Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 37


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 37. E.J. Brill, Leiden 1918  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Uit Bergen-op-Zoomsche rechtsbronnen.

In het 7de deel der Verslagen en Mededeelingen van de serie werken der ‘Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oudvaderlandsche recht’ is eene verzameling Bergen-op-Zoomsche rechtsbronnen gedrukt, die ook uit een taalkundig oogpunt allerlei belangrijks bevat. Het hs. schijnt zeer onduidelijk geschreven en de uitgever blijkt niet met voldoende kennis van het Middelnederlandsch toegerust te zijn, althans de teksten wemelen van fouten, en op geene enkele plaats is eene poging gedaan om de juiste lezing te herstellen; slechts een paar malen is achter een woord een vraagteeken geplaatst ten bewijze dat de uitgever zelf aan de juistheid van den overgeleverden tekst twijfelde. Men zou zoo zeggen, dat men bij de uitgave van een Middelnederlandschen - ook een juridischen - tekst het Middelnederlandsch Woordenboek raadpleegde, en dat men, wanneer men een woord, hetwelk men meent voor zich te hebben, er niet in vond, ging twijfelen aan de juistheid der lezing en inlichtingen trachtte te verkrijgen ter plaatse waar men daarvoor met hoop op goed gevolg zou kunnen aankloppen. Ik wil aannemen dat een deel der fouten gesteld moet worden op rekening van den slechten toestand van het hs., maar met een ander deel is dit zeer zeker niet het geval. De uitgave bevat een groot aantal vergissingen, waaraan ieder ongeoefend kenner van het Mnl. blootstaat, u voor n en n voor u (v),

[p. 49]

c voor t en t voor c, f voor s en s voor f, r voor e, v voor b, m voor nr enz., doch om een mnl. juridischen tekst uit te geven, moet men niet alleen rechts-, maar ook taalkennis hebben, en dat is bij deze uitgave tot hare schade over het hoofd gezien. Het doet mij leed dit oordeel te moeten uitspreken; mijne bedoeling is in het minst niet een jong rechtsgeleerde af te schrikken van verdere wetenschappelijke nasporingen, maar alleen hem en zijne vakgenooten te herinneren aan de eenvoudige, toch, naar nu blijkt wel eens vergeten, waarheid, dat ook voor hen zoogoed als voor een litterator grondige taalkennis een vereischte is voor de uitgave van mnl. teksten. De Redactie van de Vereeniging tot uitgave van mnl. rechtsbronnen heeft in de laatste aflevering (no. 2 van dl. 7) een lijstje gelegd van verbeteringen, doch de daar genoemde zijn op verre na niet voldoende om de teksten leesbaar en verstaanbaar te maken. Het kan mijne bedoeling niet zijn, dit werk de Redactie of den uitgever dier rechtsbronnen uit de hand te nemen. Ik zal mij hier bepalen tot het bespreken van die woorden, waaronder ook eenige, die, verkeerd gelezen of overgeleverd, in het eene of andere opzicht uit een taalkundig oogpunt van belang zijn.

Op bl. 15 lezen wij: ‘behoudelick dat men denghenen, die de voorsz. torven int hof alhier leveren, van ons voorsz. lieffs heeren weghen gheven sal voir heuren muabijt van elcken voeyer een blancke’. Het onderstreepte woord, dat vreemd genoeg in het lijstje der verbeteringen ontbreekt, is een monstrum, dat indertijd eene plaats had verdiend in De Vries' Taalzuivering, doch het is met eenige moeite te herstellen in een woord, dat in het Mnl. bestaat, nl. innebijt1), ‘ontbijt’, hd. imbiss. De voorbeelden van het woord, in het Mnl. Wdb. bijgebracht, zijn niet zoo talrijk, dat niet eene nieuwe bewijsplaats ons welkom zou zijn. Vgl. het artikel inbijt, waar geen voor-

[p. 50]

beeld van den vorm innebijt gegeven wordt, doch dit is geen bezwaar tegen mijne verbetering, want het woord is eene afleiding van inbiten, waarnaast men het recht heeft een vorm innebiten aan te nemen: inne is nl. de vorm van het bijwoord, die voor samenstelling met een ww. juist de vereischte is.

Voor het ‘verbreken van den huisvrede’, zeker een niet zelden voorkomend geval, is het Mnl. verscheidene woorden rijk. Behalve door huussoekinge, -stekinge, -vechtinge, -winninge, -stokinge, die in de Bergen-op-Zoomsche teksten niet voorkomen, werd het begrip ook uitgedrukt door huusstotinge, waarvoor op bl. 52 verkeerdelijk staat huyslotinge (‘so wie “huyslotinge” doet bij daghe, xx oude scilde’); door huusstoringe, dat hier drie malen voorkomt, en zonder fouten is gedrukt (bl. 95) en eindelijk door het nog niet uit het Mnl. opgeteekende huusstorminge (bl. 74: ‘so wat man “huysstormige” l. “huysstorminge”) dade binnen der vrijheit van Ossendrecht sal staen tot correctiën ende rechte van der hogher heerlicheit’).

Ook voor het begrip ‘smadelijke of beleedigende taal’ was het Mnl. zeer goed gesorteerd; men kon niet alleen ‘schelden met variatie’1), maar ook het begrip ‘scheldwoord’ zelf kon men afwisselen. Behalve de woorden of uitdrukkingen hoonwoort, hoonsprake; smalike (smelike, versmadelike) woorde, die in onze teksten, zoover ik mij herinner, niet voorkomen, vindt men daarvoor hier schampelike (schempelike) woorde (bl. 72), en onstantelike woorde (bl. 125: ‘of d'yemant (l daer yemant) van den veerluyden ware, die den varenden man eenige onstantelike woirde gave buten sculden of buten redenen, die soude verbueren enz.’; zoo ook bl. 129). Vergelijkt men daarmede de op blz. 96 voorkomende woorden: ‘soo wije yemande gave ontscaende oft overlastinge (l. overlastige) woorden om rechtdoens wille, .. die sal verbueren v k. (?) zwerten’, dan ziet men duidelijk, dat voor

[p. 51]

het onverstaanbare ‘ontscaende’ gelezen moet worden ontstaende, een onorganische vorm van onstaende1), van staen in de bet. ‘passen, betamen’. ‘Ongepast, onbetamelijk’ is het in den samenhang vereischte woord, en het is een klein bezwaar dat het in deze bet. uit het Mnl. nog niet is opgeteekend, althans in het Mnl. Wdb. wordt het niet vermeld. Maar op de eenige bewijsplaats, aldaar bijgebracht, past minstens evengoed de opvatting ‘ongepast, onbetamelijk’, als de daar gegevene ‘snoevend, pochend’, die bovendien alleen op eene gewrongen wijze met ‘staan’ in overeenstemming kan worden gebracht. Er is dus in het geheel geen bezwaar tegen de boven gegeven verklaring van onstaende.

Ook het bovengenoemde adj. overlastich is een niet onbelangrijke aanwinst voor den mnl. woordvoorraad. Het is eene afleiding van overlast, dat in het Mnl. en ook nog in de 17de eeuw eene veel sterkere beteekenis had dan in het hedendaagsche Nederlandsch. Het was het woord ter uitdrukking van alle onrecht, door woorden of daden iemand aangedaan, als: onderdrukking, afpersing, knevelarij en: smaad, hoon, beleediging. Hier kan men het woord het best weergeven door ‘eerroovend, beleedigend’, in welken zin het wel door Plantijn, maar niet uit het Mnl. is opgeteekend2).

Weer een ander woord voor hetzelfde begrip vinden wij op bl. 76 ‘onverbonden woorde’ (‘waert zake dat enich vrouwepersoon deen den anderen onverbonden woirde gave, sal staen ter correctiën enz.’). De eigenlijke beteekenis van het woord, waarvan onder II, 2) in het Mnl. Wdb. enkele voorbeelden zijn bijgebracht, is ‘ongebonden’, d.i. ‘niet gebonden’ (door eer- of plichtsgevoel), van verbinden, dat als versterking van ‘binden’ kan worden opgevat: omgekeerd staat binden met ons ‘verbinden’ gelijk in mnl. wondenbinder, d.i. ‘heelmeester’. En

[p. 52]

eindelijk wordt er in onze teksten voor gebruikt het woord onredelijc op blz. 40 (‘so wie den scutter (van vee) oploop dede met onredeliken woirden ofte misdede, dat sal staen ter correctiën enz.’); vgl. Mnl. Wdb. op onredelijc, 2, b).

Voor ‘de voorvaderen’ of ‘het voorgeslacht’ was in het Mnl. het gewone woord vorders; minder gewoon was voorouderen en voorvaderen en door versmelting voorvorders (blz. 68 en 77). Een vierde term er voor was voorvaren, dat men in een onbewaakt oogenblik geneigd zou zijn te houden voor een samengetrokken vorm van ‘voorvaderen’, doch deze syncope der intervocalische d is voor het Mnl. niet aan te nemen. En ook het Hd. heeft hetzelfde woord vorfahren. Het is eene samenstelling met een woord van den stam van varen, ‘gaan’, dat in het Mhd. ook in het enkv. vorvar bestaat, en eigenlijk ‘voorganger’ beduidt. De woorden, die oorspronkelijk ‘voorvader’ beteekenen, hebben in het Mnl. en nog later ook den zin van ‘voorganger in een ambt of waardigheid’ en omgekeerd. Zoo wordt ‘voorvaderen’ o.a. herhaaldelijk gebezigd van geestelijke waardigheidbekleeders. Ook in onze teksten komt het woord voorvaren eenmaal voor, maar in een verminkten vorm, nl. blz. 63: ‘(si) sullen gehouden sijn onse bamisschot jaerlicx te betalene tot alle sulcken dagen, dat zij dat onsen voirwaeren (l. voirvaren) zalger gedachten betaelt hebben’. Op blz. 70 vinden wij een onjuist weergegeven woord van het middeleeuwsche dijkwezen, nl. verstoelen, d.i. ‘den dijklast over de dijkplichtigen omslaan’. Het woord is in de volgende regels (bl. 70) verkeerd gelezen: ‘als die dijcgrave metten scepenen oft gezworen opten dijck comt, ende den dijck dan niet gemaect en is, ... so sal den yersten ganc (schouw) wesen op éénen grooten, den anderen ganc op twee grooten ende den derden ganc op drie groote, ende dan voort altoos te verscolen (l. verstolen, d.i. verstoelen; de stoeling vernieuwen, zie Mnl. Wdb.) bi den scepenen’1).

[p. 53]

Een audere vermeldenswaardige term op het dijkwezen betrekking hebbende, is tempelen, dat men vindt op blz. 32: ‘dese voirsz. sluyse en sal men niet moogen tempelen noch staende gebouwen zetten op een roede nae, bynnen noch buytendijcx’ (ook 67). Ik vermeld deze plaats ook, omdat in het Mnl. Wdb. verzuimd is te verwijzen naar het Wdb. van Beekman, die het woord omschrijft (blz. 1499) door: ‘door tempels, d.i. houten balken of stutten, de sluisdeuren schoren, zoodat zij niet kunnen opengaan of sluiten’.

Op blz. 25 worden bepaalde personen, die op een zeker goed wonen, vrijgesteld ‘van alle settinghe (van beden ende van alrehande onghelde)’, behoudens enkele meer voorkomende uitzonderingen, ‘het en ware dat wise riepen tot ghemeenen harvaerde, ... ofte tot onser lantwere ofte te remeninge van vanghenissen, ofte te ridderscepe van onsen outsten sone ofte toe huwelike (t)onser outster dochter’. Voor ‘remeninghe’ moet natuurlijk gelezen worden ‘remeringhe’ of ‘reimeringhe’, d.i. het betalen van een losprijs voor een (krijgs)gevangene. Voorbeelden zijn in het Mnl. Wdb. op reimeren en reimeringe in overvloed te vinden.

Op blz. 47 vinden wij een onverklaarbaar woord vinaegen, dat in het lijstje der verbeteringen vragenderwijs met hetzelfde woord verklaard wordt. Wij lezen daar: ‘alle alsulcke beheynde goeden oft onbeheent, als binnen den voirz. anderen arven ende vinaegen gheleghen sijn’. Men leze biuangen, d.i. bivangen. Bivanc, de nominale afleiding bij bevaen, ‘omvangen’, nog heden als geslachtsnaam bekend, was in het Mnl. het gewone woord voor ‘iemands erf, het gebied waarop bij den huisvrede geniet, zijn rechtsgebied’, ook ‘de stadsvrijheid’. Hier staat het eerder in den zin van fra. enclave, enceinte, ‘eene op eene bepaalde wijze omsloten gebied of terrein’, eene opvatting, die zich evengoed uit den vorm van het woord laat verklaren. Zoo beteekent het b.v. ook ‘het kerkhof, het bij eene kerk behoorende gewijde en afgezette grondgebied’ (Mnl. Handwdb.).

[p. 54]

Der vermelding waard zijn voorts eenige merkwaardige woorden, waarvan uit het Mnl. òf slechts enkele, òf in het geheel geene bewijsplaatsen, maar wel uit een lateren tijd, waren gevonden. Wij vinden hier vooreerst voorbeelden van bocht, vooral bekend uit de samenstelling ‘melkbocht’, dat in het Ndl. Wdb. vermeld en beschreven is, o.a. in de beteekenis ‘eene met een staketsel omheinde ruimte, een perk waarin dieren worden bijeengehouden’ (op bocht, II). Op bl. 42 lezen wij: ‘een yegelick zal moogen schutten (nl. vee van anderen) op sijns selffs genootte bezaeyde lant ende weye ende bringen die opten bocht, dairtoe geordonneert’; bl. 43: ‘zoo verde de schutter ... geschut hebbende op zijns selfs goet zulcke beesten ... ende hij noch zij opten bochte nyet en costen gebringen, tware dat zij ontliepen oft ontweldichden1), dat den schutter nochtans dairvan zal hebben zijn schutgelt’; en zoo op bl. 76 en 95 nog viermaal. Door deze vondst is de ouderdom van het woord in het Nederlandsch met minstens eene eeuw verhoogd. Voor oorsprong en verwanten kan worden volstaan met eene verwijzing naar het uitvoerig en zaakrijk artikel in het Ndl. Wdb.

Voor ‘het kappen of afsnijden van boomtakken’ wordt een tot heden uit het Middelnederlandsch nog niet opgeteekend ww. slonen gevonden op twee plaatsen, nl. op bl. 53, art. 41: ‘soo wye [yemande] bevonden werde in yemants bosschen oft hout gesneden hebbende, enich besem, rijs (l. besemrijs) of van enige getroncte2) boomen hout afgehouden hebbende, oft ooc enighe bomen geslont (l. gesloont) te hebbene, om meyer (l. meyen) oft elder toe te verbooren (l. oerbooren); ende oick oft yemant bomen uutpluct, ende ingelijcx rapen, appelen, fruyt, hauwen3), eerweten e.d. namen, die sal verbueren 1 oude scilt’. Op bl.

[p. 55]

95, art. 19 staat in hoofdzaak dezelfde verordening, doch het woord is daar onjuist gelezen of overgeleverd: voor gestoent moet aldaar gelezen worden gesloent1).

Het woord was ons tot heden alleen bekend uit het niet genoeg te waardeeren woordenboek van Kiliaen: hij geeft ‘slonen j. sleunen, frondare; sleunen, frondare arborem, surculos ramis adimere, supputare, sucsecare, interlucare.’ Nog heden is het woord in Vlaamsche tongvallen bekend, ook in ruimere beteekenissen. Zie Schuermans 621, die het ook opgeeft in den zin van ‘wegnemen, stelen, rooven’ en ‘afwinnen (geld)’; Tuerlinckx 564 op sleenen, sleunen; Rutten 218 op sleenen.

Verder vinden wij hier nog voorbeelden van de zeldzame woorden aenboort, d.i. ‘het op aangeborenschap of bloedverwantschap berustende recht van voorkeur of naasting’ (bl. 38: ‘yegelijc mach zijn aanboort hebben in dat voorsz. lant also als rechte is’; hulde, verbogen naamval van hout, d.i. ‘bewijseed’ (Mnl. Wdb. op hout, 2de Art.; bl. 59: ‘die waerheyt proeven bij hulde ende bij eeden’); hevenmeester, ‘den persoon belast met het regelen der zettingen en omslagen, zetter’ (bl. 40: ‘item sullen dijcgrave, scepenen ende evemeesters stellen ende setten eenen scutter (nl. van vee) ende die sal scutten op alsulcken ordinancie ende foet, als men by dijcgrave, scepenen ende evemeesters ende der meester menichten van den spaesluiden breedts (d.i. breedtst) gheërft2)

[p. 56]

ordineren sal’), en van het in het Mnl. Wdb. alleen uit Stallaert aangehaalde custbaerlike, d.i. ‘in goeden staat’ (bl. 108: ‘welck gelt niet wederom en sal mogen comen in handen van onsen voorsz. dorpe voor ander tijt dat tvoorsz. hoot (hoofd) “cusbaerlijcken” gemaeckt sal wesen gelijck alst behoort’).

Ook vestig ik de de aandacht op eene interessante alliteratie, waarvan tot heden maar een enkel voorbeeld was opgeteekend1), nl. bruken ende banen, d.i. ‘een land gebruiken en bearbeiden (eig. gelijk maken, effenen), d.i. er de vrije beschikking over hebben’, welke hier op bl. 86 driemalen voorkomt (‘ende sullen de partijen, die de rente derop he(e)ffende zijn, schuldich zijn te wachtene oft te doen wachten oft men dat goet, contrarie den gewijsden “bruyckt oft baent”; ende in gevalle dat zij dat bevonden “bruyckende oft banende”, ende dat soude(n) moighen thoonen met ii goede mannen, sullen zij dan gehouden sijn ... voor schoutet ende scepenen te comen ende datselve “bruycken ende banen” te kennen gevende ende daerover clagende’).

Vooral merkwaardig zijn de drie volgende woorden, waarvan er twee geheel onbekend waren, en een slechts uit een lateren tijd, doch hier gevonden in eene andere beteekenis. Het zijn vooreerst spademan, dat noch in het Wdb. van Beekman noch in het Mnl. Wdb. is opgeteekend, met de beteekenis ‘ingeland’. Het komt hier voor op verscheidene plaatsen en in verschillende vormen, die uit de voorbeelden zullen blijken. Op bl. 66: ‘wij willecoren soo wanneer dit voirsz. land gedijct ende opgelevert is, dat ... die spadeluden haren dijck, sluysen, sluysvliete leggen, maken ende vermaken moogen alsoo groot ende alsoo cleyne als zij willen ende daert hem gelieven sal’; zoo ook op bl. 67 viermaal; ald. ook: ‘dit voirsz. landt sal bij ons heerscappen ende spadeluden geordineert woirden’; ‘alle des dairane cleeft bewintenen (l. bewinden) ende regieren, coren ende rechten bi der meester menichten van den spay-

[p. 57]

luden maken sullen mogen tot des lants proffijt; zoo nog eens op bl. 68; ald. ook tweemaal spadeluyden, bl. 69 spaedluyden en spaedsluyden. De ‘spademan int voirsz. landt breedst geërft’ (bl. 67), de ‘spaesluyden breedts (d.i. breedst) geërft’ (bl. 40) is een naam voor hetgeen thans ‘hoofdingeland’ heet. Over den oorsprong der benaming in verband met de beteekenis bestaat geen zekerheid.

Eveneens tot heden onbekend, en nog belangrijker is het tweede woord, omdat wij dat in het Oudgermaansch terugvinden, nl. weelje, dat hier tweemaal gevonden wordt; op bl. 121: ‘dat nyemandt en sal in de sluys visschen met geenen weeljen, fuycken oft rijsen te steken’ en 122: ‘so en sal oock niemant liggen (d.i. leggen) in den loop van der sluys, als die sluys uutgaet1), ... hetsij corven, weeljen oft houweren’1). Het is nl., zooals mijn vriend Uhlenbeck mij mededeelt, hetzelfde woord als ags. wilige, ‘mand’, eene afleiding van den stam van wilg, en beteekent dus eigenlijk ‘van wilgeteenen gemaakt’; vgl. got. tainjo, ‘mand’ van -tains, ‘teen’, en zie Franck-Van Wijk op wilg. Er zullen dus aalkorven of een dergelijk voorwerp mede bedoeld zijn; op de tweede plaats wordt het woord ook met ‘corven’ in één adem genoemd. Voor ‘weelje’ zal men wel een ouderen vorm ‘weelge’ en een oorspronkelijken ‘welige’ mogen aannemen.

De belangrijkste vondst van alle schijnt mij toe het derde en laatste woord, dat ik bespreken zal, nl. het op bl. 96 voorkomende ww. eeuwen, aldaar verbonden met etten, causatief van eten, zoodat wij al van te voren mogen vermoeden, dat het de beteekenis ‘weiden, doen grazen’ moet hebben. De plaats luidt aldus: ‘dat niemant en sal moighen houden zijne peerden om te eeuwen ofte te etten in de dilve2) tus-

[p. 58]

schen ander luyden erve op de verbuerte van enz.’ Om eene dubbele reden is dit woord eene welkome aanwinst te noemen. In de eerste plaats, omdat het uit het Mnl. niet was opgeteekend. Wèl kenden wij het door plaatsen uit de 16de eeuw, maar in eene andere opvatting. Het is alweer Kiliaen, die het opgeteekend heeft, maar in de bet. iemand voeren, hem eten in den mond geven (‘pascere, cibum in os indere, ingerere cibum in os alicujus’), en in dezen zin is het ook gevonden in den Liesveldschen bijbel in een voorbeeld, medegedeeld in het Mnl. Wdb. op eeuselinc. Doch nu is het woord bewezen door eene oudere plaats en in de bet. ‘weiden’, waardoor ook het middeleeuwsche en nog heden in het Vlaamsch bestaande eeuselinc, ‘weide’ wordt verklaard.

In de tweede plaats is het ww. eeuwen merkwaardig, omdat het ook in het Ogerm. is aan te wijzen; het bestaat nl. in het Oudnoorsch, zooals Uhlenbeck mij heeft medegedeeld. Hij schrijft mij: ‘Mnl. eeuwen is gelijk te stellen met onr. áeja, “etten” uit *aiwjan. Men plaatst het object van áeja in den datief, b.v. “áeja hestum sínum”, d.i. “zijn paarden etten”. Maar dikwijls wordt áeja absoluut gebruikt, b.v. “eigi skal mađr áeja í engi manns”, d.i. “men mag niet etten op iemands weide”. Het vocalisme van áeja moet verklaard worden uit de vroegere aanwezigheid der w; vgl. zonder proleptische mutatie of umlaut het praeteritum áđa’.

Raadselachtig zijn mij gebleven dorlicht (bl. 23 Opschr. ‘Vidimus tot dorlicht van den moere, die vercregen hadde G.... jegen here H.’); moeten (bl. 31: ‘dat dan die gegoedde int voirsz. landt altoos tot huer moeten ende meesten oirboir tvoirsz. landt wederom sullen moogen aenvaerden’); bl. 46 tsuden (‘die wij alle wege tsuden (l. thuden, “tot heden” of (t)sinden, “van dien tijd af”?) voir onse propre erfgoede gehouden hebben’) en bl. 75 zonde (‘waert sake dat

[p. 59]

yemant eens andermans erve zonde buyten sinen wille, het en waere metter ploech, sal staen ter correctiën enz.’). Misschien is een mijner vakgenooten zoo gelukkig hier de juiste verbetering te vinden.

 

Leiden.

j. verdam.