Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 39


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 39. E.J. Brill, Leiden 1920  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 97]

Ontcliven.

Van dit woord wordt Mnl. Wdb. V, 1120 slechts ééne bewijsplaats gegeven, en ik heb er ook geene andere. Schotel geeft in de woordenlijst achter zijne uitgave van Den Boom der Schriftueren de verklaring ‘ontleden, verklaren, uitleggen’. Deze kan echter niet juist zijn.

Menschelycke Leeringhe zegt tot zijne dienaars (bl. 7):

 
Waer sidy mijn dienaers, wilt my gheriven,
 
Onder mans en wiven(,) plant ons motiven,1)
 
T'wort ons verstiven,[;] om golden schiven(,)
 
T'woort Gods beschriven(,) wilt my ontcliven.
 
De helsche kativen, dootwondighe kniven.[,]
 
Roep ic met u, te mijnder assistencie.

Verdam zegt: ‘Ontcliven zou kunnen beteekenen loslaten (intr.)’. Misschien zou men voor cliven aan de beteekenis ‘klimmen’ kunnen vasthouden en dan ontcliven weergeven met ‘dalen, minder worden’. Maar ik zou liever vertalen ‘ontschieten, ontgaan, verlaten’.

De interpunctie in de uitgave is voor ons eerder eene belemmering in het verstaan dan eene hulp2). Daarom heb ik hier tusschen [] eene verandering daarin gebracht, en wat geschrapt moet worden, tusschen () gezet. De vertaling wordt dan: ‘Waar zijt gij, mijn dienaars, wilt mij helpen, plant onze leeringen onder mannen en vrouwen, dat zal ons macht geven. Het beschrijven van Gods woord voor rijke betaling dreigt mij te ontvallen. De helsche geesten, die als doodwonden toebrengende messen voor de ziel zijn, roep ik bij u tot mijne hulp’.

[p. 98]

Hierbij sluiten de volgende woorden van Menschelycke Leeringhe zeer goed aan:

 
Dats waer, maar mi gebuert de meeste violencie,
 
In mijns selfs presencie, van een nieuwe invencie,
 
Elc bisonders eloquentie, is op Gods woort intentie,
 
Heymelike penitentie, bedecte abstinentie,
 
Hier by soude sonder mencie, alle mijn credencie,
 
Door schriftuere gheheel int sant, vallen,
 
Waer by habeamus sou in ons hant, smallen.

De laatste regels toch beteekenen (de, achter credencie moet weer geschrapt worden): ‘Hierdoor zou, zonder dat er over gepraat werd, al het vertrouwen, dat ik bij de menschen heb door de schrift (en mijne verklaring daarvan), geheel verdwijnen, waardoor onze inkomsten zouden verminderen’.

De oorzaak der onduidelijkheid in de besproken verzen is, dat men er licht toe komt in ‘wilt mi ontcliven’ een gebiedende wijs te zien, terwijl toch wilt ook in dit spel herhaaldelijk als 3e persoon van den tegenw. tijd voorkomt

Blam.

In de Amsterdamsche volkstaal hoort men soms een woord, dat men het best weergeeft met blam, in de beteekenis van ‘waarachtig, zeker’ of ook ‘verduiveld, in hooge mate’. Bij scherper luisteren blijkt de klank eerder ğb'lam te zijn. Het woord is dan ook ontstaan uit ik ben lam, zooals ik het een enkele maal voluit gehoord heb. De volledige uitdrukking zou zijn ik ben lam, als het niet waar is, synoniem van ik mag doodvallen, als enz.

Dit blam, dat ik nooit geschreven gezien heb, is dus een tegenhanger van b.v. gnets, waarover zie Tijdschr. 29, 245.

[p. 99]

Voor de vuist.

Deze woorden in Vondels Leeuwendalers, vs. 448

 
en won den naem van Helt
 
Daer niemant voor de vuist hem wachten dorst in 't velt,

hebben al heel wat verschillende verklaringen gevonden.

Verdam in zijne uitgave, Nederl. Klassieken I, bl. 32 verklaart ‘onvoorbereid, ongewapend, niet in staat van tegenweer zijnde’.

In Noord en Zuid XIII, 202 komt Eymael hiertegen op: ‘In voor de vuist spreken, dichten heeft deze uitdrukking werkelijk de beteekenis van onvoorbereid; hier echter kan dit niet het geval zijn. Hoe zou iemand eer kunnen behalen, laat staan den naam van “Held” winnen, door een onvoorbereiden, een weerloozen vijand te verslaan? Vgl. Jephta, vs. 180: Manasse uit trots te daegen voor de speer’. Eene andere verklaring geeft Eymael dus niet met zooveel woorden, maar het is duidelijk, wat hij bedoelt.

In datzelfde tijdschrift, XV, 384 zoekt P. Visser de verklaring van Verdam te handhaven door onder hem niet den vader, maar den stier te verstaan. Ter bevestiging geeft hij nog eene plaats uit de Batavische Arcadia, waar gesproken wordt van ‘dootslagen voor de vuist’, waarin hij ‘dootslagen, die niet van te voren waren beraamd, niet waren voorbereid’, ziet. De Redactie verklaart deze woorden in eene noot door ‘doodslagen in vuistgevechten’.

Op bl. 477 geeft Visser eene andere verklaring, nl. ‘zonder veel omhaal; zoo pardoes; zoo zonder den minsten omslag’ en haalt daarvoor eene plaats aan uit Anslo's Parijsche Bruiloft en Vondels Gijsbrecht, vs. 101.

In de woordenlijst achter zijne uitgave (Pantheon, no. 106) verklaart Stoett ‘van nabij, openlijk (met zwaard of speer)’.

[p. 100]

Dezelfde verklaring ongeveer geeft Van Moerkerken in Noord en Zuid, XVI, 90, nl. ‘in 't vlakke veld, zonder veinzerij of verraad’, ‘in het open veld, openlijk’, ‘in open strijd’, ‘in open krijg’, ‘van nabij’ en vervolgens ‘zonder talmen, zonder onderzoek, zonder genade’. Deze meening wordt gestaafd door een aantal bewijsplaatsen.

Cramer in zijne uitgave van den Lucifer op vs. 1886 verklaart voor de vuist = ‘openlijk’, eigenlijk ‘van nabij’, als synoniem van voor de hand.

In Taal en Letteren, III, 117 sluit R.A. K(ollewijn) zich daarbij aan.

In Ned. Wdb. V, 1846 wordt voor de vuist gelijkgesteld aan voor de hand.

H. Beckering Vinckers in zijne uitgave, Nederlandsche Klassieken, Gulden-editie, 1e deel, 3e afl., verklaart ‘openlijk ook voor de hand, voorshands vechten: man tegen man; met gelijke kansen, eerlijk en openlijk’.

In Noord en Zuid XX, 239 geeft Stoett nog eene bewijsplaats van voor de vuist = ‘openlijk’.

Misschien, zelfs waarschijnlijk, is er nog wel meer over deze uitdrukking geschreven. Maar het aangehaalde is voldoende om te doen zien, dat er nog al verschil van meening is, al komt er langzamerhand meer overeenstemming. Eene hernieuwde behandeling is niet overbodig. Het blijkt dan al spoedig, dat wij met meer dan ééne beteekenis te maken hebben.

Misschien wel onder invloed van iemand voor den rechter roepen heeft men iem. voor den degen roepen = ‘uitdagen tot een tweegevecht met den degen’; zie Ned. Wdb., III, 2362.

Op dezelfde wijze vinden wij voor de speer in Vondels Jephta, 180: Manasse uit trots te daegen voor de speer (aangehaald door Eymael, Noord en Zuid, XIII, 202). Hier wordt de strijd met de wapenen gesteld tegenover 't pleit door middelaers te slechten, 't Geschil met reên en geen rappier te rechten. Evenzoo Koning David Herstelt, 952

[p. 101]

Heer koning, 't is geen tijt van suffen, maer van slaen.

Wy moeten voor de vuist hem daegen voor den degen.

 

Dezelfde beteekenis zou kunnen hebben voor de vuist roepen = ‘uitdagen tot een tweegevecht met de vuist’. Ik heb echter nog geene voorbeelden van deze uitdrukking gevonden. Doordien het begrip van ‘vechten’ hier sterk op den voorgrond komt, kon, al of niet door tusschenkomst van hij daagt hem ten strijde voor de vuist of eene dergelijke uitdrukking, voor de vuist synoniem worden van met de vuist. Zoo lezen wij in het Vervolg van den Vlugtenden Banqueroutier, bl. 36: ‘afgeregt op de Bakkelykunde, zoo wel met het mesje, als voor de vuist’.

Daarnaast ontwikkelde zich de beteekenis voor de vuist = ‘in een tweegevecht, in een gevecht van man tegen man’, hetzij dan met de vuist of met eenig wapen. Deze beteekenis vinden wij in de plaats uit Leeuwendalers: ‘niemand dorst uwen vader voor een vuistgevecht of voor een tweegevecht afwachten’. Ook in de Batavische Arcadia beteekent ‘dootslagen voor de vuyst’ niet anders dan ‘in een gevecht van den eenen man tegen den anderen’.

Zoo ook Vondel, Virgilius in Proza, Inhoud Boek XII: ‘Aeneas .... eischt Turnus alleen voor de vuist uit’.

Virgilius in Rijm, XII, Inhoud (V.L. VIII, 628):

 
De helden komen fors elckandere aengeronnen,
 
En kampen voor de vuist, in 't aensien van elck heir;
 
Daer Turnus sneeft, en laet Eneas sijn geweir.

D.A. Opmeer, Klucht van Tryn Ratels (1660), bl. 22:

 
'k hadt recht mijn sin gesedt,
 
Siet daer, om een plockhaertjen te leggen voor de vuyst.
 
(aangeh. door R.A.K. in T.e.L. III, 117).

Vervolgens wordt het ‘in een persoonlijk gevecht, in een handgemeen’, hetzij met de vuist of met een wapen, mits niet met een schietwapen uit de verte. B.v. Anslo, Parysche Bruiloft (Poezy, bl. 438):

[p. 102]
 
't Zal 't eerst niet zyn voor my te handelen in bloet.
 
Daar hebt gy my, mevrou, van jongs in opgevoedt.
 
Ik, die geen lusten acht, dan slechts den lust van 't jagen,
 
Heb menig wilt vermoort, en voor de vuist verslagen,
 
En 't zelf daar na ontwaait, en dikwils vuil bemorst
 
Het lillende ingewant getrokken uit de borst.

Hij heeft dus het wild met jachtspriet of hartsvanger gedood, niet geschoten.

Vondel, Virgilius in Proza (V.L. V, bl. 402): ‘Alrede heeft hy Sthenelus en Thamyris en Tolus afgemaeckt; den eersten en tweeden voor de vuist, den derden van verre’.

Virgilius in Rijm, vs. 521 (V.L. XII, bl. 641):

 
hij heeft alree met kracht
 
Thamyr, en Sthenelus, en Tolus omgebraght,
 
Twee eersten voor de vuist, den derden, die 't beschreide,
 
Van verre.

Lucifer, 1866:

 
De trotse Lucifer, dan hier dan daer gedreven,
 
Schiet toe op dit geschrey, en geeft zich rustigh bloot,
 
Om zyn groothartigheit, in 't nypen van den noot,
 
Te toonen voor de vuist, op zynen oorloghswagen.

Hier is het ‘in het handgemeen, in het slaggewoel’.

Hooft, Ned. Historiën3, 470: *Etlyke Duitschen kanten 'er zich teeghens: verscheide burghers ook; voor de vuist; uit de vensters; meenigherley gevecht’.

Zoo is het te begrijpen, dat voor de vuist de vertaling wordt van Lat. comminus. Zoo vertaalt Vondel ‘non cursu, saevis certandum est comminus armis’ uit Aeneis, XII, 890 met ‘men moet hier niet loopen, maer voor de vuist vechten’ (V.L. V, 416) en ‘Men moet niet loopen, maer voor's hants manhaftigh strijden’ (V.L. VIII, 661, vs. 1344). Hier beteekent het dus ‘van nabij’.

De bijgedachte ‘in een openlijken, eerlijken strijd’ ligt nu zeer voor de hand. Het is niet doenlijk altijd uit te maken, of deze aanwezig is of niet, en in welke mate. Maar er kan

[p. 103]

niet aan getwijfeld worden, wanneer de tegenstelling wordt gemaakt met ‘verraad’.

B.v. Palamedes, 596, waar Diomedes zegt, dat hij wel iemand is voor een strijd van man tegen man, om den vijand in het aangezicht te zien, maar niet voor veinzerij:

 
Ick ben een man in 't veld, om op een moedigh paerd,
 
Dat schuymbeckt, briescht, en krabt, en stof werpt met sijn' voeten,
 
Mijn vyand voor de vuyst, met sweerd en speer t' ontmoeten;
 
Maer 'k heb uw' veynsery, Ulysses, lang verleert.

Samson, 430:

 
In zijnen diepen slaep verraeden, en verkocht!
 
Hy is niet voor de vuist getemt, en overwonnen.

Herkules in Trachin, 273:

 
Want zoo hy, voor de vuist, zijn wraek hadde uitgewrocht,
 
Jupijn zou billijk een gerechte wraek verschoonen.

Hier is het de vertaling van ἐμϕανῶς.

Van Effen, Holl. Spectator, X, bl. 140: ‘Zy is lafhartig en bloode zonder wederga, niemand voor de vuist durvende aanvallen, zoekt zy haar oogmerk door bedekte wegen uit te voeren’. (Aangehaald door Stoett, Noord en Zuid, XX, 239).

Soms schijnt de uitdrukking slechts de zeer algemeene beteekenis ‘in den strijd’ te hebben of ‘in een zwaren strijd’. B.v. Gijsbrecht, 101:

 
'k Heb ..................
 
 
 
Met Brero voor de vuist het Vlaemsche heir geslaegen.

Inwydinge van 't Stadthuis, 1304:

 
Met zegenrijcken roof, en wapenen, op kosten
 
Van burgerbloet gehaelt tot heil van 't vaderlant,
 
Op al wat voor de vuist met boosheit innespant.

Een enkele maal wordt het alleen ‘in oorlog’ of ‘met geweld’, b.v. Samson, 534:

[p. 104]
 
Of zetten voor de vuist al 't lant in bloet en vlammen.

Soms ook is het gelijk ‘ten strijde’, b.v. Nederl. en Lat. Keurdigten, bl. 70:

 
De Jonge Vorst ...... komt voor de vuyst,

en ib. bl. 75:

 
En 't werk, dat voor de vuist op Gods Gezalfden stormt.

Moeilijk verklaarbaar is het gebruik, dat Vondel van deze uitdrukking maakt in zijne vertaling van Virgilius, Aeneis, VII, 540. In de vertaling in proza lezen wij. ‘Terwijl men aldus in het velt voor de vuist vecht’ (V.L. V, 289) en in de vertaling in rijm: ‘Terwijl men dus in 't velt vast toetast voor de vuist (V.L. VIII, 478, vs. 779).

Het Latijn heeft ‘Atque ea per campos aequo dum Marte geruntur’, d.w.z. ‘terwijl zoo met gelijke oorlogskans gestreden wordt, terwijl de strijd nog onbeslist is’. Deze beteekenis van voor de vuist zou misschien uit die van ‘man tegen man’ afgeleid kunnen worden. Maar het is waarschijnlijker, dat Vondel hier niet nauwkeurg vertaald heeft, dat hij bij aequo meer aan ‘gelijk van rechten, billijk’ gedacht heeft en dus aequo Marte heeft opgevat als ‘in een gelijken, eerlijken strijd’.

Wij kunnen van deze uitdrukking niet afstappen zonder de synonieme uitdrukking voor de hant of voor 's hants strijden te beschouwen.

In de Ned. Wdb. V, 1846 aangehaalde plaatsen beteekent dit ‘in een gevecht van man tegen man’. Evenzoo in H.J. Soet, Batavische Eneas (1645), bl. 3:

 
Sy Barbaris een deel van d' ons hebben verslagen
 
 
 
En dat niet voor de handt, maar even als vermoort.

en aldaar bl. 6:

 
Veel liever voor de handt, dan sterven met bedrogh.
 
 
 
(Aangehaald door R.A.K. in T.e.L. III, 117).
[p. 105]

Deze beteekenis kan, al of niet onder invloed van Lat. comminus, ontstaan zijn doordien men voor de hand naast voor de vuist stelde. Deze beteekenis af te leiden uit die van ‘nabij’, zooals R.A.K. in T.e.L. III, 116 doet, lijkt mij moeilijk. Wel kan de beteekenis ‘nabij’ er invloed op gehad hebben, dat men beide uitdrukkingen gelijk stelde.

Daarnaast echter vinden wij bij Kiliaen hant voor hant vechten = ‘man veur man’, pugnare cominus cum hoste Et: singulare certamen inire. Zie Ned. Wdb. V, 1850 en de aldaar aangehaalde plaatsen.

Hierin hebben wij in voor de beteekenis ‘in ruil voor’, ‘gelijkgesteld met’, ‘tegen’, ‘om’ (b.v. stuk om stuk) te zien; vgl. lijf om lijf vechten, Ned. Wdb. VIII, 2238. Vandaar dat wij ook vinden hant tegen hant vechten b.v. Vondel, Virgilius in proza, 12e boek (V.L.V, bl. 403): ‘Imbrasus zelf hadze in Lycie opgevoedt, en met eenerleie wapenen verciert, om hant tegens hant te vechten, of te paerde den windt voorby te rennen’, ter vertaling van ‘conferre manum vel equo praevertere ventos’, waarvoor wij in de vertaling in rijm (V.L. VIII, bl. 641, vs. 528) lezen:

 
Om rustigh voet by voet te zetten, en te vechten,
 
Of sneller dan de wint te rennen op het paert.

Waarschijnlijk zijn er dus twee wegen samengeloopen, waarlangs voor de hant synoniem geworden is van voor de vuist.

Eene geheel andere beteekenis nl. ‘onmiddellijk, zonder bedenken, zonder kiezen’ heeft voor de vuist, b.v. bij Hooft, Nederl. Historiën (uitg. 1677, pag. 170): ‘Noch verzocht hy (Philips) 't gevoelen van de rechtbank der Inquisitie, die, voor de vuist wegh, alle Nederlanders, uitgeseit de geenen, de naamen der welke haar van hier toegezonden waren, verklaarde voor kettersch, oft kettergunstigh, en, door doen oft laaten, in Majesteitschenderye vervallen’.

Hier is het synoniem van voor de hand weg, voor den voet

[p. 106]

op, voor de greep weg enz.1). Hieruit zou de beteekenis ‘onmiddellijk’ afgeleid kunnen worden, die wij hebben in Vondel, Batavische Gebroeders, 1253:

 
De noot eischt staetkrackeel met bijl en kling te rechten,
 
En straffen voor de vuist, op een waerschijnend blijck.

tenzij het ‘krachtdadig’ beteekent.

In verbinding met spreken heeft voor de vuist de beteekenis ‘onvoorbereid’ gekregen, die gemakkelijk uit ‘zonder bedenken, onmiddellijk’ kon voortvloeien2).

Inridich.

In het Mnl. Wbd. III, 912 zegt Verdam van dit woord: ‘Misschien is de beteekenis blootgesteld aan of verwoest door vijandelijke aanvallen, plat gebrand van een land gezegd’. Als eenige bewijsplaats vinden wij hier ‘Item soo is Jonker Keno mitten Oostvriesen vyand geworden Coppin Jarges ...... en der stad en ommelanden en branden in twe zyden in Reiderlant, daer dat lant noch inrydich van is, als Farnsum, Otterdum, Weiwert, Hevensches ende Dam toe Borum en toe Spyck’, Matth. Anal. I, 78 (1e druk, I, 119), uit de Kroniek van Joannes de Lemmege.

Hadden wij geene andere lezing dan de uitgave van Matthaeus, dan zou de plaats zeker onduidelijk blijven en wij zouden niet verder komen dan eene waarschijnlijke verklaring. Maar er zijn meer hss. van deze kroniek en bovendien andere kronieken, die of deze of dezelfde bron als deze gebruikt hebben. Er is dus critisch materiaal genoeg.

[p. 107]

De kroniek van J. de Lemmege is opgenomen in de Kroniek van Sicke Benninge, uitgegeven door Mr. J.A. Feith in de Werken van het Historisch Genootschap, Nieuwe Serie no. 48. Het teksths. heeft op deze plaats (bl. 65) i. pl. v. zyden het onverstaanbare zeliwer, waarvoor Feith wil lezen sijlen, zooals twee andere hss. hebben, terwijl een vierde sijlvesten heeft.

In Worp van Thabor's Kronijken van Friesland, 4e Boek (Leeuw. 1850), bl. 21 lezen wij: ‘Ende joncker Keno brande in twee zylen in Reiderlandt, daer dat landt noch inrydich aff is’. Deze lezing wordt ook bevestigd door Eggerics Beninga, Historie van Oostvriesland, 1e boek, cap. 179 (uitg. 1706, bl. 157): ‘Daer na hefft genante Coppen Jarchs vele quades in Oostfrieslant, und in de Ummelande van Gronien, so wyt syne macht streckende, mit roven und brant schade gedaen, und hefft twe syhle, daer nu de Dollert is, barnen laten. Daer tho leeten oock de Tedunge ohre dycken liggen, und de ander syhlen in ryden, daer door de gemeente verarmet, und 24 Carspelen vorgingen’.

Evenzoo vertelt Schotanus (Franeker, 1658), bl. 240: ‘De Schieringen brandden twee Sluysen in Reyderlandt, wesende van de Vetkoopers zyde, ende staken de dijcken op veel plaetsen door, om 't landt onder 't water uyt de Dollert te brenghen. Kene om ghelijck met ghelijck te verghelden, stack de Dijcken ende Sluysen aen de Groeningher kant door: moetende alsoo 't onschuldich Landt-volck de rasernye der grooten ontgelden’.

Beninga geeft ons meteen een voorbeeld van inriden = ‘binnenstroomen’1), zoodat nu geen twijfel meer kan bestaan aan de beteekenis van inridich, nl. ‘waar het water binnenstroomt, blootgesteld aan overstroomingen’.

Op de vijf in het Mnl. Wdb. aangehaalde plaatsen uit de Cameraarsrekeningen van Deventer (waar nog bijgevoegd kan

[p. 108]

worden bl. 323) is de beteekenis van inriderich of inrederich niet zeker, maar de hier voor inridich vastgestelde beteekenis past zeer goed in het verband. Wel wordt er driemalen gezegd, dat de vijanden het land ‘inriderich maken’, maar wij hebben boven gezien, dat dit eene gewone oorlogsdaad was. Voorloopig lijkt het mij dus raadzaam hier voor inriderich geene andere beteekenis aan te nemen en het woord dus niet met het transitieve, maar met het intransitieve inriden in verband te brengen.

Ik mag echter niet nalaten te wijzen op eene plaats in dezelfde rekeningen, die de in het Mnl. Wdb. gegeven verklaring zou kunnen steunen, nl. bl. 35: ‘Henniken messelgier ton Arkelsteyn ghezant an Henr. den Zuren omme daer te weten te laten dat die vyande int lant ryden woelden’.

Van riden = ‘stroomen’ vinden wij bij Worp van Thabor nog eene merkwaardige afleiding, die in het Mnl. Wdb. niet is opgenomen, nl. zylrydt, d.i. ‘eene vaart, die op eene sluis aanloopt’, dus ‘sluisvaart, zijltocht’. De beteekenis blijkt duidelijk uit de volgende plaatsen.

Bl. 3: ‘Doe lieten die van Groningen graeven wt Weysinger sylrydt eenen groten graeve, heetende Muetdiep, tot Onsta burchgrave. Doe voeren die vianden met schepen tot Onsta borchgraft, ende wonnen dat huis met groter macht ende arbeit’.

Bl. 4: ‘Doe toegen die burgers van Groningen met die Friesen wederomme ten Damme, daer sy bleeven drie daegen lanck, ende vergaederden veel cleine schepen, ende voerden die in die burchgraft toe Fermsum, ende wonnen alsoe dat huys toe Fermsum, ende verdroncken alle die zeerovers voorsz. in die graft ende Fermser zylrydt’.

Ook het hier voorkomende borchgraft wordt in het Mnl. Wdb. niet vermeld en van borchgrave alleen de beteekenis ‘stadsgracht’, niet die van ‘slotgracht’.

Weliswaar is althans het slot der kroniek van Worp van Thabor niet eerder dan 1523 geschreven, maar toch geeft zijn werk ook voor onzen Middelnederlandschen woordenschat

[p. 109]

te waardeeren aanvullingen, omdat de door hem gebruikte woorden zeker niet door hemzelven gesmeed zijn en hij bovendien van vele oudere stukken een nauwkeurigen tekst geeft, terwijl sommige oorkonden alleen bij hem gevonden worden.

Een aantal bij hem gebruikte woorden wil ik hier nog mededeelen, die hetzij nog in het geheel niet opgeteekend zijn of niet in de hier voorkomende beteekenis.

Baren.

Eene opmerkelijke beteekenis van baren, nl. ‘overeenkomen’ vinden wij bij Worp van Thabor, 4e boek, bl. 143: ‘dat syt stede ende vast mede willen holden, wat daer gebaert, gesuent ende gesegelt wordt over huer’.

Wij zullen ons de ontwikkeling der beteekenis wel zoo moeten voorstellen: te voorschijn brengen - ter tafel brengen - verklaren - van weerskanten verklaren - overeenkomen.

Hierbij behoort het znw. baer of bare in de beteekenis van ‘overeenkomst’, b.v.: ‘Inden eersten seggen wy die olde baer, die gemaeckt is int jaer van tachtigen, tusschen Sneecker, Boolsuerder, Jw ende Wyttia, in huer volle macht’, en ‘om alle saecken ende schelingen, die geschiedt zyn nae die olde baer’ enz., a.w. bl. 143.

Ook behoort hierbij baersluyden = ‘scheidsrechters’, b.v. ‘Ten laesten .... is die schelinge van beide paerten gecompromitteert ende van den baersluyden wtgesproocken’, a.w. bl. 10. Iets eerder, op bl. 8, worden zij ‘seggesluiden ende vruntlicke dedingsluiden’ genoemd.

In het Friesch is het woord nog niet uitgestorven, maar het Friesch Woordenboek kenmerkt het als ‘weinig gebruikelijk’ met eene verwijzing naar Halbertsma's Lexicon Frisicum, 224. Vgl. Schiller nnd Lübben op baren, bare en baresprake.

[p. 110]

Begrijp, begripen.

Eene andere minder gewone uitdrukking voor ‘overeenkomst’ is begrijp, dat wij eveneens bij Worp van Thabor vinden, b.v. bl. 263: ‘by een .... comen, om een begryp, verbont ende gaerleger met malcanderen toe maecken’.

Evenzoo begripen = ‘overeenkomen’, b.v. bl. 273: ‘die contracten ende geloftenissen, met malckanderen gesloeten ende begrepen’.

Vgl. De Haan Hettema, Idioticon Frisicum, 72 en Schiller u. Lübben, I, 188 en 189.

Gaerleger.

Een derde opmerkelijk woord voor ‘overeenkomst’ bij Worp van Thabor is gaerleger, dat wij reeds tegelijk met begrijp gezien hebben, en dat herhaaldelijk voorkomt. Veelal is het verbonden met de synoniemen vreed, suenbrief of vredebrief. Meermalen ook wordt hetzelfde stuk nu eens gaerleger, dan weer suenbrief of vredebrief genoemd. Enkele aanhalingen zullen voldoende zijn.

Bl. 57: ‘Om deeze voorsz. saecks wille wolde Sicke, met zyn vrunden, niet besegelen den gemenen gaerleger ende vredebrieff, daer nae gemaeckt, int jaer van twee ende tuintighen’.

Bl. 58: ‘Een generael gaerleger ende vreed van alle landen van Frieslandt, tusschen den Weser ende Staeueren ...... van welcken gaerleger die copie hier nae volcht’.

Bl. 73: ‘Soe hebben die ghemene staten der landen van Oostergoo eenen niewen vrede ende gaerleger gemaeckt...... Van welcken vredebrieff die copie hier nae volget’.

[p. 111]

Bl. 265: ‘Item, oft iemant deze gaerleger infochte, den toe berechten in manieren ende punthen voorsz., ende die gaerleger daer mede niet befleckt te wesen’.

Bl. 263: ‘dat die staten ende stemmen van Westergoe op een plaetse by een solden coemen, om een begryp, verbont ende gaerleger met malcanderen toe maecken’.

Bl. 266: ‘Item, oft iemant, buyten onsen gaerleger, enige luyden binnen onsen gaerleger geweldtlicken wolde overfallen ofte misdoen, dat dan toe gelycken met malcanderen, sonder vertreck, om toe trecken, by pene voorsz.’.

Op de laatste plaatsen nadert de beteekenis tot die van ‘verbond’.

Het grondwoord gaderleggen zal dus wel niet genomen moeten worden in den zin van ‘geld samenleggen, voor gemeenschappelijke rekening iets doen’ (Mnl. Wdb. 2, 870), maar van ‘bijeenbrengen, dagvaarden’. Vgl. De Haan Hettema, Idioticon Frisicum, 221: ‘gaerlaya, citare, dagvaarden; congregare, bijeenbrengen’. Gaerleger is dus synoniem van dachvaert, vervolgens ‘hetgeen ter dagvaart besloten is’.

Nog enkele samenstellingen met gaer bij Worp van Thabor verdienen de aandacht.

Gaersegelen = ‘te zamen een stuk bezegelen’: ‘met die ander steden ende Schieringe heerschappen, die gaer hadden gesegelt’ (bl. 193).

Gaerspannen = ‘samenspannen’: ‘doe spanden alle die Schieringen in Oostergoe ende Westergoe gaer, ende verdreven die Vetcoepers wt West Frieslandt’ (bl. 32).

Gaercomen = ‘samenkomen, handgemeen worden’: ‘Waeromme zyn sy gaer gecoemen, ende hebben sterckelick gevochten teghen malcanderen’ (bl. 302).

[p. 112]

Catte.

Volstrekt niet onbekend is catte als naam van een belegeringswerktuig. Maar de beschrijving, die Worp van Thabor er bl. 255 van geeft, verdient nog wel even de aandacht.

‘Daer nae lieten Gronigers maecken een groot, hooch, holten instrument, dat sy hieten een catte, daer solders in waeren, dat brochten sy anden graue, ende volck daer inne op die solders, ende schoeten daar wt van bouen neder int huys, datter niemant int huys anden wall mochte staen’.

Falikant.

Van de beteekenis ‘bedrog’ van dit woord geeft het Ndl. Wdb. III, 4365 slechts één voorbeeld, door Tuinman uit ‘een oud Vlaamsch stuk’ aangehaald. Het is dus niet zonder belang, dat wij bij Worp van Thabor een paar bewijsplaatsen uit Friesland hebben in een compromis van 1481.

‘Item soe sullen dese paerten ...... eenen vryen vasten vrede holden, in lyff ende in guedt, heimelicken ende openbaer, in allen steden ende plaetsen, sonder alrehande falicant’ (bl. 144).

‘Ende niemant van dese paerten vrunden, hulperen ofte hulpers hulperen, yemant van dese luiden paerten van soldye (= krijgsvolk) weder te winnen, toe holden, noch haelen binnen landt, noch buyten landt, ende dat sonder enigerhande valicant, by pene des gemenen eedts ende des geuonnen saeck’ (bl. 145). Vgl. De Haan Hettema, Idioticon Frisicum, 173.

 

p. leendertz Jr.

[p. 113]

Minder bekende woorden

Eenige van elders nog niet opgeteekende woorden, die door Worp van Thabor worden gebruikt, maar die geene nadere bespreking behoeven, deel ik hier mede met slechts enkele aanhalingen.

Achterstandich = achterstallig: ‘van den achterstandigen pachte van den voorsz. erwe toe dissen daege toe’ (bl. 12). In dezelfde beteekenis ook Mnd. achterstendich.

Bitten = het ijs openhakken: ‘Oock was die graft gebittet, ende die bruggen ende die ledderen waeren toe corte, ende mochten ouer die bitten niet raecken’ (bl. 235).

Doelinge = het doodschieten: ‘Item, waer dat saecke, dat iemant desen vrede in braecke met dootslachte ofte met doelinge, die sal dat bueten ende gelden met seuen olde bueten ende gelden’ (bl. 87, in een stuk van 1446).

Eeck = eikenhout: ‘Kempema zyl ende Hottinga zyl, met huer eerdwerck, int eeuich, met yser ende met eeck, ende met huer colcken, alst daer toe behoort’ (bl. 131, in een stuk van 1477). Vgl. De Haan Hettema, Idioticon Frisicum, 155.

Eetwande = eetwaren: ‘Daer nae .... wordet .... gesloeten ende geconsenteert, datmen butter, keesen, ossen, vette koeien ende alle well mosten wten lande vueren, maer alle andere eetwande ende saedt inden lande toe blyuen ende toe holden, by den pene voorsz.’ (bl. 155, in een stuk van 1482).

Geheer = leger: ‘Ende hier mede is heer Wilbordt, met al dat geheer, opgebroocken van Leeuuerden’ (bl. 307).

Goetschade = schade aan goed: ‘van alle misdaeden ende guedt schaden, die geschiedt sint’ (bl. 144).

Henleggen = neerleggen, beslechten: om dselue onuille, tuist, schelinge ende oorloghe .... an beide zyden hen toe leggen’ (bl. 199, in een stuk van 1492).

[p. 114]

Herigen = tot gehoorzaamheid brengen: ‘Ende welcke recht des niet machtich is te berechten, elck ander toe stercken, ende den ouerherigen toe heerigen’ (bl. 95, in een stuk van 1456).

Hoopman = aanvoerder: ‘drie duysent knechten, daer heer Floris van Yselstein ouerste hoopman van was’ (bl. 179). In het Ndl. Wdb. VI, 1112 wordt dit woord wel vermeld, maar zonder voorbeeld, alleen met een verwijzing naar Kiliaen.

Invont = list, uitvlucht: Ende hier op soe hebben wy .... belooft, sonder enige argelist ende nieuue infonden hier inne toe trecken’ (bl. 196, in een stuk van 1492). Vgl. het Mnl. Wdb. op invindinge, dat ook bij Worp van Thabor voorkomt.

Vgl. ook Schiller u. Lübben II, 384 op invunt.

Custenmont = ‘mondelinge eed’: ‘Item, wie den anderen dootslacht, ouer sette suene ofte custen monde, edder ouer des landes vrede, die heuet verbeurt veerthien bueten, ende hondert schilden an elcken landt.’ (bl. 74, in een vredebrief van 1439).

Meendach = vergadering, landdag: ‘Item, elcke man sal vrede hebben tot der meene daegen ende weder van die meene daegen, by veerthien bueten’ (bl. 75, in een vredebrief van 1439).

‘Dat wy jaerlicx sullen holden toe Groningen een werff ofte meendach’ (bl. 81, in een gaerleger van 1444).

Vgl. ‘Item soe sal een iegelick vry ende seecker coemen mogen totten gemeene daegen, toe ende van, onder veerthien bueten’ (bl. 80).

Opwreken = openwrikken: ‘Ende waert saecke, dat iemant dese voorsz. zylen opbraecke, ofte dueren op wreeckte, als dat waeter buyten een hande breedt hoger is dan binnen, die heeft verbuert thien schilden (bl. 132, in een stuk van 1777). Vgl. De Haan Hettema, Id. Fris. 403, opwretsa.

Swaerbrief = dagvaarding: ‘In dese tyden toegen sommige Friesen .... an wtlandsche landtsheeren, naemelick anden bisschop van Wtrecht, ende brochten hier int landt suaere laedtbrieven ende andere op huere weder paerten ...... Dit toe remedieren, heeft dat gemene landt geordineert ende geboden in forma nae geschreven ...... dat, nae onse Friesche

[p. 115]

recht, niemant sal int landt brengen noch verfolgen geen suaerbrieven vanden bisschop van Wtrecht, noch van gene heeren buytens landts, daer iemant met besuaert is’ (bl. 89, op het jaar 1447). Vgl. Mnl. Wdb. op ladebrief.

Tegenstal = tegenstand: ‘Oock schoeten Sneecker heer geschuth los in Groniger heer, ende hebben, sonder grote tegenstal, gegeven den vlucht; ende Gronigers ...... hebben huer verfolcht, ende wel hondert gefangen, ende omtrent tsestich doot geslagen’ (bl. 197).

Verspreck = verwijt: ‘Ende hebben alsoe tuee ende tuintich van die gesellen, opten heyligen Paesck auondt voorsz., op raeden geseth ...... daer Leeuuerders groten haet ende verspreck van hadden’ (bl. 295).

De volgende woorden zijn op zichzelf zeker bekend genoeg, maar in de hier voorkomende beteekenis of vorm minder gewoon.

Achte = octaaf: ‘Daer nae .... is heer Wilbordt, met die houelingen ende knechten voorsz..... gereist nae Staeueren, ende laegen daer went Pyncxter achten’ (bl. 300).

Aenbidden = verzoeken: ‘wy angeroepen, begeert ende ootmoedelicken angebeden hebben den .... vorst ende heer, heer Aelbrecht, hartoch toe Sassen .... ons hulp ende bystand te willen doen’ (bl. 288).

Bliven, trans. = ter beslissing overlaten: ‘Oock hebben zyt wtgeboeden van die steden, datse alle huere saecken ende schelinge, tusschen die muncken van Hemmelum ende huer, wolden blyuen by tuee prelaeten in onsen lande ende by die steden’ (bl. 163).

Buer = huis, stins: ‘Ende oock heeft heer Wilbordt Camminga buer ingenoemen’ (bl. 306). Even verder lezen wij: ‘Maer Camminga huys hielde hy noch in zyn macht, ende besette dat met zyn knechten’. Vgl. eigennamen als Buren, Siddeburen, enz.

Deel = landstreek, district, grietenij. Zeer bekend is het woord in de eigennamen Franekeradeel enz., maar het komt

[p. 116]

ook buiten samenstelling herhaaldelijk voor, b.v.: ‘Ende welcke recht in deelen, in steden, den ouerherigen niet mede berechten en willen, die ghene menedich te zijn ende vredeloos’ (bl. 95, in een gaerleger van 1456). In den aanhef van dit stuk lezen wij: ‘Wy prelaten, prouesten, deeckenen, grietmans, houelingen ende gemene rechters, burgemeisters, oldermans, schepenen ende gemene meente der landen ende steden van Oostergoe ende van Westergoe ende van die gemene Seuenwolden’.

‘Ende deese scheeringe te doen ellick grietman in zyn deel’ (bl. 135). Hier blijkt duidelijk de beteekenis grietenij. Dit laatste woord komt bij Worp van Thabor niet voor.

Vgl. De Haan Hettema, Idioticon Frisicum, 132.

Ook krijgt deel de beteekenis ‘bestuur van een deel’, b.v.: ‘Item, wanneer die achtien rechteren ende die deelen van Oostergoo te saemen reisen sullen’ (bl. 84).

Hoefslag = boete: ‘rechte reeckenschap ..... van alsoedaenen bruecken ende houeslaegen, die onsen genaedigen here in dien jaere verschenen zyn’ (bl. 36, in een verdrag van 1417). Het lijkt bedenkelijk, aan het woord deze beteekenis toe te kennen, maar er valt toch niet aan te twijfelen: in dezen zin erkennen de Vriezen, dat Jan van Beieren ‘dat alre hoochste recht’ bezit en de grietmannen ‘van onsen heren wegen allen landen recht sullen doen’. Eerst in het volgende wordt gesproken van de verplichting tot het betalen van belasting. Is misschien de engere beteekenis ‘boete wegens het niet nakomen der verplichting tot onderhoud van de dijken’?

Hoflant = ‘grondbelasting’.

Huldinge = huldigingsbelasting, belasting ter erkenning van de heerschappij: ‘Item, soe kennen wy onsen here zyn hofflandt ende die huldinge, twee Vlaemsche groten van elcken huise des jaers’ (bl. 36).

Credentie = onthaal, eigenlijk ‘voorproeving’, vgl. Mnl. Wbd. III, 2073: ‘om den boden [die van den keizer kwamen] eerlick credentie ende propyn te doen’ (bl. 135).

[p. 117]

Licht = onbezwaard, onverbonden: ‘Ende waert saecke, dat Wybe ..... hier tegens dede ..... die steden dan ..... huer licht ende los te slaen an Wybe voorsz., ende hem gheen bystandt toe doen’ (bl. 144).

Vgl. De Haan Hettema, Id. Fris. 326: ‘lichte, liber, los’.

Los laten, los schieten = afschieten: ‘doe lieten Gronigers twee grote stucken los met hagelschuth, daer aff sommige in Sneecker heer worden gewondt, maer niet veel bleuen daer doot’ (bl. 197).

‘ende schooten Sneecker grote busse, die sy mede wt Sneeck hadden genoemen, als voorsz. is, die gefult was met haegelschuth, ende voort alle huer ander geschuth, los, ende schooten veel Vriesen doot’ (bl. 237).

Zie ook boven bij tegenstal.

Machtig = talrijk: ‘Ende, want sy machtich waeren, soe conden sy den cost niet langer crygen in die stadt’ (bl. 139). Ook tegenwoordig nog is die beteekenis niet ongewoon: ‘Hoe machtig zijn wij?’ Vgl. ook Friesch Woordenboek i.v.

Omsteken = afspreken, overleggen: ‘Onder die knechten laegen sommige capeteinen, die huer jaergelt hadden van hartoch Albert van Sassen, ende met die stack hyt heimelick omme, datse solden trecken in Vrieslandt’ (bl. 269). Vgl. Molema op omstoken wark; Friesch Woordenboek op omstekke.

Onderhouden = staande houden, beschermen: ‘Inden eersten onthieten, belouen ende aannemen wy, alle persoenen, geestelick ende waerlick, steden, landen, dorpen, deelen ende inwoonders van Westergoo, in Vrieslant, van allen geualt, ouerlasten, ongelycke ende heerlicheit te onderholden, beschutten ende beschermen, binnens landes ende buytens, alsoe veele ons mogelick is’ (bl. 287 in een ouercomst, d.i. overeenkomst van 1498). Ook het Mnd. kent underholden = ‘schützen, beschirmen’.

Onderloopen = den weg afsnijden: ‘Waerom heeft Lyuue Jellinga Wopcke, Baucke zoon voorsz., laege gelecht in die

[p. 118]

pastoors schuere opper Geest, wanneer Wopcke van zyn huis quam, dat Lyuue hem dan dat huis mochte onderlopen: want Wopcke een sterck huis hadde’ (bl. 112).

‘Dit sach Lyuue, ende is haestelick wt die laege opgebroocken, ende heeft Wopcke onderlopen, dat hy niet weder mochte coemen op zyn huys’ (ib.).

Ondersteken = aanstoken: ‘Aldus heeft hartoch Albert van Sassen dat oorloch in Vrieslandt soe lange gesterckt ende ondersteecken, dat die Schieringe heerschappen hem int landt hebben gehaelt’ (bl. 283). Vgl. ook Ned. Wdb. X, 1477.

Overslaen = aantijgen: ‘Sicke Bolte, by Berger clooster, hebben sy ghefangen, ende setten hem toe Dockum op eenen radt: want sy hem verraderie ouer sloegen’ (bl. 193).

‘Dese coopluyden liet Tyerck op zyn huys haelen, ende sloech huer onrechtelick ouer, datse valsch geldt hadden laeten munten’ (bl. 221).

Vgl. Friesch woordenboek, II, 298 ‘Immen hwet oerslaen, iemand onderhouden over iets wat hem te laste gelegd wordt’.

Overste = voorste: ‘Als dat die ouerste saegen, soe gingen sy loepen, ende daer nae liepen sy alle gaeder: want sy gheen hooftluyden, rodtmeisters ende weyflers en hadden, die haer regierden ende duongen in die oorde, alst geuoonlick is; maer liepen als een hoop schaepen sonder harder, ende alser een liep, soe liepense altemael’ (bl. 301).

Peyedeur = tusschendeur: ‘Die heeren vander stadt, die int choer stonden, smeten die peye doeren van dat choer toe, ende vloegen in die costerye ofte sacristie’ (bl. 137).

Vgl. Friesch Woordenboek, II, 346: ‘pei-, pijdoarren, deuren tusschen portaal en kerk’ en ‘pei, pij, pui: voorportaal der kerk’.

Sanen = betwisten: ‘die landen ende renthen, die dat conuent van Hemelum huer saenden’ (bl. 163).

Vgl. De Haan Hettema, Idioticon Frisicum, 428; Friesch Woordenboek III, 54; Franck-Van Wijk op zaniken.

[p. 119]

Schergen = aanslaan in de belasting: ‘Item, die geschickt zyn ofte geschickt worden, dat regiment toe voeren ofte te wouden tegenst enige wtlandsche heeren, sie behoere den rycken ende mate rycken, geestelick off waerlick, toe schicken ende toe schergen nae zyn staet ende nae zyn guedt, merck merck gelyck, nae huer beste weten ende vermuegen’ (bl. 95).

‘Item soe sal die Woldman schergen nae gelegentheyt huer landen ende gueden’ (bl. 135).

‘Item, die steden toe schergen nae ryckheit huerder guederen, den rycken ende den armen’ (ib.).

Deze beteekenis staat dicht bij die van rangschikken, vgl. Mnl. Wdb. VII, 474.

Schering = aanslag: ‘Ende deese scheeringe te doen ellick grietman in zyn deel’ (bl. 135).

Schutenstal = eene landmaat: ‘Item, soe seggen wy vanden hoylanden, inden kerspele van Yselhamme gelegen, .... dat .... onsen here die bisschop van Wtrecht voorsz. den Frieser van Stellingwerff .... vercoft heuet, elcken schutenstal voor vyftehalue olden schildt’ (bl. 24).

In dezen vrede van 1413 wordt het woord nog herhaaldelijk gebruikt, zonder dat er blijkt, hoe groot een schutenstal was. Elders heb ik het woord niet kunnen vinden.

Soldenaer (dubbelt) = onderofficier: ‘Die capeteinen ende dubbelt soldenaers .... hebben die murmuratie van die knechten gestilt’ (bl. 243). Vgl. Mnl. Wdb. VII, 1503.

Spiker = bolwerk: ‘dat bolwerck ofte spycker toe Hemelum’ (bl. 78).

Terdoys = schavot: ‘Ende Jarich voorsz. is toe Sneeck, op die plaetse, op een terdoys (daer toe gemaeckt) gerecht’ (bl. 304).

Dit is zeker wel het Fr. hordois, ordois, ontstaan doordien dat ordoys verstaan werd als dat tordoys. Vgl. Mnl. Wdb. op hordijs, naerduys, ordeis en terdous.

Versegelen = bij gezegelde brieven overgeven: ‘maer hy moste den heer zyn huys toe Sloeten ouer leueren, ende versegelen, dat hy verbuert hadde, om die rebellicheit, daer die

[p. 120]

heere hem groot guedt te vooren hadde voor geboeden’ (bl. 299).

Voorschrijven, vertaling van proscribere: ‘soe mach die raedt voorsz. ons als menedich, eerloos ende trouloos voorschrijven’ (bl. 201).

Vrouwencraem = huis, waar eene kraamvrouw is: ‘Sommige worden geslaegen in tuee vrouwen craemen, dat voor die tyt niet veel in Vrieslandt was geschiedt: wantmen in Vrieslandt die craemen niet min dan kercken plegen te eeren ende te spaeren’ (bl. 197).

Wederwerch. In 1494 kwamen de Groningers te Leeu warden met eene commissie, die zij van Maximiliaan gekregen hadden. ‘In welcke commissie, onder ander woorden, stonde geschreuen, dattet huer was consenteert, datse die van Oostergoo mochten nemen onder huere protectie ende verbondt, wtgesecht heer Pieter Camstra ende zyn meyers, ende die onuillige, dat in die commissie stonde geschreuen, die wederwergen. Doe deze commissie was gelesen, doe vraegde Edo Jongama, heerschap toe Rauwert (want die hem mede hoorde in Oostergoo), die heeren van Groningen, wat dat woort wederwergen beduyde?’ (bl. 217).

Blijkbaar hadden de Friezen bezwaar tegen dit Germanisme.

Wederwaerdich. Waarschijnlijk hetzelfde woord vinden wij (bl. 288, 289) in eene overeenkomst van 1498 met Albrecht van Saksen, die dus zeker wel niet in Friesland is opgesteld. Hier beteekent het echter tegenstander: ‘Nae dien dat zeeckere grote ende merckelicke lasten ende schaeden ons ouer gecoemen ende gedaen syn, by eenige onse wederwaerdige’ enz.

Eenige woorden zijn mij volkomen duister gebleven.

Encker: ‘Ende wil iemant hoger spreecken, die gae, daer die Reus woont; wtgesecht saecken, die geschiedt sint in enckere recht, dat toe verantwoorden als recht’ (bl. 152).

Leveringe: ‘Doe laegen by Harderwyck, in Gelderlandt, anderhalff duysent knechten op die leueringhe, die ghenen dienste hadden’ (bl. 269). Beteekent dit ‘in aangenomen dienst’? Of ‘leverbaar; gereed om geleverd te worden’?

[p. 121]

Rein: ‘Item soe verbieden wy rooff ende rein, breck ende brandt, ende alle weldelicke saecken’ (bl. 87). Is dit reeroof?

Stellingrechter: ‘Dit seggen geschiede toe Follenhoe, inder kerspele kercke, in tegenwoordicheid ons heren van Wtrecht, raede ende der priesteren, stellinge rechters, grietmans ende der gemeente van den drie landen voorsz.’ (bl. 18, in een zoen van 1408).

Van elders is het woord mij niet bekend en de juiste beteekenis ontgaat mij.

 

Zooveel mogelijk heb ik in de bovenstaande aanhalingen plaatsen gekozen, die ook om andere redenen de aandacht verdienen. Voor lexicografen is echter nog veel meer in dezen tekst te vinden.

 

Amsterdam.

p. leendertz Jr.