Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 37


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 37. E.J. Brill, Leiden 1918  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 302]

Geuse-vesper1).

Toen ik indertijd in een Inhoudsopgave van Tijdschriften - ik meen in de Nieuwe Taalgids - zag, dat men zich bezig hield met dezen titel van Vondels schitterend gedicht, raakte ook ik daarover, voor het eerst, aan het denken. Mijn eerste inval was: ‘Zou er geen innerlijk verband bestaan tusschen den indruk, dien dit vers wil maken en dien, welken de Roomsch-Katholieke vesper maakt?’ Ik ben ervan overtuigd, dat dit idee bij mij opkwam door de herinnering aan zoovele vesperdiensten, die ik als R.-Katholiek vroeger had bijgewoond. Pas, toen ik dezen inval wilde gebruiken als doctorale stelling, ging ik het onderwerp bestudeeren.

Daar was in de eerste plaats het artikel van J.W. Muller in het Tijdschr. v. Ndl. Taal en Letterkunde, N.R. XXVI p. 23 sqq., waarin ik de meeningen van oudere deskundigen besproken vond. Natuurlijk interesseerde mij, evenals den auteur, vooral wat Alberdingk Thijm hierover zou zeggen. ‘Alberdingk Thijm’, vond ik loc. cit. p. 26 ‘die toch zeker ook in zijn [scil. Weustink's] oogen voor de bepaling van wat een vesper eigenlijk is meer gezag heeft dan Van Lennep’.

[p. 303]

Later viel mij op, hoe weinig ernstig Muller zich eigenlijk zelf met deze vraag: ‘wat een vesper eigenlijk is’ bezig houdt.

Trouwens Thijm blijkbaar ook, immers Muller gaat verder: ‘Eerstgenoemde, Alberdingk Thijm, erkent nl. in zijn (door Unger voltooide) uitgave (I 341) ronduit: ‘De uitdrukking Geuzen-vesper of Zieketroost voor de Vier-en-twintig’ weet ik niet redelijk te verklaren. De vespers zijn de avondpsalmen .... Misschien wil Vondel zeggen: ‘Dit is de uitluiding van het Calvinisme, van de Geuzen ....’ Dat is al heel weinig: ‘de vespers zijn de avondpsalmen’! Hier moet Thijm wel vergeten hebben, dat hij te doen had met een zielekreet van zijn Vondel, den diep-religieusen Vondel, wiens liefste lectuur godsdienstige werken waren, die zoo gevoelig was voor alle innerlijke en uiterlijke schoonheid van elken godsdienst. Vondel vooral, die zijn jeugdjaren sleet te midden van Keulsche Roomschheid, en die later zelf vurig Katholiek zou zijn!1)

Muller zocht, zooals haast vanzelf spreekt, iets meer te zeggen over den aard der vespers, maar zijn bron (Stellwagen, Roomsche woorden 217) gaat niet erg diep, zeker niet zoo diep, als Vondels begrip en gevoel voor vespers moet geweest zijn.

Hoe het ook zij, Muller ziet geen verklaring in het wezen der Roomsche vespers, gaat dan ook andere mogelijkheden na, maar eindigt met een ‘non liquet’.

Leendertz (Tijdschrift N.R. XXVII p. 11 sqq.) bespreekt dezelfde kwestie en gaat daarbij uitvoerig den inhoud van het gedicht en de beteekenis der titels na. M.i. echter kan hij het vers niet beter karakteriseeren dan Muller (loc. cit. p. 24) dat doet: ‘de(n) droeve(n) klaagtoon der 3 eerste strophen ... de(n) toornige(n) uitval van het 4e couplet en de ernstige vermaning, van het ‘Besluyt’. Ook Leendertz maakt het zich

[p. 304]

verder niet moeielijk over den dieperen inhoud, dien het woord vesper voor Vondel kan gehad hebben en komt daardoor tot de eenzijdige conclusie: ‘Zoo beantwoordt de titel Geuse-vesper volkomen aan den inhoud der laatste strofe’ (loc. cit. p. 15). Eveneens uit dit oppervlakkige begrip van 't woord vesper lijkt mij voort te komen, dat Leendertz zich in den uitersten nood vastklampt aan den titel van het pamflet: ‘Morgenwecker, Aen de Oude ende Ghetrouwe Batavieren, Met een Remedie teghen haere slaep-zieckte. Ghedruckt in 't Jaer ons Heeren 1620’, die door Muller als onbruikbaar terzijde was gelegd. Leendertz schrijft Muller's blindheid voor dit voor de hand liggende feit toe aan diens vertrouwen op de dateering van het gedicht in Unger's uitgave, nl. 1619 met een vraagteeken. Toch lijkt me deze reconstructie van Muller's vermoedelijken gedachtengang verkeerd: zou Muller werkelijk zooveel vertrouwen hebben alleen in dat 1619 (?) bij Unger? Zou het niet zijn, dat hij, evenals ik en anderen1), zich het bijna niet anders kan voorstellen, of dit diep-gevoelde gedicht moet ontstaan zijn onder den verschen indruk van de gebeurtenis, waarop het betrekking heeft. Zeker is het, dat Leendertz dit gevoel - meer kunnen we het nauwelijks noemen - niet heeft gehad, of het heeft weggeredeneerd met zijn zeer vernuftige vondsten en combinaties, waarvan die ‘Morgenwecker’ wel als het uitgangspunt te beschouwen is. En hoezeer ik overigens van eerbied vervuld ben voor de scherpzinnigheid, die Leendertz ten toon spreidt, als hij de details van de 5 coupletten gaat interpreteeren, zoo meen ik toch, dat juist die combinatie Morgenwecker-Geusevesper geforceerd

[p. 305]

en niet karakteristiek voor Vondels gedachtensfeer zal blijken te zijn, als we iets dieper ingaan op de vraag: wat de vesper eigenlijk, voor Vondel, was.

De vesper, volgens Kirchenlexicon (Wetzer und Welte) XII p. 870: ‘heiszt derjenige Theil des canonischen Officiums, der das letzte Tagesviertel von der Non bis zum Anbruch der Nacht, die Abendzeit (vesper, vespera) heiligen soll’. En in de Real-Encyklopädie f. Protestantische Theologie u. Kirche (XVII p. 166 sqq.) lezen we o.m.: ‘Zugleich steht sie (scil. de vesper) aber auch in Beziehung zu der Kreuzabnahme des Erlösers’. Hierover vinden we dan ook in 't Kirchenlexicon loc. cit. weer: ‘In Deutschland werden denn auch die bildlichen Darstellungen dieses Momentes und besonders der seligsten Jungfrau, welche unter dem Kreuze den Leichnam ihres Sohnes hält, Vesperbilder genannt’. Zou Vondel zulke voorstellingen en hun naam in Keulen b.v. niet hebben leeren kennen? En zou hij zich niet bij den dood van zijn vereerden martelaar wel eens een oogenblik gevoeld hebben als Maria bij het lijk van haar geliefden Zoon? Laten we hier even mogen wijzen op Hierusalem Verwoest (Januari 1620 Unger), dat bij eerste inzien, op verschillende punten en in algemeene idee, overeenkomst vertoont met Vondels beschouwing van de gebeurtenissen, waarvan Oldenbarnevelts terechtstelling het middelpunt was. (vgl. Aen de Joodsche Rabbijnen; het gesprek tusschen Titus en de Dochter Sion ± vs. 1565; ‘spijst den Kraeyen en de Raven’, vs. 2234). Wat de zeer neutraal gehouden Opdracht aan C.P. Hooft betreft, door Leendertz (Tijdschr. N.R. XXIV 316) aangevoerd om te bewijzen, dat ook de Jonghste Hollantsche Transformatie van na 1625, althans niet van 1618 kan zijn, deze toon kan ook anders verklaard worden, nl. uit het feit, dat dit heele stuk voor directe publicatie bestemd was. Immers men kan toch nog altijd wel maken van publiceeren onderscheiden en aannemen dat b.v. èn Geusevesper èn Hollantsche Transformatie èn Op de boeten betaelt door den heer Peter Schrijver ± 1618-1619 zijn gecon-

[p. 306]

cipiëerd, maar eerst later zijn verspreid. Gepubliceerd in 1620 is zeker Op den Burgerkrijgh der Roomeren en dit zinspeelt vrij duidelijk op Maurits en Oldenbarnevelt.

Wat het tijdstip van den dag aangaat, vindt men in 't Kirchenlexicon: ‘Seitdem die Complet, welche Anfangs als Privatgebet in Uebung kam, zunächst in den Klostern die den Tag abschlieszende öffentliche Hora geworden ist, und die klösterliche Disciplin die Vesper so früh ansetzte, dasz zur Mahlzeit, welche erst nach jener eintreten durfte, Lampen nicht mehr benötigt waren, verschob sich die Vesper von der Abendzeit in den Nachmittag bis zur Zeit der Non, und die Non auf den Ausgang des Vormittags’. Zoo had dus reeds vroeg de vesper als avonddienst afgedaan voor den gewonen geloovige en zal een Roomsch-Katholiek of iemand met hun liturgie ook maar oppervlakkig vertrouwd, zooals men Vondel misschien wel mag beschouwen, deze plechtigheid niet in de allereerste plaats als einde van den dag, als tegenstelling van den morgen, gebruiken. The Catholic Encyclopedia XV p. 382 geeft nog het een en ander over de vespers o.a.: ‘The Vesperpsalms, as well as the hymns and antiphons are well calculated to edify the faithful’. Deze psalmen zijn niet voor iederen dag dezelfde, maar in elk geval worden ze, 5 in getal, genomen uit Psalmen 109-147 (uitgezonderd 118). Over dit getal 5 (tegenover 4 in de kloosters) citeert de Real-Encyklopädie f. Protest. Theologie u. Kirche loc. cit. nog Durandus (Rationale divin. officior. V 9): ‘ut videlicet quod per quinque sensus corporeos commissum est, per quinque psalmorum cantationem penitus dimittatur’. Wellicht is het niet geheel toeval, dat Vondels gedicht 5 coupletten telt, gezien den in dien tijd algemeenen en Vondel niet het minst beheerschenden lust in symboliek.

Waar het hier gaat om het ontstaan van iets zoo onberekenbaar individueels en vaak toevalligs als de titel van een gedicht, heb ik gemeend, dat ik ook mijn vrij subjectieven inval aan het oordeel der deskundigen mocht voorleggen in

[p. 307]

den vorm, waarin ik hem als doctorale stelling had willen verdedigen nl.: de verklaring van den titel van Vondels Geusevesper is te zoeken in den toon en de bedoeling der Roomsch-Katholieke vesper. Tegenover Greebe's analyse van de Vespers zou ik hierachter willen voegen: zooals die vesper den niet liturgisch-belezen Katholiek aandoet. Immers om Vondels opvatting van den R.K. vesper te bepalen, zullen we, meen ik, niet te groote belezenheid en te subtiele detailkennis in liturgische zaken bij hem mogen vooronderstellen, wel echter: zijn jongensherinneringen aan ‘Vesper-bilder’ (de kruisafneming) en enkele gehoorde (!) vesperpsalmen.

Wil men mij beschuldigen van eenzijdigheid, ik zal me niet verdedigen; maar men bedenke, dat ik misschien overdrijf, omdat ik Vondel wil naspeuren als den volop-levenden, spontanen dichtermensch, zooals Kalff (IV 254) hem voor deze periode zoo synthetisch en echt-menschelijk schildert, niet als den redeneerenden automaat, verzen makend op veilige oogenblikken over lang verdronken koeien, dien men nu en dan aan 't ‘werk’ ziet achter de twee genoemde artikelen van Leendertz.

 

Delft/Veytaux.

1917/1918.

g.j. geers.