Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34. E.J. Brill, Leiden 1915/1916  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Kleine mededeelingen.

41. Sjappitouwer, orenbaar, bakkeleien.

Deze drie woorden van Maleischen oorsprong komen tezamen voor in een politiek paskwil van Romeyn de Hooghe, getiteld Het Cremoneesche Vreugdevuur, dat als het eenendertigste van zijn pamflettenreeks Esopus in Europa in 1702 verschenen is. Drie mannen uit het volk, de Sappetausvaarder, de Orenbaar, en Hannekenuyt, treffen elkaar op Liefkenshoek, en wat ze over hun kriekebier elkaar te vertellen hebben vormt den inhoud van het pamflet. Ziehier het begin van hun bierpraat:

de orenbaar. Wel Kees, in wat gat hebt ge gesteeken, dat

[p. 69]

ik u in zoo veele jaaren niet gezien heb? ik meende, dat ge al lang in de Spaansche Zee dobberde1).

de sappetausvaarder. Onkruyd vergaat niet. Maar gy, van waar komt gy hier verzeild? Wie drommel zou u op Liefkenshoek zoeken? trouwens, 't is net de plaats van ouds, daar gy 't huys hoort: gy waart van uw jonkheid af een wilde Kappelaan, en eeuwig onder de Lichtekooyen verward.

de orenbaar. Ja, die kalfsklaauwen zijn afgestooten. Immers is 't waar, dat bergen, en daalen malkander niet ontmoeten, maar menschen al.

de sappetau2). Uylskuyken! bergen en dalen ontmoeten malkander altyd, en zyn wisse buuren, de eene ziet men nooit zonder den andere; maar zyt gy altyd aan land gebleeven?

de orenbaar. Dat moest waar blyven; ik heb geen stryd op 't raazende water: ik zie niet gaerne zout water, als in myn moêrs visketel.

de sappetau. Daarom zyt ge noch te wyzer, noch te beter, maar uw vaâr, en bestevaâr waaren ook al zulke jangatten. Neen byget, de mynen dorsten 'er op uyt snuyven. Myn overgrootvaâr deed de eerste tocht, voor de Oostindische Compagnie, in 't jaar 1602, toen die eerst opgeregt wierd; dat is nu net honderd jaaren geleden. 't Was een plaizier, den ouwe Bol te hooren vertellen van zyn jonkheid, hy voer voor Hooplooper3) uyt: wat heeft hy op de eerste vloot al gehardebold met de Stormen, de Wilden, de Spekken, en de Indiaanen? Maar daar is geen volk in de waereld, die dat lusten zou zoo veel honger, en kommer, zoo veel gevaar, en over al 't spits afbyten; hy bleef over op de eerste reduyt, op Jaccatra, daar nu dat hemelsche Batavia is. De Javaanen stormden by duyzenden daar op; de Mataram was 'er zelfs voor; kruyt, en alles was verschooten, zy moesten met pannen, ja met hunne eige drek

[p. 70]

zich beschermen, ze hielden 't evenwel uit, zoo dat ze de Javaanen deeden schreeuwen, Orang Ollanda, backeley sammatey1), die Hollandse honden vechten met drek.

de orenbaar. Tot zulk een prys staat my de nieusgierigheid niet aan: ik hou 't vaste land onder de voeten; den een drijft zyn lust ter zee, en den andere te land; maar is 't niet meer als honderd jaaren, dat die Compagnie begonnen heeft? hoe kan dat weezen? ik heb van de Fransen wel gehoord, dat zy daar meer magt hebben, als hier de Koning van Vrankryk. Ho, Fielebard.

hannekenuyt. Ho, Losin'thol2): hoe komt het volk by de luy? vind ik u hier? wel wat kleurtge karmozyn: en evenwel een uperken3) op de hand? wel, zoo lang u zulke roozen op de hand wasschen, zoo zal u 't geld in de beurs niet schimmelen.

de orenbaar. Ja wel, ik hou veel van een praatjen; en zie, daar is een man der mannen; die 't niet scheelen zou, of hy voor de ring van de hel voer, als 'er maar wat te beschaaren was. Hy heeft Oost- en Westindien op zyn duim’.

Hannekenuyt brengt het gesprek op de Franschen, en de verdere dialoog loopt over de vraag wat die als vechtersbazen waard zijn. Hannekenuyt, een Antwerpenaar (zie Wdb. d. Ndl. T. s.v.), is met de Sappetausvaarder van oordeel dat het lafaards en pochhanzen zijn, de Orenbaar neemt het voor ze op. Maar de Orenbaar weet niet beter, omdat hij maar een Vlaming is, een van die ‘Stroppedraagers en Kaasvissers van Gent en Brugge,’ om met Hannekenuyt te spreken.

De samenspraak is in meer dan een opzicht belangrijk. Eerstens omdat ze een kleine twintig jaar ouder is dan Alewijns Jan Los of den bedroogen Oostindiesvaar (Amsterdam, 1721), waarin volgens Beets (Ts. XVII 194) ‘de oudste plaatsen (tot nog toe) te vinden zijn’ van het woord Sappetouwer. Tevens

[p. 71]

mag uit de nergens elders gevonden samenstelling Sappetausvaarder de gevolgtrekking worden gemaakt dat het woord Sappetau (-ou) aanmerkelijk ouder is dan ± 1700, daar voor Romeyn de Hooghe de beteekenis ‘een Jan Goddome’ niet meer gold. Het lijkt wel of hij in Sappetau den naam van een Indisch land gezien heeft, want voor hem beteekent Sappetaus-vaarder Oostindies-vaarder. Evenmin als Alewijn gebruikt de Hooghe het woord als een schimpnaam. De sappetau is de held van het drietal. Een spoor van de oorspronkelijke beteekenis ‘Jantje Goddome’ is evenwel te vinden in de woorden waarmee de Orenbaar hem aan Hannekenuyt voorstelt: ‘een man der maanen; die 't niet scheelen zou, of hij voor de ring van de hel voer, als 'er maar wat te beschaaren was’.

Wat Orenbaar betreft, merkwaardig is hier de beteekenis door de Hooghe er aan toegekend. Zij komt met geen der beteekenissen overeen die het Wdb. d. Ndl. T. II i, kol. 817 van baar opgeeft: (1) Spotnaam voor een zeeman die voor het eerst van zijn leven de linie passeert en in Indië komt. (2) Spotnaam voor ieder die pas in Indië komt, en bij uitbreiding: iemand zonder menschenkennis. (3) Ook gezegd van een nieuweling in een kunst of wetenschap.

Van de Hooghe's Orenbaar wordt uitdrukkelijk gezegd dat hij zich nooit op zee gewaagd heeft, laat staan de linie gepasseerd of in Indië geweest is. Hij is een Jangat, een bange landrot. Blijkt niet uit deze vroege beteekeniswijziging dat het woord omstreeks 1700 reeds een lange geschiedenis in den volksmond had?

Indien de algemeen aangenomen etymologie van bakkeleien nog bewijs behoefde, zou de Hooghe's Maleische aanhaling de twijfelaars kunnen overtuigen.

 

a.j. barnouw.

42. Blankofficier.

Het Wb. d. Ndl. T. II ii kol. 2784 verklaart niet waarom zoo'n opzichter over de slaven een ‘officier’ heette. In het lezens-

[p. 72]

waardige boek van Mevrouw W. Wijnaendts Francken - Dyserinck ‘Drie Maanden in de West’ lees ik op blz. 199:

‘Het half Hollandsch half Engelsche “blanke overseer” is later tot blankofficier verbasterd, welke term mij vroeger altijd aan iets vreeselijk wreeds: 'n officier met blanke sabel heeft doen denken, die hij tegen de slaven zwaaide’.

Hier hebben we ongetwijfeld den oorsprong van den naam. De Oxf. Engl. Dict. s.v. ‘overseer’ geeft als eerste beteekenis op: ‘one whose business it is to superintend a piece of work, or a body of workmen; a superintendent (of workmen, slaves, convicts, etc.’), en onder de bewijsplaatsen staat o.a. dit citaat uit W. Stork (Acc. East Florida 1766): ‘The overseer, and other white servants, will .... be hired much cheaper in a plentiful and good climate, than in a scarce and sickly one’.

 

a.j. barnouw.

43. De Aran en Titus en de Oene van Jan Vos.

Uit Het Amsterdamsche Tooneel van 1617-1772 (blz. 257) van Wybrands blijkt, dat de Aran en Titus den 30sten Sept. 1641 en de Oene den 8sten Mei 1642 voor het eerst werd opgevoerd. Maar beide drama's waren reeds lang te voren geschreven. Want volgens de ‘Schouburghs Rekeningen’, een Hs. aanwezig in het Archief van het Burgerweeshuis te Amsterdam, werd op 14 Febr. 1638 aan Adam van Germez, den later beroemden tooneelspeler, die in dien tijd wel eens meespeelde, maar vooral als barbier optrad en ook wel rollen uitschreef, ƒ 9 betaald ‘voor rolleren van het spel van Jan Vos en sijn klucht van Oenen’. Daardoor is het te verklaren, dat Tengnagel, die van schouwburgzaken zoo goed op de hoogte was, Jan Vos reeds onder de Amsterdamsche dichters noemt in zijne Amsterdamsche Lindebladen (1640). Met ‘het spel van Jan Vos’ is ongetwijfeld de Aran en Titus bedoeld, die dus al meer dan drie jaren vóór de vertooning was geschreven.

 

j.a. worp.

[p. 73]

44. Formine?

 
(Die werelt) slacht den losen coman
 
die vingherline van formine
 
vercoept voer guldine.

Beatrijs, vs. 304-306.

 

Het staat er, zonder eenigen twijfel. Maar buiten deze plaats in het HS. van de Beatrijs is formine nergens gevonden, want het woord in Strattmann's Middle-Engl. Dict. waarnaar het Mnl. Wdb. verwijst, heeft hierop geen betrekking. Aan Vercoullie's verwarde mededeeling in Ned. Mus., 22 II, p. 25: ‘oostersch woord, dat eigenlijk roode menie beteekent (Ar. ôfir = rood), deed ter oorzake van de levendig vuurroode kleur, die in 't goud zoozeer geprezen werd, ook als valsch goud dienst’, hieraan hebben we niets, zoolang hij ons den vorm van dat woord niet mededeelt, en het ons niet aannemelijk maakt, dat men zich menie voor goud in de hand liet stoppen.

De poging om een ander woord in de plaats te stellen, dat aan de eischen van den zin en van het rijm voldoet, zonder in den vorm ver af te wijken, zal men dus geen jagen op conjecturen noemen. Het is duidelijk, dat dit dan een goedkoop metaal moet beteekenen. Zou kalmijn niet aan deze eischen beantwoorden?

Kalamijn is een zinkerts, dat, volgens het Mnl. Wdb.1), o.a. te Bleiberg op drie uren afstands van het Limburgsche Valkenburg gedolven wordt. ‘Daar men de kalmijn gebruikte om het koper op goud te doen gelijken, werd de invoer van kalmijn in den tijd der Republiek verboden’. Van hoeveel belang de handel erin toen evenwel was, blijkt uit tal van plaatsen in de Resolutiën der Staten-Generaal gezonden aan de commissarissen-

[p. 74]

instructeurs te Maastricht (uitg. door Flament in Publ. Soc. Limb. 1913). Daar lees ik van Luiksche en Munstersche kalmijn, maar ook van kalmijn uit Altenberg (= La Calamine, Moresnet). Zoo b.v. op het jaar 1633 in een request van Dirck Heuft c.s., kooplieden, ‘latende werken in koper op de Akener manier.’

Doch reeds veel vroeger moet er ruime handel in gedreven zijn. Pirenne (Hist. d. Belgique I, 178) acht het uiterst waarschijnlijk, dat de kalmijn-lagen langs de oevers der Boven-Maas reeds in den Romeinschen tijd geëxploiteerd werden, en dat zij ook in de vroege Middeleeuwen den omgelegen smidsen voorraad bleven verstrekken. Voor later tijd verwijs ik naar een bij Alwin Schulz (Höf. Leben I, 312) aangehaalde plaats uit ‘Rumeland’, waar sprake is van koper ‘wie daz gemischet ist mit kalemine’.

Slaan we Diefenbach op, dan vinden we op cadmia, waarvan het woord kalmijn een der talrijke vervormingen is, onder meer de volgende verklaringen: goltfel (residentia ex auro), goldes folli (in anulis sub margaritis), goltschume. - Het is hetzelfde als de bij alchimisten onder den naam: nil album, weisznichts, bekende stof1), en vermoedelijk ook als het bij Kiliaen opgegeven: niet, niete .... ‘aeris et cadmiae favilla.’

 

Zulk goudschuim of -foelie voor goud laten doorgaan, dat doet de looze koopman waarmede de dichter de wereld vergelijkt.

Is mijn gissing juist, dan zou er wellicht ook een aanwijzing voor de plaats van ontstaan van de ‘Beatrijs’ in te vinden zijn2).

 

e. haslinghuis.

[p. 75]

45. Aanteekening op de onuitgegeven brieven aan J.P. Klein en A. Klein - Ockerse.

Zie XXXII, 248.

Het aldaar aangehaald Duitsch couplet, dat ik niet wist thuis te brengen, blijkt mij nu ontleend aan een gedicht van Johann Peter Uz, getiteld Magister Duns. Vgl. Sämtliche Poetische Werke von J.P. Uz in: Deutsche Literaturdenkmale des 18. u. 19. Jahrh. no. 33, S. 34 (met de varianten).

 

g.k.

46. De drie ringen in Mariken van Nieumeghen.

Zooals bekend is, wordt aan de zondares Mariken van Nieumeghen in het mirakelspel van dien naam door den paus als penitentie opgelegd: drie ijzeren ringen aan hals en armen te dragen, totdat die vanzelf afvallen. Dr. Leendertz heeft in de Inleiding tot zijne Middelnederlandsche Dramatische Poëzie p. clxxi gewezen op het Oudfransche Dit des Anelés, waar men denzelfden vorm van penitentie vindt. Ook elders echter is sprake van ijzeren ringen die breken of afspringen, zij het ook onder niet geheel gelijke omstandigheden. In het Deensche lied Dalby-björnen, dat door zijn inhoud herinnert aan den ridderroman Van Valentijn en Ourson, draagt de, in een beer veranderde, ridder een ijzeren band om den hals; deze band breekt eerst nadat de ‘hovmand’ die door den beer overwonnen is, er driemaal het kruis over geslagen heeft en een gebed tot Jezus opgezonden:

 
Ja, bede jeg vil for dig en bön:
 
dig hjaelpe af nød Marias søn!
 
 
 
Han løse af dig det hårde bånd,
 
som vel det maegter hans höjre hånd!
 
 
 
Så slog han kors på kors i hast,
 
tre gange kors, så båndet brast
[p. 76]
 
Og björnen blev en ridder bold,
 
sin faders land fik han i vold.1)

Een overeenkomstig geval vinden wij in een ander Deensch lied, getiteld Haevnersvaerdet (Het wrekerszwaard). Ridder Peder, die den koning van Denemarken met zijn gezinde heeft vermoord, doet boete door zich ijzeren banden te laten smeden om lendenen, hand en voet. Daarna neemt hij den pelgrimsstaf ter hand en trekt naar het Heilige Graf. Daar vindt hij geen verlossing; doch, als hij over des konings graf gaat, springen de ijzeren banden af:

36
Hr. Peder gik sig til Smedje,
 
lod slaa sig Jaern om Midje.
 
 
37
Han lod slaa sig Jaern om Haand og Fod,
 
for han vilde gange af Landet ud.
 
 
38
Saa tog han sig Pilgrimsstav i Hand.
 
Saa for han sig saa vide om Land.
 
 
39
Han för sig over Ørsels Hav,
 
og han gik til den hellige Grav.
 
 
40
Ikke da kunde han fange Bod,
 
og end sad ham Jaern om Haand og Fod.
 
 
41
Saa vel hej!
 
Hr. Peder han ganger over Kongens Grav:
 
alle da sprang ham Jaernen af.
 
Velan! vel over at ride!2)

Vermoedelijk zal men de hier besproken ijzeren banden moeten beschouwen als een verzinnelijking van de macht, door een of ander bovennatuurlijk wezen over een mensch uitgeoefend. Is die beschouwing juist, dan heeft de dichter van Mariken van Nieumeghen zich van een heidensch motief bediend en dat verchristelijkt.

Het komt mij niet waarschijnlijk voor, dat er verband be-

[p. 77]

staat tusschen deze ijzeren ringen en de ijzeren banden die het hart behoeden voor breken, waarvan men gewag gemaakt vindt o.a. in het bekende sprookje Der Froschkönig oder der eiserne Heinrich1).

 

g.k.

47. J.J. Bodmer over Antonides' Y-stroom.

De bekende Züricher geleerde, criticus en dichter Johann Jakob Bodmer was in 1734 bezig met een leerdicht, getiteld Character der Teutschen Gedichte, dat door Jakob Baechtold met recht is gekenschetst als: ‘einer der ältesten Versuche zusammenhängender historisch-kritischer Betrachtung en ‘in grossen Zügen ein Bild unserer Litteratur von ihren Anfängen bis auf des jungen Bodmers Zeit’1).

In de tweede vermeerderde uitgaaf van dat gedicht (c. 1738) lezen wij:

 
Wohlan, erwähl ein Werk im weiterm Inbegriffe,
 
Von höherm Schall und Pomp.
 
Lasz uns des Ystroms Lob in Schilderrahmen sehn,
 
Die auf dem Vördergrund in lichten Flammen stehn,
 
Und in die Ferne dann mit abgesetzten Stralen
 
Die Aussicht und Verschiesz in der Vertiefung malen.
 
Erhöh den reichen Flusz nach Schilderer Gebrauch;
[p. 78]
 
Und bringe Licht und Glanz aus Dunkelheit und Rauch
 
Gleichwie der Morgenstern, wenn andre sterne sinken,
 
Und itzt mit welkem Haupt am blauen Himmel blinken,
 
Als aller Oberhaupt, mit gröszerm Schimmer glänzt,
 
Und alle übertrifft, und all ihr Heer umkränzt;
 
Also verbinde die in deinem Stromgedichte
 
Ein künstlich Bilderwerk der Fabel und Geschichte,
 
Worauf der Ystrom stets im hellsten Feuer glüht,
 
Und einen langen Pomp von Strömen nach sich zieht.
 
enz.

In de Aanteekeningen op zijn leerdicht heeft Bodmer een dertigtal verzen uit den Y-stroom aangehaald, die door hem in de boven medegedeelde verzen en andere volgende zijn nagevolgd.

Opmerkelijk mag heeten, dat in dit dertigtal Nederlandsche verzen, door een Duitscher (Duitschen Zwitser) geciteerd, slechts twee fouten zijn (driemal voor driemael en gotteloos).

 

g.k.

48. Geen drukfout bij Vondel.

 
Ey! Goddelick Poëet, mocht ick myn daghen langh
 
Onaenghenaemste krael, navolghen u ghesangh,
 
Daer int ghewyde Choor, ghy Priesterlick' den Heere
 
T'soet reuckwerck zyt ghewoon t'ontsteken van zyne eere.

Aldus Vondel in ‘de Vaderen’ (reg. 9-12) tot den ‘onsterflycken Gascon’ Du Bartas.

Bij Van Lennep - Unger vind ik aangeteekend: ‘Onaenghenaemste krael: waarschijnlijk moet men hier aan een drukfout denken, en lezen “O aangenaamste kraal!” d.i. zanger’.

Hendrik C. Diferee, in Vondel's Leven en Kunstontwikkeling, Amsterdam 1912, blz. 88, dezelfde regels aanhalende, schrijft: ‘O'raenghenaemste krael’ en teekent er bij aan: ‘De oorspronkelijke uitgave heeft onaenghenaemste, wat vermoedelijk

[p. 79]

o'raenghenaemste, eene verkorting van over-aenghenaemste .... zal moeten zijn’, enz.

Wij hebben hier echter niet met een drukfout te doen.

Dat Vondel Bartas zou hebben toegesproken met ‘onaenghenaemste krael’ is natuurlijk niet waarschijnlijk. Maar hij bedoelt er ook Bartas niet mede. De woorden vormen een bijstelling van ‘ick’, en Vondel, in bescheidenheid, bedoelt er - juist om de grootheid van den Gasconjer te meer te doen uitkomen, door er zijn eigen nietigheid naast te plaatsen, - zich zelven mede. Wat hij zegt is dus dit: ‘Goddelijke dichter, mocht ik mijn leven lang als de minst geziene der koorzangers, uw gezang begeleiden’, enz.

 

c. bake.

49. Ledanzemaker.

Bovenstaand woord geeft de Bo op als benaming voor den man, die de rijtuigen bekleedt; hij werpt daarbij de vraag op, of dit niet door metathesis kan ontstaan zijn uit diligencemaker. Daartegen pleit: 1. dat enkele metathesis nog niet dezen vorm geeft, terwijl ook bij een zoo gewoon en veel gebruikt woord niet zoo licht een zoodanige verminking of verhaspeling zou voorkomen, al is het niet onmogelijk; 2. dat het niet in den aard van de zaak ligt juist een bekleeder van rijtuigen diligencemaker te noemen. Zou niet eerder ledanze een volksuitspraak zijn van lit d'ange? Het bekleeden van rijtuigen was in den vroegeren tijd, toen de rijtuigen in vorm veel hadden van een staatsie-ledikant op wielen1), zeker meer het werk van een behanger dan van een zadelmaker, en dat behangers zich op het maken van ledikanten toelegden, en tevens meer dingen

[p. 80]

deden, die het gebied van den zadelmaker raken, zag ik bewezen door een advertentie in de 's Gravenhaegse Woensdaegse Courant van het jaar 1742, waarin een behanger zich aanbeveelt voor het maken van ‘alle soorten van Nieuwmodische Ledikanten en Lit d'Anges’ en tevens van veldtenten.

De overgang van lit d'ange in ledanze is, dunkt me, zeer natuurlijk.

 

c.h.ph. meijer.

50. Bredero's Moortje, vs. 2931.

In de aardige beschrijving van het ijsvermaak op den Amstel, in Bredero's Moortje, wordt door vader Lambert onder de schaatsenrijders die hem voorbijkomen ook genoemd:

 
droncke Keesje vande Slochter:
 
Mit zyn moye Tuyt-meyt, hier ouwe Japen Dochter.

Moltzer verklaart in de bekende Bredero-uitgave van Binger (2,115) slochter door ‘slager’ en Nauta neemt in zijne Taalk. Aant. op de Werken v. Bredero, § 6, deze verklaring over.

Toch is het niet aannemelijk dat slochter een bijvorm van slachter zou zijn.

Ik vermoed dat we te doen hebben met een eigennaam. In verschillende deelen van Noord-Holland vindt men wateren die de Slochter heeten, en naar een daarvan zou ‘droncke Keesje vande Slochter’ genoemd kunnen zijn; er is er b.v. een tusschen de Haarlemmer trekvaart en de Slotermeer bij Sloterdijk, en een ander onder Landsmeer. Zie verder over dit woord mijn Zaansch Idioticon, kol. 939.

 

g.j. boekenoogen.