Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 35


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 35. E.J. Brill, Leiden 1916  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 319]

Mnl. tentenel - tinterneel.

Tegen de identificeering van deze beide woorden, althans op grond van de gegevens door mej. Kronenberg in Tijdschr. XXXV, blz. 234 vlgg. verschaft over de beteekenis van het woord Tinterneel, meen ik bezwaar te moeten maken.

Tinterneellen zijn volgens mej. Kronenberg siermotiefjes door den rubricator in een boek aangebracht: ‘Niets anders dan regelvullinkjes kunnen 't zijn, luchtige, zwierige motiefjes in de vorm van streepjes en nulletjes en slangetjes en driehoekjes, die hij (de rubricator) met vaardigheid en eindelooze verscheidenheid in rood en blauw op de bladen heeft geschilderd, overal waar een stuk van een regel blank bleef.’ Bij telling kwam mej. Kronenberg tot ‘391 van die tierlantijntjes, waarbij de vulling van één regel, soms uit twee, soms uit tien figuurtjes bestaande, al naar de lengte van het witte stuk, als eenheid is gerekend.’

Nu is mij echter niet duidelijk, wat ‘Willem van Meenne, de scilder’ ‘an de scilderie van scepenen camere’ met dergelijke ‘regelvullinkjes’ of ‘tierlantijntjes’ (zooals de rubricator ze in een boek maakt) heeft moeten doen. En daarom kan ik niet gelooven dat met de ‘zesse dozinen tentenellen’ die ‘Willem van Meenne, de scilder’ ‘geleuert heift an de scilderie van scepenen camere’ onder allerlei verfstoffen, zilverpapier en foelie (ruw materiaal): 72 boekversieringsmotiefjes zouden zijn bedoeld.

‘Dat tinterneel en tentenel wisselvormen kunnen zijn, zal zeker niemand betwijfelen’ zegt mej. Kronenberg. Inderdaad, zij zouden het misschien kunnen zijn, maar behoeven het daarom nog niet te zijn; en zoolang de beteekenis van tinterneellen zoo weinig toepasselijk lijkt op de tentenellen,

[p. 320]

zooals die in het door mij volledig gegeven citaat voorkomen, is het, dunkt mij, ietwat voorbarig gesproken, als mej. Kronenberg zegt: ‘Mijn verklaring heeft 't groote voordeel te steunen op een zekere beteekenis van 't zelfde woord.’

Tegen het opschrift ‘Nog eens mnl. Tentenel - Tinterneel’ maak ik dan ook bezwaar. Ik heb tinterneel in mijn stukje nergens genoemd; ik kende het niet, maar ook indien ik het gekend had in de door mej. Kronenberg gegeven beteekenis, zou ik het er toch niet bij gehaald hebben, aangezien dié beteekenis m.i. weinig past.

‘Van grooter belang dan verdere etymologische conjecturen’ zou mej. Kronenberg ‘voorloopig nieuwe bewijsplaatsen van tinterneel - tentenel achten.’ Zoolang echter het eerste bewijs van de identiteit van tinterneel en tentenel nog moet geleverd worden, is, dunkt mij, een op zich zelf niet geheel onaannemelijke etymologische conjectuur (die voor 't overige gaarne voor een betere gegeven wordt en daarom onder de Kleine Mededeelingen is geplaatst) voorloopig nog niet zoo gansch en al verwerpelijk.

 

Leiden.

r. van der meulen.