|
|
|
| |
| | | |
Het Papiamentoe of basterd-Spaans der West-Indiese eilanden1).
Papiamentoe komt van papia, een werkwoord dat spreken betekent, en wil dus zeggen: taal. Men duidt ermee aan het eigenaardige basterd-spaans, dat algemeen door de volksklasse gebezigd wordt op de z.g. ‘Onderdewindse’ eilanden van Ned. West-Indië, dus op Curazao, Bonaire en Aruba.
We noemen het basterd-spaans, omdat het inderdaad als zodanig kan beschouwd worden. We zeggen dit hier al dadelik, omdat men nog te veel dit taaltje hoort noemen ‘een mengelmoes van spaans, engels en karaïbies’. Zo kan men het b.v. nog aangeduid vinden in de tweede druk van Winkler Prins' Enciklopedie. En als ik de redaktie niet had ingelicht, vrees ik dat het weer zo in de nieuwste druk zou gestaan hebben. Men kan genoemde definitie ook horen uit de mond van zeeofficieren en andere mensen die wel's in ‘de West’ zijn geweest.
Een sterk vereenvoudigd idioom als het Papiamentoe, dat stellig voor 90% uit herkenbare spaanse woorden bestaat, mag toch zeker wel een verbastering van het spaans genoemd worden. Terloops merken we op, dat we ‘verbastering’ hier in de gewone gangbare betekenis van 't woord opvatten, d.w.z. een ontwikkelings-vorm, die in vele opzichten als een verslechtering van het uitgangs-tipe kan beschouwd worden. Zo zijn er verbasterde paarden, basterd-honden, basterd-rozen. Dat de ‘verbastering’ evenzeer de aandacht van de taalkundige verdient als de taal, waaruit ze voortgekomen is, spreekt van zelf.
De overige 10% der papiamentse woorden worden ingenomen door hollands, portugees en een element dat ik niet thuis kan brengen, en dat dan wel ‘karaïbies’ wezen mag. Van deze 10% echter komen zeker 9 hollandse woorden voor.
| | | |
Het aantal der voor mij onverklaarbare woorden is uiterst gering; terwijl het portugees wellicht door een grote vijf-entwintig woorden wordt vertegenwoordigd. Eindelik prijken nog heel enkele engelse woorden als sjap (shop) voor ‘kroeg’ en triet (treat) voor ‘traktatie’ in 't papiamentoe, terwijl pitipwà voor ertjes en matrès voor onderwijzeres wel frans kunnen wezen. Aangezien de Portugezen nooit koloniën op de ‘Onderdewindse eilanden’ hebben gehad, bevreemdt het oppervlakkig gezien, dat het papiamentoe voor sommige zeer gebruikelike begrippen portugese woorden bezigt. Zo is ‘zwart’ niet négroe (negro), maar prétoe (preto), ‘nog’ niet aún of todavía, maar ainda (id.), terwijl ‘gat’ niet met het spaanse agujero, maar met boerakoe (buraco), en ‘toen’ (sp. entonces) met antò (então) wordt uitgedrukt. Ook vinja (vinho), wijn, fika (ficar), blijven, trésé (trazer), brengen, bringa (brigar), vechten, oenda (onde), waar, horen tot deze groep van woorden. Hoe dit te verklaren? 't Kan zijn dat Dr. H.D. Benjamins - hoofdredakteur van de Enciklopedie van West-Indië, die bij E.J. Brill te Leiden wordt uitgegeven - gelijk heeft, en dat die portugese elementen moeten ingevoerd zijn door de vele portugese Israelieten, die zich op Curazao in vroegere eeuwen gevestigd hebben1). Een andere verklaring lijkt mij echter aannemeliker: die
portugese Joden toch behoorden, zover ik weet, niet tot de geringe volksklasse, en het papiamentoe is een taal van ‘de kleine man’, voornamelik arme kleurlingen. 't Wil mij voorkomen, dat bedoelde elementen in 't papiamentoe niet rechtstreeks uit het portugees erin zijn gebracht, maar moeten toegeschreven worden aan 't galiciesspaans, zoals dat door veel geringe landverhuizers uit het N.W. van Spanje gesproken werd. Zoals men weet, levert Galicië, evenals Andaluzië, een groot kontingent van de naar Amerika verhuizende Spanjaarden. Dit was reeds zo in de spaanse tijd van Curazao, dus tussen 1526-1634. Eigenaardige lexikografiese en ook fonetiese verschijnselen in 't spaans van Amerika wijzen
| | | | duidelik op verband met het galiciese en het andaloeziese dialckt.
Tot het voor mij duistere element in de woordenschat behoren: koenòekoe (buitengoed, land), dat als conuco op Cuba en in Midden-Amerika in 't daar gebruikelike spaans voorkomt in ongeveer dezelfde zin, dan: poenda (stad), papia (spreken), nan (het pers. voorn. w. 3e pers. plur., tevens bezitt. voorn. w. voor die persoon en meervouds-uitgang der zelfst. n.w. - de enige!), lo, een partikel dat het futuur der werkwoorden uitdrukt1), so, dat men aan bo, pers. en bezitt. voorn. w. 2e pers. sing. toevoegt, om er de plur. van te maken2), foi, voorz. met ablatieve betekenis, sjon, heer, en nog enkele meer.
Het hollandse bestanddeel omvat honderden woorden en uitdrukkingen, en vele daarvan behoren tot de meest alledaagse en gebruikelike. Zo de bijwoorden toch en net, het voegw. of (aut), hopi (‘hoopje’ met amsterdamse uitspraak!), het gewone woord voor ‘veel’; oen tiki ('n tikje) voor ‘'n beetje’, danki in samenkoppeling met Dios of met no: danki Dios voor ‘God dank’, no, danki voor ‘nee, dank u’, pleintji voor plein, ba(a)s in dezelfde betekenis, winkel, idem, skol voor school, stem enz. enz. Merkwaardig, en wel een bewijs voor de innige vermenging die er plaats gehad heeft, zijn afleidingen als keirmentoe, wandeling, van keire, ons ‘kuiere(n)’ met de spaanse uitgang méntoe (mento), en stootmèntoe, gestoot. Zo ook hakdòr voor ‘hakker’ (hakdor di paloe, houthakker), lapidòr di sapatoe, schoenlapper, blékèroe, blikslager, en blòmtjinan, het meerv. van blomtji, bloem. Dan: bini bij voor ‘bijkomen’ (uit een flauwte b.v.), van viene en ons woordje ‘bij’. Komies klinken zinnetjes als: mi a lésa és boeki aì, ik heb dat boek gelezen, en pakiko é ta hala klok asina laat? waarom belt hij (zij) zo laat aan? of danki Dios,
é flésji no to kibrà! God dank, het flesje is niet gebroken! En wat zegt men van samenstellingen als oen koker di pèn, een
| | | | pennekoker, en oen rampi di skeif, een schuifraam? Of een zinnetje als: Laga mi foela bo pols, laat me uw pols voelen?
Hollands gedachte spaanse uitdrukkingen komt men ook telkens tegen. Zo: é no por joeda, hij (zij) kan 't niet helpen (joeda = sp. ayudar, helpen), waarvoor men in gewoon spaans zou zeggen: no puede remediarlo of no era su culpa; é ta kaï flau, hij (zij) valt flauw (sp. se desmaya), en: ta kasi dos anja kaba, 't is bijna twee jaar geleden (kaba = sp. acaba, en betekent: voorbij, geleden), waar een Spanjaard zou zeggen: hace casi dos años.
Soms ook ziet men staaltjes van kontaminatie. Daarvoor houd ik b.v. krali voor ‘kraag’ van een kledingstuk: uit colarinho (port. id.) en kragi (kraagje); en drénta, binnengaan, dat foneties lastig te verklaren is uit sp. entra(r), zonder het woord drémpi uit drempel. Echter kan in 't laatste voorbeeld ook pa'dèn, binnen, sp. dentro, invloed gehad hebben. Zulk een verschijnsel op ideologies gebied zie ik in 't gebruik van sinja, (spaans enseñar, onderwijzen), zowel voor dit als voor studeren˙ Wellicht is landa, zwemmen, ook een ineenvloeiing van nada(r), sp. voor zwemmen, en lande(n), aan wal gaan. Ineengevloeid zijn ook de woorden claro en klaar (gereed), zodat men zegt: bo batji ta kla, uw jas (‘baadje’) is klaar, en kla-kla, volkomen duidelik. Bij foeroe, voering, en soekoe, suiker, mogen we stellig niet enkel denken aan de hollandse woorden, maar ook aan forro en azúcar in 't spaans.
Wat nu de kern van 't idioom vormt, het element van spaanse herkomst, dit is, zoals we reeds konden opmerken, vaak sterk verbasterd. Ook worden tal van woorden in geheel andere betekenis gebruikt dan in 't spaans. 't Herkennen wordt daardoor soms vrij lastig, en ik kan me voorstellen, dat zelfs iemand die het spaans goed verstaat, bij eerste kennismaking met het papiamentoe geen raad weet. Hoe aandachtiger men echter de woorden stuk voor stuk nagaat, des te verrassender treedt dikwels de spaanse herkomst voor den dag. Wie zal b.v. in 't zinnetje Kiko bo ta poentra? Wat vraagt u? de spaanse woorden
| | | |
qué cosa, vos, está en pregunta(r) zo maar dadelik herkennen? Dergelijke omzettingen als poentra vragen, uit pregunta(r), zijn er meer: zo soendra, uitschelden, waaruit men na wat nauwkeurig toekijken het spaanse insulta(r) kan halen, dat zijn voorvoegsel heeft moeten inboeten. In masjà of masjàr zeer, erg, herkennen we demasiado, dat echter in 't spaans alleen ‘te veel’ en ‘te’ (nimium) betekent; in traha werken, het spaanse trabaja(r), terwijl bisa, het gewone woord voor ‘zeggen’, van spaans avisa(r) moet komen. Banda, in 't spaans alleen ‘kant, zijde’ of ‘troep, bende’, krijgt in 't papiamentoe de zin van een voorzetsel, ‘naast’; terwijl manéra er optreedt als ‘zoals’. Kamina, waarin men spaans camino, weg, herkent, bezigt de Curazaonaar als waar (betrekk. v.n.w.), en toer kamina voor ‘overal’ (sp. en todas partes); kaba, dat niet anders kan wezen dan spaans acaba(r) eindigen, voltooien, verschijnt in de funktie van bijwoord, ‘reeds’ of ‘voorbij’. Poraì zegt men voor ‘ongeveer’, terwijl por ahí in 't spaans ‘daar zo’ betekent. Loebida vergeten, is spaans olvida(r), kiboeka zich vergissen, equivoca(rse); terwijl kaboeja touw, moet komen
van cabulla aloë-hennep. Merkwaardig is dal of dale, slaan: dit wordt duidelik, als men denkt aan spaans dale! sla erop! (lett. geef 'm!) Ora (sp. hora, uur) is het voegwoord ‘wanneer’ of ‘toen’ geworden. Maar genoeg hiervan, en houden we ons tans bezig met enkele opmerkingen over het
Klankstelsel. In 't algemeen kan men zeggen, dat er geen afwijkingen voorkomen van dat van 't west-indiese of zuidamerikaanse spaans. Zo zien we ook hier, dat de tipiese velaire stemloze blazer ‘jota’ van het spaans van Madrid verzacht is tot een stemloze h: spaans juga(r) spelen, wordt hoenga; viaje reis, wordt biaha (keer, maal), ligero licht, wordt lihè (snel), en gente lieden, héndé. Daarentegen verdwijnt hij geheel in ioe zoon, kind, uit spaans hijo, en wordt hij w in wowo (oog), uit spaans ojo. Onze g in geel wordt h: heel, terwijl onze ch na s k wordt: skeif voor ‘schuif’, skeins voor ‘schuins’, skerpi voor ‘scherp’. Bij dit laatste kan men echter ook aan zeeuwse invloed denken.
| | | |
Eveneens zien we het opheffen van alle verschil tusschen s en z (c voor e en i), zoals dat in 't spaans bestaat: sapatoe (schoen) wordt met gewone s gesproken; zo ook mosa (jong) voor spaans mozo-a jong-mens, jong-meisje. Ook de z van het portugees-galicies (als de franse) wordt stemloos: trésé (brengen) van part. traze(r). Aan 't eind van een woord valt z wel weg; bé keer, maal (spaans vez) komt voor naast bés; maar steeds atrobè (otra vez) wederom, nogmaals.
De ll, zoals bekend, in 't kastiliaans als lj gesproken, wordt evenals in 't andaloezies en vrijwel overal in Zuid- en Midden-Amerika, als nederlandse j gehoord en in 't papiamentoe ook zo geschreven. Zo kaja (straat) voor calle, ajà (daar) voor allá, jabé (sleutel) voor llave, jama (roepen) voor llama(r).
Ook de kastiliaanse ñ (= nederlands nj) verzwakt wel tot j (yod). Zo: maján (morgen) voor mañana. En de aan ‘yod’ onmiddellik voorafgaande konsonant verdwijnt meer dan eens: mei (midden) staat voor medio, méja (kous) voor media, naast ménja; terwijl familia famìa wordt.
Op dergelijke wijze valt vóor de w, die in 't kastiliaans door een u (gevolgd door een klinker) vertegenwoordigd wordt, h, jota en g weg; terwijl in dat geval c (k) blijft. Zo zien we wébo (ei) uit huevo, wéga (spel) uit juego, warda (wachten of bewaren) uit aguarda(r) en guarda(r); en agua (water) wordt awa; doch cuero (leder) behoudt zijn stemloze achter-verhemeltestoter en wordt kwéroe.
De zeer eigenaardige lastig uit te spreken zuiver bilabiale w, in 't spaans door b of v weergegeven, komt in 't papiamentoe niet in die uitspraak voor: men hoort daarvoor steeds de b-klank en dus niet zo als in 't spaans, uitsluitend na een neusklank en vóor l of r. Ik waag de verondersteling, dat zowel de portugees-galliciese v (= de franse lip-tandklank) als de spaanse bilabiale w (b of v geschreven) voor mensen met wat dikke lippen zwarigheid opleveren, en men dus gemakshalve voor beide b (stemhebbende stoter) neemt. Ook Maleiers maken van port. viola: biola, evenzo van ons woord wijkmeester: bèkmèster.
| | | | De w van 't genoemde wowo enz. moet er een wezen als de engelse en geeft minder moeilikheid. Spaans volver ‘terugkeren’ wordt bolbé (met twee b's), en atrever(se) ‘durven’ tribi (met b dus); het spaans schrijft beide woorden met een v (= bilabiale w), en wat zo geschreven wordt in 't portugees of galicies wordt daarin nooit op andere wijze, dus nooit door een b voorgesteld. Spanjaarden daarentegen vergissen zich onophoudelik met de twee tekens, en dit komt natuurlik alleen daarvandaan, dat beide dezelfde klank voorstellen (al wijzen ze, meestal juist, op verschillende herkomst in 't latijn). Alle b's die we dus in 't ter plaatse geschreven papiamentoe in woorden van sp. herkomst tegenkomen, kunnen we, als vertegenwoordigers van de spaanse bilabiale w beschouwen. In onze transcriptie schrijven we dan steeds b. Trouwens, de spaanse klank maakt op 't ongeoefend oor heel dikwels de indruk van een b. 't Is dus begrijpelik, dat de hollandse paters op Curazao, die voor schoolgebruik boekjes in 't papiamentoe geschreven hebben, hierin de inlandse schrijfwijze en uitspraak met b volgen, ofschoon ze overigens in een eigen spel-sisteem hier en daar rekening houden met de etimologie.
Een klank die aan 't kastiliaans, maar niet aan 't galicies of portugees, vreemd is - de voorverhemelte stemloze blazer - wordt in 't papiamentoe dikwels voorgesteld door sj als in onze taal. Zo in 't reeds genoemde sjap (kroeg) en woorden uit het nederlands: sjisji (zuster), dosji (doos) enz.; maar ook wel in spaanse woorden, b.v. in de sp. uitgang cion: admirasjon en elders: basji, leeg (sp. vacío), sjinsji, as (ceniza). Zelfs schrijft men sjertoe, zeker, i. pl. v. cierto (in 't sp. met tussentandse stemloze blazer gevolgd door ‘yod’).
De eigenaardige sterk ‘gerolde’ tand-r van 't kastiliaans, nog rollender in de verdubbeling, is in 't papiamentoe verzwakt. Dit blijkt daaruit, dat de slot-r vaak geheel verwaarloosd, en zelfs wel niet geschreven wordt. Zo: kjé voor kjér, willen, trahadò, voor werkman, trabajador enz. De ‘dubbele’ wordt ook nooit meer dubbel geschreven: géra, oorlog, voor guerra, séroe, heuvel, voor cerro, téra, voor terra (galicies = sp. tierra).
| | | |
Opvallend is het voorkomen van een z.g. stomme e, een klank, die zoals men weet, aan 't kastiliaans vreemd is, of altans nooit in 't schrift uitgedrukt wordt. Zo schrijft men omber, mens, en nomber, getal, voor hombre en nombre, en amabel voor amable. Met i wordt steeds een ‘gesloten’ i bedoeld.
Letten we op de wijze waarop de kastiliaanse woorden vervormd zijn, dan is het eerste wat ons opvalt het wegvallen van lettergrepen vóor of achter aan een woord. Entende(r), horen (portugees?) wordt ténde, significar betekenen, nifika, ta is, teken v.d. tegenw. tijd, schijnt ontstaan uit está, terwijl masjà gegroeid is uit demasiado (te veel, te). In dit laatste voorbeeld zien we dus ook afval van de laatste lettergreep. Dit heeft geregeld plaats in al de particiep-vormen (die alleen in lijdende betekenis voorkomen): ta separà = wordt gescheiden, voor está separado, spantà voor espantado, verschrikt, partí voor partido, gedeeld, nasí voor nacido, geboren.
Het eigenaardige van 't spaans - in 't portugees niet zo streng volgehouden - dat een begin-s nooit wordt gevolgd door een medeklinker, maar steeds een e als een soort aanloopje daarvoor eist (escuela, school, estadística, statistiek, espuela, spoor), vervalt dus voor 't papiamentoe. Dit zal wel invloed van 't nederlands wezen; woorden als slag, skeif, schuif, skeir (schuier), bieden derhalve niet de minste uitspraak-moeilikheid meer op. De klemtoon ligt op de voorl. lettergreep tenzij door 't toonteken (`) anders aangewezen.
Doch 't wordt tijd dat we een overzicht geven van de
Vorm- en Zinsleer. Hierin heeft een ontzaggelike vereenvoudiging plaats gehad. Zo groot is die, dat we tot het vermoeden komen, dat de oorspronkelike talen der mensen, die tans papiamentoe spreken, daarop moeten ingewerkt hebben. En dan, zou men zo zeggen, moeten die talen wel zeer eenvoudig van vormen geweest zijn. Toch is dit niet het geval. De afrikaanse - bantoe- - talen zijn lastig en gekompliceerd van bouw. En het karaïbies, dat zonder twijfel eertijds op Curazao even goed gesproken werd als op de andere W.I. eilanden, munt ook niet uit
| | | | door eenvoud van konstruktie: integendeel. Het is bekend, hoe de z.g. amerikaanse talen te dien opzichte zijn. Dat er een zekere aanpassing moet hebben plaats gehad, is duidelik: hoe kan 't anders, waar onontwikkelden zich een vreemde taal moeten eigen maken? En waar hoger staande volken in zo'n geval reeds als ‘compromis’ vereenvoudigingen in de over te nemen taal aanbrengen - men denke aan de ‘linga franca’ in 't oostelik bekken der Middellandse Zee, en de vele andere vormen van ‘volks-latijn’ - daar is 't geen wonder dat negers, mulatten en andere kleurlingen nog veel verder zijn gegaan.
Niettemin blijft het aannemelik, dat het karaïbies een zekere invloed op de nieuwe taal gehad heeft. Zo - om enkele punten te noemen, want de juiste grenzen der verschillende invloeden vast te stellen, lijkt me ondoenlik - zal de vorming der presens-, futuur-, en perfekt-vormen wel naar 't model van 't in die taal gebruikelike geschied zijn: nl. door het bezigen van een eenlettergrepig partikel. Men zegt b.v. lo nos papia, wij zullen spreken; lo é bini prontoe? zal hij (zij) spoedig komen? Dit lo is vermoedelik identiek met het lo van 't negerhollands van Sint Tomas, door Prof. Hesseling in 't aangehaalde werk vermeld, nl. hollands loop in de zin van gaan (frans je vais le dire, ik zal 't zeggen, sp. va a llover, het gaat regenen). Het partikel voor het perfekt is a, waarin we spaans ha van haber mogen zien. Ten slotte dient ta voor het presens, welk ta wel een verkort spaans está zal wezen, dat immers ook in de laatste taal dient voor een duratief presens: está trabajando, hij (ze) is aan 't werken. Eigenaardig is echter de betrekkelike plaatsing dier drie partikels: men zegt lo mi keire, ik zal (ga) wandelen, maar mi a keire, ik heb gewandeld en mi ta keire, ik wandel.
De meervouds-uitgang nan, die geheel de gewone spaanse op s of es verdrongen heeft, kan evenzeer karaïbies van oorsprong wezen, zelfs in klank; want men vindt daar num als voorn. w. van de 3e pers. meerv.1). 't Zelfde nan dient daar in 't papia- | | | | mentoe ook voor, evenals voor bezitt. voorn. w. van de 3e pers. meerv. En dit terwijl in 't enk. het spaanse soe (su) gebezigd wordt: soe kas, zijn of haar huis; maar nan kas, hun huis, en kasnan, huizen. In de beide eerste gevallen zou het spaans su casa zeggen.
Om bij 't werkwoord te blijven, alle persoons-uitgangen zijn vervallen, en men plaatst eenvoudig het pers. v.n.w. vóor de onveranderde onbep. wijs. Ook deze eigenaardigheid komt met het karaïbies overeen. Van de drie infinitief-uitgangen ar, er en ir, is meestal een spoor bewaard gebleven: boela vliegen (volar), kéré geloven (creer) en kombati strijden (combatir)1). Echter zijn er tal van uitzonderingen. Zo: asi maken, doen (hacer), bal waard zijn (valer), sabi weten (saber). Van de spaanse particiepuitgangen ado en ido zijn slechts de betoonde a of i overgebleven. Natuurlik is alle onregelmatigheid als in kindertaal op zij gezet. Men zegt dus kérì voor creído (geloofd), asì voor hecho (gedaan) en jamà voor llamado (geroepen, genoemd). Merkwaardig is 't, dat deze verkorte particiep-vormen uitsluitend in het passief dienst doen. Overigens wordt ook in de samengestelde tijden gebruik gemaakt van de onveranderde infinitief, tevens stam. Dat dan zelfs de tegenwoordige tijd een apart woordje nodig heeft tegenover verleden en toekomst, is niet verwonderlik. Deze drie tijd-partikels komen overeen met die in 't karaïbies: en, a en ba, nl. en = ta,
a = a en ba = lo. Toevallig is de perfekt-vormer identiek ... of is dit geen toeval, zodat we in 't samentreffen met spaans ha van haber als perfektvormer in 't spaans juist een toevalligheid moeten zien? Dit laatste is niet waarschijnlik, zodat we bij onze eerste opvatting blijven. Het presens-partikel ta dient zowel voor 't passief als voor 't aktief: mi ta skirbi oen brifi, ik schrijf een brief, en é brifi ta skirbì, de brief is geschreven. Bij dit laatste kunnen we denken aan spaans está escrito is geschreven (toestand), en
| | | | verwarring van deze vorm met ha sido escrito is geschreven (geworden). Alleen enkele hulpwerkwoorden van wijze worden zonder ta gekonstrueerd: nos no por bolbé, we kunnen niet terugkomen. Van ta in 't papiamentoe heeft men nog een imperfekt van 't verleden: tàbata, blijkbaar ontstaan uit estaba (imperf. v. estar in 't spaans) en está. Op dergelijke wijze gebruikt men tin (wel van portugees ter en niet van spaans tener hebben = bezitten) = hebben en = voorkomen, er zijn, waar 't presens, en tàbatin, waar 't imperfekt bedoeld is: mi tin (tàbatin) dolò di djénté, ik heb (had) kiespijn en tin (tàbatin) moetjoe lodoe, er is (was) veel modder. Met tàbata vormt men dan al de imperfekt-vormen der werkwoorden, aktief en passief. Een soort ‘conditionalis’ wordt uitgedrukt door lo en a samen toe te passen: lo nos tàbata bébé, wij zouden gedronken hebben, terwijl lo nos a bébé staat voor wij zullen gedronken hebben. Het partikel a dient tevens voor 't histories perfekt.
De lijdende vorm bedient zich van 't hulpwerkw. ta of ook wel van ta ser (sp. ser) in meer deftige stijl: é ladròn ta ser matà, de dief wordt gedood, waarvoor in de plaats men ook soms vindt: é ladròn ta worde matà, met ons ‘worde(n)’ dus!
Na het werkwoord heeft zeker het naamwoord de meeste verandering ondergaan. Geslachts-onderscheid, altans genus, is opgeheven. Zelfs zegt men roeman mohè en roeman omber (vrouw- en man-roeman) voor sp. hermana zuster, en hermano broeder. Daarmee in verband is er maar éen bep. lidwoord, nl. é, dat echter lang niet zo algemeen gebruikt wordt als het spaanse lidwoord. Het onbep. lidwoord is steeds oen1). Woorden op o in 't spaans gaan vaak op a uit in 't papiamentoe, of een klinkeruitgang wordt willekeurig toegevoegd: zo zegt men swéla voor grond (suelo), krina voor manen (crin), binja voor wijn (port. vinho). Echter wordt de slot-o meestal oe en a blijft a.
| | | |
De bijvoegelike naamwoorden blijven steeds dezelfde vorm houden; dus ook het meervoudsteken nan der zelfstandige komt er niet bij voor. Alleen voegt men het achter de zelfstandige voornaamwoorden: b.v. és-nan die (van és, sp. ese, esa, eso, esos of esas). Dit nan wordt evenwel lang niet altijd gebruikt, zo b.v. nooit na telwoorden of onbepaalde voorn.w.: veel huizen is hopi kas.
Van de onregelmatige komparatieven zijn mihò (mejor) en péò gebleven. Voor 't eerst kan men echter ook mas bon zeggen. Zeer eigenaardig is het, dat er een nieuwe superlatief ontstaan is met di mas: di mas hopi, meest, di mas grandi, grootst. Voor di mas hopi kan men in de absolutus ook moetjoe zeggen, dat tevens voor te (zeer), te veel dient.
Het naamvals-verschil der persoonl. voornaamwoorden is natuurlik geheel verdwenen. Zo zegt men mi, bo, é (of él), nos, boso en nan in alle naamvallen. Bo is zonder twijfel spaans vos met wegvalling van de slot-s, een verschijnsel dat in 't andaloezies en in 't amerikaanse spaans zeer normaal is. Vos werd, zooals men weet, in de oude tijd - nog in de zestiende eeuw - bij wijze van 't franse vous gebezigd, was dus toen, behalve meervoud, ook het beleefde u in 't enkelvoud. Dit gebruik heerst tans nog in Chile en ook nog op de Filippijnen in 't daar gesproken spaans. Boso schijnt een verkorting van vosotros, oudtijds = vous autres, wat tegenwoordig uitsluitend gemeenzaam ‘jullie’ betekent, behalve weer in genoemde landen. Zie echter noot 2 op blz. 56. É wordt in de akkusatief aan 't werkwoord getrokken: boeskè, hem (haar) te zoeken, uit boeska + é. Hem of haar + het (datief en akkusatief bijeen) wordt élé. Ook vervloeit het met voorzetsels op een klinker: djé = di + e (meest di djé), pé voor pa + é, né = na + é.
Waarom bij de pers. v.n.w. juist de akkusatief-vormen zijn blijven leven, ligt voor de hand: een dergelijk verschijnsel zien we immers ook elders. Denken we aan 't frans en andere romaanse talen, waar de naamwoorden bijna altijd op de akkusatief-vorm in 't latijn wijzen (soms komen beide nom. en akk. voor: sire
| | | | en seigneur). Ook op ander taalgebied merkt men een dergelijk verschijnsel op: arabies muslimīn is akk. van muslimûn, en de eerste vorm werd maleis en atjees moeslemin, terwijl 't maleis segâla 'ârifīn, alle geleerden, zegt, van ar. 'ârif(ûn), en 't grieks van tans gynaika ook in de nom. bezigt, voor oud-grieks gynē enz. Inderdaad schijnt ook de akkusatief-vorm in de talen met flexie de meest voorkomende, of altans - en dit is zeker - ze vormt vaak met genitief, datief enz. een meerderheid apart tegenover de meer afwijkende vorm van de nominatief. Zo lijken me en mi (lat. me en mihi en meī) meer op elkaar dan op ego, dat sp. yo geworden was, gynaika meer op gynaikos dan op gynē enz.
Behalve é, dat door soe vervangen wordt, dienen de persoonl. voorn.w. tevens als bezittelike. Merkwaardig is een konstruktie als deze: nos toer dos soe ioe, ons-beider kinderen (‘ons alle twee z'n kinderen’).
Even dient hier opgemerkt, dat vosotros - waarvan boso waarschijnlik komt - en él waarvan é - in 't spaans alleen in de nom. en na een voorzetsel worden gebezigd, in zoverre dus afwijkend van mi en nos, die uitsluitend datief en akkusatief vertegenwoordigen; terwijl vos in 't oudere spaans in alle naamvallen kon gebruikt worden evenals in 't galicies (nieuw spaans datief en akkusatief os).
Het enige betrekk. voorn.w. is koe. Dat dit rechtstreeks uit ké (que) zou ontstaan zijn, valt moeilik aan te nemen. Ook in 't galicies zegt men que en niet anders. Het karaïbies geeft evenmin enig licht; in 't neger-hollands der deense Antillen vinden we geen verklaring1). We moeten dus besluiten tot een dialektiese vorm, wellicht in gebruik bij spaanse landverhuizers. Of moeten we aan cuyo (lat. cujus), dat in 't spaans nauweliks volkswoord is, denken? Vergelijk cui (uitspr. koei), dat in 't oudfr. en ital. na een voorzetsel voorkomt: di cui enz. Voor wiens of wier zegt men in 't papiamentoe di kéndé (port. de quem = sp. de quien), welks en welker worden weergegeven door di koe (sp. de que).
| | | |
Kéndé (naast kén) voor wie heeft een geheimzinnig aanhangsel de achter het portugees of galicies quem (spr. kin). Zeer tipies is 't gebruik van otroe voor ‘elkander’.
Bij de aanw. v.n.w. zijn merkwaardig és aki, frans ceci of celui-ci (celle-ci enz.) en és ésaï, cela of celui-là (celle-là enz.). Zoals men weet, bestaan er in 't spaans drie aanw. v.n.w., en is dus die bijwoordelike toevoeging daar niet nodig.
Ten slotte hebben de telwoorden nog iets biezonders. De hoofdgetallen blijven meest onveranderd zo als in 't spaans: alleen zegt men diés-oen (11), diés-dòs (12), diés-très (13) enz. in pl. v. once, doce, trece enz. Twintig wordt binti (veinte). De ranggetallen vormt men met di (sp. de): di trés staat voor tercero enz. Echter komen zuiver spaanse vormen wel daarnaast voor. De ‘eerste’ is promè(r) of di promè(r). De o in de eerste lettergreep van dit laatste woord is te verklaren uit de invloed van de volgende m:
primèr(o) > primèr > promèr of promè.
Spelling. Deze is vrij willekeurig. Die welke gevolgd wordt door de nederlandse geesteliken voor hun blad La Cruz (spaanse titel!) en hun schoolboekjes is een merkwaardig mengelmoes van spaanse en nederlandse klankvoorstellingen. Zo is oe meestal de voorstelling van onze oe-klank, echter ziet men ook u daarvoor. K is overal in de plaats getreden van de spaanse c vóor a, o of u en van qu, behalve in coe met (sp. con). J vervangt de spaanse y. De ñ wordt geregeld weergegeven door nj; terwijl de klank van de spaanse ch in spaanse woorden zo voorgesteld blijft, en in hollandse woorden door tj vertegenwoordigd is. We hebben gezien dat spaans b en v door b worden uitgedrukt met de klank van de nederlandse b. Voor 't overige zouden wij sterk voor een volkomen konsekwente vernederlandsing van de spelling wezen; maar dan vrij van alle etimologies gepeuter1).
| | | |
Op die wijze zouden de papiamentoe-sprekende kinderen gemak hebben bij 't aanleren van onze taal.
Dat deze niet reeds meer doorgedrongen is op onze West-Indiese eilanden dan in 't armzalig instopseltje van 't papiamentoe, strekt ons bestuur niet tot eer. De toestand is nu zo, dat geen huisvrouw op Curazao buiten de kennis van dit kindertaaltje kan, wil ze behoorlik met haar dienstboden kunnen omgaan.
Of 't echter een toekomst heeft? We betwijfelen het. Moge het in niet te lange tijd door het nederlands verdrongen worden.
Hieronder volgen enige bladzijden tekst in papiamentoe met nederlandse vertaling.
| |
1.
Gesprek in papiamentoe met vertaling1).
| Kom bai bo? |
| Masjà bon, danki Dios. I bos? |
| Awòr mi ta sinti hopi mihò. |
| Mi a bini bisjìta bo. |
| |
| Toema bo loegà. |
| Mi a bini pasa oen ora koe bo. Lo mi no stroba bo? |
| Na ningoen manéra. Bo ta asi mi di-màs grandi pleisìr di moendoe; pasòbra mi ta so, manèra bo ta weita2). |
| I mi no tin ningòen okoepasjòn. |
| Bo no ta goesta di lésa? |
| Héndé po(r) lésa tambè di-màs. |
| Hoe gaat het u? |
| Heel goed, Goddank. En u? |
| Ik voel me nu veel beter. |
| Ik kom u opzoeken (lett. ben gekomen ...). |
| Neemt u plaats. |
| Ik kom een uurtje bij u doorbrengen. Doe ik u geen belet aan? |
| Volstrekt niet. U doet me het grootste genoegen van de wereld; want ik ben alleen zooals u ziet. |
| |
| En ik heb helemaal geen bezigheid. |
| Houdt u niet van lezen? |
| Men kan ook te veel lezen. |
| | | |
| Antò lo nos papia hoentoe. |
| Mi a téndé oen noboe. |
| Kiko bo a téndé? |
| Juffrou Marì ta breit. |
| Ta berdà? |
| Po(r) ta posibel? |
| Toer héndé ta bisa. |
| Koe kéndé é ta kasa? |
| É ta kasa koe Menèr B. |
| É ta masjà rikoe, ségòen nan ta bisa. |
| Ma1) Juffrou Marì tin moetjoe plaka tambè. |
| Soe tata ta doena é sinkwénta mil goelde. |
| Kwandoe lo nan kasa? |
| Nan no sabi é dia aïnda. |
| Kom bjéoe Menèr B. ta? |
| É no ta mas koe trinta anja2). |
| I kom bjéoe é breit ta? |
| É ta hopi mas mosa: é no ta djés-òtjoc aïnda. |
| Awòr é dos famìanan lo ta masjà konténtoe. |
| No ta sin rasòn. |
| Dan zullen we samen praten. |
| Ik heb een nieuwtje gehoord. |
| Wat heeft u gehoord? |
| Juffrouw Marie is de bruid. |
| Is 't waar? |
| Is 't mogelik? (Kan 't mogelik zijn?) |
| Iedereen zegt het. |
| Met wie trouwt ze? |
| Ze trouwt met Meneer B. |
| Hij is heel rijk, naar ze zeggen. |
| Maar Juffrouw Marie heeft ook heel veel geld. |
| Haar vader geeft haar vijftig duizend gulden (mee). |
| Wanneer gaan ze trouwen? |
| Men weet de dag nog niet. |
| Hoe oud is Meneer B.? |
| Hij is pas dertig jaar. |
| En hoe oud is de bruid? |
| Ze is veel jonger: ze is nog geen achttien. |
| De beide families zullen nu zeer in hun schik zijn. |
| Dat is niet zonder reden. |
| |
2.
| Oenda Menèr Pietersen ta biba? Bo konosé soe kas? |
| Ta é kas grandi noboe, dilanti di trahadò di pam. |
| Na meimèi di kaja. |
| Mi ta gradìsi bo. |
| No bal danki. |
| |
| Menèr P. ta na kas? |
| No, Menèr, é ta sali. |
| Waar woont Meneer Pietersen? Weet u zijn huis? |
| Het is het grote nieuwe huis tegenover de bakker. |
| In 't midden van de straat zowat. |
| Ik dank u. |
| Geen dank (lett. 't is geen dank waard). |
| Is Meneer P. thuis? |
| Nee, Meneer, hij is uit. |
| | | |
| Lo é bini atrobè prontoe? |
| Podi-sè lo é bini prontoe. Bo ta goesta di spéra é? |
| Antò drénta dén kamber di banda. |
| Mi ta weita é bini. |
| Bon dia, Menèr. Kiko ta na bo serbìsji? |
| Mi tin koemindaméntoe di asi na bo di Menèr B. |
| Ata oen brifi pa bo.1) |
| Menèr B. ta pidi mi di risibi bo bon. |
| |
| Bo por dispòné di mi. |
| Lo mi asi bo mira kos di-mas boenita koe nos tin akì. |
| Lo mi ta masjà gradisi na bo. |
| Zal hij gauw thuis komen? |
| 't Kan wezen dat hij gauw komt. Heeft u lust op hem te wachten? |
| Gaat u dan in de zijkamer. |
| Ik zie hem komen. |
| Goeien dag, Meneer Wat is er van uw dienst? |
| Ik heb u de groete te doen van Meneer B. |
| Hier is een brief voor u. |
| Meneer B. verzoekt me, u goed te ontvangen. |
| U kan over me beschikken. |
| Ik zal u 't mooiste laten zien wat we hier hebben. |
| Ik zal u zeer verplicht zijn. |
| |
3.
| Bon dìa, mama. |
| Bo a droemi bon? |
| Bastante bon, è bo? |
| Mi tin dolò di kabès. |
| Es-aì no ta nada. |
| Lo nos bébé kofi oembè. Kofi lo koera bo. |
| Mi ta spéra és-aì, mama. |
| Kiko bo a asi ajèra? |
| Mi a sinja mi lés2). |
| Bo a asi bon. |
| Laga mi mira bo trabàoe. |
| Mi a lagè sérka Mefrou B. |
| Trésè awè mérdìa. |
| Lo mi no loebìda. |
| Mefrou B. ta konténtoe koe bo? |
| É ta masjà bon, é no ta ràbia noenka koe mi. |
| Goeie morgen, moeder. |
| Heb je goed geslapen? |
| Vrij goed en jij? |
| Ik heb hoofdpijn. |
| Dat is niets. |
| We zullen aanstonds (haast) koffie drinken. De koffie zal je genezen. |
| Dat hoop ik, moeder. |
| Wat heb je gisteren gedaan? |
| Ik heb mijn les geleerd. |
| Daar heb je goed aan gedaan. |
| Laat me je werk zien. |
| Ik heb 't bij Mevrouw B. gelaten. |
| Breng 't van-middag mee. |
| Ik zal 't niet vergeten. |
| Is Mevrouw B. tevreden over je? |
| Ze is heel goed, ze beknort me nooit. |
| | | |
| Korda bon lo-ké é a bisa. |
| |
| Si, mama doesji. |
| I kiko bo ta asi dén skol? |
| Mi ta koeminsa borda. |
| Bo no ta sinja pinta tambè? |
| Mi a pinta é blòmtjinan aï. |
| Es-aì ta bastante bon. |
| Bo ta pàpia toer dìa olandès? |
| Sin doeda, mama. |
| Mi ta paga boet koe mi pàpia papiamèntoe. |
| Bo matrès ta asi masjà bon. |
| Onthou' wel wat ze zeide (lett. gezegd heeft). |
| Ja, lieve moeder. |
| En wat doe je op school? |
| Ik begin te borduren. |
| Leer je niet tekenen ook? |
| Ik heb die bloemen getekend. |
| Dat is vrij goed. |
| Spreek je iederen dag hollands? |
| Zeker (zonder twijfel), moeder. |
| Ik betaal boete, als ik papiamentoe spreek. |
| Uw onderwijzeres doet (daar) heel goed (aan). |
| |
4.
| Bon bini, Menèr. |
| Bon dìa. Bo ta mira, kom mi ta koempi koe mi palabra. |
| Asina héndé méstè(r) trata. |
| Lo mi a bini mas tempràn si mi no tàbata tantoe okoepà. |
| Nos tin di bai noemà1) na mésa. |
| |
| Bo ta moetjoe alèoe di kandéla2). |
| Pordòna mi, mi ta masjà bon ponè. |
| |
| És-aì ta karni di baka doesji, arìba mi palàbra. |
| Lo mi por tribi sirbi bo koe ésakì? |
| |
| Laga mi doena bo oen snétji di é pidà akì (sp. pedazo = stuk). |
| Welkom, Meneer. |
| Goeien dag. U ziet, hoe ik mijn woord houd. |
| Zo moet men handelen. |
| Ik zou vroeger gekomen zijn, als ik 't niet zo druk gehad had. |
| We kunnen zo aan tafel gaan (we hebben alleen maar ...). |
| U zit te ver van 't vuur. |
| Ik vraag wel exkuus, ik zit heel goed (lett. ik ben zeer goed geplaatst). |
| Dat is heerlik rundvlees, op mijn woord. |
| Zou ik u hiervan iets mogen geven? (lett. zal ik u kunnen durven dienen met dit hier?). |
| Laat me u een sneetje van dit stuk geven. |
| | | |
| É karni di bisè akì ta més blankoe koe snéoe i asina moli koe mantéka (bisè, sp. becerro, stiervaars). |
| Na oenda bo ta, Jàkob? |
| Kita é platoe nan-aì. |
| Trésé otroe kos pa nos. |
| Menèr ta boeska pam. |
| Lo mi korta pa bo. |
| Bo ta doena mi moetjoe. |
| Mi méstè(r)1) doena bo mità(r) atrobè. |
| Mira oen abondànsia di kos doesji ékstraordinàrioe! |
| Ta admira bo asina oen pokoe kos? |
| Ésta2) doesji é bout aï ta moestra! |
| É ta nét na témpoc asà. |
| Ma bo no ta bébé. |
| Mi no a korda 'riba bébémèntoe. |
| Bam, Menèr, 'riba bo bon jégamèntoe. |
| Kiko, bo ta bisa di é winja aì? Kom é ta smak bo? |
| Mi ta anjè3) masjà doesji. Na Frànsia mi no a bébé mihòr. |
| Dit kalfsvlees is zo blank als sneeuw en zo mals als boter. |
| |
| Waar ben je, Jakob? |
| Neem die schotels weg. |
| Breng ons wat anders. |
| Meneer zoekt het brood. |
| Ik zal 't u snijden. |
| U geeft me te veel. |
| Ik moet u de helft teruggeven. |
| Kijk's wat 'n buitengewone overvloed van heerlike dingen! |
| Verwondert u zulk een kleinigheid? |
| Wat ziet die bout er lekker uit! |
| Hij is net goed gebraden. |
| Maar u drinkt niet. |
| Ik heb niet aan drinken gedacht. |
| Komaan, Meneer, op u behouden aankomst. |
| Wat zegt u van die wijn? Hoe smaakt u die? |
| Ik vind hem heel lekker. In Frankrijk heb ik 'm niet beter gedronken. |
| |
5
| Laga nos bam keire. |
| Ta moetjoe kalòr. |
| No, ta parsé mi koe no. |
| Mi ta sinti kalòr. |
| Mi ta sinti frìoe. |
| Ki wér nos tin? |
| Ta mal wér. Ta jobé. |
| Ta soepla. |
| Laat ons gaan wandelen. |
| 't ls te heet. |
| Nee, 't lijkt me niet (zo). |
| Ik voel me warm. |
| Ik voel me koud. |
| Wat voor weer hebben we (is er)? |
| 't Is slecht weer. 't Regent. |
| Het waait. |
| | | |
| Awaséroe1) ta pasa. No tajobé mas. |
| Soloe ta baï drénta. |
| Loena ta sali. |
| Mi ta baï. Pasa bon. |
| Mi to désèa bo bon anòtji. |
| De bui is over. Het regent niet meer. |
| De zon gaat onder. |
| De maan komt op. |
| Ik ga heen. 't Ga je goed. |
| Ik wens je een goeie nacht. |
| |
Een proza-stukje uit het leesboekje Historianan Recreativa. Promer Seccion. Imprenta di Vicariato 1902.
Rémédi robès. Het verkeerde middel.
| Tàbata djés-oen or di anòtji kaba. Tàbata asi masjà(r)frìoe, asìnakoe ningòen héndé no tàbata riska sali na kaja. Toer kas tàbata serà kaba. |
| Ma mira, dén skoeridàd di anòtji oen moetja moehèr di djés anja tàbata kamna poerà-poerà: soe kabès tàbata marà koe oen lénsoe di lana, i wàoe di soe babi2) é tàbatin oen kos skondì. Étàbata kamna mas poerà koe é tàbata por, pa skapa for di mal témpoe koe tàbatin. Soe lipnan tàbata saka oen orasjòn: ‘Santa Marìa, pidi pa nos, pidi pa mi bon mama, nó, no largè moeri, o Mama di Dios, pàpia maské oen sol palàbra koe bon Dios...’3). |
| Oen gritoe répjènté4), koe apéna héndé no por a téndé di soepla koe bjéntoe tàbata soepla ... i é po- |
| 't Was elf uur 's avonds reeds. 't Was erg koud, zo dat geen mens zich buiten op straat waagde. Alle huizen waren reeds gesloten. |
| Doch zie, in de duisternis van de nacht liep een meisje van tien jaar haastig (voort): haar hoofd was gewikkeld in een wollen doek, en onder haar boezelaar had ze iets verborgen. Ze liep zo snel als ze kon, om te ontkomen aan 't slechte weder, dat het was. Haar lippen brachten een gebed uit: ‘Heilige Maria, bid voor ons, bid voor mijn goede moeder, nee, laat haar niet sterven, o Moeder Gods, spreek al was 't maar een enkel woord met de goede God’. |
| Een plotselinge kreet, die men nauw onderscheiden kon van de windvlagen ... en het arme meisje |
| | | |
| bersitoe moetja tàbata lora1) abào na swéla. É tàbata jora doeroe i é tàbata grita pidi auksìlio, mjéntra é tàbata trata di lamànta for di swéla. É pobersìtoe a slip. Soe kaïmèntoe no a asi é més ningòen danjoe, ma é rémèdi si, koe é tàbatin skondì bào di soe babi. Sin konswèloe él a kòhé é flésji dén skoeridàd, ma é flésji a kibra i toer lo-ké tàbata dén a basìa riba kaja. Ki desgràsia! Ai, ta kom bon Dios por a permìti oen kos asìna! Na kas - na kama di maloe di soe mama - soe tata ta spéra é rémèdi koe ànsïa. |
| |
| Dokter a manda pa nan traha é rémédi inmédiatamènté. Soe mama ta kima koe kajéntoera i bida i mortoe ta dépéndé djé rémédi, koe dokter a réséta! Mas koe mei ora Alina méstè(r) a sinta spéra na botika, promèr koe nan a traha é rémédi. É botikàrioe bjéoe i broetoe a ràbia masjà(r), koe Alina a hala klok asina lat dén anòtji pa lamantè foi sonjoe! Ma ta Alìna por a joeda antò? I kiko lo sosèdé, si Alina bin bisè awòr koe é flésji a kibra? Lo é bòlbé traha rémédi, awòr koe ta kasi mei anòtji? ... |
| was neergerold op de grond. Ze schreide hard en riep om hulp, terwijl ze trachtte op te staan van de grond. Het arme kind was uitgegleden. Haar val had haar zelf in 't geheel geen pijn gedaan, maar 't flesje wèl (geschaad), dat ze onder haar boezelaar verborgen had. Troosteloos greep ze 't flesje in de duisternis, maar 't flesje was gebroken, en al wat er in was was leeggelopen op de straat. Wat 'n ongeluk! Och, hoe kon de goede God zo iets veroorloven! Thuis - aan 't ziekbed van haar moeder - wacht haar vader het drankje met angstig verlangen. |
| De dokter had bevolen het drankje onmiddellik te laten klaarmaken (lett. dat ze maken het geneesmiddel ...). Haar moeder lag te branden van de koorts, en leven en dood hingen af van het geneesmiddel, dat de dokter had voorgeschreven! Meer dan een halt uur moest A. zitten wachten in de apoteek, voordat men het drankje had gemaakt. De oude en norse apoteker had erg geknord, dat A. zo laat in de nacht de bel geluid had, om hem uit de slaap te doen opstaan! Maar kon A. het dan helpen? En wat zou er gebeuren, als A. nu kwam zeggen, dat het flesje gebroken was? Zou hij het drankje weer klaarmaken2), nu dat het bijna middernacht was? |
| | | |
| Oen momèntoe Alina a kéda résolbé, déspwès él a bira bai botìka atrobè. ‘I maské é dal mi’, é disi dén soe més, ‘lo mi wanta (sp. aguantar = aanpakken) mi golpi koe ànimoe, basta é bòlbé traha é rémédi pa mi; sin rémédi mi no ta bai kas.’ |
| Na kamìna é tàbata résa koe débosjòn po toer kos sali bon sérka és omber trabahòsoe. ‘Ai, lo mi pidiè pordòn di éntèr mi koerasòn pa mi falta di hwisjo i lo mi pidiè amistosamènte pa é no ràbia koe mi ...’ |
| Éntrétàntoe olosji di forti a bati djés-dòs or. Dén béntàna di botika tàbatin loes aïnda. Danki Dios! |
| |
| Mara1) Alìna tàbata sabi, pakiko tin loes séndè i pakiko é botikàrioe ta lamàntá aïnda! Manèra oen héndé rasoe é tàbata kamna bai bini dén botìka: é tàbata dal mokèta dén lària, é tàbata ranka soe kabèi, é tàbata pàpia palabra sin pià sin kabès. Ta ki faltè? |
| |
| ‘Mi Dios, joeda mi!’ él a sklama, é koe soe bràsanan abrì él a kàï na rodìa, ‘mi no a asi pa éksprès, apsoloetamènté no. Ai, mara mi por drétja és falta aì! |
| Ėl a saka oen resèta foi dén latji i a kéda mirè. ‘Nada’ - é disi |
| Een ogenblik was A. in beraad gebleven, daarna was ze weer naar de apoteek teruggegaan. ‘Al slaat hij me ook, zeide ze bij zichzelf, ‘ik zal zijn (mijn) slagen met moed verdragen, mits hij maar weer 't drankje voor me maakt; zonder drankje ga ik niet naar huis.’ |
| Onderweg bad ze met innigheid, dat alles goed mocht aflopen bij die moeilike man. ‘Och, ik zal hem vergiffenis vragen van ganser harte, om mijn onverstand, en ik zal hem vriendelik verzoeken, of hij niet boos op me wil zijn ...’ |
| Intusschen had de klok van het fort twaalf uur geslagen. In het venster van de apoteek was nog licht. Goddank! |
| Als A. toch 's wist, waarom er licht aangestoken was en waarom de apoteker nog op was! Gelijk een razende liep hij op en neer in de apoteek, hij sloeg met de vuist in de lucht (lett. sloeg stompen...), hij rukte zijn haren uit, hij sprak woorden zonder slot of zin (zonder voet en hoofd). ❘ Wat mankeerde hem? |
| ‘Mijn God, help me!’ had hij uitgeroepen en met geopende armen was hij op zijn knieën gevallen ‘ik heb 't niet opzettelik gedaan, volstrekt niet. Och, mocht ik die fout kunnen herstellen!’ |
| Hij haalde een recept uit een laadje en bekeek het een poos (lett. bleef |
| | | |
| koe déséspérasjòn - ‘ta nomber sol ta para riba ... ni loegàr kamina é ta biba, nada, nada. Ai Dios, di awè padilànti lo mi no ta sin pasènsji mas pa héndé énfèrmoe, joeda mi és bjaha akì sol! warda mi di oen asésinàtoe!... pa wergénsa1)... pa prisòn2)...! Ai, ai, si Bo no ta joeda mi, antò mi a mata oen héndé!’ I él a saka soe lénsoe i a séka é soedòr frìoe, koe tàbata koeri foi soe frénta. Pasòbra dén soe poerà i soe sinpasènsji (sp. su sin paciencia! vergel. echter sinrazón) é pobersitoe omber, mità(r) na sonjoe, a kohé oen fraskoe robès, ora él tàbata traha é rémédi pa Alina. Na loegàr di tintòera di òpioem él a doena tintòera di jòdioem ... Esta oen desgràsia!... |
het bezien). ‘Niets’ - zeide hij met wanhoop - ‘er staat alleen maar een naam boven... en niet de plaats waar ze woont, niets, niets. Och God, van nu af aan zal ik niet meer ongeduldig zijn tegenover zieken, help me deze ene keer (“reis”) alleen! behoed me voor een moord! ... voor schande ... voor de gevangenis ...! Och, och, als Gij me niet helpt, dan heb ik een mens gedood!’ En hij haalde zijn zakdoek voor den dag en droogde zich het koude zweet af, dat hem van 't voorhoofd liep. Want in zijn haast en zijn ongeduld had de arme man, half in slaap, een verkeerd flesje gegrepen, toen hij het drankje voor A. (gereed) maakte. In plaats van tinktuur van opium had hij tinktuur van jodium gegeven ... Wat 'n ongeluk!... |
| Ma ata oen kos a dal na soe sintir. Dia él a toema botìka na soe kwénta, tàbata na frénta di és botika, segòen kostòember piadòsoe di és loegàr katòlikoe akì, sigjénté inskripsjòn: ‘Botika di Marìa, salòed di énfèrmonan’, na oen dos anja pasà él a kita ès inskripsjòn pa konsèhoe di algòen ‘amìgoe’, pa motiboe koe lo é oféndé algòen héndé koe ésaì, i nan lo no koempra kos mas sérka djé. |
Doch daar herinnerde hij zich op eens iets (lett. sloeg in zijn bewustzijn). De dag waarop hij de apoteek aanvaard had (lett. voor zijn rekening genomen), stond er vóor op die apoteek, naar 't vrome gebruik op deze katolieke plaats, het volgende opschrift: ‘Apoteek van Maria, gezondheid der zieken’, maar een tweetal jaren geleden had hij het opschrift weggenomen op raad van een ‘vriend’, want hij zou daarmee enige mensen kwetsen, en die zouden (dan) niets meer bij hem kopen. |
| Jén di kontrisjòn é omber desgra- |
Vol zelfverwijt viel de ongelukkige |
| | | |
| sjàdo a bòlbé inka (sp. hincar) rodia: ‘O Marìa’ - él a sklama, - ‘réfühioe di pékadòrnan, konswéloe di aflihìdonan, salòed di énfèrmonan, pidi pa mi! joeda mi i lo mi bòlbé doena bo nomber na mi kas!’... |
man weer op zijn knieën: ‘O Maria’ - riep hij uit - ‘toevlucht der zondaren, troost der bedroefden, gezondheid der zieken, bid voor mij! help me, en ik zal uw naam weer aan mijn huis geven!’... |
| Di-golpi oen héndé a hala klok. |
Op eens trok er iemand aan de bel. |
| É omber bjéoe a abri porta sin sabi; pa pàpia berdàd, kasi é no tàbata sabi kiko é tàbata asi. |
De oude man deed de deur open zonder (het) te weten; om de waarheid te zeggen, hij wist bijna niet wat hij deed. |
| Alina tàbata para dén drémpi koe soe mànoenan riba otroe: ‘Ai mi bon botikàrioe, mi ta pidi bo pordòn. Di bérdé més, mi no por joeda.’ Asina é moetja tàbata pàpia koe oen stém témblàndoe. |
Alina stond op de drempel met haar handen op elkaar: ‘Och mijn goede apoteker, ik vraag uw vergiffenis. Heus (lett. waarlik zelf), ik kan 't niet helpen. Zo sprak het meisje met een bevende stem. |
| Koe oen pasoe é botikàrioe tàbata parà soe dilanti i disi: ‘Mei ora pasà bo no tàbata akì tambè?’ |
Met éen stap stond de apoteker vóor haar en zeide: ‘Was je niet een half uur geleden ook hier?’ |
| ‘Sí, Sjon, ma ... ai, bo no ràbia, ta dwél mi masjà(r) koe ...’ |
‘Ja, Meneer, maar ... och, weest u niet boos, 't spijt me erg dat...’ |
| É botikàrioe no tàbata kompréndé kiko é moetja kjé(r) a pàpia. Soe mama a moeri? ‘Ta kiko a sosédé, pàpia drétji pa amor di Dios!’ |
De apoteker begroep niet, wat het meisje had willen zeggen. Was haar moeder gestorven? ‘Wat is is er gebeurd, zeg 't ronduit, om Gods wil!’ |
| ‘Mi a slip, i é flésji a kibra’: Alina no por pàpia ni oen pià1) di palabra mas. Pasobra koe làgrima di alégrìa dén soe wowo, é omber félìs a primi é moetja na soe koerasòn i a bisè: |
‘Ik ben uitgegleden, en het flesje is gebroken’: A. kon niet spreken, geen enkel woord meer (pia = voet).1) Want met tranen van vreugde in zijn ogen drukte de gelukkige man het meisje aan zijn hart en zeide tot haar: |
| ‘Mi bon ioe, bo ta oen ànhél.’ I él a poné é moetja dén oen stoel di soja2) banda di kandéla i a |
‘Mijn goed kind, je bent een engel’. En hij zette het meisje op een wipstoel naast het vuur en gaf |
| | | |
| doenè oen man jén di mangel i disi: ‘Ata, mi ioe, pasa bo témpoe koe nan, lo bo no tin koe spéra é rémédi moetjoe ora, é ta kla oembès. No spanta, bo ta oen bon moetja.’ |
haar een handvol amandelen en zeide: ‘Daar mijn kind, breng je tijd daarmee door, je hebt niet heel lang op de medicijn te wachten, ze is dadelik klaar. Wees niet bang (verschrikt), je bent een goed meisje’. |
| Alina no tàbata kompréndé nada. |
A. begreep (er) niets (van). |
| Despwès di oen kwartoe di ora Alina a sali pa di-dos bés for di és botika. Mjéntra é omber bjéoe tàbata abri porta pa é sali, oen séntinéla tàbata pasa. ‘Hwan’, él a grita, ‘bo méstér’ hiba és moetja aké kas. Lo mi paga bo. Ta mei notji, i no ta ora pa moetja ta riba kaja!’ ... |
Na een kwartier ging A. voor de tweede maal uit die apoteek. Terwijl de oude man de deur opende, opdat zij er uit zou gaan, ging er een schildwacht (nachtwacht?) voorbij: ‘Jan’, riep hij, ‘je moet dit meisje naar huis brengen. Ik zal je betalen. Het is middernacht, en 't is geen uur voor 'n meisje om op straat te zijn!’ |
| Santisima Birhen a skoetja orasjòn djé moetja. Prontoe péligroe a kita i soe mama a koera. |
De Allerheiligste Maagd verhoorde het gebed van het meisje. Spoedig was 't gevaar geweken, en haar moeder genas. |
| Algoen sémà déspwès héndé por a mira é inskripsjòn bjéoe riba porta djé botika. Awòr nan a ponè koe létér grandi di oroe: ‘Botika di Marìa, salòed di énfèrmoenan.’ |
Enige weken later konden de mensen het oude opschrift boven de de deur van de apoteek zien. Nu heeft men het met grote gouden letters (er op) gezet: ‘A poteek van Maria, gezondheid der zieken’. |
Ten slotte zij hierbij aangetekend, dat ik de meeste taalkundige biezonderheden, behalve uit de teksten van de genoemde boekjes, ontleend heb aan de volgende werkjes: Woordenlijst en Samenspraken Hollandsch-Papiamentsch, uit de beste bronnen samengesteld door X, uitg. Gebrs. Jonckheer, Curaçao, W.I.z.j., Theoretische Spraakkunst der Papiamentsche Taal door Antoine Pijpers, gedrukt bij J.P.E. Neümañ, Curaçao 1898, de Apuntanan Historico di Colonia Curaçao, Curaçao Imprenta di Vicariato 1903, en ten slotte aan de Gramatica corticoe
| | | | (moetjoe kortikoe! want ze telt 32 blz., evenals de vorige) pa Alfredo F. Sintiago; Curazao, imprenta de la librería de A. Bethencourt é hijos 1898 (dit laatste in deftig spaans!).
Ik dank die bronnen, behalve nog enkele nummers van La Cruz, 't bovengenoemde blaadje, aan de welwillendheid van Curazaose brief kennissen.
Amsterdam.
a.a. fokker. |
1)Zie Handelingen v.h. Zevende Nederlandse Filologen-kongres. Het artikel bevat de toen gehouden voordracht met een enkele wijziging en toevoeging.
1)Veel portugese Joden werden in de 17de eeuw uit Brazilië verjaagd en vestigden zich op West-Indiese eilanden.
1)Wellicht hetzelfde lo uit ons lopen (= gaan), dat Prof. Hesseling aanhaalt in zijn studie ‘Het Negerhollands der Deense Antillen’ als futuur-vormer. Zie ook noot blz. 67.
2)Is dit boso wellicht ontstaan uit vos-otros? of uit port. vosso?
1)Zie Père Bréton, Grammaire caraibe, 1668, nieuwe uitgave (onveranderd) Parijs 1878.
1)Evenwel ligt de toon op de wortellettergreep als in 't sp. presens. - Zeer merkwaardig is bam (1 e pers. mv.) als enige finiet-vorm in de hele taal (sp. vamos, = we gaan of laten we gaan), naast baï in ider ander geval.
1)Een spoor van een vrouwelik lidw. heeft men in enkele woorden bewaard, echter zonder dat men het daarin schijnt te voelen: lareina de koningin, laria de lucht, lamar de zee. Alafin zal wel van sp. alfin komen, en niet van fr. à la fin.
1)De spelling door ons in dit artikel gevolgd is onze eigene, zo als we die - echter zonder de akcenten - voor het p. wenselik zouden achten. Een é = gesloten e, het andere akcent wijst de klemtoon aan. De b hebben we zo gelaten. De klemtoon ligt op de voorlaatste lettergrcep, tenzij anders aangeduid.
1)De nu volgende gesprekken zijn in veranderde spelling en, voor 't nederlands, ook redaksie, ontleend aan ‘Woordenlijst en zamenspraak in de Nederlandsche en Curaçaosche landstaal door N.’ (Lista di Palabranan enz.). C.J. en A.W. Neumann Fzn Curaçao, 1891.
2)Hoe komt men aan weita? Is 't nederl. wete( n)? Ideologies verband is er: vergelijk b.v.l.G. weid (ons weten) en gricks ἱδεῖν, zien. Sp. of port. is 't hoogstwaarsch. niet.
1)In ma (van sp. más, een ouder woord voor maar) = kan men ook holl. maar met verzwakte eind-r zien.
2)Beide zinnen zijn duidelik naar 't hollands; spaans gedacht zou zijn: é no tin mas koe trinta anja.
1)Ata kan ik niet thuisbrengen. Daar 't hier is (fr. voici, lat. ecce) betekent, zal ta wel 't gewone ta = is wezen; maar a? Sp. aquí está (oud ook: he aquí, waarin lat. hī c), = hier is.
2)Weder een ‘batavisme’ ( sinja van enseñar = leren = onderwijzen).
1)noema uit no más, niet meer; alèoe uit sp. lejos?
2)Sp. candela kaars, familiaar ook = vuur.
1)Kan uit spaans menester, maar ook uit port. mėster (id. behoefte) verklaard worden; heeft in 't algemeen de zin van ‘moeten’ aangenomen, waarbij de vorm ‘moest’ invloed kan gehad hebben.
3)anja + é; anja van sp. halla(r) vinden.
1)Sp. aguacero, zware regenbui, stortbui.
2)babi kan ik niet thuisbrengen.
3)larga laten, ook laga (zie gesprekken). sp. larga( r) laten schieten, vieren a.a.
4)repjénté moet een volksvorm wezen van sp. repente; vergelijk in 't sp. dialekties diferiente voor diferente enz.
1)lora, met. van rolar, portugees = sp. rodar, rollen?
2)bolbé traha, vergelijk sp. volver a trabajar (hier zou men i. pl. v. trabajar preparar bezigen).
1)Is weer een geheimzinnig woord (toch 's, uit 't verband op te maken). Moet men hier denken aan sp. marras, fam. voor ‘'s op 'n keer’ (el día de marras), dat van arab. marra( tan), 'n keer, 'n maal, komt, met adverb. s?
1)De g is hier stemhebbende stoter, geen blazer! Vergelijk sp. vergüenza, schande, schaamte. Bjaka (sp. viaje uitsl. fr. voyage) hier = ‘reis’ = keer.
2)Sp. prisión, part. echter prisõa: dus waarsch. uit het laatste.
1)‘Geen voet’, vergelijk fr. ne pas, geen stap, ne point, geen steek enz. In 't Skr. is pada = voet en woord.
1)‘Geen voet’, vergelijk fr. ne pas, geen stap, ne point, geen steek enz. In 't Skr. is pada = voet en woord.
2)Wat zoja (zo spelt men het) voor een woord is, is me niet duidelik. Zon 't holl. zwaaie( n) zijn?
|
|