|
|
|
| |
| | | |
Den haring om de kuit braden.
In mijne uitgave der Middelnederlandsche Dramatische Poezie, bl. 604, heb ik van deze spreekwijze eene verklaring gegeven, die ik thans onhoudbaar acht, en dus door eene andere wensch te vervangen.
De uitdrukking is waarschijnlijk niet zeldzaam geweest en komt daardoor ook met eenige wijzigingen voor, nl. met roghe i. pl. v. cuut en met keren i. pl. v. braden. Toch hebben wij tot nog toe uit de schrijvers slechts drie bewijsplaatsen.
Kiliaen vermeldt de uitdrukking niet. Waarschijnlijk was zij dus in zijne omgeving niet meer algemeen gangbaar. Dat zal ook wel de oorzaak geweest zijn, dat Plantijn er twee niet geheel gelijke verklaringen van geeft.
Harrebomée, I, 284, 285 haalt de spreekwijze aan uit een in 1550 te Kampen gedrukte verzameling van spreekwoorden, en ook nog uit eene in 1606 te Antwerpen gedrukte. In latere verzamelingen, zooals van Sprenger van Eijk en van De Jager is zij hieruit overgenomen.
Het Ned. Wdb. geeft ons geene andere aanhalingen.
De tot nu gegeven verklaringen zijn:
1o. Plantijn i.v. harinck: ‘Den harinck om den roge oft kuyt braden. Rostir le hareng pour avoir les oeufs, ou la laictee. Oleum et operam perdere, adag.’ Hij vat het hier dus op als ‘kost en moeite verliezen, vergeefsche moeite doen’. Deze verklaring is overgenomen in Ned. Wdb. V, 2213.
2o. Plantijn i.v. roghe: ‘Den herinck braden om den roghe. Rostir le hareng pour avoir l'oeuf. adag. Aureo hamo piscari.’ Hier verstaat hij er dus onder ‘veel wagen met geringe kans op winst, goed geld naar kwaad geld gooien’.
3o. Idinau, Lot v. Wijsh. 123: ‘iemand een dienst doen
| | | | op hoop van zegen’. Deze verklaring is overgenomen in Ned. Wdb. III, 983.
4o. Mnl. Wdb. VI, 1563: ‘zijn geld weggooien’ te vergelijken met ‘de kip slachten die het gouden ei legt.’’
5o. Ned. Wdb. III, 983: ‘in toepassing op verkwistende lekkerbekken’.
6o. Mnl. Dram. Poezie bl. 604: ‘een kunstje, nl. het spouwen van den haring’.
7o. Tinbergen, Des Coninx Summe, bl. 535: ‘misschien wel oorspr. door herbergiersknechts gedaan zooals tegenwoordig de poeliers voor particulieren een haas of konijn villen om het vel. Het zou dan verder de beteekenis hebben kunnen krijgen van: uit alles een voordeeltje halen’.
Tegenover al deze verklaringen staan slechts drie bewijsplaatsen.
In Des Coninx Summe, uitg. Tinbergen, bl. 272 (ook in Van Vloten's Prozastukken, bl. 163, en daaruit in Mnl. Wdb. III, 2235 bij vergissing als eene tweede bewijsplaats aangehaald) lezen wij: ‘Die negende tacke der ghiericheit is quade ambochte te houden, daer veel lude in sondigen in veel manieren, als deze lichte wiven, die om wenich ghewins hoer lijf in sonden gheven ....... of dese wijn boeven, die den harinc om den kuut braden,’ enz.
Hierbij geeft Tinbergen de aangehaalde verklaring. Deze kan echter niet geheel juist zijn. Wanneer immers een poelier een haas voor ons wil villen zonder andere vergoeding dan het vel (de meeste vragen nog wel geld bovendien), dan is dat, omdat het vel vrij wat waarde heeft en hij dat beter verkoopen kan dan wij. Maar de kuit werd in de middeleeuwen (en wordt door velen tegenwoordig nog) als een minderwaardig deel van den haring beschouwd en veelal weggesmeten. Dat blijkt duidelijk uit het verhaal van die vrouwe van Vreden in Van den doechden der vuriger ende stichtiger susteren van Diepenveen, uitg. Brinkerink, bl. 69. Eenige werklieden, die van hare deugden gehoord hadden, begeerden haar te zien.
| | | | ‘Doe gevyelt eens op een tijt dat die werckluyde gegeten hadden. Doe segen sie doer een gat van eenre muren dat sie sat ende las dat kuut wtten grade, dat sie verworpen hadden, ende dat sie die at’. Het is niet waarschijnlijk, dat de herbergiersknechts als betaling zouden aannemen, wat de werklieden als waardeloos weggooiden, en dat zij dit dan nog als een voordeeltje zouden beschouwen.
Hieruit blijkt ook duidelijk, dat de uitdrukking niet gebezigd kan zijn in toepassing op verkwistende lekkerbekken.
Meer helpt ons ter verklaring eene plaats uit Dat Scaecspel, uitg. Van Schaick Avelingh, bl. 156. Een jonge man had na den dood zijns vaders al zijn goed in korten tijd doorgebracht. ‘Daernae, doe die tijt quam, dat hi nijt en hadde, stont hi by enen vier, daer zijn ghezellen saten ende aten ende droncken, daer hi zijn goet aen gheleit ende mede toe ghebrocht had, die hem nijt en gaven noch en boden, al had hi groten honger. Mer een van hem allen seide hem: ‘Hout, braet dien harinc, so moechstu dat kuut hebben’. Doe hi dien harinc had ghebraden, gaven si hem den kuut ende een stuc broot’.
Wij zien hier dus iemand, die voor eene allergeringste betaling, of liever voor geene betaling, een minderwaardig werk doet, hopende daardoor een ander gunstig te stemmen en zoodoende iets van hem te krijgen. De doorbrenger werd nu zelf klaplooper bij hen, die hem vroeger geholpen hadden zijn geld op te maken. Wij zouden dus voor den haring om de kuit braden de beteekenis ‘klaploopen’ krijgen, waar de verklaring van Idinau mede overeenkomt. In Des Coninx Summe wordt dan gesproken van klaploopers, die hopen te mogen mededrinken, of van herbergknechts, die kruipend beleefd tegenover de bezoekers zijn op hoop van eene groote fooi.
Maar zeer vaak worden de klaploopers met schimp weggejaagd of moeten zich allerlei krenkingen laten welgevallen, terwijl zij nog slechts weinig krijgen, en heel dikwijls valt de fooi veel kleiner uit dan gehoopt was. Zoo kon Plantijn gemakkelijk tot zijne eerste verklaring komen. Bij de tweede
| | | | heeft hij zich dan nog iets verder van de oorspronkelijke beteekenis verwijderd, en heeft daarmede de nieuwere uitleggers tot de verkeerde opvatting ‘verkwisten’ gebracht.
Past nu onze verklaring ook op de beide andere plaatsen, waar de uitdrukking gevonden is?
In Den Boom der Schriftueren, uitg. Schotel, bl. 34, komt Gheloove waar Menschelycke Leeringhe en hare dienaren met Elck Bysonder een gastmaal houden. De binnentredende wordt met schimpredenen ontvangen. ‘Comt ghi hier den harinck om de kiet braden?’ roept Natuerlycke Begheerte en Eyghen Wijsheyt voegt er bij: ‘Ghi comt te spade, den hont is in der scapraden’. Men ziet dadelijk, dat ‘klaploopen’ hier een veel beteren zin geeft dan ‘verkwisten’ of ‘zijn geld weggooien’. Het is zelfs een zeer voor de hand liggende schimp, dat men hem, die bij een maaltijd binnenkomt, vraagt: ‘Kom je hier klaploopen?’, waarop een ander den hoon nog scherper maakt door te zeggen: ‘Je komt te laat, de hond is in den pot’.
De derde plaats is in Een beginsel van allen spele (uitg. in Horae Belgicae VI, bl. 1 en Mnl. Dram. Poezie2, bl. 442). Daar wordt opgesomd, waarin de menschen alzoo hun vermaak vinden. Vs. 20 vlgg. luiden:
Selc die gans keert om dien craghe.
Selc keert den heerinc om den roghe.
Selc sciet gerne metten boghe.
Selc verblijdt hem in sijn ghelt;
Ach leider, dmine es saen ghetelt,
In derffer mi niet af verbliën.
Hoffmann heeft in vss. 20 en 21 willekeurig keert, zooals het hs. duidelijk heeft, veranderd in coert. Deze lezing is in Mnl. Wdb. VI, 1562 overgenomen en verklaart als ‘zij verkiezen de genietingen van de tong’. Dit kan niet juist zijn, omdat de hals van de gans al evenmin als de kuit van den haring eene bijzondere lekkernij is. De lezing van het hs. moet dus behouden worden.
| | | |
Omdat hier allerlei spelen en vermaken genoemd worden, heb ik indertijd in vs. 20 en 21 ook volksvermaken en kunstjes willen zien, nl. het ganstrekken en den haring spouwen. Maar dat is toch te gezocht. Nu de beteekenis van elders vrijwel vaststaat, moeten wij ook hier in vs. 21 de beteekenis ‘klaploopen’ aannemen. Vs. 20 zegt dan geheel hetzelfde: de gans om den nek braden, waar men met veel en moeilijk kluiven slechts weinig vleesch afhaalt, is volkomen gelijk aan den baring om de kuit braden.
Wel komt het klaploopen een beetje vreemd tusschen al die spelen in, maar niet vreemder dan vs. 23, en vss. 24 en 25 passen er weer heel goed bij.
Wij zullen dus overal ‘klaploopen’ voor de juiste beteekenis moeten houden.
De eigenaardige beteekenis, die ik Mnl. Dram. Poezie, bl. 604, vermoedde voor harinc in Een Tafelspeelken van .... eenen Man ende een Wijf, vs. 25, vinden wij ook in het spreekwoord ‘Die lang wil koopman zijn, Wachte zich voor paard en wijn; Haring mag wel 't derde zijn’; zie Harrebomée, I, 284. Had Harr. dit rijmpje verstaan, dan had hij het zeker niet opgenomen.
p. leendertz jr.
|
|
|