|
|
|
| |
| | | |
Niet-gerekte a, e voor r + konsonant.
De hier volgende onderzoekingen sluiten zich aan bij twee artikels, voor enige jaren door mij in dit tijdschrift gepubliceerd. In de 26e jaargang, blz. 33-65 handelde ik over ‘vocaalrekking vòòr r + dentaal’; o.a. besprak ik de klinkers a en e vòòr deze konsonantverbinding, het bleek, dat bij verscheidene woorden de klinker gerekt werd, maar lang niet bij alle. Over de kwaliteit, anders gezegd het timbre der gerekte vokalen werd met de nodige uitvoerigheid gehandeld; wat de niet-gerekte aangaat, stelde ik mij tevreden met een lijstje voorbeelden, blz. 54 vlg., maar over de kwaliteit werd niet gesproken. Dat wens ik nu hier te doen, en wel in verband met de kwaliteit der klinkers a, e vòòr r + labiaal en gutturaal. Hierover kwam reeds een en ander voor Tijdschr. 24, 14 v., in het andere der hierboven bedoelde artikels: ‘over het woord morgen’; t.a.p. wees ik op de palataliserende werking, die gutturale en labiale konsonanten in tegenstelling tot dentale op voorafgaande r-verbindingen uitoefenen, een verschijnsel, dat ook uit andere talen, vooral uit het Pools, bekend is.
Wij zullen het dus hebben over woorden als hard, hart, arm, scherp, sterven. Letten we alleen op de vorm, die deze en dergelijke woorden in de algemene beschaafde taal hebben, dan mogen we zonder enig voorbehoud van ‘niet-gerekte a, e’ spreken. We zullen evenwel zien, dat in verscheiden dialekten wel degelik gerekte vokalen voorkomen; toch heb ik gemeend, als titel voor dit opstel ‘niet-gerekte a, e enz.’ te mogen kiezen: immers deze rekking is niet zoals die in baard, paard, aarde een oud verschijnsel, dat over het gehele taalgebied dat we beschouwen en ver daarbuiten voorkomt, maar een jonger, dialekties beperkt verschijnsel; soms vinden we in twee na verwante en dicht bij elkaar liggende dialekten verschillende be- | | | | handeling van eenzelfde klinker: in het ene rekking, in ’t andere geen rekking. Vgl. bijv. Van de Water, De Volkstaal in het Oosten van de Bommelerwaard, blz. 9: het westelike dialekt van de Bommelerwaard heeft gerekte klinker in woorden als ẽrəm, in het Oosten vinden we echter errəm: de afwijkende vormen in het Oosten achẽrəm en stofvẽrəkə (maar: verrəkə) worden terecht als ontleningen verklaard, waarbij ook aan West-Brabantse oorsprong gedacht kan worden.
Met het volste recht mogen we dus bij hard, hart, arm, scherp, sterven, in tegenstelling tot baard, paard, aarde van niet-gerekte klinkers spreken: - met hetzelfde recht beweerde ik Tijdschr. 26, 33, dat germ. i vòòr r + dentaal niet verlengd is: dialektiese vormen als West-Voorns kērzə ‘kers’ (vrucht), hērsəns ‘hersens’, Noord-Bevelands ēardər ‘herder’, met jongere, lokaal beperkte rekking, doen aan de geldigheid van de opgestelde regel niets af.
Ik beperk mij tot de in de titel genoemde klankgroepen, a, e, d.w.z. wgerm. a, e + r + konsonant. De klankgroep ir + kons., die in de voorafgaande alinea al ter sprake kwam, behandel ik wellicht later nog eens, maar nu niet; zowel wat de beschaafde Nederlandse taal als wat een groot aantal dialekten aangaat, mag deze klankgroep niet zo maar met ar, er + konsonant worden gelijkgesteld en het is jammer, dat Te Winkel in zijn ‘Geschichte der niederländischen Sprache’ in Pauls Grundriss I2 dat wel doet1). - Ook spreek ik hier niet van woorden met metathesis, waarbij dus in het Wgerm. de klinker na de r stond; ik handelde hierover Tijdschr. 27, 16 vv. en daarna W. de Vries, Tijdschr. 28, 221 vv. Het laatste woord is, dunkt mij, over deze netelige kwestie nog niet gezegd; in dit verband laat ik echter het onderwerp liever rusten. Verder blijven nog de woorden met rr buiten beschouwing; wellicht wijd ik er later eene aparte onderzoeking aan.
| | | |
Helaas is het niet mogelik, met hulp van de tot nu toe bestaande dialektgrammatika's het omvangrijke taalgebied te overzien, waarvan deze elk een klein stukje behandelen. Vooral voelde ik bij deze onderzoeking het gemis van een uitvoerige en betrouwbare beschrijving van een centraal-Zuid-Hollands dialekt Het Zaans wijkt belangrijk af van de overige dialekten, zonder dat wij toch die afwijkingen als ‘Frisismen’ kunnen ter zijde stellen. Konden wij maar eens een zuideliker Hollands dialekt vergelijken! Het snelle toenemen van dialekt-onderzoekingen in de laatste jaren geeft mij hoop, dat in deze leemte binnenkort wel eens voorzien zal worden.
De gegevens aangaande de dialekten, die ter sprake komen, ontleen ik vooral aan de volgende grammatiese monografieën: W. de Vries, Het vocalisme van den tongval van Noordhorn, Groningen, 1895; J.H. Gallée, Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialect, 's-Gravenhage, 18951)2); J. Gunnink, Het dialect van Kampen en omstreken, Kampen, 1908; W. van Schothorst, Het dialect der Noord-West-Veluwe, Utrecht, 1904; A. van de Water, De volkstaal in het Oosten van de Bommelerwaard, Utrecht, 1904; M. Bruyel, Het dialect van Elten-Bergh, Utrecht, 1901; L. Simons, Het Roermondsch dialect, getoetst aan het Oud-Saksisch en Oud-Nederfrankisch, Gent 1889; A.M. Mertens, Het Limburgsch dialect, Onze Volkstaal 2, 201 vv.; J.H.H. Houben, Het dialect der stad Maastricht, Maastricht, 1905; L. Grootaers, Het dialect van Tongeren, Leuvensche bijdragen 8, 101 vv.; L. Goemans, Het dialect van Leuven, Leuv. bijdr. 2, 1 vv.; Ph. Colinet, Het dialect van Aalst, Leuv. bijdr. 1, 1 vv.; H. van der Brand, Proeve
| | | | eener grammatica der taal van oostelijk Noord-Brabant, Onze Volkstaal 1, 162 vv. (e.a. artikels van dezelfde in Onze Volkstaal); H. Smout, Het Antwerpsch dialect, Gent, 1905; J. Boucherij, De Gentsche tongval, Verslagen en meded. der kon. Vlaamsche academie voor taal- en letterkunde, 1907, blz. 613 vv.; J. Vercoullie, Spraakleer van het Westvlaamsch dialect, Onze Volkstaal 2, 3 vv.; A. Verschuur, Klankleer van het Noord-Bevelandsch, Amsterdam, 1902; M.A. van Weel, Het dialect van West-Voorne, Leiden, 1904; A. Opprel, Het dialect van Oud-Beierland, 's-Gravenhage, 1896; G.J. Boekenoogen, De Zaansche volkstaal, Leiden, 1896.
Het Fries heb ik van mijn onderzoek uitgesloten, ofschoon wij sedert 1907, dank zij P. Kloosterman's studie over ‘Het vocalisme der beklemtoonde lettergrepen van den Metslawierschen tongval’ (Groningen, 1907), meer gegevens voor deze taal bezitten dan vroeger. Het Fries wijkt echter belangrijk af van de andere Nederlandse tongvallen, zowel van de zgn. Frankiese en Frankies-Friese als van de Saksiese, en de klank-kategorieën zijn er vaak heel anders, de groepering van de klanken berust op andere klankwetten. Daarom liet ik het buiten beschouwing.
Slechts in een klein deel van het onderzochte taalgebied is de oorspronkelike scheiding tussen a- en e-vokalisme bewaard gebleven, namelik alleen in Twente. Ieder kan gemakkelik uit de lijst van ‘afwijkingen in het dialect van Twenthe’, die Gallée aan zijn ‘Woordenboek’ heeft toegevoegd, een groot aantal voorbeelden verzamelen. Ik citeer er slechts enige. Ik onderscheid hierbij 3 klassen: 1. oude a, 2. oude a met volgende umlautsfaktor, 3. oude e. In elke klasse geef ik onder a. voorbeelden met volgende dentaal, onder b. met labiaal en gutturaal. Ik doe dit om de vergelijking met andere dialekten gemakkelik te maken: in het Twents echter wijken a. en b. niet van elkander af.
| 1a. | hart ‘hard’, zwart (niet vermeld, m.a.w. niet afwijkend van de gelderse vorm). |
| | | |
| 1b. | ârm znw. bnw., schaarp, staark1). |
| 2a. | Geen voorbeelden. [Van de Tijdschr. 26,55 vermelde drie woorden komt alleen 't laatste als mörsch in Gallée's lijst voor; het vertoont umlaut en labialisering, vgl. blz. 113 v.; trouwens 't hele woord mörsch hoort niet ten volle hierbij, de grondvorm was *mariska-z en vertoonde dus niet de klankgroep r + kons.] Of 't ww. harden in 't Twents bestaat en hoe het er dan luidt, weet ik niet. We kunnen zowel *herden, de klankwettige vorm2), als *harden, met a naar hart, verwachten. Ook elders zijn voorbeelden van 2a schaars of niet aanwezig. |
| 2b. | èrve3) ‘erf’ en ‘erfgenaam’, merken. |
| 3a. | herte ‘hart’, smerte ‘smart’. |
| 3b. | stèrven, werk. |
Enige opvallende Twentse vormen zijn: èrge bijw. znw. o. ‘erg’; of we aan ontlening uit naburige dialekten dan wel aan invloed van afleidingen met umlaut (zoals èrgernisse) moeten denken, laat ik in het midden; in geen geval zullen we naast *arga- een stam *argia- moeten aannemen: immers deze komt elders niet voor en het bnw. luidt ook in het Twents arg, aarg: Gallée vermeldt het niet in zijn Twents vokabulaar, ergo stemt het met de Gelderse vorm overeen. - markte. Gaat wel is waar op lat. mercātus terug; maar zowel 't Ohd. als 't Os. hebben een vorm met a. Die ligt ook aan de Twentse vorm ten grondslag, en evenzo aan alle ndl. dialektvormen van het woord. - merg. Als we hierin een i-stam = on. mergr willen zien, zou de e in het mv. en enige kasus van 't enkelvoud klankwettig zijn; de nomin. enk. zou dan analogiese e hebben: vgl. Gallée XXII over würm naast worm. Met 't oog op 't neutrale geslacht is dit echter minder aannemelik. Ook komt
| | | | een grondvorm *mezga- > *merga- voor dit Twentse woord mij niet waarschijnlik voor, niettegenstaande ozw. mioergher (Falk-Torp Etymol. Ordb. over det norske og det danske sprog, s.v. marv). Eer is tw. merg een ontlening uit het beschaafde Nederlands1). - hest = geld. harst ‘ribbe, harst’. Een vorm herst kent ook het door A.M. Mertens, Onze Volkstaal 2, 201 vv. beschreven Limburgse dial.: zie aldaar blz. 219. Over dit dialekt zullen we blz. 103 v. nog spreken. Wat harst, herst betreft, 't is een lastig woord, ook om zijn betekenis; vgl. het Woordenboek der Nederlandsche taal s.v.. M.i. is het 't best te verklaren als een deverbativum van wgerm. *harstian ‘roosteren, braden’, mnl. hersten, ohd. harsten hersten, ags. hierstan; de letterlike betekenis is dan ‘gebraad’. In dit geval is e de van hersten overgenomen umlantsvokaal van a. Helaas kloppen de westfaalse vormen hiermee niet: Woeste, Wtb. der westfäl. Mundart vermeldt hast > harst, Holthausen, Die Soester Mundart blz. 23 pòthast. We kunnen nu wel onze toevlucht nemen tot een wgerm. ww. *harstôn (mnd. harsten) naast *harstian en daarvan het westf. zuw. afleiden; maar zodoende komen we steeds op onzekerder terrein. Ook zouden we van een stam *harsti- kunnen uitgaan, in welks paradigma
a- en e-vormen wisselden; maar we doen het beste met eenvoudig te konstateren, dat het woord harst, herst moeilikheden oplevert. Tijdschr. 26, 54 bracht ik het zonder voldoende grond bij de woorden met a zonder volgende umlautsfaktor. - Over bèrm zie blz. 88.
Verder dan vermoedens kwamen wij bij deze ‘opvallende’ vormen niet. Trouwens, zo gaat het bijna altijd: welk dialekt of welke taal we ook bestuderen, we stuiten altijd op vormen, die zich niet onder de klankwetten voegen: zij moeten toch op een of andere wijze te verklaren zijn, maar hoe: daarnaar kunnen we dikwels slechts raden. Dit feit doet echter aan de juistheid der opgestelde klankwetten niets af, mits deze slechts
| | | | op een voldoend aantal ondubbelzinnige voorbeelden zijn gebaseerd, - en dat is in het speciale geval, waarmee we ons bezig hielden, zonder twijfel het geval. En het Twentse dialekt staat onder de naburige dialekten niet alleen: in het door Holthausen beschreven Soester dialekt bewaren eveneens a en e zowel vóór dentaal als voor labiaal en gutturaal hun timbre. Ik verwijs naar Holthausen § 85 vv. en citeer hier de woorden, die ik hierboven uit Gallée's woordelijst aanhaalde, in de westfaalse vorm, zoals Woeste1) die opgeeft:
| 1a. | hard, swart, swatt. |
| 1b. | ârm, scharp (kompar. rmer, sch rper), stark. |
| 2a. | h rden, [märsch]. |
| 2b. | rwe, m rken. |
| 3a. | h rte, sm rte (v., en sm rt m.). |
| 3b. | st rwen, werk. |
Wanneer we echter het Twents vergelijken met de aangrenzende Saksiese dialekten op Nederlands gebied, dan vinden wij belangrijke afwijkingen. Zowel in het Gelders-Sallands als ook in het Drents en Gronings treden oude a en e regelmatig als a op, evenzo in het Kampens en het Saksies-Frankiese dialekt van Elten-Bergh. Ook a vòòr volgende umlautfaktor treedt in dit gebied als a op.
Uit Gallée's Gelders-Sallandse woordelijst citeer ik de onder deze regel vallende woorden, die met a en b beginnen; dit lijstje is overtuigend genoeg en ik vind het niet nodig het afschrijven verder voort te zetten; achter deze vormen plaats ik de Drentse, ik citeer ze naar J. Bergsma's bovenvermeld ‘woordenboek’:
arbeid, dr. arbeidersmens(k)en (1 b).
arf, arve [mv. erve naar andere woorden met umlaut als meervoudsteken; klankwettig zijn de umlautskondities in enkelv. en mv. gelijkelik aanwezig] ‘erf’, arve ‘erfgenaam’, arven ‘erven’, dr. arf, a(a)rfenisse, a(a)rfoompien (2 b). Erfekse naast arfekse
| | | | bij Gallée zal wel de oorspronkelik in Twente en aangrenzende Duitse dialekten inheemse vorm zijn1).
arfte ‘erwt’, dr. arft, aarft, arfte, erft, aarf, arf, arwten, doperfen, aart, art, ât (2 b). [De vorm doperfen wordt voor Koekange opgegeven; s.v. erf vinden we deze vorm voor hetzelfde dorp en ert voor Hoogeveen en Zweeloo vermeld. Ook erfgrond ‘zwarte plekken onder de knieën’, erg bnw. bijw., erge znw. komen blijkens blz. 110 in Koekange voor; wij hebben hier blijkbaar met een lokale eigenaardigheid, misschien een ‘Tubantisme’ van een klein dialektje te doen. Afgezien hiervan schijnt het Drents regelmatig a-vokalisme te hebben.]
arg, aarg, argernisse, dr. ārg, argdadig (1 b).
arke (1 b).
arksel, harksel ‘vel papier’, dr. ārksel (1 b).
arm znw. bnw., dr. arm, aarm, 't znw. ook narm, naarm (1 b).
armôd, armô, dr. ārmoede, armoed, armōde, armōd (1 b).
barg ‘gesneden varken’ (ook borg), dr. barg, bārg (börg) (1 b).
barg ‘berg, bergplaats’, dr. barg, bārg (= ‘mons’ 3 b, = ‘bergplaats’ 1 b; zie blz. 92).
bargen ‘bergen’, dr. bārgen (3 b).
dr. bark ‘eikenschors’ (1 b), ook börk.
barm ‘berm van de weg’, dr. barm (1 b). Het Twents heeft bèrm, het Westfaals barme ‘diemen, garbenhaufen’, het Mnd. barm m., berme v. ‘Fuss (Sohle) des Deiches, (aufgehäufte Erde)’. Ongetwijfeld moeten wij een grondvorm *barma-z aannemen (1 b); hierop gaan ook mnl. barm, baerm, bārem m. ‘berm’ en on. barmr m. ‘rand’ terug; mnd. berme veronderstelt een grondvorm *barmiō(n)-. Deze zal wel niet aan twents bèrm, dat mannelik is, ten grondslag liggen, veeleer is dit een ontlening uit het Nederlands; het ndl. berm zelf stamt weer uit een dialekt waar a vóór rm gepalataliseerd werd. Dat tw. bèrm en het barm der aangrenzende dialekten op *barmi- zouden teruggaan (vgl. blz. 86 over harst) komt me niet waarschijnlik voor.
| | | |
bemarkung znw., dr. bemarken ww. (2 b).
[berke, barke ‘berk’ heeft e, a uit i en hoort niet hierbij].
Aangezien we bij de a en b nog geen woorden van groep 3 a zijn tegengekomen, citeer ik nog dwars ‘dwars, onvriendelik’, dr. dwarsbongeln ‘tegenspreken, niet willen begrijpen’ en harte, welk woord nog niet voorkomt in 't tot nu toe verschenen eerste deel van 't Drentse woordeboekje.
Het materiaal, dat de drie nog resterende a-dialekten, het Gronings, het Kampens en het Elten-Berghs opleveren, is gemakkelik te overzien, aangezien het in grammatika's is geordend en besproken. Voor 't Gronings verwijs ik naar De Vries' ‘Vocalisme van den tongval van Noordhorn’, § 79 (arm ‘brachium, pauper’ 1 b), 80 (swart, hart bnw. 1 a), 143 (harst ‘herfst’ arf ‘erfenis’ 2 b, wark ‘werk’ 3 b, hart znw. 3 a). Of het a-vokalisme in alle gevallen over de hele provinsie Groningen voorkomt, waag ik niet uit te maken; ik meen echter aan te mogen nemen, dat het ook buiten Noordhorn voldoende voorkomt, om het algemeen ‘Gronings’ te noemen; altans in alle hier besproken gevallen is in Molema's ‘Woordenboek der Groningsche volkstaal’ a-vokalisme regel; vgl. ook A.A. Ganderheyden, Groningana (Supplement op Molema), blz. 1, J. Onnekes, Onze Volkstaal 2, 54.
Voor het Kampens verwijs ik naar Gunnink's spraakkunst § 36a (na˙rm ‘arm’ znw., a˙rm bnw. 1 b, pa˙t ‘part’ 1 a; een oorspr. ndl. woord van klasse 1 a is swa˙t ‘zwart’, dat de woordelijst vermeldt), 44 (2 a en b: ‘Voor r is de umlauts-e niet te herkennen, daar zoowel e als a voor r a˙ wordt’), 56 (sta˙rvṇ ‘sterven’ 3 b, a˙tə ‘hart’, alleen in 't vokabulaar, 3 a).
Het Elten-Berghse materiaal vindt men bij Bruyel § 60 (arə̯bejt 1 b, hat ‘hard’ 1 a, varkə 2 b), 74 aanm. 2 (hat ‘hart’ 3 a), 75 (bargə ‘bergen’ 3 b). De redaktie der laatstgenoemde §, ‘ë voor r + konsonant behalve dentaal wordt a’ is onjuist; het zelfde geldt voor de niet-verlengde ë voor r + dentaal, getuige hat ‘hart’; in § 74 aanm. 1 wordt beweerd, dat ë voor r + dentaal e blijft in het ‘hert’ - hier hebben we echter e uit i -,
| | | | en in ves ‘vers’ - hier hebben we echter met een ‘Fremdwort’ te doen, dat uit het beschaafde Nederlands is ingedrongen, - en van een Elten-Berghse klankwet ‘ë blijft e’ is geen sprake.
In de aangehaalde §§ van De Vries, Gunnink en Bruyel komen heel wat meer voorbeelden voor dan hier werden opgenoemd; het kwam mij niet nodig voor ze alle af te schrijven. Dat inderdaad in de door hen beschreven dialekten a, e vòòr r + labiaal en gutturaal en, voorzover ze niet de Tijdschr. 26, 33 vv. besproken rekking hebben ondergaan, ook voor dentaal in a zijn samengevallen, lijdt geen twijfel. De grenzen van dit a-gebied kan ik niet aangeven, ook weet ik niet, in hoeverre er enclaves in voorkomen met afwijkend vokalisme (het Koekangens? zie blz. 88), maar in 't algemeen mogen wij zeggen, dat het samenvalt met het zgn. ‘Saksiese’ dialektgebied, Twente uitgezonderd en dat ook een deel der hieraan grenzende streken er zich bij aansluit.
Wij gaan nu over tot de dialektgroep, waarin niet-gerekte ar, er vòòr dentalen in één vokaal zijn samengevallen, en vòòr labialen en gutturalen in een andere; in de meeste dialekten vinden we in het laatste geval een meer palatale klinker en ook waar dat niet het geval is, is toch een dgl. toestand aan de tegenwoordige voorafgegaan. Tot deze groep behoren het NW.-Veluws, het Bommelerwaards, het Noord-Brabants, het Maastrichts, het Tongerens, het Leuvens, het Aalsts, het Antwerps, het Noord-Bevelands, het West-Voorns, het Beierlands. Ik bespreek deze dialekten achtereenvolgens, daarbij kies ik echter een andere volgorde; in plaats van met NW.-Veluws te beginnen (hetgeen voor de hand zou liggen, aangezien het grenst aan de Saks. dialekten en het Kampens, die reeds besproken zijn), beschouwen wij eerst die dialekten, waarin de oude toestand het getrouwst bewaard is: a, e vòòr r + dentaal vallen in een a-klank, a, e vòòr r + labiaal en gutturaal in een e-klank samen.
Eén groep vormen het Noord-Bevelands en het West-Voorns; in het algemeen trouwens behoort Goeree en Overflakkee wat de taal aangaat bij Zeeland en niet bij Zuid-Holland. Het
| | | | Beierlands verschilt in veel opzichten van 't West-Voorns, maar wat de ar-, er-groepen aangaat stemt het er mee overeen. Vgl. Verschuur § 85, § 88, 1 b en 2 a, § 91, § 92, Van Weel § 30, § 31, § 32, § 391), § 50, § 52 Opm. II (dwòars met o onder labiale invloed uit *dwaərs) en Opm. III2), Opprel § 2c met de Opm., § 8 a en c. Aan deze § § ontleen ik de volgende voorbeelden:
| 1a. | Verschuur: ăort ‘hard’, zwăort ‘zwart’.
Van Weel: haərdə, zwaərtə.
[Opprel: hard, zwart; worden niet opgegeven, maar bestaan ongetwijfeld]. |
| 1b. | Verschuur: ēarəm, sχēarəp3).
Van Weel: erəm, scherəp.
Opprel: errəm, scherrəp. |
| 2a. | [Van Weel: haərdə ‘harden’4) zou, ook als voor rd umlaut mogelijk was, deze zelfde vorm kunnen vertonen, naar analogie van haərdə bnw. Ongetwijfeld echter zou een ‘geïsoleerd’ woord met ard vóór een umlautsfactor eveneens aərd hebben. N.B. 't Bnw. haərdə zou zelf eventueel zo'n geïsoleerd woord kunnen zijn: als 't op *hardia-teruggaat; niet wsch.]. |
| 2b. | Verschuur: vēarəkə, Van Weel: verəkə4), Opprel: verrəkə. |
| 3a. | Verschuur: ăortə ‘hart’, hăostə ‘gerst’, smăorte ‘pijn’5).
Van Weel: haərtə4), gaərstə.
Opprel: hart, garst, smart. |
| | | |
| 3b. | Verschuur: bēarəχ, stēarəvə.
Van Weel: berəg, sterəvə1).
Opprel: berrəg, sterrəvə2). |
De Bommelerwaardse ar-, er-groepen vereisen evenmin een kommentaar als de Zeeuwse, Westvoornse en Beierlandse. Uit Van de Water's grammatika en woordelijst citeer ik:
| 1a. | hard, zwartsəg, 1b. errəm, terrəf (‘tarwe’). |
| 2b. | verrəkə. |
| 3a. | hart, start ‘staart’ (zie Tijdschr. 26, 52), 3b. berrəgə, sterrəvə. |
Zie t.a.p. § 5,5 a, § 8, § 9,3 a. In § 9,4 wordt een geval van a ‘vòòr r + heterorgane consonant’ vermeld, nml. barrəg. Ik beken eerlik de toevoeging ‘vgl. bergan’ niet te begrijpen. Is dit bergan de wgerm. resp. oerndl. grondvorm van ons ww. bergen, Bommelerw. berrəgə en is barrəg dan = ‘hooiberg’? Dan zou 't = mnl. mnd. barch ‘id.’, een met bergen ablautend nomen zijn. De grondvorm is dan *barga-z; op die grondvorm wijst ook Zaansch barg ‘hooiberg’ (zie blz. 103). Maar de klankwettige vorm van *barga-z zou Bomm. *berrəg zijn; immers de klankwet ‘a voor r + lab. en gutt. wordt e’ wordt voor dit en naburige dialekten door te veel voorbeelden gestaafd, dan dat dit ene woord haar zou kunnen omverwerpen, en ook kunnen we ons niet denken, dat hier speciale klank- of aksentkondities de overgang van a in e zouden hebben tegengehouden; ergo: als Bomm. barrəg het oude *barga-z is, is 't ontleend van elders, bijv. uit het Elten-Berghs of een aangrenzend dialekt. Wanneer barrəg ons berg ‘mons’ is - waarop de vertaling ‘berg’ in het glossarium kan wijzen - is 't niet minder een leenwoord. Dat in een vlakke streek als de Bommelerwaard een woord voor ‘berg’ niet onafgebroken heeft voortbestaan, is wel begrijpelik, - maar toch, o.a. met 't oog op bijbelteksten met dit woord, opvallend.
Van de Bommelerwaard naar Maastricht en Tongeren verhuizende, passeren we het Oosten van Noord-Brabant. De ‘Proeve eener Grammatica’ en de ‘Woordenlijst’ van H. van der Brand
| | | | tonen ons, dat hier een dergelijke onderscheiding tusschen a- en e-vokalen bestaat als in het Bommelerwaards. Ik maak dat door enige voorbeelden duidelik; daarbij duid ik de e-klanken met V.d.B. door e, bij verlenging ē aan; het teken ae (ăe, āe), dat V.d.B. gebruikt, waar hij het nodig acht om het onderscheid met andere e-klanken te doen uitkomen, is voor ons overbodig1):
| 1a. | hart ‘hard’, zwart. Zonder twijfel bestaan deze vormen. Dat V.d.B. ze niet opgeeft, komt waarschijnlik, doordat hij hun existentie en hun vorm als van-zelf-sprekend beschouwde. |
| 1b. | ērm ‘arm’, gērf ‘garf, schoof’. |
| 2b. | ērf ‘erf’, vērken ‘varken’. |
| 3a. | hart ‘hart’, garst ‘gerst’, start ‘staart’ (zie blz. 92). [NB. dwèrs ‘dwars’ heeft dezelfde vokaal als hèrt ‘haard’, wèrt ‘waard’, pèrt ‘paard’, m.a.w. dit dialekt kent een vorm met gerekte klinker; evenzo Maastr. dwē˙rs, Hass. dwiaors, Leuv. dwḕs, Aalsts dweıs, Gents dwis. Het woord dwars staat dus met zijn dubbele behandeling van er vòòr dentaal op één lijn met staart, zie t.a.p. NB. We moeten voor al deze vormen van een grondvorm dwers uitgaan; dat deze op *pwerhes teruggaat, doet voor hun verklaring niets ter zake.] |
| 3b. | berg, bērgen. |
Aan Houben's Maastrichtse spraakkunst ontleen ik de volgende voorbeelden:
| 1a. | zwart (§ 41; de leenwoorden kwārt ‘kwart’, pārt ‘part’, die in andere dialekten zich bij de klasse van zwart aansluiten, hebben zich in 't Maastrichts bij die van baard, Maastr. bārd aangesloten. Zie § 44). |
| 1b. | e˙rəm, ge˙rəf (§ 45). |
| 2b. | errəvə ww., ve˙rəkə (§ 52). |
| 3a. | hart ‘hart’, start ‘staart’ (§ 67 Opm. 3; gē˙rs ‘gerst’,
|
| | | |
| § 67, kan evenals kē˙rs ‘kers’ idg. i hebben; vgl. blz. 91 noot 2, naar aanleiding van Westvoorns gērstə; maar zie ook blz. 99 noot 1. |
| 3b. | be˙rəg, ste˙rəvə (§ 65; pa˙rək, ma˙rək § 42c zijn vrij jonge leenwoorden uit het beschaafde Ndl. resp. uit het Duits). |
Voor meer voorbeelden zie de aaugehaalde §§ uit Houben's grammatika. Blijkbaar is H. de klankwettige verdeling der e-en a-klanken ontgaan; anders zou hij niet in § 45 van ‘r + consonant’ spreken in plaats van ‘r + gutturaal en labiaal’1) en het geval 3a slechts een ‘opmerking’ in plaats van een hele § waardig keuren: maar dat neemt niet weg, dat de klankwet ‘a, e > a voor r + dentaal, a, e > e voor r + lab. en gutt.’ wel degelik in dit dialekt bestaat.
Het naburige Tongerens gaat in dezen met het Maastrichts samen. Vgl. de volgende aan Grootaers' studie over dit dialekt ontleende voorbeelden. Voor meer materiaal zie de §§, waarnaar verwezen wordt.
| 1a. | zwá.t ‘zwart’ (§ 4, 2). |
| 1b. | è.rem ‘arm’, tèref ‘tarwe’, stè.rek ‘sterk’ (§ 8, 3). |
| 2b. | è.ref, vè.reke (§ 8, 3). |
| 3a. | há.t ‘hart’, stá.t ‘staart’ (§ 4, 2). |
| 3b. | (ver)bèrge, (be)dèrve (§ 8, 1). |
We hebben nu van de blz. 90 opgesomde dialekten, waar a, e vòòr r + dentaal in a, vòòr r + labiaal en gutturaal in e zijn samengevallen, diegene besproken, waar deze toestand tot de huidige dag toe is blijven voortbestaan. We komen nu tot de dialekten, waarvoor dezelfde klankwet is aan te nemen, maar waar de oorspronkelike toestand tengevolge van jongere klankveranderingen niet meer zo duidelik uitkomt. In de eerste plaats beschouwen wij het N.-W.-Veluws. Ik publiceerde over dit dialekt en speciaal over zijn palataliserings- resp. depala- | | | | taliseringsverschijnselen al vroeger een artikel, in de Indogermanische Forschungen, 26, blz. 275-282. In enigszins andere vorm en volgorde en veel korter zal ik er in dit verband over spreken.
Dat in het Noord-West-Veluws a en e vòòr r + dentaal in a zijn samengevallen (natuurlik de vormen met klinkerrekking, m.a.w. de kategorie van baard, paard, aarde buitengesloten), behoeft geen nader betoog; vgl. hart ‘hard’ (Van Schothorst, § 53 Opm.), zwart met oorspronkelike a, hart ‘hart’, start met oorspronkelike e (§ 71 Opm.). Voor meer voorbeelden vgl. de aangehaalde plaatsen bij Van Schothorst1). Ook vòòr r + labiaal en gutturaal zijn a en e samengevallen, ze treden echter niet als e op maar als ā: in de §§ 54, 62, 72 van Van Schothorst vindt men onder meer de volgende voorbeelden: ārə̯m ‘arm’, stārə̯k ‘sterk’ (1 b), ārə̯f ‘erf’, vārə̯kən ‘varken’ (2b), bārə̯χ ‘berg’, stārə̯vən ‘sterven’ (3b). Eén ding staat dus vast: evengoed als vòòr r + dentaal zijn ook vòòr
r + labiaal en gutturaal a en e samengevallen, maar in een andere klinker dan vòòr r + dentaal. Gerust mogen wij nu aannemen, dat in de periode, waarin deze klankprocessen plaats grepen, de vokaal vòòr r + labiaal en gutturaal een palatalere klank had dan vòòr r + dentaal, m.a.w. dat hij in 't eerste geval meer een e-klank, in 't tweede meer een a-klank was. Immers:
1. Deze verdeling van a- en e-klanken is èn op Nederlands gebied èn elders een bekend verschijnsel.
2. Deze verdeling komt in zeer nabijgelegen dialekten, waarschijnlik in onmiddellik aangrenzende dialekten voor; zonneklaar vertoont ze zich in het Bommelerwaards; in het westen van dit dialekt is de gepalataliseerde klinker vòòr r + lab. en gutt. bovendien gerekt, hetgeen herinnert aan de gerekte ā in het N.-W.-Veluws.
| | | |
3. Ook in een ander geval, waarin de meeste ndl. dialekten geen dergelijke onderscheiding kennen, heeft in het Noord-West-Veluws een volgende labiaal en gutturaal palataal vokaaltimbre veroorzaakt in tegenstelling tot een volgende dentaal: de zgu. wgerm. ā of - juister - en de uit ă gerekte ā splitsten zich in een meer ē-achtige en een meer ā-achtige klank, de eerste vóór lab. en gutt., de tweede vóór dent. Vgl. Indogerm. Forsch. 26, 275 vlgg., waar dit is aangetoond, onder vergelijking van dgl. klankontwikkelingen in het Pools. Later hebben verschuivingen plaats gehad: de ā werd , ō, zoals dat ook in aangrenzende dialekten gebeurde, en de ē, nam ā-timbre aan. Welnu, hier hebben we een frappante parallel voor de overgang van er of liever ēr in ār. Misschien mogen we wel aannemen, dat de ē van ēr (*bērg en dgl.) was samengevallen met de ē uit wgerm. ā ( ) en gerekte ӑ: dan zou de overgang van ēr in ār slechts een speciaal geval zijn van die van ē in ā.
4. Ten overvloede wijst het frappante parallelisme met het Pools op een dergelijke oorspronkelike klank-verdeling. Vgl. Indogerm. Forsch. t.a.p.
Aan het N.-W.-Veluws herinnert het Antwerps. Hier vinden we enerzijds zwart, art (‘hart’), smart, garst (la, 3a; Smout § 32, 2 en 6)1), anderzijds ârəm, ârəvə, stârəvə enz. (1 b, 2b, 3b; § 33, 1, 2); we mogen niet anders dan een dergelijke ontwikkelingsgeschiedenis voor deze ā als voor de Veluwse aannemen. De beide dialekten liggen vrij ver van elkaar af. Of er niettegenstaande dat kontinuïteit tussen beide bestaan heeft, kan ik bij gebrek aan gegevens niet uitmaken. Ik wijs op het blz. 93 noot naar V.d. Brand geciteerde westnbrab. aarm; dit geeft aan het vermoeden van kontinuïteit enige grond, - als deze vorm altans bestaat! V.d. Br. meent slechts dat hij ‘aan
| | | | de Zeeuwsche grens’ voorkomt, overigens heeft het Westnbrabants evenals het Oostnbrabants ērm. Trouwens ook ten Oosten van Antwerpen maakt de â al spoedig plaats voor een e-klank. Vgl. Cornelissen en Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, blz. 19: ‘Korte a vóór r verandert in e. Errəm, derrəm, hert, mer(k)t, smert, verrəken, zwert, enz.... In 't Antwerpsch hoort men bārrəg, kārrək, stārrək, enz. voor berg, kerk, sterk.’ Bedenken we, dat Cornelissen en Vervliet hun stof niet alleen uit de taal van de stad Antwerpen putten, en letten we op artikels uit hun woordeboek als arm en hart, hert ‘hart’, waarvoor als Kempense uitspraak ärrəm, eirrəm aerrəm resp. hät wordt opgegeven, dan krijgen we de indruk, dat 1. de uitspraak ârəm enz. dialekties zeer beperkt is, en 2. wat de ä, e vòòr r + dentaal aangaat, dat deze uitspraak niet zozeer in de stad Antwerpen als wel in de Kempen gebruikelik is: het Kempens sluit zich in dit opzicht aan bij de dialekten van Aalst en Leuven; zie hieronder.
De dialekten van Aalst en Leuven kunnen we samen beschouwen; de klankgroepen, die ons interesseren, zijn er op gelijke wijze gerepresenteerd1). A en e vòòr r + dentaal treden als è op:
| 1a. | hard, zwart luiden Aalsts èrt, zwèrt (Colinet § 6, 3), Leuvens èt, zwèt (Goemans § 7, 3). |
| 3a. | hart: A. èrt (C. § 6, 1), L. èt (G. § 7, 1). |
| 1b. | arm, sterk: A. ḕrm (C. § 7, 5), stḕrk, L. ḕrem, stḕrek (G. § 8, 3). |
| 2b. | erf, erwt: A. ḕrf, ḕrt (C. § 7, 3), L. ḕref(diel), ḕt (G. § 8,2). |
| 3b. | berg, werven: A. bḕrg, wḕrven (C. § 7, 1), L. bḕreh, wḕreven (G. § 8, 1). |
Op 't ogenblik bestaat het verschil tussen è en ḕ slechts in de kwantiteit (vgl. de beschrijving van de klinkers in § 2 der
| | | | beide grammatika's): is dat altijd zo geweest? Als we in aanmerking nemen, dat het verschil tussen oude a en e niet meer bestaat, maar dat het klinkerverschil van nu slechts afhankelik is van de r + dent. resp. r + lab. of gutt., die er op volgen, en verder, dat niet alleen in ver verwijderde talen, maar ook in naburige dialekten de eerste van deze konsonantgroepen een minder, de laatste een meer palatale klinker pleegt vóór zich te hebben, dan is dunkt mij de hypothese niet te vermetel, dat ook in de taal van Aalst en Leuven eenmaal een dergelijke toestand bestaan heeft en dat de tegenwoordige toestand zich daaruit door jongere verschuivingen ontwikkeld heeft. Hoe die meer en minder palatale vokaal, die wij voor 't oud-Aalsts en 't oud-Leuvens aannemen, in deze dialekten precies geklonken hebben, dat is niet meer na te gaan; de laatste behoeft geen zuivere a-klank, 't kan een zeer open e-klank geweest zijn (zie blz. 109). Trouwens, wanneer wij, van een vervlogen tijdperk sprekende, zeggen, dat een vokaal zich gesplitst heeft in a vòòr r + dentaal, e vòòr r + labiaal en gutturaal, dan kunnen we uit de aard der zaak aan deze a en e slechts een relatieve betekenis toekennen.
Aan het uitgestrekte dialektgebied, waarover we in de laatste bladzijden (blz. 90-98) handelden, grenst in het Zuidwesten, in Vlaanderen een streek met geheel andere verdeling der a- en e-klanken vòòr r + konsonant. Ik beschik over te weinig gegevens, om over het vokalisme van deze dialekten voldoende te kunnen oordelen en om ze in groepen in te delen. Hoezeer ze afwijken van de tot nog toe besproken dialekten, blijke uit hetgeen ik over het Gents en het Westvlaams aan de hand van Boucherij's en Vercoullie's onderzoekingen meedeel.
Het dialekt van Gent onderscheidt nog de niet-gerekte a en e vòòr r + dentaal: Boucherij zegt blz. 619: ‘Overal waar de Hollanders de a vóor eene r gebruiken, bezigt men te Gent altijd eene è’ en onder de voorbeelden noemt hij hèrte ‘hart’. Maar: ‘Hard, zwart en harpe behouden de a.’ In een historiese grammatika van de Genter tongval zouden we deze regel aldus
| | | | formuleren: ‘Oorspronkelike a blijft a, oorspr. e blijft e vòòr r + dentaal’1)2).
De behandeling van a, e vòòr r + labiaal en gutturaal is niet heel duidelik. Naast oarm, oarem ‘arm’, doarm, doarem ‘darm’, woarm, woareme ‘warm’, koarpel ‘karpel’ (= ‘karper’), moarbel ‘marmer’, moarbol ‘marbel’ (oorspr. = marmer) (blz. 618), alle met oorspronkelike a, vinden we met Gents ir niet alleen birg ‘berg’, wirk, hirbirge ‘herberg’, die oorspronkelike ë en hirfst herfst', kirmen ‘kermen’, irreweet ‘erwt’ (blz. 621, de overige woorden 620), die oorspr. a met volgende umlautsfaktor hebben, maar ook irg ‘erg’, stirk ‘sterk’, zirp ‘zerp’, zirk ‘zerk’, virve ‘verf’, schirp ‘scherp’, met oorspronkelike a zonder umlautsfaktor. Nu zouden we wel kunnen aannemen, dat virve naar analogie van het werkwoord virven zijn vokalisme gewijzigd heeft en dat de bijvoeglike naamwoorden irg, stirk, zirp, schirp naar analogie van de komparatief en van denominatieve verba e > i hebben (zoals Te Winkel dat voor de algemeen-Nederlandse adjektieven erg, scherp, sterk aanneemt, Pauls Grundriss
I2 818), desnoods zouden we de vokaal van zirk uit de casus obliqui en de pluralis kunnen verklaren (de stam is *sarki-) en dan zouden we, na aldus met mannemoed de moeilikheden te hebben overwonnen, de regel kunnen opstellen: ‘Ook vòòr r + labiaal en gutturaal bleef het onderscheid tusschen oude a enerzijds en e resp. a met volgende umlautsfaktor anderzijds bewaard’, - maar die verklaring is heel gewrongen. Immers is 't a priori verre van waarschijnlik, dat denominatieve werkwoorden en kompa- | | | | ratieven zo'n invloed hebben op de positief1), - maar zo'n invloed is altans mogelik: hoe komt het dan echter, dat het woord arm er aan ontkomen is, en ook warm? En terwijl de meeste woorden van de i-klasse, zoals gast, hun niet-umgelautete vokaal bewaard hebben2), zou juist bij *sarki- de invloed der oblique kasus en van de pluralis zo groot geweest zijn? Zo'n veronderstelling is niet onmogelik, maar toch heel onwaarschijnlik.
Met evenveel recht kunnen we, voorzover we altans uit het niet volledige materiaal van Boucherij konklusies mogen trekken, de these verdedigen, dat in het Gents evenals in oosteliker dialekten, a en e vòòr r + labiaal en gutturaal in e zijn samengevallen3), als wij dan maar de positie vòòr rm uitzonderen en in koarpel een leenwoord zien. Wat de groep arm betreft, zouden we aan kunnen nemen, dat zich hier al vroeg een svarabhakti-vokaal ontwikkelde, die verlenging van de a veroorzaakte, m.a.w. dat wij al vroeg een vorm *ārəm hadden, in dezelfde tijd, waarin men nog scharp, stark sprak met korte vokaal. Natuurlik kunnen we dan ook voor kirmen een ouder *k rəmən of *kērəmən veronderstellen, - 't zou echter mogelik zijn, dat die svarabhakti-vokaal alleen optrad bij tautosyllabiese rm: dus arm > *ārəm, maar
*ăr-mə, *k r-mən, *kĕr-mən. Het
| | | | nieuw-Gentse kirmen laat zich trouwens ook best uit een vorm met gerekte klinker verklaren1).
Maar ik zal over dit onderwerp niet verder doorgaan; bij het Westvlaams komen we er op terug. Ter loops merk ik op, dat een goed middel, om hier tot klaarheid te komen, zou zijn: een statisties onderzoek naar het gebruik van de spellingen aerm, arm, erm, staerc, starc, sterc enz. in Middelnederlandse Vlaamse handschriften, misschien zou zo'n onderzoek voor sommige lokale dialekten iets aangaande de uitspraak leren. Ik stel me hier tevreden met te konstateren, dat het Gentse dialekt in tegenstelling tot het Antwerps, Aalsts e.a. oostelike dialekten de niet-gerekte a en e vòòr r + dentaal van elkaar onderscheidt en dat ook vòòr r + labiaal en gutturaal dit dialekt niet geheel gelijke ontwikkeling van a en e vertoont als de genoemde naburige dialekten. Ter loops wijs ik nog op de overeenstemming tussen de nieuw-Nederlandse schrijfwijze en het vokalisme van Gent: de boven naar Boucherij opgenoemde woorden met ao schrijven wij met a, die met i echter met e2). Het is een bekend feit, dat onze schrijftaal veel Vlaamse elementen bevat; in dit geval heeft blijkbaar de orthografie zich geregeld naar de uitspraak van beschaafde Vlamingen, en die uitspraak samen met de hiernaar aangenomen schrijfwijze heeft verder invloed gehad op de uitspraak van Noord-Nederlanders, die beschaafd Nederlands spraken. Trouwens, bij de klankgroepen ar, er vinden we nog steeds belangrijke uitspraakverschillen ook bij beschaafden, en in de 17e eeuw, toen een beschaafde Hollandse spreektaal zich begon te vormen, zullen die verschillen nog
wel groter geweest zijn.
Het Westvlaams onderscheidt ook de oude a en e vòòr r + dentaal: hard, zwart worden door Vercoullie niet vermeld en
| | | | hebben dus blijkbaar a als in 't geschreven Nederlands; anderzijds: hert, smert (§ 1, II, 5 b)1). Vòòr r + lab. en gutt.: aorm (met lange ao; 4 b), maar: erg, perk, zerk, derm, zwerm, erbermen [leenwoord], scherp, terwe (a zonder umlautsfaktor); verken (a met umlautsfaktor) (5 b). Voor dit dialekt is de verklaring van erg enz. naar analogie van komparatieven enz. met umlaut nog minder aannemelik dan voor het Gents: we houden hier altijd nog de woorden derm, terwe over, het eerste een a-, het tweede een ō-stam, zonder dat er afleidingen met umlaut voorkomen, die een analogiese e hadden kunnen veroorzaken. Daardoor wordt die analogie-hypothese ook voor 't Gents nog onwaarschijnliker. Maar ook vinden we in 't Wvla. niet een dgl. onderscheid tussen vormen met rm en met andere konsonantgroepen als in 't Gents. Het vermoeden ligt voor de hand, dat de oorzaak der schijnbaar grillige verdeling van a en e voor beide dialekten dezelfde is; maar dan is deze niet in de m te zoeken. Wanneer ik een formule wil opstellen voor het Gents en het Westvlaams, moet die aldus luiden: de groepen ar + dentaal en er + dentaal zijn niet samengevallen; vòòr
labialen en gutturalen zijn ar met volgende umlautsfaktor en er in er samengevallen; ook ar vòòr lab. en gutt. zonder volgende umlautsfaktor is onder zekere niet nader bekende kondities er geworden.
Minder moeilikheden levert het Zaans, waartoe wij nu overgaan, op. Aangezien dit dialekt afwijkt van al de tot nu toe besprokene, betreur ik het dubbel, aangaande aangrenzende dialekten geen gegevens te hebben; in de eerste plaats bedoel ik die dialekten, die tussen het Zaans en 't grote blz. 90-98 behandelde taalgebied liggen.
In het Zaans zijn a en e vòòr r + dentaal in a samengevallen: hart ‘cor’, dwars, garst (Boekenoogen § 21) hebben dezelfde vokaal als scharn (= ags. scearn), flard (§ 19) en het
| | | | niet in dit verband door B. genoemde hard. Vòòr r + labiaal en gutturaal is a bewaard gebleven, evenzoo de e, bijv. arrəm (§ 86a), barg ‘hooiberg’ (zie blz. 92), barm, ook barmtə ‘berm’ (zie blz. 88) (§ 21), arg, skarp, stark, zark, zarp, tarf1) ‘tarwe’ (§ 20), maar: sterrəvə, werr,k (§ 86a). Ar vóór umlautsfaktor treedt soms als er op: errəf ‘erf’, errəfənis (§ 86a), ervə (§ 160), soms als a: varkə ('t mv. vettəvarkəs in een dialektiese tekst op blz. LXXXIV), art ‘erwt’. Waarschijnlik moeten we errəf enz. als niet-klankwettige, ontleende vormen beschouwen, te meer aangezien het dialekt hiernaast 't uit *arf door labialisatie ontstane orf kent (§ 56; zie blz. 114). Of moeten we aannemen, dat in sommige vormen van het paradigma (eventueel vóór tautosyllabiese rf,
rv) umlaut werkte, onder andere kondities echter niet?
Toen ik blz. 90 van de a-dialekten was overgegaan naar de a-e-dialekten (gemakshalve gebruik ik deze korte benamingen), heb ik het eerst die grote dialektgroep beschouwd, waar ar en er vòòr alle konsonanten zijn samengevallen, maar vòòr dentalen anders optreden dan vòòr labialen en gutturalen. Daarna werden de dialekten besproken, waar slechts in een deel dezer gevallen a en e samenvielen. Tot deze dialekten behoort er nog een, dat tot nu toe onbesproken bleef; het bevindt zich tussen de a-dialekten en het hierboven besproken Brabants en Zuid-Limburgs. Het bedoelde dialekt is beschreven door A.M. Mertens, Onze Volkstaal 2, 201 vlgg.: het wordt gesproken in de dorpen tussen Roermond en Weert; zie t.a.p. blz. 204 noot. De stad Roermond heeft weer ‘eene geheel eigenaardige taal’, zegt Mertens, maar wat de hier besproken klankgroepen aangaat, stemt het met Mertens' dialekt overeen, zoals uit de opgaven van Simons blijkt. Hoe de a en e vòòr r + konsonant verdeeld zijn, dat tonen de volgende voorbeelden:
| | | |
| 1a. | M. kwartel (blz. 242), S. zwart (blz. 12). |
| 1b. | M. erm, werm (204), S. erm, werm, sterk (12). |
| 2a. | M. st. Merte (223), S. merteleer (12). |
| 2b. | M. verke(n), S. ärf (12). |
| 3a. | M. hert, stert (204), S. hert, schmert, stert (14). |
| 3b. | M. berch (245), sterve(n) (229), S. berge, sterve (13). |
Dus: vóór r + labiaal en gutturaal zijn a en e in één palatale vokaal1) samengevallen, maar vóór r + dentaal is a a en e (e en ë) e gebleven. Het woord marg ‘merg’ bij Simons pag. 12 is ongetwijfeld een leenwoord2).
Helaas bezit ik geen voldoende gegevens, om de geografiese verbreiding van deze Limburgse verdeling van ar en er vast te stellen en om zodoende na te gaan of er nog overgangsdialekten bestaan naar de kant 't zij van het a-gebied enerof het Brab.-Zuidlimb. gebied anderzijds. P. Bellefroid geeft Versl. en Meded. der kon. Vla. akad. v. taal- en letterkunde, 1906, blz. 888-892 een kort overzicht over de Limb. dialektgroepen; over de klankverbindingen ar en er spreekt hij tot mijn spijt niet in 't biezonder. Te oordelen naar Ridder de
| | | | Corswarem t.a.p. 1907, blz. 163 zijn juist de Limburgse dialekten zeer interessant: ‘Nergens, in België, vindt men eene zoo groote verscheidenheid op een zoo weinig uitgestrekt grondgebied’. Wat het Hasselts aangaat, waarvan R.d.C. verder een en ander meedeelt, hier vinden we haard ‘hard’, erm ‘arm’, derm ‘darm’, werm ‘warm’, verken ‘varken’, merkt ‘markt’, (blz. 164), berg ‘berg’ (blz. 165). Mogen we uit het feit, dat de woorden hart e. dgl. niet vermeld worden, afleiden, dat ze e-vokalisme hebben? Immers vooral de afwijkingen van het ‘Vlaamsch’ worden meegedeeld. In dat geval zou het Hasselts met de door Simons en Mertens beschreven dialekten overeenstemmen1).
Het gebied, waarop wij palatalisatie van a resp. depalatalisatie van e vóór r + gutturaal en labiaal resp. r + dentaal hebben gekonstateerd, is heel groot. Beide verschijnselen troffen we aan op 't grote dialektgebied, dat op blz. 90 is aangegeven; alleen depalatalisatie in het Zaans, alleen palatalisatie in de het laatst besproken Limburgse dialekten en in het Vlaams, hier echter met moeilik te verklaren uitzonderingen. Hoe moeten we ons nu de ontwikkelingsgang in die streken voorstellen, die beide verschijnsels kennen? Moeten we aannemen, dat eerst a en e vóór r + welke konsonant ook in één klank zijn samengevallen (afgezien natuurlik van de woorden met rekking, van 't type baard, aarde) en dat daarna door de verschillende werking van dentalen ener- en labialen en gutturalen anderzijds differentiatie is ingetreden? In dit geval zouden bedoelde dialekten in een vroegere periode dgl. toestanden hebben gekend als nu - en wellicht reeds vóór enige eeuwen - de blz. 87-90 besproken a-dialekten. Of moeten we veeleer een oudere toestand veronderstellen, overeenkomend met die 't zij van 't Roermonds 't zij van het Zaans? Of is wellicht in een deel
| | | | van het gebied, dan waarschijnlik het Zuidelike, de palatalisatie ouder, en in het andere deel de depalatalisatie? Desnoods zouden we dan voor een derde deel, in de buurt van de saks. streken, samenval van ar, er voor alle konsonanten kunnen aannemen. Het is voorlopig onmogelik, deze vragen te beantwoorden, immers de Middelnederlandse toestanden zijn nog zo weinig klaar; vgl. Franck, Mittelndl. Gramm.2 § 46 en § 65. Toch houd ik het niet voor onmogelik, dat in de schijnbaar onontwarbare chaos van het mnl. materiaal nog eens licht en orde wordt gebracht. Daarvoor zal het echter in de eerste plaats nodig zijn, dat enerzijds lokaliseerbare handschriften nauwkeurig worden onderzocht, dat anderzijds bij 't onderzoek van andere handschriften met de gegevens wordt rekening gehouden, die de nnl. dialekten ons aan de hand doen. Wanneer het bekend is, uit welke streek de auteur afkomstig is, wiens werken in de door ons bestudeerde handschriften voorkomen, wordt enerzijds de kwestie ingewikkelder, doordat we niet mogen nalaten, ook met zijn dialekt rekening te houden, anderzijds hebben we een houvast meer dan anders het geval is. Natuurlik hebben we ook nog rekening te houden met lokale rekkingen, zoals we die bij ons onderzoek aangaande ar, er in de jongere dialekten telkens aantroffen, en verder met de schrijfgewoonten van de litteraire taal. Omstandigheden te over, die het onderzoek ingewikkeld maken! Toch is er wel iets te bereiken.
Wellicht kom ik op de mnl. representatie van ar, er + konsonant nog eens terug; voor dit artikel heb ik slechts het nnl. materiaal nauwkeurig onderzocht en alleen als een kleine aanvulling geef ik enige biezonderheden aangaande 't Mnl.
Wat het Zuidlimburgs aangaat, hiervoor mogen we een dgl. oudere toestand aannemen als we in 't tegenwoordige Roermonds aantreffen. J.H. Kern geeft in zijn grammatika van de Limburgse Sermoenen blz. 20 enige woorden op met e voor a: erm ‘lacertus’, ermude, ertsetrie, mertelere, scerpe ‘pera’, verwe, erwermen ‘incalescere’, verwermen ‘id.’: al deze vormen kunnen door umlaut (ertsetrie: vgl. onfr. ercetere; mertelere = ohd.
| | | |
martirari, mhd. merterer, merteler) resp. door invloed van de labiale konsonanten worden verklaard. Het is echter al te gewaagd, uit deze enkele vormen, waartegenover een veel groter aantal met bewaard gebleven a staat, verstrekkende konklusies te trekken betreffende de palataliserende werking van labialen en gutturalen. Gelukkig kreeg ik onlangs een Zuidlimburgse tekst onder ogen, die wel degelik aantoont, dat in de 15de eeuw (dus een eeuw later dan de Limb. Serm.) altans in Tongeren de labialen en gutturalen palataliserend werkten. Ik heb hier een getijdeboek op 't oog, dat op de Koninkl. Bibliotheek berust (hs. 75 G 2), geschreven in de 15de eeuw en afkomstig uit Tongeren. Dat blijkt uit het rood geschrevene kerc wijnge tongren in de kalender (9 Mei) en uit de dialektiese eigenaardigheden, die nauwkeurig overeenstemmen met die van het tegenwoordige Tongerens, zoals Grootaers dat heeft beschreven. Ik liep in dit getijdeboek de kalender, de Getijden der H. Maagd, de boetpsalmen en de 100 artikelen door en vond geen spoor van depalatalisatie vóór r + dentaal, daarentegen ondubbelzinnige bewijzen van palatalisatie vóór r + labiaal en gutturaal. Ik had met het doorlezen van veel minder bladen kunnen volstaan, als ik in het begin meer voorbeelden van het type 1a (hard) had aangetroffen. Het resultaat is als volgt:
| 1a. | hardelic (fol. 99r.), haertheit (105v.); naar analogie: verhaert ‘verhardt’ (15r.; de gelijkluidende passus in de Lange Kruisgetijden en de Getijden van de Eeuwige Wijsheid heeft verhardet, fol. 134v., 160v.), verhaerdt (120r.), verhaerden (120v.); maar met e: der swertter morianen (10v): op dit geval komen wij zometeen nog terug. Dat verhaert, verhardet enz. analogiese a voor e hebben, blijkt uit de voorbeelden met umlaut (2a). |
| 2a. | Merten, gen. -ens (3 maal in de kalender), mertelere (herhaaldelik, nooit met a; maar wel: martilie(n) 101r., 102v., 104r. 2 maal, 116v, met ander aksent). |
| 3a. | herte (ettelike keren, nooit met a), smerttelike (109r.). |
| 1b. | erke ‘ark’ (57v, naast arke 41r.; bij een ‘geleerd’ woord begrijpelik), datief herpen ‘harp’ (32v), sterck (101r.), scerpe(n)
|
| | | |
| (37v., 96v., 109v., 119v.) enz., De enige uitzonderingen zijn arbeyt (46v.), ghearbei(d)t (45v., 53r.), arm ‘pauper’, dat herhaaldelik voorkomt, altijd met a, en arm ‘bracchium’, waarvan ik 3 maal een e-vorm (55v., 123r., 127r.: erme resp. -en), 2 maal een a-vorm (121v, 126v.: armen) vond. Arbeyt, ghearbeit zouden we eventueel als een geleerd woord kunnen opvatten, maar bij arm ‘pauper’ is dat niet mogelik. Vgl. blz. 99 v., 102, waar op een dgl. afwijking in het Vlaams werd gewezen. |
| 2b. | erue (54r.). |
| 3b. | berch (passim). |
Mij dunkt het is niet te vermetel, om voor dit dialekt aan te nemen, dat in de 15de eeuw de depalatalisering vóór r + dentaal nog niet had plaats gehad, de palatalisering vóór r + labiaal en gutturaal wel, hoewel misschien zekere omstandigheden die nog konden verhinderen (deze restriktie wegens het woord arm); m.a.w. hier moeten we van een dgl. toestand uitgaan als we nu in het Roermonds en Vlaams nog vinden en de depalatalisatie vòòr r + dentaal is jonger. Het vreemdst is in ons handschrift type 1a gerepresenteerd. In de kalender vinden we swertter, elders afleidingen van hard met a en ae. Moeten we nu aannemen, dat deze laatste schrijfwijzen op invloed van een orthografiese konventie berusten en dat swertter de ware klank van het gesproken dialekt weergeeft? Voor dat vermoeden is wel enige aanleiding: immers ook wat de oorspronkelik lange â aangaat, sluit de kalender met zijn talrijke oe's zich meer bij de gesproken taal aan dan de er op volgende gebeden, waar deze spelling zeer zeldzaam is. Toch geloof ik, dat we op zijn hoogst zo ver mogen gaan, dat we voor het dialekt van ons handschrift een ietwat e-achtige uitspraak van de a vóór r + dentaal aannemen (ae); een dgl. e-klank als vóór r + lab. en gutturaal mogen we bezwaarlik veronderstellen, mede op groud van deze twee feiten: 1. de iets oudere, maar uit een naburig gebied afkomstige Limburgse Sermoenen kenden blijkens de voorbeelden bij Kern de meer palatale vokaal alleen vóór r + lab. en gutt., 2. het tegenwoordige Tongerens
| | | | kent ar vóór dentaal tegenover er vóór labiaal en gutturaal. Als wij aan de e in de kalender enige waarde moeten toekennen, zullen we dus moeten aannemen, dat in het 15de-eeuwse Tongerens oorspr. a en e vóór r = lab. en gutturaal e luidden, evenzo oude e vóór r + dent. en oude a vóór r + dentaal + umlautsfaktor; maar a vóór r + dent. zonder umlautsfaktor ae; later ging dan de e vóór r + dent. ook in ae en daarna iedere ae in a over.
Als deze opvatting juist is, hebben we meteen een vingerwijzing voor de verklaring van de è vóór r + dentaal in het Zuidbrabants van Leuven en het Oostvlaams van Aalst. Ook deze dialekten kennen een palatale vokaal vóór r + lab. en gutt, maar tevens vóór r + dentaal, hoewel de vokaal in deze positie niet identies is met de andere. Ik stel me voor, dat ook in deze streken de palatalisering vóór r + lab. en gutt. een oud verschijnsel is - daarop wijzen de overeenkomstige toestanden zowel in het Zuid- en Noord-Limburgs als in het N.-Brabants, Antwerps en Vlaams -, dat daarna de a- en e-vokalen vóór r + dentaal in een ae-klank zijn samengevallen, die later een nog palataler timbre heeft gekregen. Gaarne erken ik echter, dat we bij dgl. rekonstrukties op zeer onzeker gebied komen: maar helaas missen we de nodige voorstudieën, waardoor positiever resultaten mogelik zouden worden gemaakt: het is dringend nodig, dat de taal van Zuidlimburgse en Zuidbrabantse M.E.se codices nauwkeurig en systematies wordt onderzocht, - en datzelfde geldt van de codices uit andere streken.
Mogen we nu aannemen dat evenals in Zuid-Limburg in het hele blz. 90 genoemde gebied de depalatalisatie het relatief jongere verschijnsel is? Geenszins, zolang we geen bewijzen hebben. Het zou van belang zijn, als we konden uitmaken, hoe in het Zeeuws en het Zuidhollands der eilanden in de Middeleeuwen de oude ar en er optreden. In tegenstelling tot de zoëven besproken Limburgse en Brabantse dialekten grensde dit gebied - altans in het Noorden - aan een ander, dat toen vermoedelik alleen depalatalisering kende evenals nu nog
| | | | het Zaans. Uit de door Te Winkel Tijdschr. 18, 165 vlg. bijeengebrachte gegevens blijkt dit dunkt me duidelik voor het Delflands van Huijgens' tijd1): arg, starck, maar hart ‘hart’ - voor de volledigheid voeg ik bij deze voorbeelden van 1b en 3a er nog een van 1a (swarte, Hofwijck 1800 e.e.) en van 2b (erven znw. mv., Een boer 74) -, en als ik bij mejuffrouw Hofker, De taal van Melis Stoke blz. 78 lees, dat het in 1390 te Naaldwijk geschrevene hs. C. altijd berch, erve enz., clerc schrijft, soms marken naast merken, eenmaal Harman naast Herman, ‘naast Merwede ook Marwede (VIII 978)’ (alleen op deze plaats?) en vaker harte, hartoghe, terwijl oude a zonder volgende umlautsfaktor zowel voor r + lab. en gutt. als voor r + dent. in dit hs. ongeveer altijd als a optreedt, dan komt het vermoeden bij mij op, dat ook toen in Naaldwijk reeds de klankverdeling van Huijgens' tijd bestond2). Helaas is 't mej. Hofker niet mogen gelukken, uit te maken, hoe het met deze klankverdeling in de taal van Stoke zelf gesteld was. Had zij enerzijds zich meer moeite gegeven om de streek, waar de handschriften vandaan komen, vast te stellen3), anderzijds aan de verhouding van Stoke tot bestaande orthografiese konventies wat meer aandacht geschonken, misschien was dan het resultaat minder pover geweest dan het op blz. 83 bereikte; had zij beter nota genomen van mijn opmerkingen Tijdschr. 24, 14 v., misschien had zij dan een statis- | | | | tiese lijst gegeven van het gebruik van harte enz.; nu worden de woorden met lab. en gutt. en dent. niet voldoende onderscheiden.
Verder ga ik op 't ogenblik niet in op de mnl. klankverdeling. Deze is zeker de moeite waard om aan de hand van de codices nauwkeurig te worden bestudeerd. Dan kan 't zeer goed blijken, dat de grote blz. 90 genoemde dialektgroep slechts dan één groep mag genoemd worden, als we het vokalisme van onze dagen beschouwen, maar dat in de Middeleeuwen hetzelfde gebied twee of meer belangrijk van elkaar verschillende delen bevatte, een met alleen palatalisering, een ander met alleen depalatalisering, eventueel nog een derde, waar ar en er vòòr alle konsonanten gelijk waren geworden. Het laatste moet dan in het Noordoosten, in verschillende delen van Gelderland en eventueel ook van Utrecht te zoeken zijn. De palatalisering zou dan van het Zuiden zijn uitgegaan, de depalatalisering echter van het Noorden; doordat beide hun gebied hebben uitgebreid, de eerste naar 't Noorden, de tweede naar 't Zuiden, beide eventueel gezamenlik over een deel van Gelderland en Utrecht, zouden we nu één grote dialektgroep hebben gekregen, waar beide verschijnselen zijn waar te nemen.
Met een enkel woord wil ik nog spreken over twee kategorieën van woorden, waarmee we hierboven af en toe te maken hadden, zonder dat we ze tot nog toe afzonderlik hebben behandeld: 1. de woorden met ar + kons. + umlautsfaktor, 2. de woorden met gelabialiseerde vokaal.
1. Umlaut. In die dialekten, waar de klankwaarde der vokaal alleen afhankelik is van de konsonant, die op de r volgt, is het natuurlik niet waar te nemen, of in een vroegere periode umlaut is ingetreden, ja dan neen, - altans niet, wanneer we het dialekt in zijn huidige gedaante beschouwen. Hoe staat 't echter in die streken, waar 't zij de palatalisering 't zij de depalatalisering is achterwege gebleven? Voor 't Zaans is er reden om te veronderstellen, dat de umlaut achterwege is gebleven; zie blz. 103. Wat 't dialekt van Stoke's handschrift C
| | | | aangaat, durf ik evenmin als voor 't Zaans de zaak te decideren: gheverwet (blz. 77 bij mej. Hofker), erve bewijzen niet afdoende, dat hier wel umlaut is ingetreden; ik durf niet uit te maken, of deze vormen van de Naaldwijkse prior dan wel van zijn ‘vorlage’ afkomstig zijn. Wat erve, in Huijgens' Delflands erven mv. betreft, herinner ik aan. blz. 103, waar we voor zaans errəf ontlening mogelik hielden. Doorzichtiger zijn de toestanden in die streken, waar de palatalisering van ar ouder is dan de depalatalisatie van er; hier heeft blijkbaar i en j, volgend op een dentaal, evengoed ar in er doen overgaan als een labiale of gutturale konsonant. Immers we vonden èn in het Tongerens van de 15e eeuw èn in de Limburgse Sermoenen èn in het Roermonds van nu mertelere, merteleer, dat niet anders dan als een umlaut-vorm te begrijpen is. Het Westvlaams heeft blijkens de Bo martelaar, -lare, -lère en het werkwoord martelen: deze vormen zullen wel direkt op mnl. ma(e)rtelare, ma(e)rtelen teruggaan en deze worden het best als jongere, na de umlautperiode ontleende resp. aan de Lat. woorden opnieuw ‘angeglichene’ vormen verklaard: vgl. mhd. marteraere, -loere, martelen, marter(e)n. Of wvla. herden ‘harden, uitstaan’ klankwettig is, durf ik niet uit te maken; wel komt het mij waarschijnlik voor, dat de umlaut van
ar wvla. er is, maar naast herden komt ook heerden voor met dezelfde gerekte klinker van peerd ‘paard’; we moeten nu met de mogelikheid rekenen, dat in sommige flexievormen vokaalverkorting heeft plaats gehad: dan zou 't ww. herden ontstaan zijn, doordat die sekundaire korte vokaal in het hele paradigma is doorgevoerd. - Uit de citaten in het Mnl. Wdb. krijgt men de indruk, dat in het Middelnederlands de vorm herden zeer veel voorkwam. De vorm met ĕr is ook westfaals, zie blz. 87.
Met 't oog op de aangehaalde umlautsvormen zie ik geen bezwaar er tegen, om altans voor een groot deel van het gebied, dat èn palatalisering èn depalatalisering kent, umlaut aan te nemen. Natuurlik is die dan niet ingetreden, wanneer in een deel van het bedoelde gebied 't zij de palatalisering 't zij
| | | | de depalatalisering ouder mocht zijn dan de umlautperiode in hetzelfde gebied; maar die veronderstelling komt me niet waarschijnlik voor. Wat de voorgeschiedenis van de a-dialekten betreft, waag ik me niet aan gissingen. We kunnen dergelijke oudere toestanden vermoeden, als we in het Twents nog heden aantreffen en als we ook voor het oudere Nederfrankies waarschijnlik vinden, maar uit te maken is de kwestie m.i. alleen dan, wanneer een dgl. oudere toestand uit M.E.se codices, van die streken afkomstig, blijkt, - een onderzoeking, die (dat mag nog wel eens herhaald worden) zeker de moeite waard zou zijn.
2. In sommige gevallen vinden we behalve palatalisering vòòr r + lab. en gutt. ook nog labialisering, onder invloed van andere labiale klanken in 't woord: zo Beierl. kurrəpər of kurrəpəl ‘karper’, murrəg ‘merg’, vurrəf ‘verf’, wurrəf ‘werf’, mulləvər ‘soort knikker’. Ik wens deze labialisering niet in den brede te bespreken en daarom bepaal ik mij tot het opsommen der woorden uit dit ene dialekt. Ik koos het Beierlands uit, omdat ik bij Opprel § 2c een m.i. onjuiste opvatting van de voorgeschiedenis dezer woorden aantrof, die mij tot tegenspraak uitlokte. Volgens Opprel is a in dgl. gevallen eerst e en daarna u geworden. A priori ziet er dat niet onwaarschijnlik uit; immers we verwachten er uit ar voor labiaal en gutturaal en ook een oorspronkelike er is soms in ur overgegaan (bədurrəvə enz., bij Opprel § 8c). Waarom dan niet ook er uit ar? Voor sommige woorden gaat Opprel's opvatting misschien op, maar niet voor alle. De verschillende dialekten, die de u-vokaal vertonen, vertonen die niet precies bij dezelfde woorden en het heeft de schijn, alsof in verschillende perioden ‘einzeldialektisch’ dit vokalisme kon opkomen. Het zal ook wel eens zijn opgekomen, nadat in zulke dialekten a reeds e was geworden en zo kan ik mij voorstellen, dat in jonge u-vormen de ontwikkeling heeft plaats gehad zoals Opprel het voorstelt. Maar in andere gevallen is a eerst o geworden en
dan u; dat dit in een dialekt als 't Beierl. mogelik is, blijkt uit Opprel § 13b, die ons leert dat o evengoed als a door volgende r + lab. en gutt. is gepalata- | | | | liseerd geworden; dgl. palatalisatie-regels vinden we ook in andere dialektgrammatika's. Dat werkelik o de tussentrap is geweest en niet e, blijkt uit de volgende feiten:
I. Dialekten, die geen palatalisering vóór r + lab. en gutt. kennen, vertonen in de hier bedoelde gevallen de vokaal o: achterh. borg naast barg ‘gesneden varken’, zaans (B. § 56) korpər, korpəl, wòrm (Oostzaans = warm), vorf ‘verf’, worf ‘werf’, orf ‘erf’, ort ‘erwt’ (zie blz. 103), zwormt ‘zwerm’ (naast zwermt, dat waarschijnlik uit het algemeen-Nederl. is ontleend; anders verwachtten we *zwarm). Murg (B. § 58) zal wel evenals merg op ontlening berusten; anders zouden we *marg, *morg verwachten.
II. In oude teksten overwegen de o-vormen sterk. Zo geeft het Mnl. Handwdb. barch, berch, borch op, maar nog geen *burch; het Mnl. Wdb. vermeldt één voorbeeld van corper ‘karper’, geen van *curper; evenmin het Mnl. Handwdb.; in het Mnl. Wdb. s.v. march vind ik 13, de Teuthonista meegerekend 14 voorbeelden van morch tegen één van murch.
III. Ook vóór r + dentaal komt labialisering voor: dan wordt a ook in dialekten, waarin vóór r + lab. en gutt. a tot e en o tot u wordt, aangetroffen als o: West-Voorns dwòars ‘dwars’ (= Zaans dors, hier ook flòrd ‘flard’).
Vooral II. is bewijzend.
Met opzet ben ik op de labialisering-kwestie niet diep ingegaan: immers dit is een kwestie op zichzelf. Wellicht kom ik er later op terug; trouwens ik heb het voornemen, aan de korte o- en ö-klanken in 't algemeen nog eens een uitvoerige studie te wijden: hierbij vinden we parallele verschijnsels als bij de a-en e-vokalen, maar 't is er verre van af dat het parallelisme volkomen zou wezen. Ik verheug mij daarvoor gebruik te kunnen maken van de onderzoekingen van De Vries, Tijdschr. 28, 221 vlgg., die een gedeeltelike wijziging in mijn vroegere opinies brengen, hoewel ik in zeer veel andere punten nog niet met de schrijver kan meegaan.
Den Haag.
n. van wijk. |
1)Blz. 820 worden hersenen, kers, hert, herder in een adem met ernst, verder onder de wgerm. e besproken; verzenen, dat oude e heeft, blijft onvermeld. Voor gerst, in 't zelfde verband genoemd, vgl. hieronder blz. 91 noot 2.
1)Bevat ook een korte grammatiese inleiding, maar het hoofdmateriaal levert het woordeboek. Ook van andere woordeboeken maakte ik een dankbaar gebruik, in 't biezonder noem ik J. Bergsma, Woordenboek bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen, afl. I Groningen, 1906. Hieraan heb ik al mijn Drentse materiaal ontleend.
2)W. Draaijer, Woordenboekje van het Deventersch dialect, 's-Gravenhage, 1896 behandelt een onderdeel van de dialektgroep, door Gallée onderzocht. Voor de groepen ar en er levert het Deventers geen merkwaardige afwijkingen op.
1)De klinkerrekking voor r + lab. en gutt. is een verschijnsel dat veel dialekten onafhankelik van elkaar vertonen (zie blz. 81 v.; ons gaat het in dit verband niet verder aan.
2)Of zou dio * heerden luiden? Vgl. blz. 112. Dat is niet waarschijnlik met 't oog op de westf. vorm. Zie blz. 87.
3)Vgl. noot 1: è is een gerekte e blijkens Gallée blz. XI.
1)Vgl. westf. mark, dat blijkens zijn auslaut (: mnd. march) uit het Hd. komt, en zie verder blz. 104, noot 2.
1)Deze gebruikt een op 't eerste gezicht begrijpeliker transskriptie dan Holthausen.
1)Voor ‘Tijds. M.v.L. 1, 10’ t.a.p. bij Gallée lees: 5, 10-15.
1)§ 39 Opm. 1 is onjuist; ook zonder volgende umlautsfaktor zijn erəg en scherəp klankwettig ontstaan; èn positief èn komparatief hebben in dit dialekt klankwettig palataal vokalisme.
2)Gaərstə met aər uit er; waarom is dit woord niet samen met haərtə ‘hart’, dat ik in de grammatika onder de e niet besproken vind, in een aparte § behandeld, maar stiefmoederlik met het heterogene staərrəkaəs in een aanmerking weggestopt? Naast gaərstə staat gērstə; wellicht heeft dit het vokalisme van wgerm. * girstîna- ‘gersten’; vgl. kērzən ‘kersen’, hērsəns ‘hersenen’. Zie Tijdschr. 26, 44 noot 2.
3)De rekking (niet bij alle woorden) gaat ons hier niet aan. Zie blz. 81 v. Bij de verderop besproken dialekten zwijg ik over dgl. voor ons nu bijkomstige verschijnselen.
5)Hiernaast smĕartə (ontl. uit een ander dialekt?). Het ww. luidt altijd smăortə.
1)In 't algemeen gesproken geldt wat van oost-Noord-Brabant gezegd is, ook van het westen der provincie. V.d. Brand's woordelijst en enige andere artikels van zijn hand in ‘Onze Volkstaal’ hebben op het Noord-Brabants in 't algemeen betrekking. De vorm aarm ‘aan de Zeeuwsche grens’, O.V. I, 26, sluit zich bij de Antwerpse vormen aan. Zie blz. 96 v.
1)N.B. In § 44, handelend over ă vòòr r + dentaal vinden we de merkwaardige woorden: ‘Uitgezonderd e˙rt erwt (ohd. araweiz)’. Het schijnt de schrijver ontgaan te zijn, dat dit woord op geen regel een uitzondering vormt, maar de klankwettige e˙ vòòr r + w vertoont.
1)Ook a vòòr r + dentaal + umlautsfaktor moet als a optreden. - Het woord hartoχ (§ 63 Opm. 3), dat oudtijds de klankverbinding - arit- vertoonde, zou wat zijn vorm betreft een van ouder tot ouder Veluwse vorm kunnen zijn; dit is echter zeer dubieus.
1)Een zeer opvallende vorm is ârt ‘hard’ (§ 33,1). Met de betekenis ‘erwt’ zou deze vorm zeer begrijpelik zijn. Smout's opgave klopt niet met die van Cornelissen en Vervliet, die voor hard de uitspraak hart, hät opgeven. Voor erwt geven ze inderdaad aart, aat, naast aeaert, èèrt, aeaet.
1)Colinet en Goemans, die deze beide dialekten beschreven hebben, bedienen zich gelukkig van een gelijk transskriptie-systeem. Kon dat maar van al onze dialekt-onderzoekers worden gezegd!
1)Gents dwis ‘dwars’ heeft dezelfde vokaal als kisse ‘kaars’, vize ‘vaars’, m.a.w. deze vorm = Noord-Brab. dwèrs. Zie blz. 93. Ook in Gents gist ‘gerst’ zullen we een vorm met vokaalrekking moeten zien = Aalsts geist; ook Maastr. gē˙rs kan zo verklaard worden. Zie echter blz. 93v.
2)Het woord harpe heeft a, omdat het een jong leenwoord is. Zo ook in andere dialekten: Beierl. herrəp ‘zekere zeef’ (= zw. harpa ‘id.’; ook harp als naam van een muziekinstrument is 't zelfde woord, zie Meringer Indogerm. Forsch. 16, 128-133, Hirt in Weigand, Deutsches Wörterhuch I 5, 811): harp ‘harp’. In de eerste betekenis heeft 't woord onafgebroken in 't dialekt bestaan, in de tweede niet.
1)A priori is 't omgekeerde waarschijnliker; vgl. ook Kern, De Limburgsche Sermoenen, blz. 110; in het dialekt der L.S. heeft de komparatief steeds de nietumgelautete klinker van de positivus Bij de superlatief komt vaak nog wel umlaut voor.
2)In eik, geit (en arbeid? maar dit is waarschijnlik een ontlening uit 't Hd.: in 't Ndl. verwachten we v en geen b) behoeven we geen analogie naar de verbogen kasus aan te nemen: veeleer heeft germ. ai, oerndl ei zich gesplist in ei vòòr i en j en anders ê, voordat de i in de nomin.-akkus. nog was afgevallen, - eventueel na die afval, maar dan kunnen we palatalisering van de slotkonsonant aannemen, die de overgang in
ê verhinderde.
3)De overgang van e en i is een jonger proces, evenals die van a in ao. Het is opvallend, dat dezelfde klankgroepen aor en ir ook de rekkings-produkten van ar en van r, ër vòòr dentaal zijn: board ‘baard’, koarte ‘kaart’, pird ‘paard’, irde ‘aarde’ (Boucherij blz. 627).
1)Het door Boucherij vermelde ontfirmen liet ik onbesproken. Of we van een ww. op - ôn of op - ian uitgaan, is van geen belang, aangezien dit woord waarschijnlik in het Gents evenals elders voortdurend onder invloed heeft gestaan van de kerktaal: wij moeten het als een telkens bij herhaling ontleend ontfermen beschouwen.
2)'t Woord zwerm vond ik bij B. niet vermeld.
1)Wvla. dertel, Kil. dertel, mnl. derten hebben oorspronkeliker vokalisme dan dartel. Ten onrechte nam ik Tijdschr. 26, 54 een grondvorm met a aan.
1)Hoe Assendelfts terf te beoordelen is, laat ik in 't midden. Is 't een leenwoord, of is 't een laatste rest van een hele groep dgl. vormen en werkte in 't Assendelfts van ouds r + lab. palataliserend? Vgl. over dit dialekt Boekenoogen, blz. XI.
1)Simons beweert, blz. 12, dat de umlauts- a ‘in verreweg de meeste gevallen den oorspronkelijken klank naar a toe, als in 't Hoogduitsch, behouden heeft’. Voor ‘'t Hoogduitsch’ is die bewering niet juist; ook voor 't Roermonds waag ik het te betwijfelen, of ärf een andere klinker heeft dan erm. Volgens S. zou een i minder sterk palataliserend hebben gewerkt dan een m; anders evenwel bij r + dentaal: merteleer (= mhd. merterer, met umlaut, zie blz. 106 v.) heeft volgens S. dezelfde e als erm en een andere dan ärf.
2)Dit woord is ook elders ontleend. Naast vormen op g resp. χ uitgaande in 't Saks. dialekt van Gelderland en Overijsel, 't Elten-Berghs, 't N.-W.-Veluws, 't Bommelerwaards, 't N.-Brabants, 't Maastrichts, 't West-Voorns, 't Beierlands en 't Zaans vinden we: gron. mark (Molema en De Vries), om Kampen mörk (in de stad mörf), Leuv. mḕrek, Aalsts mḕrk, Antw. mârək, wvla. mark, N.-Bev. mēarək. Deze vormen kunnen we, hoe vreemd
dat ook is, niet anders verklaren dan door ontlening aan te nemen, vooral als we bedenken, dat Verdam Mnl. Wdb. s.v. march onder zijn talrijke voorbeelden er slechts één heeft kunnen geven van de vorm marc (gen. marcs, variant Nat. Bl. 2, 2259) en dat Kiliaen, die zelf te Antwerpen woonde, dus midden in een streek, waar nu de k-vorm gebruikt wordt, marck slechts als een Saksiese vorm kent. Is hij uit Westfalen of uit 't Hd. geïmporteerd? Vgl. over de westf. vorm blz. 86 noot. Ook de Twentse vorm (blz. 85 v.) en de Zaanse (blz. 114) zullen, hoewel op g ( ch) uitgaande, wel ontleend zijn.
1)Dwars heeft vokaalrekking: dwiaors evenals iaord ‘aarde’, miaort ‘maart’. Vgl. blz. 93.
1)Voor 't Delflands van nu deelt Te Winkel enige feiten mee, maar die maken 't ons niet mogelik, om de situatie van het dialekt wat de verdeling van ar en er betreft vast te stellen.
2)Ofschoon ik nooit een systematies onderzoek heb ingesteld, meen ik toch opgemerkt te hebben, dat in veel 15.-eeuwse Hollandse getijdeboeken, die ik in de laatste tijd voor een ander doel bestudeerde, de spelling harte voor ‘hart’ zeer gewoon is, anderzijds echter scarp, starc, arm, met umlaut erve, met oorspr.
e berch enz. de heersende vormen zijn. Zelden is een nauwkeurige lokalisering mogelik, maar ‘Hollandse’ afkomst is gauw te herkennen.
3)Vooral bij hs. A. zou dat toch niet zo moeilik zijn geweest; ik wijs slechts op de niet-Zeeuws-Zuidholl. vormen eerde, geerne enz, op vleesch, een frankiese, o a. uit Brab. dialekten bekende vorm naast Zeeuws. West-Voorns, Beierl. vleis( ch), op ou in plaats van oe vòòr gutturalen, welke vormen (om van andere niet te spreken) karakteristiek zijn voor dit hs. in tegenstelling tot Stoke's taal.
|
|