoop, Pomologia (Leeuwarden 1758), blz. 17, waar men van den kruisappel een afbeelding

[p. 207]

en uitvoerige beschrijving vindt. Ongetwijfeld is het in het woordenboek van Dal' met een vraagteeken voorziene Russ. kružapel' hieraan ontleend, de verklaring luidt: poroda pročnych jablok, ploskich, rěpkoju (een soort van harde, platte appelen, gelijkend op een knol).

II. Holl. namen van visschen in het Russ.

Ansjovis. Over de verschillende vormen van dit woord in de Westeuropeesche talen zie men het Ned. Wdb. Russ. ančóus, engraulis, kan blijkens den vorm slechts het Holl. ansjovis zijn (Fr. anchois, Hgd. anschove, Eng. anchovy). Bij dit woord de afgeleide adj. ančóusovyj en ančóusnyj (het eerste b.v. in: ančóusovyja lovli, ansjovisvangst; het tweede b.v. in: ančóusnyj vkus, ansjovissmaak).

 

Garneel. Een der verschillende bijvormen van het gewone garnaal, z. Ned. Wdb. en vgl. vooral Winschooten, Seeman, blz. 64: garnaat, bij de Amsterdammers mijn landslui, garneel .... genaamd ... Uit Holl. garneel is Russ garnél', crangon vulgaris, dat in het Woordenboek der Akademie voorkomt, maar niet in Dal'.

 

Makreel is evenzoo in het Russisch overgegaan als makrel' (Dal').

 

Ten slotte herinner ik er hier nog even aan, dat het van Holland afgeleide Russ. subst. gollándka, golánka o.a. voorkomt in de beteekenis: beste soort haring.

III. Holl. namen van stoffen en kleedingstukken in het Russ.

Baai. Benaming van zeker grof, op molton gelijkend flanel (Ned. Wdb.). Russ. bájka, mjagkaja, tolstaja, očen' vorsistaja, šerstjanaja tkan' (zacht, dik, zeer harig, wollen weefsel). Het

[p. 208]

Russ. woord is noch uit Hgd. boi, noch uit Eng. bay, zooals de Russ. woordenboeken ons willen doen gelooven, maar uit Holl. baai. Bij Russ. bájka de adj. bájkovyj en bájčatyj, b.v. in: bájkovyj of bájčatyj sjurtuk, een baaien jas; bájkovaja fabrika, fabriek, waar baai gemaakt wordt.

 

Pluis. Dit woord is in het Russ. overgegaan als plis, bumažnyj barchat (boomwollen fluweel). Terecht staat in Dal' achter den aldaar vermoeden Franschen oorsprong van het Russ. woord een vraagteeken: niet uit Fr. pluche, peluche, maar uit Holl. pluis is Russ. plis rechtstreeks overgenomen, zie vooral ook het volgende woord. Bij Russ. plis het adj. plі´sovyj, b.v. in: plі´sovaja fabrika, fabriek, waar pluis wordt vervaardigd, en het subst. plisovščі´k, vervaardiger van pluis.

 

Trijp. Ook dit woord hebben de Russen van de Hollanders overgenomen. Dal' heeft s.v. barchat: bumažnyj zovut polubarchatom ili plisom; šerstjanoj utrechtskim barchatom ili tripom (het fluweel uit boomwol noemt men halffluweel of plis; dat uit wol Utrechtsch fluweel of trip). Bij Russ. trip het adj. trі´povyj, b.v. in: trі´povyj divan, een trijpen divan.

 

Andere Holl. namen van stoffen in het Russ. zie men in mijn Holl. Zee- en Scheepstermen in het Russ. op de artikels: Bramzeildoek, Doek, Kanefas, Karreldoek, Klaverdoek, Presenning, Presenningdoek, Ravendoek, Vlaggedoek.

Voor de namen van kleedingstukken en onderdeelen daarvan zie men ald. de artikels: Boezeroen, Borstrok, Broek (l), Gulp, Klap of Klep (3), Zuidwester en bovendien het art. Holland en afleidingen. Een andere overgenomen benaming is nog:

Lijf. Russ. lif, dat in Dal' o.a. verklaard wordt met: verchnjaja polovina plotnoj odeždy, prilegajuščaja vkrug do pojasa (bovenhelft van een nauwsluitend kleedingstuk, dat rondom

[p. 209]

tegen het lichaam aanligt tot aan den gordel). Hierbij de adj. lі´fnyj en lі´fovyj.

 

Kousen stoppen is in het Russ.: štópat' čulki.

IV. Eenige andere Holl. ontleeningen in het Russ.

Drager d.w.z. lastdrager, pakkedrager. Russ. drágil', drjágil', nosil'ščik. Afgeleid zijn: de adj. drágil'skij, drjágil'skij; drágil'nyj, drjágil'nyj (b.v. in: drjágil'nyja den'gi, geld, dat de dragers krijgen voor het af- en opladen van belaste waren), verder drágilev, drjágilev, wat aan een drager toebehoort, en het subst. drágil'ša, drjágil'ša, vrouw of weduwe van een drager.

 

Komfoor. Russ. diminutivum kamfórka, kanfórka, konfórka, dat in Dal' o.a. aldus omschreven staat: ... snarjad dlja varki čegolibo bez peči, v komnatach; žarovnja, ... masljanaja ili spirtovaja lampočka s tagančikom, dlja varki kofe ipr. (toestel om iets te koken zonder oven, in de kamer; komfoor, ... olieof spirituslampje met treeft, om koffie te koken, enz.). Dal' geeft daarbij een adj. kanfóročnyj.

V. Een ten onrechte uit het Holl. verklaarde Russ. scheepsterm.

In het Russ. zeemanswoordenboek van Vachtin zoowel als in het Glossaire Nautique van Jal komt een thans niet meer gebruikelijke Russ. scheepsterm rangóus voor als synoniem van jut met de beteekenis: dunette (kampanje). Het laatste is het Hollandsche hut (z. mijn Holl. Zee- en Scheepst. in het Russ. i.v.) en wil men Jal en Vachtin gelooven dan is ook rangóus uit het Hollandsch afkomstig: beiden zien er een Hollandsch woord rankhuis in, dat volgens Vachtin letterlijk beteekent: malen'kij domik (klein huisje). Jal heeft op rangous het

[p. 210]

volgende: ‘Ce mot, qui manque à J. Heym et à Reiff et qu'Alex. Chichkoff donne comme synonyme de jut, est peut-être composé du holl. huis - maison et de rank - adj. qui signifie maigre, menu, et même étroit (P. Marin, Dict. holl. franç. 1752). Cette épithète: étroite, conviendrait en effet à la construction qu'on faisait à l'arrière des vaisseaux aux XVIIe et XVIIIe siècles, car le château d'arrière avait à peu près la figure d'une pyramide doublement tronquée, beaucoup plus étroite à l'arrière du vaisseau qu' à la partie la plus voisine du grand mât, beaucoup plus étroite aussi au plan supérieur qu'à la base qui était le gaillard lui-même.’ De etymologie van Vachtin en Jal is daarom zoo merkwaardig, omdat beiden onafhankelijk van elkaar en langs verschillende wegen, op dezelfde gedachte zijn gekomen: volgens Vachtin is Russ. rangous uit Holl. rankhuis in de beteekenis van: klein huisje, volgens Jal zou dit woord: nauw huis beduiden. Op zich zelf is deze afleiding niet zoo ongerijmd: een synoniem van Russ. jut uit Holl. hut te willen verklaren uit het begrip: klein, nauw huisje, is begrijpelijk. Het is alleen maar jammer, dat er in het Nederlandsch geen woord rankhuis bestaat, noch als scheepsterm, noch in welke andere beteekenis ook. Men zal hier dus naar een andere verklaring moeten omzien.

De Russen hebben in de 18e eeuw een aantal benamingen van onderdeelen van een schip zoowel uit het Hollandsch als uit het Engelsch gebezigd: in sommige gevallen heeft op den duur het Engelsche woord het Hollandsche verdrongen, in andere gevallen heeft het omgekeerde plaats gehad. Als voorbeeld van het eerste zij hier genoemd: Russ. gekbalk uit Holl. hekbalk, dat verdrongen is door Russ. vintranec uit Eng. wingtransom; verder is Russ. genegat uit Holl. hennegat in onbruik geraakt, terwijl Russ. gel'mport uit Eng. helmport nog voortleeft. Voor het tweede wijs ik b.v. op Russ. forfut uit Eng. forefoot, dat het af heeft moeten leggen tegen Russ. baks uit Holl. (kinne)baks. Met een dergelijk geval hebben wij nu hier te doen. De Engelsche benaming voor Holl. hut of kam-

[p. 211]

panje luidt poop of roundhouse, vgl. Twent, Verzameling der Nederlandsche Zee-Kunstwoorden en Spreekwijzen, overgebragt in het Fransch en Engelsch: hut of kampanje, dunette, roundhouse, poop. Aan Eng. roundhouse nu is Russ. rangóus ontleend, dat echter door het synonieme Russ. jut uit Holl. hut is overvleugeld: het laatste is nog de gewone term in het Russisch voor de kampanje, het eerste was reeds in het begin der negentiende eeuw aan het verdwijnen blijkens Jal's mededeeling, dat alleen Chichkoff (1795) dit woord nog geeft, terwijl Heym en Reiff (1835) het niet meer schijnen te kennen. Wat den Russ. vorm rangóus uit Eng. roundhouse betreft, vgl. hiermee Russ. rangóut uit Holl. rondhout.

VI. Een Hollandsch woord in N.-O. Siberië.

In het 68ste deel van den Sbornik der afdeeling van Russische taal en letterkunde der Keizerlijke Akademie van Wetenschappen te St. Petersburg vindt men een woordenboek van het Russische dialekt, dat aan de rivier de Kolyma gesproken wordt. De bewerker, de heer V.G. Bogoraz, heeft het materiaal daarvoor gedurende de jaren 1890-1898 op de plaats zelf verzameld. In zijn inleiding deelt de schrijver ons mee, dat volgens de volkstelling van 1897 de Russische en gerussificeerde bevolking van het Kolymsche district 1120 zielen bedraagt, die in twee afzonderlijke groepen de oevers van de rivier de Kolyma bewonen, van elkaar gescheiden door de nederzettingen der Jakoeten en de onbewoonde woestenij. De eerste groep (440 zielen) is geconcentreerd in de stad Srednekolymsk, vooral 's winters, want 's zomers houdt zij zich bezig met vischvangst op de rivier boven en beneden de stad. Van de Russische bevolking aldaar zijn sommige families in de hen omringende Jakoeten en Joekagieren opgegaan en hebben hun moedertaal verloren. De tweede groep, ten getale van 680 zielen, leeft van de vischvangst langs de Beneden-Kolyma en omvat behalve de zuiver Russische bevolking, ook nog één gerussificeerd Jakoetsch geslacht en vier gerussificeerde

[p. 212]

Joekagiersche geslachten, die te zamen 162 zielen tellen. De centra der Russische bevolking van de tweede groep zijn de steden Pochodsk en Nižnekolymsk. De Russen aan de Kolyma zijn de afstammelingen van de eerste veroveraars dezer streken in de 17e eeuw, die voor de eene helft uit Kozakken, voor de andere helft uit vrijwilligers en handwerkslieden bestonden; daarbij zijn na verloop van tijd de nakomelingen van verbannen kolonisten gekomen. Het dialekt van beide genoemde groepen der Russische bevolking aan de Kolyma behoort tot de zoogenoemde Noord-Russische o dialekten: de eerste veroveraars van het land, zooals trouwens de meerderheid der Siberische Kozakken, waren van Noord-Russische afkomst. De heer Bogoraz wijst dan ook in zijn woordenboek bij herhaling op gelijkluidende of althans zeer verwante woorden in de dialekten van Archangel en Olonec (volgens de woordenboeken van Podvysockij en Kulikovskij). Dit is ook het geval bij het woord, waar ik hier de aandacht op wilde vestigen en dat bij Bogoraz genoemd staat op blz. 25, nl. het zoowel aan de Beneden- als Midden-Kolyma gebruikelijke borchóty, dat men aldaar uitspreekt als: bojchóty. De beteekenis luidt: naboi na dolblenom čelnokě (planken ter verhooging geslagen op een bootje, dat uit één boomstam is gehouwen). Terecht vergelijkt de schrijver het bij Podvysockij in zijn woordenboek van het Archangelsch dialekt voorkomende bárkoty1), dat, zooals ik in mijn Holl. Zee- en Scheepstermen in het Russ., blz. 29 heb aangetoond, op Holl. barkhout teruggaat, evenals de in het Noorden en Oosten van Rusland verbreide vormen barkót en barkóut. Strikt genomen is het Siberische borchóty eigenlijk niet uit Holl. barkhout, maar uit de daarnaast staande Holl. vormen barchhout, barghout, wat ook het geval is met de Noord- en Oost-Russische woorden barchót, barchóut, bargóut.

[p. 213]

VII. Holl. woorden bij de Grebensche Kozakken aan de Terek.

In mijn Holl. Zee- en Scheepstermen in het Russ. staan eenige in Astrachan en op de Kaspische Zee gebruikelijke termen genoemd, die op Holl. woorden teruggaan: bánok uit Holl. bank (n.l. zandband, maar bánok beteekent merkwaardigerwijze juist vaarwater, z. beneden); bramtóp met de eenigszins afwijkende beteekenis van: topzeil op kleine vaartuigen, uit Holl. bramtop (top van de bramsteng); búglen' uit Holl. boeglijn; kapljár uit Holl. kabelaring; kónfuz uit Holl. kombuis; lócman met de beteekenis van: schipper, scheepskaptein, uit Holl. loodsman; múškar' uit Holl. moskuil; ten slotte de vormen šchóut, škóut, škut uit Holl. schuit.

Hier volgen nu eenige woorden uit een ander gebied aan de Kaspische zee, die mij pas later bekend zijn geworden en die dus in bovengenoemd werk niet vermeld staan. In het 71-ste deel van den Sbornik der afdeeling van Russische taal en letterkunde der K.A.v.W. komt nl. een studie voor van den heer Karaulov, getiteld: Materialy dlja etnografii Terskoj oblasti. Govor Grebenskich Kazakov (Bouwstoffen voor de ethnografie van het Tereksche gebied. Dialekt der Grebensche Kozakken). Op blz. 45-112 vindt men een woordenboek van dit dialekt, waarin de volgende woorden ongetwijfeld van Holl. oorsprong zijn.

1. Het reeds boven aangehaalde bánok, dat verklaard wordt met: girlo, rukav rěki vchodjaščij v more (riviermonding, arm van een rivier, die in zee uitloopt). Dat dit blijkbaar langs de geheele Kaspische zee gebruikelijke bánok het Holl. bank (nl. zandbank) is, hoewel de beteekenis dit allerminst zou doen vermoeden, wordt, dunkt mij, vooral duidelijk uit het zinnetje, dat de bewerker hierbij citeert: bánok abmelél-ryba i ni idet k nam (de bánok is ondiep geworden, verzand - de visch komt niet tot ons). Russ. bánok uit Holl. bank zal dus eerst voor een ondiep, verzand vaarwater gebruikt zijn en daarna voor vaar-

[p. 214]

water in het algemeen, bij voorkeur voor een vaarwater, dat naar zee voert en waar niet zelden ondiepe plaatsen voorkomen.

2. Het tweede woord luidt vánda met de beteekenis: venter', rybolovnaja snast' dlja lovki krupnoj ryby; obyknovenno iz tonkoj bičevki, i inogda iz ivovych prut'ev (vischnet, visscherstuig tot het vangen van groote visch; gewoonlijk van dun touw, en soms van wilgetwijgen). Karaulov verwijst bij dit woord naar Dal', die in een dergelijke opvatting hetzelfde woord (vánda) geeft als gebruikelijk in het goevernement Nižnij-Novgorod en daarnaast den vorm vánta voor Astrachan. Het is duidelijk, dat zoowel vánda als vánta op Holl. want (vischwant, visscherstuig) teruggaan. Bij de bewerking van mijn Holl. Zee- en Scheepstermen in het Russ. heb ik deze woorden in Dal' over het hoofd gezien, anders had ik er daar een artikel Want (2) van gemaakt.

3. De verkleinwoordjes mačuška, mašenka van het subst. mačta (waarnaast vroeger mašta, mašt) uit Holl. mast.

4. Ten slotte het woord škont, dat aldus omschreven staat: zatyčka, derevjannyj gvozd' dlja zatykanija dyrki, črez kotoruju iz bočki vypuskajut židkost' (stop, houten tap tot het dichtstoppen van het gat, waardoor men de vloeistof uit een vat laat loopen). Als bijvorm van škont geeft Karaulov: škan en hij vergelijkt het in Dal' met een vraagteeken voorziene škon, dat in het goevernement Novgorod evenzoo beduidt: zatyčka v bočkě, gvozd' (stop op een vat, tap). Alle drie de hier genoemde woorden: škont, škan, škon zijn overgenomen uit Holl. spon (stop op een vat). Wat betreft Russ. šk uit Holl. sp, vgl. daarmee de dergelijke verbastering Russ. šk uit Holl. st in Russ. škeven', bijvorm van števen', uit Holl. steven en Russ. škert, bijvorm van štert, uit Holl. staart. Voor de paragoge van t in den vorm škont, wijs ik op de analoge gevallen Russ. špunt, andere vorm špont, uit Holl. spong en Russ. legvant uit Holl. leguaan, z. vooral mijn Holl. Zee- en Scheepstermen in het Russ. op Spong.

 

Schiedam.

r. van der meulen rz.