Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 37


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 37. E.J. Brill, Leiden 1918  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Kleine mededeelingen]

86. Weeraan (weeran).

De opmerkingen van den Heer Kakebeen, hierboven op blz. 312-'13, over een drietal, eerder reeds door den Heer C. Bake, in De Navorscher, 1914, blz. 269-'70, besproken plaatsen bij Huygens, waar weeraan (weeran) voorkomt, geven mij aanleiding, als ‘Kleine mededeeling’ eene verzameling te doen afdrukken van eenige, oudere en jongere, bewijsplaatsen voor weeraan (weeran) uit de literatuur, en van enkele voorbeelden van het gebruik in de hedendaagsche - zij het misschien meer gewestelijke - spreektaal. Daarbij komen eenige voorbeelden voor: al weeraan (of: alweer aan?), een plaats voor: alweer-aan spelen, en ook heb ik er bijgevoegd, al is de uitdrukking eenigszins anders, maar omdat ook die manier van zeggen hierbij behoort: (Allons), er maar weer aan!

[p. 315]

Ik denk dat het hier medegedeelde de door Bake en Kakebeen behandelde plaatsen voldoende zal toelichten en ophelderen. Ik laat de voorbeelden voor zich zelf spreken, zonder eenige aanwijzing van -, of beschouwingen over de beteekenis van weeraan, alweer aan (enz.), in elk bijzonder geval.

 
't Was moy ... dat sy lieten haar ghekibbel:
 
Maar 't is telckens weer-an met een hibbel en dribbel.

Bredero, 2, 66 (Moortje, vers 1467).

 
Gave lever, goet broodt, ossen-muyl, schapen-pens (enz.)...:
 
O bloet hoe krijch ick 't op? Mijn buyck die staet al stijf!
 
Want ick heb schier een broot van twaelf pont in 't lijf, ...
 
Daerom ben ick besorcht hoe ick dit best sal nutten.
 
Al weer-an, sey de meyt, dat gater weer na toe.

Bredero 2, 183 (Sp. Brab., vers 880).

 
Annet.
 
Als hy komt, ik zal zegge ik riep jou van de straat,
 
Om mijn wat geselschap te houwen, want ik was alleenig vervaart.
 
Karel.
 
Al weer aan goet, zo een kermis-vreugt is wel een bil-slag waart.

J. Barentz, Kl. v. Buchelioen, 9 (1655).

 
Kees.
 
't Is hier niet wel estelt van binne, van al 't praete:
 
Daer moet een stickjen in, of 't scheepje sit op 't sangt.
 
Tryn.
 
Al weer an! j'hebt schier noch 't ombyten in je tangt.
 
Kees.
 
Ho, jonge maegen is en goet as jonge Vrouwe.

Huygens 1, 609 (Tryntje Cornelis).

 
Boode.
 
Gy Kryn Jaepknollen nevens Swaen,
 
Celis Melis, Fobert. Kom, weer aan
 
Jy kunt te zaemen binnen treeden.

Alewijn, Beslikte Swaantje, 48.

 
Kom weer aan, gy Vrijers dat gaat'er aan 't spoelen,
 
En wil met uw Vrysters eens lustig krioelen.

Alewijn, Beslikte Swaantje, 71.

Al weer an van mijn neus, altijd over mijn neus te klagen! Van der Hoeven, Arlequin, Toven. en Barbier, blz. 28.
[p. 316]
 
Men slaat elkandren, dat de lappen
 
By de ooren hangen, en men speelt
 
Alweer-an tot verscheide maalen.

Het Boere-Krakeel, blz. 149 (ao. 1763).

 
Ik ben Paul Jones,
 
En nog konstant,
 
Vyf schepen leggen klaar
 
Tegen Engeland,
 
Als 't er komt op aan
 
Zal ik u wederstaan,
 
Daarom al dat praaten,
 
Kan in 't minst niet baaten,
 
A lon' er maar weer aan!

Zamenspr. tussch. de Kon. v. Engel. en Paul Jones, bij Scheurleer, Van varen en van vechten 3, 372 (ao. 1779).

 
Rursus ad diversorium
 
Ik heb al weêr an dorst,
 
Et cibus quasi corium
 
Bezwaarlijk voor mijn borst.

in Van Vredenburch, Schets v.e. Gesch. v.h. Utr. Studenteniev. 194.

't Is maar alle dagen weeran kou (regen, wind enz.), in Noord-Holland (Heiloo en omtrek). [Dikwijls gehoord omstreeks ao. 1880. A.B.].
Dan sen werrek te twallef ier, dan sen mak frokóss, dan twee ier sen lo weránn na werrek, an sen werrek te sess ier [= dan werkten ze (de slaven) tot twaalf uur; dan maakten ze hun ontbijt klaar; dan gingen ze om twee uur weeráán aan 't werk, en ze werkten tot zes uur], Negerengelsch van St. Thomas (ao. 1883), in Tijdschr. v. Ned. Taal- en Letterk. 33, 129.
Weeraan, bijw. Zie de wdbb. - Wie weeran, uitroep van den aflslager op de Vischmarkt te Zaandam eertijds. - Ook als znw. in de uitdr. dat gaat op een weerantje, dat moet nog eens gebeuren. ‖ Dat bevalt me hoor, dat gaat op' en weerantje, Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal 1201/1202 (ao. 1897).
Iederen morgen weer aan wantrouwde hij zijn horloge; hij meende enz., G. van den Hoek, Ontmoet. v.e. kniesoor, in De Gids, 1916, I, 145.
Die beroerde Hollandsche gewoonte van eeuwig weêraan alles schoonmaken, Jaarsma, Bekent. v.e. Bruidegom, in Elzevier's Maandschr. LII (1916), no. 11, blz. 386 b.

Leiden.

a. beets.

[p. 317]

87. Vamdrach.

Dit alleen in het spel Van de V vroede ende van de V dwaeze maegden voorkomende woord heb ik indertijd verklaard als vaendrach = ‘vaandrager, vaandrig’.

Het eerste lid ziet er zeer verdacht uit. De tekst is ons trouwens zeer slecht overgeleverd, b.v. vs. 100 Stechse i. pl. v. Backse, vs. 168 dutter i. pl. v. doctor, vs. 249 verhaeghen i. pl. v. verhoghen, vs. 313 gherepareert i. pl. v. ghepareert, vs. 460 indue i. pl. v. inadre, vs. 763 oneeren i. pl. v. hoveeren enz. Het schijnt dus niet te gewaagd aan te nemen, dat vam voor vaen zou staan. Maar het blijft moeilijk te verklaren, hoe de, hetzij dan middeleeuwsche of 19e eeuwsche, afschrijver aan de m gekomen is. Van phonetische ontwikkeling toch kan geene sprake zijn en wij moeten dus eene verkeerde opvatting, eene valsche analogie bij den afschrijver vermoeden.

Ook het tweede lid geeft moeilijkheid, maar is toch niet onverklaarbaar. Iemand, die bezig was uit het Latijn te vertalen, zocht een woord voor signifer. Het eerste lid werd natuurlijk vaen. Voor het tweede maakte hij de vergelijking fero: fer = dragen: ?. Allicht kwam hij tot drach en behield dit, doordien hij er verdrach van verdragen mede vergeleek. Zoo kon vaendrach ontstaan1) en zelf weer aanleiding geven tot andere woorden met -drach.

Door deze overwegingen kwam ik tot vamdrach = ‘vaandrig’. Maar het eerste lid bleef onduidelijk en ik durfde niet in vaendrach veranderen, omdat deze verschrijving mij nog onverklaarbaar was.

De laatste aflevering van het Middelnederlandsch Woordenboek brengt mij op eene andere verklaring.

Uit den Teuth. wordt aldaar (IX, kol. 1150) aangehaald

[p. 318]

formdreger = ‘circulator’. Het laatste woord verklaart Diefenbach als ‘qui famam portat’, d.i. ‘heraut’. Verdam zegt: ‘Het woord berust op eene vergissing’. Dat zal ieder hem toestemmen. Vrij zeker moet er gelezen worden faemdraeger.

Mogen wij nu naast faemdrager ook faemdrach aannemen in de beteekenis van ‘heraut’, dan is vamdrach als verschrijving gemakkelijk te begrijpen. De afschrijver heeft dan het woord niet verstaan, heeft er vaendrach in gezien en dus de beginletter z.i. verbeterd. Tegen de m meende hij geen bezwaar te moeten maken, doordien hij b.v. ook wel ombekent vond voor onbekend enz.

Hiermede is de vorm ons duidelijk geworden en hebben wij tevens eene beteekenis, die beter in het verband past. Hoverdie heeft hare zuster Ydel Glorie een complimentje gemaakt, dat zij zoo mooi gekleed is en zoo mooi weet te pronken. Daarop zegt deze: ‘Van pronken gesproken, daar ben ik de heraut van’. Nu maakt Hoverdie een nieuw complimentje met ‘Nog meer, gij zijt er de doctor van; gij zijt geen omroeper, maar een leeraar in de kunst’.

 

p. leendertz jr.

88. Alexander, II, 272.

Reeds de eerste uitgever, Snellaert, heeft het vers Daerna quamen hare corenen moeilijk gevonden. Wel trachtte hij het woord corenen te verklaren als ‘muzikanten’, maar vraagt toch ook, of het niet eene schrijffout zou zijn voor torenen = ‘strijdtorens’, waarbij dan een onjuiste klemtoon, nl. torénen zou moeten worden aangenomen.

Zoowel de verklaring als de verandering worden door Verwijs in Taal- en Letterbode IV, 93 terecht afgekeurd. Hij haalt het Latijn van Gualtherus aan, waaruit blijkt, dat op de plaats van corenen een woord moet staan, dat de vertaling bevat van quadrigas. Dit nu meent hij met eene geringe ver-

[p. 319]

andering te vinden in carene, carrene, een bijvorm van carine.

Ook deze verandering is afgekeurd, door Franck in zijne uitgave van den Alexander, bl. 45 en door Verdam in Mnl. Wdb. III, 1914. Zij wijzen er op, dat het door Verwijs bedoelde woord altijd carine luidt, nooit carene en dat de zeer bepaalde beteekenis van ‘bagagewagen’ in dit verband niet past.

Met eene zeer geringe verandering zou men kunnen lezen wrenen. Gewoonlijk heeft dit woord de beteekenis ‘strijdros, strijdhengst’ en dit is een bezwaar. Maar overwegend is het niet. Maerlant heeft het althans ook in meer algemeenen zin gebruikt, naar het schijnt, synecdochisch voor ‘paard en wagen’.

Bij Gualtherus V, 122 lezen wij:

 
Iamque propinquabat regali prodita luxu
 
Ipsa acies Darii, curruque micabat ab alto
 
Rex, regem innumera lapidum prodente lucerna.

Maerlant vertaalt deze regels, V, 203 vlgg.:

 
Mettien quam Daris ghevaren
 
Vreselike met sinen scaren,
 
Bider cracht vanden stenen
 
Ende bi de vanden wrenen
 
Mochtmen weten dat Daris was.

Vs. 206 bevat de vertaling van curruque micabat ab alto. Hier beantwoordt dus wrenen aan curru. Er kan nu ook geen bezwaar zijn het II, 272 als vertaling van quadrigas aan te nemen.

‘Uit het latijn is onmogelijk op te maken, welk woord in het hs. vergeten is’, zegt Franck, bl. 161, terecht. Men zou kunnen denken aan glans (vgl. micabat, waarvan echter rex het onderwerp is), of aan macht = ‘menigte’, maar dit begrip is het Lat. niet te vinden, tenzij in innumera, dat echter bij lucerna behoort.

Men zou geneigd zijn te denken, dat Maerlant geschreven heeft:

[p. 320]
 
Bider macht vanden stenen
 
Ende bider cracht vanden wrenen.

Een afschrijver kon gemakkelijk reeds in den eersten regel cracht schrijven en dan, gevoelende dat in den tweeden macht niet paste, hier het woord maar stilletjes weglaten. Met deze lezing zouden wij eene vrij nauwkeurige vertaling hebben.

 

p. leendertz jr.