Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40. E.J. Brill, Leiden 1921  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 193]

Lexicologische aanteekeningen bij stichtelijk proza uit de Middeleeuwen.

Mijn voornaamste bron voor de hier volgende aanteekeningen is geweest een proza-hs. uit het einde der 15de eeuw, dat twee jaar geleden is uitgegeven door Dr. D. de Man. Deze had dit hs. als onderwerp zijner dissertatie gekozen en verzocht, in overleg met zijn promotor, Prof. Kühler, mij de woordverklaring bij den tekst op mij te nemen. Het bevat een aantal biographieën van zusters uit het Meester-Geertshuis te Deventer, benevens eenige hoofdstukken van meer algemeenen aard over de geschiedenis van het huis en zijn bewoners. Tot dusver stond het bekend als hs. G.1). Door Dr. de Man is het, voorzien van inleiding en aanteekeningen, uitgegeven onder den titel: ‘Hier beginnen sommige stichtige punten van onsen oelden zusteren.’ Met die uitgave heeft hij niet alleen den belangstellenden in de moderne devotie, maar ook den beoefenaars der Middelnederlandsche taalwetenschap een dienst bewezen. De bestudeering van dit handschrift, door Verdam niet gebruikt, bracht mij er toe om nader kennis te maken met de rijke proza-literatuur der moderne devoten, in de eerste plaats wel met het hs. D, uitgegeven door D.A. Brinkerink in de Bibliotheek van Middelnederl. Letterkunde. Professor Kühler had de vriendelijkheid mij een tijdlang in bruikleen af te staan het hs. DV, dat nauw verband houdt met D2) en tot nog toe niet is uitgegeven.

Verder vindt men in verschillende theologische tijdschriften belangrijke prozatexten uit den kring der moderne devoten, die in alle opzichten een nauwgezette bestudeering ten volle

[p. 194]

waard zijn. Ook de Mnl. Leg. en Exemp. en de Maria Legenden, uitgegeven door De Vooys, moest ik, als verwante literatuur, herhaaldelijk raadplegen. Bij mijn lectuur nu ontmoette ik vrij wat woorden en uitdrukkingen, die òf in 't geheel niet òf niet in de door mij aangetroffen beteekenis in het Mnl. Wdb. voorkwamen. Al wat ik uit bovengenoemde werken heb opgeteekend, benevens enkele kleinigheden uit mijn proefschrift, een nieuwe uitgave van de Heimelijkheid der Heimelijkheden, vindt men hier, alphabetisch geordend, bijeen. De toekomstige bewerker van het aanvullingsdeel op het Mnl. Wdb. kan er allicht zijn voordeel meedoen; misschien kan deze of gene licht verspreiden over enkele woorden en uitdrukkingen, die mij duister bleven.

Nog enkele opmerkingen: In de eerste plaats, van de hier besproken woorden en uitdrukkingen behooren een vrij groot aantal tot een beperkt taalgebied, sommige zelfs tot een beperkt taalgebied in tweeërlei zin. Immers de meeste der door mij bestudeerde geschriften zijn geschreven in het Oostmiddelnederlandsch. Het Meester-Geerthuis te Deventer heeft den stoot gegeven tot de oprichting van vele verwante instellingen, niet alleen in de Saksische gewesten binnen onze tegenwoordige grenzen, maar ook in het naburige Duitschland, vooral in het Keulsche land, ook in het Munstersche. Tusschen al die huizen bestond een regelmatig verkeer (vgl. De Man, Inl. LXII-LXIII), dat in taal- en woordgebruik tot uiting komt. Het Mnd. Wdb. van Schiller en Lübben was mij bij mij studie dan ook onontbeerlijk. - Nog in een anderen zin behooren enkele woorden tot een beperkt terrein: In den mond der mystieken en moderne devoten krijgen vele woorden en uitdrukkingen een zeer speciale, op hun innerlijk godsdienstig leven betrekking hebbende, beteekenis; zij scheppen tal van nieuwe beelden en vergelijkingen. Sommige der hier behandelde woorden behooren tot die terminologie der devoten, waarover wel het een en ander is geschreven, maar die een nauwkeuriger studie wel waard is.

[p. 195]

Aan Professor Stoett, die zoo vriendelijk was deze aanteekeningen door te lezen, dank ik verschillende opmerkingen en verwijzingen.

Ten slotte volgt hier een verklaring - voorzoover noodig - van de gebruikte afkortingen. Van de door mij gebruikte dialect-woordenboeken haal ik J.H. Galléé, Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialect aan als Gallée - J. Bergsma, Woordenboek, bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen, als Bergsma - H. Molema, Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19de eeuw als Molema - J.H. Boekenoogen, Woordenboek der Zaansche Volkstaal als Boekenoogen - J. ten Doornkaat Koolman, Wörterbuch der Ostfriesischen Sprache als Ten Doornkaat Koolman. Met Lübben (Lb.) wordt steeds bedoeld het Mittelniederdeutsches Wörterbuch van Lübben (en Walther). Het Friesch Woordenboek van Waling Dijkstra haal ik aan als Friesch Woordenboek.

Voor De Man's dissertatie en Brinkerink's bovenaangehaalde uitgave heb ik gemakshalve de namen G en D behouden (voor DV zie hiervoor).

De afkortingen Andries Yserens (Andr. Ys.), Biogr(aphieën), Coll. (Cl. v. Eusk.) en Gerl. Peters vindt men verklaard in de Alphabetische lijst der verkortingen van het Mnl. Wdb., de derde aanvullingslijst, en De Man's proefschrift; Dev. Ep. is Devote Epistelen (door de zusters van 't nonnenklooster Jerusalem bij Utrecht gezonden aan 5 medezusters tijdelijk te Diepenveen), uitgegeven in Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis, Nieuwe Serie IV, door D.A. Brinkerink.

aenblecken, G 5b = aanblaffen; Mnl. Wdb. I, 1292 vermeldt wel bleken; daarnaast komt blecken voor; vgl. Ndl. Wdb. onder blekken, III.

aendacht komt G 95c voor in verbinding met meyninghe en waeromme en is als synoniem van die woorden weer te geven door bedoeling, oogmerk. Deze beteekenis heeft het woord ook in het Mnd.; vgl. Lübben i.v. andacht en ook Teuthonista onder aendacht (andacht off begerte) en de afleidingen.

[p. 196]

aendorren en aenconnen;.... soe wreet, dat hem niement an en conde noch en dorste, Coll. Cl. v.E. 47 v. (A.K.G., N.S. III;) vgl. Ndl. Wdb. i.v. aankunnen.

aendringelijcheit = aandrang, G 121b.

aenhoelt; G 41a: soe wie doe gien guet aenhoelt en hadde an oelders ende an vrenden, daer genget al wat mysselike mede.... Aenhoelt is plaats, waar men vriendelijk opgenomen wordt, wijkplaats; zie Ndl. Wdb. i.v. aanhoud (vbb. van Hooft) en vgl. Fr. Wdb. i.v. oanhâld; ook Molema en Bergsma geven het.

iet aenstaen, Biogr. 139 r. (A.A.U. 28). Ende die heilige lexcen ende die devote pensingen stedeliken anstaende, plegen sij in der tijt des arbeits om solaes tot vuerigen corten gebedekens hoer toeloep te hebben. Hebben we hier een trans. werkwoord aenstaen met de beteekenis bijwonen of is het aanhangen, zich overgeven aan, verlangen naar? Vgl. Lübben i.v. anstân en anstendich wesen.

enen iet aenstriden; Maria leg. I, 380: doe si desen gueden man sagen.... so anstreden si hem diefte. Dit aenstriden met een zaak als object en den persoon in den datief beteekent: ‘iemand in een woordenstrijd iets aanwrijven, aantijgen, in spijt van zijne ontkenning volhouden, dat hij iets gedaan heeft’ (zie Ndl. Wdb. i.v. aanstrijden). Verdam geeft onder aenstriden een vb. uit Doctr. II, 616 var., waar hij de beteekenis weergeeft door beleedigen, uitschelden; de hierboven vermelde beteekenis is daar de juiste. Verdere vbb. vindt men D 123d en DV 185v. Het tegengestelde enen iet afstriden komt voor D 123d en DV 186r. (recht of sie den duvel seggen wolde: ‘gij en condes mij niet of strijden’); vgl. Ndl. Wdb. onder afstrijden en Gallée i.v. strîjen (blz. 62). Hierbij vermeld ik enen iet aendringen (G 124d; DV 184v.) = iemand pressen tot iets, hem dwingen tot de bekentenis, het antwoord dat men verlangt, en enen iet afdringen (D 123a); vgl. Mnl. Wdb. en Handwbd. onder die woorden.

aentuckinge: Ghi sult u pinnen reyne te wesen in uwen mont ende dwingen uwe tonge van ydelen ende onnutten

[p. 197]

woerden, daer gheen vrucht in gelegen en is Eude sonderlinge van achterspraeke ende ander luden doeget te vermynren. Aentuckinge of suckelinge dat is tijtverlies ende groet gebreck in geesteliken menschen, Dev. Ep., 49 r. en v. Deze devote epistel bevat passages, die soms woordelijk zijn overgenomen uit Ruusbroec's Dat Boec vanden twaelf Beghinen (A.K.G., N S IV, blz. 321). De uitgever, Brinkerink, haalt, als parallel van den hierboven genoemden slotzin, uit Ruusbroec aan: scop ende scheren, dat is tijdverlies, ende groet ghebrec in goeden menschen (Ruusb. Begh. 173; Uitg. David); aentuckinge en suckelinge verklaart hij niet. 't Mnl. Wdb. verwijst onder tucken, intensief van tien naar De Jager, Freq. Daar vindt men een werkw. aantokkelen vermeld met de beteekenis aansporen, aanzetten tot, prikkelen; ook lichtelijk aanvallen (I, 781). Van een trans. werkw. sukkelen (in oorsprong verschillend van sukkelen = ziekelijk zijn) geeft het Mnl. Handwdb. de volgende beteekenis: voortschoppen, met den voet wegtrappen. De Jager kent ook dit trans. sukkelen (zie onder sokkelen, Freq. I, 668) en geeft vbb. uit Vondel, Antonides enz. De beteekenis is hier ongeveer stooten, drijven. Een subst. sukkeling geeft hij uit Westerbaan: Krijn, oneens met zijn wijf, nae kakelen en snappen / Ontfingh een suckelingh en raeckte van de trappen; een stoot of duw dus, een opstopper. Het begrip vijandige aanval, dat zooals blijkt, beide woorden kunnen hebben, past ook in den boven aangehaalden zin uit Dev. Ep.; alleen komt daar er nog bij de beperking: met woorden, met den mond.

Ik zou ze niet gelijk durven stellen met achterspraeke ende ander lude doeget te vermynren. Immers laster en kwaadsprekerij is toch niet in de eerste plaats afkeurenswaardig, omdat het ‘tijtverlies’ is; eerder houden de beide woorden verband met den voorzin: ydelen ende onnutten woerden enz. en zijn ze te plaatsen naast scop ende scheren van Ruusbroec. Misschien omvatten de woorden zoowel het begrip scherts, onschuldige plagerij, als het meer ongunstige spot, smaad, hoon. Men vgl. ook nog Lübben i.v. antucken en antrecken.

[p. 198]

apteke. Vermelding verdient het figuurlijk gebruik van apteke; G 84b: een zuster was niet anders ‘dan als ene apteyke der doechden, daer een yegelick uut haelen mochte soedanige cruden, die hem tot synen wonden ende passiën te genesen noetdruftich weren.’ In de Coll. van Cl. v. Eusk. 51 v. heet ‘die passie ons lieven Heren een abteyke, daer alle medicine in te vinden is tegen alle die siecten der sielen’ vgl. ook den titel van een 15de eeuwsch tractaat bij De Vooys, Middeleeuwsche Leg. en Ex. blz. 57: Gheestelike Apteke en de verklaring van dien titel.

arbeiden totten ende; daer nae doe die weduwe seer sieck was ende arbeiden totten eynde.... Maria Leg. I, 234. De beteekenis is: in doodstrijd, in stervensnood liggen.

niemants arch; G 121c: een zuster is ‘nyements arch, voer synen ogen noch achter synen rugge; dezelfde uitdrukking, ook met de hier aangehaalde bijvoeging, G 143d. Het Ndl. Wdb. geeft soortgelijke verbindingen, o.a. niemants leet (Cats); niemands verdriet en allemansverdriet. Dergelijke constructies van een onbep. vnw. in den genitief + een subst., die voor een deel tot koppelingen zijn overgegaan, waren ook in het Mnl. niet onbekend: Mnl. Wdb. IV, 2391 vindt men Niemans vriend als plaatsnaam.

armdoek; G 21b: toegemaket mit leliken schorteldoeken ende armdoeken; d.i. werkmouwen, overmouwen, morsmouwen.

Syn stoelken in die assche setten wordt G 25c aangetroffen als uitdrukking om aan te duiden, dat iemand uit eigen aandrang verootmoediging en vernedering zoekt. Misschien is deze uitdrukking onder invloed van bijbelsche lectuur ontstaan.

baglarys, als bijvorm van bacheleer, trof ik Biogr. 212r. (al en heb wi gene baglarise geweest).

Bastaertvreuchde vindt men Coll. van Joh. Brinckerinck; Kerkhist. Arch. IV, 128; vgl. blz. 143 (zie onder bewegelijc).

bedden; D V 318r: ende oec plach sie den mes wel toe bedden, d.i. tot een mestvaalt maken.

beddescheyde; D 103b: sitten op die bedde scheyde en D V

[p. 199]

165v. op die sceyde van den bedde, d.i. dus de bedde- of bedsplank.

bedeluwen; G 96b.... dat hi ten lesten altesamen inden passiën solde bedelewen. Hebben we hier een intr. bedelven? of een afleiding van deluwen = wegsterven, wegkwijnen?

op sine kniën staen beden. Deze uitdrukking trof ik herhaaldelijk in devote geschriften o.a. G 1d, Andr. Yserens 210, 211; en ook, zonder beden, op sine kniën staen: G 106c, 124c, D V 128v., D 31a. Daarnaast vindt men ook liggen beden, G 105a; Maria Leg. II, 107: op sine kniën sitten.

Het bijv. nw. bederve is in 't Mnl. Wdb. en 't Mnl. Handwdb. waarschijnlijk bij vergissing uitgelaten; alleen bij den samengetrokken vorm, berf, berve wordt het woord vermeld; in G en D komt het herhaaldelijk voor; in G meermalen in verbinding met vlitich: vlitich ende bederve op oer werck (14b, 30a, 111c, enz.).

bedonkert; Coll. Cl. v.E. 99v: mit duysent suspyciën bedunkert; vgl. Lübben i.v. bedunkeren, Mnl. Wdb. onder verdonkert en Mnl. Handwdb. i.v. bedonkert.

bedrijflycheit; G 3c: si en hadde giene bevelinge noch bedriflicheit van buten, mer si sat oetmodelic ende span haer, daermen celicie of wrachte. 't Mnl. Handwdb. geeft het als subst. bij bedrijflijc = bedrijvig, actief. De beteekenis is hierboven ambt, werkzaamheden, bezigheid. Is celicie hier stofnaam, of moet men lezen celicien? (vgl. Mnl. Wdb. i.v.).

Een bedrijvende man wordt Johan Brinkerink G 111a genoemd, d.i. een man van de daad; bedrivende is hier weer te geven door actief, energiek; vgl. Lübben, bedriven (= bedrivende), thätig en zie ook Ndl. Wdb. onder bedrijf en bedrijvend. Enen laten bedriven = iemand zijn gang laten gaan, zich niet mengen in zijn zaken, G 4c.

begaenheit van begaen = in angst of verlegenheid verkeerend (zie bijv. G 134a), wordt G 42c aangetroffen. Het Mnl. Wdb. geeft begangenisse en begankenisse met dezelfde bet. als begaenheit, nl. druk, bekommering. D V 27r. komt beganicheit voor (iemand is ‘marckelick bedrucket ende doe sede hi hem

[p. 200]

(= Brinkerink) sijne beganicheit’. Bergsma vermeldt dit woord in de beteekenis van medelijden.

begoeden; D V 81r.: Zuster Alijt van Comhaer neemt een kind aan ‘ende woldet begueden, in wat state dattet queme gestelick of warlick’. De beteekenis is: met goed, met vermogen, met geld begiftigen; vgl. Ndl. Wdb. en ook Lübben i.v. begoden.

behuet komt G 19b, 89c en 24b voor met een genitief: seer behuet was si oere ogen, oers mondes.

beiten (beten); velle beyten, D 174a = murw maken; vgl. Lb. beten = beizen, maccrieren (Leder etc.).

belijden; G 141d treft men aan het belijden in de beteekenis lijden om, ter oorzake van iets; vgl. Fr. Wdb. i.v. bilije: heeft iemand een tijd lang te royaal geleefd, dan moet hij het later ‘bilije’. Voor de vorming is te vergelijken: het besterven.

benediste; G 83c: alte selden myssede (men sie) unter lexse of uuter benedijste. Uit benedicite; vgl. voor de beteekenis De Man blz. 153, noot e: ‘Eerstu beghynste te eten, soe leese irst dine Benedicite’ zie ook Stellwagen, Roomsche Woorden, blz. 59.

bepalen, in den zin van (iemand) binnen zekere grenzen houden, geeft G 33a: ‘soe wille wi u in desen huvse bepalen soe dat gi niet uuten huyse en sult mogen gaen, noch niement en sal oeck tot u comen’ zie Ndl. Wdb. i.v. bepalen, A 2.

bequaemheit; G 137d: als si oer bequaemheit hadde (ander taeflen), soe loeck si oer ogen toe; d.i. dus haar bekomst, haar genoegen.

Beringe; mer wi derven alre eygenheit, ende daerom is onse opclimmen ende loep stadich, altoes beringhe ende vri (Gerl. Peters, 222). In 't Mhd. komt beringe voor, Lexer geeft als beteekenis leicht, leichtes sinnes (‘beringe âne lichvertikeit’). De beteekenis licht, gemakkelijk, past hier uitstekend; het woord is natuurlijk van dezelfde familie als ringe (mnd.), geringe. Reden om het te verwerpen, zooals Verdam Mnl. Wdb. I, 944) wil, is er m.i. niet.

[p. 201]

berninge, bernende hette; zie bij brantsiecte.

bescermen in de beteekenis met het woord opkomen voor, door nadere motiveering verdedigen, antwoorden op een aanval vindt men G 73c (‘oer guetduncken te beschirmen’) en Biogr. 162r.: Sine manier was mit corten woerden te antwoerden op datgene, dat men hem vraechde, ende hoerde hij dat iemant anders voelde, soe sweech hij oetmoedelic ende en beschermde sijn voelen niet. Vgl. Ndl. Wdb. i.v. beschermen 3/ = verdedigen (haer dwalinghe bescharmen, A. Bijns; eene opinie beschermen); Zie ook Teuth. onder antwordinge: ontschulding, beschermyng, apologia, defensio.

besneden; G 92d wordt een zuster genoemd ‘besneden ende voerhudich in oeren woerden’; besneden, hier in beteekenis overeenkomend met voerhudich, is zich beheerschend, zich in acht nemend, voorzichtig; vgl. besnedenheit van woorden = ingetogenheid (Ndl. Wdb. i.v.) en vooral ook Coll. Cl. v. Eusk. 96r.-98r. Het woord is te brengen bij hem besniden = zich beperken, zich betoomen, zich inhouden (Mnl. Wdb. i.v.).

best; bij de uitdrukkingen met liet onz. subst. dat beste mag in 't Mnl. Wdb. ook vermeld worden voer dat beste doen (G 4d), voer dat beste vermaenen (G 60c) = om bestwil, met een goed doel.

enen ten besten houden; Maria Leg. II, 142 zegt Maria tot Jezus met betrekking tot een zondares: Si was ionc ende doerachtich, ende haer vrienden storven vroech, ende si en had niement die haer ten besten hielt, daer om quam si te valle. De beteekenis is dus op het goede pad, het pad der deugd houden.

bevallen; G 79a: het was een eersom ende wallatende persoen, soe dattet oer recht wal bevyel soe wat dat sij dede. Bevallen, met den persoon in den datief, beteekent hier afgaan, (vgl. Mnl. Wdb. onder bevallen, onz. werkw., 6); in dezelfde beteekenis vindt men het G 89a en 90d, en zie ook in het Ndl. Wdb. onder bevallen, onz. 4 een voorbeeld uit R. Visschers Brabbelingh (dat uw woorden u bevallen so wel, dat....).

[p. 202]

Coll. Cl. v.E. 30r.: Ende in al ons wesen sullen wi oetmoedicheit tonen - dat stiet ons seer wal - Ende oec gerne oetmoedige cleeder dragen; want hoe dat onse habijt slichter ende oetmodiger is, hoe dattet ons bet bevelt. Bevallen is hier staan; vgl. stiet in den voorzin.

bevallich; G 48a wordt een zuster bevellich ende biweselick van woerden genoemd; G 109 d: bevellich van woerden; G 12c (si was) recht bevellich ende biweselick in al dat si te handen toech. Dit bevallich laat zich verklaren in verband met het zooeven behandelde bevallen (zie ook Ndl. Wdb. i.v. bevallig A 2).

biweselick komt ook G 139d voor (een vrendelick, byweselick mensche) en D 72c (een levendich, vroelic, byweselick kint). Lübben vermeldt als beteekenis umgänglich, freundlich.

bevoellyc, bevoellycheit; G 44d, 85c en 141b wordt een zuster ‘medelidende ende bevoellyc op’ (diegene, die van bijnnen belast weren mit becoringe enz.) genoemd; G 141d leest men ‘barmherticheit ende bevoelicheyt hebben tot’. Bevoellijc = meegevoel hebbend, medelijdend; bevoellijcheit = medelijden.

bewegelijc; bewegelijckheit; D V 57v.: altoes ghene sie mit enen bewechlicken, goddienstighen ansichte; Coll. Brinckerinck (Kerkhist. Arch. IV, 112): Een mensche die in enen rouwelicken beweghen staet ende veel crancheiden in hem selven vijnt ende bescreyet; dezelfde Coll. blz. 143: Nymmermeer en sellen wi wassen sonder inwendich beweghen onser oefeninghe, want wat wi doen, dat sellen wi doen in beweghelicheit des herten. Climacus seit: ist sake dat wi doechden werken, ende niet en besitten een rouwich herte, soe sal wi se rekenen als basterden. Zonder twijfel heeft bewegen met zijn afleidingen in de taal der devoten een zeer speciale beteekenis aangenomen. Ik heb opzettelijk ook de woorden rouweliken en rouwich gecursiveerd. In 't Mnl. Wdb. vindt men als vb. van bewegelyc bewegelic berou (uit Stemmen 97). Men is geneigd te denken, dat de devoten met deze woorden

[p. 203]

die bewogenheid des gemoeds willen aanduiden, die, ontstaan door het bewustzijn van eigen tekortkomingen, den zondaar ontvankelijk maakt voor het goede, het goddelijke. Zoo zou dan in het vb. uit D V bewegelijc dicht bij goddienstig staan; in de overeenkomstige passage van D, blz. 253 ontbreekt bewegelijc.

bewisen; van de onbep. wijs bewisen, zelfst. gebruikt = doen, handelen, handelwijze, geeft het Mnl. Wdb. een misschien bedorven plaats als vb.. Maria Leg. I, 316 geeft een stellig voorbeeld: si scheen seer drovich te wesen in haren bewisen (in haar doen en laten).

biddelike; DV 79v.: (sie was soe dancber in hore siecten ende soe vol godes dat sie onsen lieven heren soe hartelick toe plach toe spreken zeer biddelick ende oetmodelick. 't Mnl. Wdb. en Handwdb. geven wel biddelijc, maar niet met de beteekenis die hier past: op een deemoedige, smeekende wijze, suppliciter, welke beteekenis het Mnl. Handwb. opgeeft van bedelike.

biduncke; Johan Brinkerink vraagt een Convers of hij wel ‘teergelt’ heeft. Deze antwoordt bevestigend; Br. doet nader onderzoek en bevindt dat hij maar één penning heeft. ‘Doe taste heer iohan brinckerinck in syns selves budel biduncke (hs. bidūcke) toe ende gaf hem een goetdel geldes al onghetelt.’ (D V 22v.) Hebben we hier bi duncke = naar goeddunken, naar welgevallen en dan royaal? Of misschien: op goed geluk af (vgl. ‘onghetelt’). Een subst. dunk of dunke kent het Mnl. Wdb. niet; in 't Mnd. komt het wel voor; vgl. ook Lübben: inf. subst. dunkent = Gutdünken.

bijsterheit; G 67d: doe die zusteren.... verdreven worden.... hadde si alte veel aftreckens van oere moder, die si alte geerne bi oer beholden hadde, want het was een suverlick mensche ende daer was si luchtich ende levendich bi, soe dat die moder anxt hadde dat si op die bijsterheit comen mochte; G 55b zegt een zuster om haar bloedverwanten af te brengen van hun plan haar uit het Meester-Geertshuis weg te nemen: ‘ende

[p. 204]

hier en boven hebbe ic onsen lieven heren mijn reynicheit gelavet; daer omme, siet wat gi doet; want brenge gi mij op die bijsterheit, soe saldi onsen lieven heeren reden voer mi geven. - Op die bijsterheit comen (brengen), moet hier wel beteekenen op het slechte pad geraken (brengen), tot een ontuchtig leven vervallen (brengen). Deze beteekenis laat zich gemakkelijk uit de oorspr. beteekenis van bijster (vagus) afleiden; vgl. Lübben bîster = unzüchtig; Bergsma biester = onfatsoenlijk. In G komt een paar maal voor arme, bijster menschen (36c, 41a, vgl. ook 40b); bijster nadert hier tot arm, berooid, echter nog met de bijbeteekenis zwervend, zonder onderdak. Naar den ongunstigen kant heeft zich dit bijster ontwikkeld in Andr. Yserens 202; daer (nl. op een schuit, een veerboot) weeren oec twie bister manspersoenen, die lieten ofttet moerdenaers weeren - landloopers dus.

biweselick, zie bevallich.

biwoort; G De: hem geven tot buerten, tot lachen, tot bywoerden ende tot andere lichverdicheit; G 92c: dwaese, ydele ende onnutte woerde te spreken noch buertachtige biwoerde; de beteekenis is beuzelpraat; vgl. Mnl. Wdb. i.v.

bleektijt = de tijd, wanneer 't waschgoed gebleekt wordt, op de bleek ligt. Dit woord komt voor D V 289r. en D 174a (bleykeltijt).

boekshemt heb ik G 6d verkeerd verklaard. In D V trof ik het aan in verbinding met register (bockshemede toe maken ende registeren, D V 339v.); register kan beteekenen bladwijzer; dat de devoten dergelijke, soms mooi bewerkte, bladwijzers gebruikten, blijkt uit G 20d (vgl. ook de aant. aldaar). Onder bockshemede zal men dan moeten verstaan linnen omhulsels of taschjes (Mnl. hemdekijn komt voor in de beteekenis zakje) om boeken in te bewaren; vgl. Mnd. bokesbudel en Mnl. boecsac.

boer; Mnl. Handwdb. verwijst i.v. boer (= berrie) naar borie, bij welk woord de samenstelling draechborie (nederr.) genoemd wordt. D 39c heeft: mes dragen mit der boer, D V

[p. 205]

140r. eveneens; vgl. Lübben i.v. bore en mesbore en van Wijk, Etym. Wdb. onder baar I.

boort; zie dot.

boosheit vindt men Maria Leg. II, 118 euphemistisch gebruikt ter aanduiding van sexueele zonden: Doe sie die vrouwe in dat wolt brachten wolden sie boesheit myt oer doen eer sie se doden enz., dus boesheit doen = ontucht plegen.

bootscap; Maria Leg. I, 81 trof mij de uitdrukking om een bootscap gaen: Ende si bat haren man om een boetscap te gaen.

uut sinen botten trecken = uit zijn lichaam halen, met zwaar werken verdienen komt in G tweemaal voor: 40b en 53c; de botten beteekent in deze uitdrukking bij uitbreiding het lichaam; vgl. Gallée i.v. bot, pag. 6, Bergsma 47 en Ndl. Wdb. i.v. bot, VII.

bouw; voor de beteekenisontwikkeling van het woord bouw (bouw, oogst, oogsttijd enz.; zie Mnl. Handwdb. en Ndl. Wdb. i.v.) is 't van belang te letten op het ruime gebruik dat de devoten van dit woord maken. Voorbeelden vindt men G blz. 112 noot 6, 124, D 62c; Coll. Cl. v.E. 29v.: wi solden vake denken: het is nu in onsen bow. Ende als ons wat te lijden toe comet of anders wat daer wi in verdienen moegen soe sulle wi denken: nu isset tijt dat ic in vuer, nu isset tijt dat ic rijke mach werden ende vergaderen, daer ic in ewicheit sal wal van vaeren.

brantsiecte; Andr. Ys. 215: ende soe isset geschiet dat sie zeer swaerlike beveel an die brantsuekte. Misschien wordt met de barnende hette, waaraan Johan Hoef stierf (G 43c), dezelfde kwaal bedoeld, een ziekte, die zich kenmerkt door hooge koortsen? Vgl. ook Maria Leg. I, 349: doe ter tijt.... openbaerde een sware plaghe ende een manyer des onghemacs als een hetten of een barninghe. Onder rede vermeldt het Mnl. Wdb. (VI, 1142) die hete rede en die bernende rede.

sonder breken; G 29b komt deze uitdrukking voor met de beteekenis zonder moeite, zonder (in wendigen) strijd; ter

[p. 206]

verklaring heeft men te denken aan den veelgebruikten term der devoten hem breken, zichzelf, zijn neigingen en hartstochten overwinnen (zie bijv. G 30c, 76d enz.) en vgl. hem verbreken en Friesch yen forbrekke.

*broecwater; vgl. mijn proefschrift Jacob van Maerlant's Heimelijkheid der Heimelijkheden, blz. 91.

bruniserkijn, bruneeriserkijn; vgl. voor dit woord D 69c met de aant. In de overeenkomstige passage van D V (D V 265r.-266r.) vindt men het onder de vormen brūnyserkens (1 ✕) en brunieryserkens (2 ✕). De beteekenis is onzeker; wat Gallée, Tijdspiegel 1887, er over schrijft, bevredigt niet.

dach in: den menscheliken dach niet soeken (G 37b) zal wel beteekenen rechtsbedeeling, oordeel (der menschen).

daerane sijn; Maria Leg. I 241: sie vraechde hem, hoe hi daer an was = hoe 't hem ging; vgl. Mnl. Wdb. VII, 1108 i.v. sijn.

hem dale slaen = zich verootmoedigen voor God vindt men D 325; vgl. de aant. aldaar. De door Brinkerink aangenomen letterlijke beteekenis past in 't verband niet. In dezelfde beteekenis gebruiken de devoten hem nederslaen (o.a. D 4).

diëte; 't Mnl. Handwdb. geeft als beteekenis alleen reis- en teerkost, zonder vb.; Heim. der Heim., vs. 924 en 943 heeft het de beteekenis van ons woord dieet.

disene met de beteekenis spinrokken komt voor G 30b; vgl. Mnl. Wdb. onder het werkw. disen.

doen; de bekende uitdrukking en dede + subject in de beteekenis indien (een persoon of zaak) het niet gedaan had, zonder die persoon of zaak (vgl. Mnl. Wdb. II, 240) trof ik eenige malen aan zonder de negatie: G 65d, 77d, D 74c, 177d (met ne o.a. G 19c en 87a); vgl. ook Coll. Cl. v.E. 52r.: Ende dat die passie ons heren dede, ic en weet niet, hoe.... Men vgl. 't Mnl. Wdb. II, 634, dat plaatsen noemt, waar waer voorkomt in de beteekenis ne waer en zie ook Stoett, Synt.2 § 232.

doof; G 110a vindt men de uitdrukking met dooven ooren hooren = niet luisteren naar, geen aandacht hebben bij.

[p. 207]

dorheit, dorricheit, zie droocheit.

dot (dotte); ende sie hoffede hoer op ende die dotten weren al mit perlen belecht ende mit goldenen boerden (versiersel, spang? zie Mnl. Wdb. i.v. boort), die hengen vol goldenre loveren voer hoer hovet (D V 336r.); soe smet sie hoer dotten ende hoer cierheit des hovedes in een heimelijcheit (D V 379v.). Dot zal wel beteekenen (valsche) haarwrong, krul of haardot; vgl. Van Wijk, Etym. Wdb. en Ndl. Wdb. i.v. dot.

ontwee dragen: ende doe gevielt dat sie wat onttwie droech mit woerden mit eenre suster, soedat.... Andr. Yserens 205). De beteekenis is hier een meeningverschil hebben met, in een woordentwist geraken met. In 't Mnl. Wdb. wordt onder tweedracht verwezen naar Mnd. twe-, twei dregen, dragen; Lübben heeft ook entwei dregen = oneenig zijn. Het Mnl. Wdb. geeft een voorbeeld van in tween dragen (zie i.v. dragen).

dragende; G 112b: dragende ende medelijdende mitten crancken; G 44b: ende dien (nl. zieken en gebrekkigen) was si sonderlinge mynlick ende dragende. Dit bijv. nw. dragende steunend, begunstigend, medelijden hebbende met, toegeeflijk jegens hoort bij tr. dragen = steunen, schragen, voortrekken (Mnl. Wdb. i.v. dragen II, 381).

drevel in de beteekenis, waarin De Bo het vermeldt: dienstjongen voor het vuilste werk, komt G 121d voor, waar men het door duvelstoejager zou kunnen weergeven. Van een zuster wordt verteld, dat ze is ‘alsoft een drevel hadde geweest vanden enen totten anderen’, en dan volgt een nadere verklaring. De beteekenis van drijven, gedreven worden is hier nog duidelijk te onderkennen. Ook Lübben kent drevel = sklave, knecht.

driftich; G 133c: Een zuster is ‘vurig ende begeerich.... tot oetmodigen oefningen ende tot dissiplyne te nemen, nochtan en was si daer niet driftich in, ofmen oer daer niet in en volgede, noch tonvreden.’ De bedoeling is blijkbaar, dat ze, wanneer haar voorslagen of handelingen bij de zusters

[p. 208]

geen instemming of navolging vonden, niet te zeer aandrong, geen drifster was, een anders vrijheid eerbiedigde - en ook niet boos werd. Driftich is hier dus ongeveer weer te geven door sterken, te sterken aandrang op anderen uitoefenend; driftich sijn in iet = drijven, zijn wil doordrjven in een zaak.

dricast; Op werkdagen, leest men D V 339r., gaan de meeste zusters niet ‘toe choer’, zij bliven ‘in den ghemienen wercke’ maar ‘des hilligen dages was dat choer altoes dricast vol’. De bedoeling is blijkbaar eivol, stampvol, maar het woord dricast thuisbrengen kan ik niet. De Teuth. geeft de woorden tweekestich en driekestich, beide zonder vertaling of synoniemen er achter; ook het woord kestich, waarachter staat verstickt. 't Mnl. Wdb. meent dat tweekestich zou kunnen beteekenen met twee korenzolders (zie aldaar). Kast schijnt in het Mnd. de beteekenis te kunnen hebben van maat; men vindt vbb. bij Schiller und Lübben. Maar met dat al blijft het woord mij duister.

droocheit; in het Mnl. Wdb. vindt men 2 vbb. van dit woord uit de Coll. Cl. v.E., en als beteekenis wordt opgegeven rampspoed, kommer. Het Mnl. Handwdb. geeft voor droocheit in fig. gebruik slapheid, krachteloosheid, machteloosheid, zonder voorbeelden. Met deze laatste verklaring wordt het woord droocheit, zooals het in de Coll. gebruikt is, stellig beter benaderd dan met de woorden rampspoed, kommer. Juister is echter nog inwendige onvruchtbaarheid, gebrek aan bezieling, verschrompeling van godsdienstig leven. In die beteekenis wordt ook gebruikt door de devoten dorheit en dorricheit (des harten), o.a. G 96b, Gerl. Peters, 203, 210, 211 (vgl. ook Coll. 372: een ave maria spreken ‘mit dorren herten’); de beeldspraak zal wel ontstaan zijn onder invloed van bijbellectuur; vgl. Numeri 11:6; Jes. 58:11. Ik wijs nog op het ongeveer gelijke verband, waarin dorricheit bij Gerl. Peters en droecheit in de Coll. voorkomen: Gerl. Peters 211: in bedruckenisse.... ende in dorricheit mijns herten; Coll. 4V.: in droecheiden ende bangicheiden. Dorheit en dorricheit vermeldt

[p. 209]

het Mnl. Wdb. zonder vb.; in 't Mnl. Handwdb., dat ook geen vb. geeft, vindt men bij dorricheit in fig. gebruik opgegeven: gebrek aan zedelijke kracht, een beteekenis, die verwant is aan de bovenbesprokene.

ebbinge; D 169d: hoer slot dreef en wech van ebbinge der zee; os. ebbiunga, mhd. eppunge.

edercauwen; Biogr. 214r. (A.A.U. 28, 333; 't Mnl. Wdb. heeft hier een drukfout: Coll. i. pl. v. Biogr.) en 232v. komt edercauwen voor met de beteekenis herhalen, en niet overdenken, overpeinzen, zooals 't Mnl. Wdb. opgeeft.

eenlijc; G 127a: sancte Augustijns eenlike spreken plach sie alte geerne te lezen; d.i. dus het Soliloquium. Gerl. Peters 216 vindt men: Een eenlike sprake eens regeleers; een andere vertaling van Soliloquium geeft het tractaat uitgegeven in de Bibl. van Mnl. Letterk., afl. 44: Die enighe sprake ende vereneghinghe die sunte Augustinus hadde mit God.

eenrehandelike; Andr. Ys. 212: Ende dese (nl. de twee ‘bijster manspersoenen’ zie bij bijster) spreken hoer smelicke ende eenrehandelic toe. Eenrehandelic zal wel beteekenen met zotte grapjes, op malle, ongepaste wijze, zie Mnl. Wdb. onder eenrehandicheit en het vb. aldaar.

eya; de Lat. interjectie eia = welaan, in 't Mhd. veel voorkomende, leest men G Dd en Maria Leg. I 36; II 277, 296 enz.

eigenwijs; D 119d: Hijr omme segeden sie dat sie homodich, guetdunkel ende eigenwijs weer (ook D V 180r.). Het Mnl. Wdb. kent het woord niet, Kiliaen heeft het wel; Lübben: eigenwîs = selbstklug.

ende; G 141b:.... oer duchte, datter oer toebehoerde, dat si overal dat swaerste bi den eynde solde hebben. Bi den eynde hebben = onder handen hebben, zich bezig houden met; vgl. Friesch by de ein ha (Fr. Wdb. I i.v. ein), ook Ten Doornkaat Koolman en Molema.

enicheit; G 26d: een zuster verheugt zich, ‘dat si van Marthen dienste weder gecomen was totter enicheit Mariën.’

[p. 210]

(vgl. Lucas 10:41-42). Enicheit beteekent hier het zich bezig houden met één zaak, meer bepaaldelijk met Jezus, met het eeuwige, het goddelijke. Deze beteekenis heeft het woord ook in het door Dr. De Man aangehaalde voorbeeld uit Gerrit Mande (De Man 95, noot a). Tot recht verstand van dezen mystieken term vergelijke men ongedeelt, ook een term der devoten, waarvan men in 't Mnl. Wdb. voorbeelden vindt. In de Dev. Ep. 44r. vond ik de volgende plaats: Hier om suldi u pynen.... in mennichvoldicheit een versament gemoede (te hebben). Diezelfde concentratie van gedachten op het goddelijke, die hier wordt aanbevolen, als men in het wereldsche gewoel verkeert, wordt ook door het woord enicheit aangeduid. Het Mnl. Wdb. geeft een paar vbb. van enicheit als term der devoten en omschrijft de beteekenis met rust, gemoedsvrede, welke beteekenis gemakkelijk uit bovenstaande is af te leiden. Tegenover enicheit staat menichfuldicheit (zie hierboven en het vb. uit Mande), het vervuld zijn met de dingen der wereld, het verstrikt zijn in wereldsche dingen, zegt het Mnl. Wdb. Moet in het daar aangehaalde vb. uit Ruusbroec I, 30 niet worden gelezen enecheit in plaats van euecheit?1) Verdere voorbeelden van dezen veel gebruikten mystieken term vindt men o.a. Biogr. 189v., G 116c (zie noot a); onder ‘mennichvoldige dijnge’ (zie aldaar) heeft men te verstaan sierlijke, opgesmukte voorwerpen; het tegengestelde is ‘slecht’ (eenvoudig). Maria Leg. II, 21 raadt Maria een vrome maagd aan in haar kamer ‘gheen ydel ende menichvoudich ymboel te hebben’; ook hier zou menichvoudich deze beteekenis kunnen hebben (vgl. echter de variant).

esel; een zuster, die altijd bereid is om ‘swaer ende verworpen werck’ te doen, wil Brinkerink niet naar een nieuwe stichting laten vertrekken, want hi segede: die zusteren behoeveden ommer enen ‘ezel’ (G 81b); d.i. iemand, die zich

[p. 211]

geduldig allerlei vuile, onaangename karweitjes laat opdragen; vgl. 't werkw. ezelen, 't subst. werkezel en zie Ten Doornkaat Koolman I, 66.

eten op die eerde; zie G 11d, 45a en de aant. aldaar.

fantasieïch; D V 43r.:...een goddienstich susterken dat al fantasijch was ende ock niet starck, alsoe dat hoer onder tijden dochte dat sie niet bichten en conde.

Wat dit bijv. nw. hier beteekent, wordt duidelijk, als we de eigenaardige beteekenis leeren kennen, waarin de mystieken fantasie gebruiken. Het Mnl. Wdb. geeft één vb. van die beteekenis uit hs. Moll 5 en verklaart het woord met: zinnelijke voorstellingen, beelden. 't Mnl. Handwdb. voegt daarbij muizenissen (en een subst. fantastici = zwaarmoedigen). Ik wijs op de volgende plaatsen G 67a: ende als oer inquam1) dat sys hier niet maken en solde koenen hoer aldus tot gehorsomheit te geven en aldus altoes onder eens anders wille gebuyget te staen, ende dat oer dat werk alte zuer solde werden, ende anders mennigerhande fantesiën ende cleymoedicheiden, die oer die duvel inbrachte... - G 74a fantesiën ende becommeringe - G 96a fantesiën of becoringen (vgl. ook 96b) - D 35c fantesiën ende werck. Dit fantesie is synoniem met verbeeldinge (vgl. G 18d); zie de omschrijving die 't Mnl. Wdb. van 't werkw. verbeelden geeft. Nog een synoniem voor dit woord fantasie is inval (vgl. inquam hierboven), als mystieke term, waarvan het Mnl. Wdb. zegt: ‘invallende gedachte, zoowel ten goede als ten kwade leidend, door God of duivel in 't gemoed gewerkt’ - met deze beperking dan, dat fantasie alleen gebezigd wordt voor die invallende gedachten, die ten kwade leiden, door den duivel zijn ingegeven (zie het vb. uit G 67a hierboven aangehaald en Maria Leg. I, 294: Doe dit (d.i. een visioen) die broeder sach hadde hi anxte dattet een fantasie waer of bedriechnisse

[p. 212]

des viants en een vb. onder fantasie in het Ndl. Wdb.). In deze zelfde ongunstige beteekenis vindt men inval o.a. gebruikt D 10d, 35c en 121a.

Het Ndl. Wdb. geeft bij fantasie 6: mistroostige overpeinzing, tobberij, welke beteekenis uit bovengenoemde gemakkelijk is af te leiden. Fantasieïch zou ik in het vb. hierboven willen vertalen met waukelmoedig in 't geloof, den geest niet steeds gericht kunnende houden op God en het goddelijke, tobberig misschien.

gancachtich vermeldt het Mnl. Wdb. wel in de beteekenis geschikt om te gaan (1 vb. uit Barth.: ghangachtich als menschen), maar niet in die van op de been, het tegengestelde van bedlegerig, waarin het G 136d voorkomt: In deser lester ziecten scheen oer ansichte.... mynliker.... te wesen, dan doe si noch gancachtich was. Bij Bergsma vindt men in dezelfde beteekenis opgegeven gangbaar.

gebotert; G 7a: gebotterde(n) stocvisch.

gebringen; een zuster, die dikwijls verootmoedigd en vernederd wordt, antwoordt op een vraag, hoe ze zich ‘in deser vernederinge geliden’ kan: ‘dede my die passie ende dat lijden ons lieven Heren, ende dat ic daer mijn toevlocht toe make, ic en soldes nergent coenen gebrengen’ (G 12b), d.i. ik zou niet weten, waar ik er mee heen moest, ik zou 't niet kunnen dragen.

gedenkelijk geeft het Mnl. Wdb. zonder beteekenis en vb.; het Handwdb. zegt: de herinnering van iets bewarende. D V 276v. vindt men het woord in de beteekenis gedenkwaardig: onse eerweerdighe vader sprack hoer toe een groet ghedenclick woert; vgl. Lb.: gedenklik = erwähnungswert.

geheelhertelijc; G 27d: seer geheelhertelike vermaenden si die ene den anderen; ook G 28a en 84a. Van geheelhertich geeft Verdam één vb. uit D 15b (G 85d vindt men het o.a. ook) en vraagt of te denken is aan een minder gelukkige vertaling van Lat. concors. Voor de hand ligt bij beide woorden te denken aan de uitdrukking mit enen geheelen herten -

[p. 213]

G 29c: hem mit enen geheelen herten tot onsen lieven Heren kieren; Coll. Cl. v. E 20r.: Onsea lieven Heren mit enen geheelen herten dienen; zie ook G 92a-b (mit geheelre herten) en vgl. Matth. 22:37: Gij zult liefhebben den Heere uwen God met geheel uw harte enz.

gehoorsamheit. Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid wordt van de devoten geëischt jegens hunne oversten; ‘weder ons god selve of onse overste ghebiet, dat is allike vele’ (vgl. Kühler, Johannes Brinckerinck en zijn klooster te Diepenveen, blz. 189 e.v., waaruit ik een en ander citeer). De geboden hebben zij niet te beoordeelen, maar eenvoudig op te volgen. Het is de vraag niet, wàt zij doen, maar of zij bij alles wat zij volbrengen, uit gehoorzaamheid handelen. In dezen gedachtengang laat zich begrijpen, dat voor de devoten opdracht en gehoorzaamheid synoniem kunnen worden (vgl. G 92d-93a). Duidelijke voorbeelden van die eigenaardige beteekenis, die het woord gehoorzaamheid in hun gedachtenkring en spraakgebruik krijgt, geven bijv. Maria Leg. II, 72: Eude doe hi aldaer in dier gehoersamheit off bevelinge daer inder stat lach....; G 70b: Hiernae waert oer bevolen, dat si in die koekene solde wesen, ende dese gehorsomheit was oer bavenmate swaer; G 93a: sij hadde in beveel, dat.... ende dese gehorsomheit ontfenck si eerweerdelick.

dat gele water; G 145a: soe waert si zieck aen dat gele water. Bij Kiliaen vindt men gheel-waeter = ascites (buikwaterzucht), hydrops solo ventre distento; flava bilis; De Bo 1372: geel water, geluw water = hevige pijn in de gewrichten van de pooten der veulens, fr. rhumatisme articulaire.

geliken; hem enen geliken met de beteekenis zich gelijk maken aan, zich de gelijke maken van iemand komt D 142c voor: Mer sie (een zuster die te Diepenveen ‘groet guet’ heeft gebracht) gelijckte hoer in allen dingen horen mede zusteren in alre nederheit; een ander vb. is te vinden G 66b (hem ere dinc geliken).

gelike, bijw.; G 116d: Want si was als een opgerichte

[p. 214]

pileerne tegen alle diegene, die niet gelijck en wanderden; vgl. Mnl. Wdb. onder 't bijv. nw. gelijc 3 en Lübben i.v. gelike = recht, billig. De beteekenis is naar recht en billijkheid, onberispelijk, in overeenstemming met de bestaande voorschriften. Daartegenover staat ongelijc, G 129b, met de beteekenis onbillijk, onrechtvaardig; vgl. Mnl. Wdb. i.v. ongelijc, bijv. nw. 6c (V, 590).

gemoet; H.d.H. 1417: Hie (d.i. de wijn) maect den mensche starc ghemoet. d.i. stoutmoedig, dapper, blijkens het Lat. audacem (zie mijn uitgave blz. 164) en niet opgewekt, zooals 't Mnl. Wdb. wil.

genoteert; D V 361v: Sie conde wal scriven, alsoe dat sie den choer doe trouwelike bijstont in bocken toe scriven, beide ghenoetiert ende onghenotiert. Ghenoetiert hoort bij notieren noteren = van melodieën, van muzieknoten voorzien. Deze beteekenis geeft Verdam niet bij noteren, wel bij 't werkw. noten.

geordineert; G 74b: een zuster is, ‘in oere vermaninge’ (evenals in andere dingen) ‘stichtich ende geordyniert soedat si daer nyement sonderlinghe lastich of moyelick in en scheen te wesen’ G 72c vinden we ‘geordyniert ende geschicket in (al sijnen) zeden’ even daarvoor, 72b: men zag ze nooit ‘yachtich noch lopende, noch ongeschicket in oeren zeden, mer altoes bleef si in eenre gesaticheit, alsof si te male gien onlede gehad en hadde’ vgl. verder nog G 10b: geschicket van zeden. Gesaet (gesatich), geordineert en geschicket zijn in een bepaald verband als synoniemen van elkaar op te vatten; de Teuth. vermeldt achter ongesaet ongeschicket en ongeordiniert. In deze drie woorden ligt het begrip gebrek aan zelfbeheersching, kalmte, waardigheid; Kiliaan geeft achter ongheschickt o.a. intemperans, incompositus, immodestus. In die beteekenis noemt het Mnl. Wdb. dit laatste woord wel, evenals ook ongeordineert met de beteekenis buitensporig, bovenmatig, maar geordineert in de beteekenis de juiste maat houdend, niet overdreven, van een waardige kalmte, even-

[p. 215]

wichtig, kent het Mnl. Wdb. niet. Het leek mij gewenscht alle drie woorden eens naast elkaar te zetten; voor ongeordineert en ongeschicket kan men nog G 72c vergelijken; de beteekenis van gesaet komt G 72d zeer duidelijk uit.

gescic; G 59d: in een ander geschick brengen. In de Teuth. vond ik: behorlike maite ind geschicke den dyngen geven = proporcionare. Lx. I, 901 geeft van het mhd. geschicke o.a. als beteekenis regeling, ordening, welke beteekenis hierboven past; Lübben: Geschick = das Bringen in Schick, Ordnung. Zie verder Ndl. Wdb. i.v. geschik.

gescicket; zie geordineert.

gewachten; onder het transitieve wachten, B7 = afwachten, verduren, dulden vermeldt het Mnl. Wdb. ook de ‘nog heden in oostelijke tongvallen in gebruik zijnde’ uitdrukking iets niet kunnen wachten met de beteekenis ergens geen tijd voor hebben, met een voorbeeld uit de Coll. Ik noteerde een vb. in Andries Yserens 208 met de zaak in den genitief: des en kan ik nu niet wachten; G 10d vindt men gewachten gebruikt: ende want sijt ondertijden seer quelke gewachten konde. Verder merk ik nog op, dat ook het Friesch deze uitdrukking kent: ik kin 't net wachtsje, en ook it kin my net wachtsje; vgl. ook Ten Doornkaat Koolman i.v. wachten.

G 84c vindt men een intr. wachten met een zaak als subject gebruikt, zooals wij het kennen in de uitdrukking dat kan wachten = dat behoeft niet dadelijk gedaan te worden, daar is geen haast bij: ende alset in enyger manyeren wachten mochte.... = als het uitstel kon lijden.

gieren voer schreyen vindt men Maria Leg. II, 151; vgl. ons gieren van 't lachen, Mnl. Wdb. en Ndl. Wdb. i.v. gieren.

goetgonnende; naast goetgonnich (zie Mnl. Handwdb.) komt voor goetgonnende, G 143d en 144b.

goethertich; dit woord, in 't Mnl. Handwdb. met de beteekenis edelaardig enz. vermeld, dient G 89a, 89b, 89d en 90b blijkbaar om een minder gewenschten karaktertrek aan te duiden: een zuster wordt ‘gescholden’ om haar goedhartigheid, waardoor

[p. 216]

ze de andere zusters aan 't lachen brengt. De beteekenis is, dunkt me, weer te geven door naief, kinderlijk onnoozel, goeie-lobbesachtig.

gonsen; dit betrekkelijk jonge woord ontmoette ik D V 294r.; een zuster tracht aan tafel steeds het slechtste eten, ‘dat graveste dat sie inder schotelen vant’ (vgl. D 84a), te nemen, ‘ende als hoer een ander daer in voer quam.... soe sat sie ende gunsede recht of hoer groet onrecht was ghesciet.’ Gonsen is hier op te vatten als brommen, morren, grommen, vgl. Ndl. Wdb. i.v. gonzen, Bergsma onder geunzen en ook Van Wijk, Etym. Wdb.

gracie; onder gracie = genade, gunst mag het Mnl. Wdb. wel vermeldeu den term der devoten die gracie (bi hemselven) niet connen behemmelen; zie G blz. 10, noot d en vgl. o.a. Kühler, Johannes Brinckerinck enz. 263 en 171. - Dat gracie bij de devoten de beteekenis kan krijgen van talent, begaafdheid, daarvan vindt men in G vele voorbeelden; zie De Man's uitg. blz. 5, noot 15.

graduaal = boek met gradualen vindt men D V 370v: een zuster, ‘arm van boecken’, heeft ‘een noctorna.... ende hoer graduale ende ander sanckboeke, die en weren niet vromme’ vgl. Mnl. Wdb. i.v., 't Nederd. Gloss van Bern i.v. gradal, graduale en Stellwagen, Roomsche woorden.

grendel in fig. gebruik = hinderpaal komt voor G Dc: een grondel ende een wederstant; zie de aant. aldaar.

in den gront; Maria Leg. I 408 willen twee echtelieden een herberg, waar ze logeeren, koopen, overnemen van den waard ‘also si stonde altemael inden gront’. Meu wordt het eens ‘ende die waert rumde sijn herberghe mit sijnre huusvrouwen anders dan dat si mit hem namen dat ghewade van haren live, en voortaan ‘regierde die vrouwe die herberghe’. Met de boven aangehaalde uitdrukking wordt dus te kennen gegeven, dat de zaak wordt overgenomen met al wat er bij hoort, zooals ze reilt en zeilt.

hals; G 81c wordt van een zuster gezegd, dat ze ‘altoes

[p. 217]

oeren hals vol swaers ende onreynlikes wercke’ had; vgl. daarmee de uitdrukking op sinen hals halen (Mnl. Handwdb.).

D 98b: Die ny niet vele ghedaen en hadde, die stont doe ende arbeyde by horen halse; D V 163r. dezelfde uitdrukking. In het Ndl. Wdb. vond ik bij hals en kracht suipen = met alle macht; vgl. ook het subst. halswerk, Ndl. Wdb. i.v. Het Mnl. Wdb. geeft deze uitdrukking: syn cost mitten hals winnen (= ‘met zwaar werken’).

hant; als een zuster gevraagd wordt, of ze er mee tevreden is ‘conversinne’ te worden (en dus geen geordende non), antwoordt ze: ‘daer sin ic wal in toe vreden ende daer en wolde ic mijn hant niet om omkiren’ (D V 337v.).

havene; voor havene der armoede zie men Heim. der Heim., blz. 190.

heerlijc; Andr. IJs. 204: wanneer dat sie iemant wat doen hiete, dat hi doen soelde, soe en quam sie niet herlic an en segede: dat of dat solle ghi doen.... Heerlijc is hier bazig; diezelfde ongunstige beteekenis heeft het in een vb. dat Mnl. Wdb. uit hs. Moll 5, 123b geeft. Het Mnl. heerachtig en heersch (Duitsch herrisch) staan hier dicht bij.

De koppeling daerhenen kan beteekenen daarvandaan; D 74d: hij wolde sij heymelike daer heen stelen; D 72b daer hen nemen; ook G 68a; vgl. ook nog D 78c; waer dattet heen quam en G 13c: waer si hene geboren weer. 't Antwoord luidt: van den lande.

Henenduken = wegduiken, ongemoeid blijven vindt men G 32a en 43d.

henengaen; G 17d: ende (si) plach in allen dingen hene te gaen, alsoft bijnae gien mensche en hadde geweest. Henengaen beteekent hier zich bewegen, zich gedragen, zich houden; vgl. onze uitdrukking er zus of zoo heenloopen. G 78b leest men: ende (si) genck sympelike hene - 107b: stillick ende goddienstelic pijnde si hene te gaen. Men ziet, henengaen + adv. wordt gebruikt om een bepaalde levenshouding uit te drukken. Een duidelijk voorbeeld geeft nog G 121d: een zuster heeft

[p. 218]

maar een eenvoudige ‘officie’, maar ‘genck daer alsoe mynlike mede hene, dat’ enz. Men kan vertalen: was daar zoo tevreden mee, leefde daar zoo tevreden onder enz.; zie verder 81d, 73c.

henenslaen; G 24a: ende als oer yement na oeren vrenden of geslechte vragede, soe plach sijt hene te slaen ende viel op een ander.... De beteekenis is niet ingaan op een zaak, er zich afmaken; vgl. Ndl. Wdb. onder heenslaan en de Mnl. uitdrukking van monde slaan.

herde; een subst. herde, dat wel bij 't adj. hart zal hooren (vgl. harden, herden = volhouden, doorzetten) vindt men in de uitdrukking op die herde = op den duur, G 52a.

here; G 113c en 113d leest men onse lieve met weglating van here; dezelfde ellips D V 72v.. Zoo staat Maria Leg. II, 256 in de aanspraak alleen lieve, waar lieve vrouwe wordt bedoeld; Gerl. Peter 218: hem verenighen mit sinen lieven, ook met ellips van heren. In de Dev. Ep. komt voor: hem verenigen mit sinen gemynden (39r.), neygen tot sinen gemynden (38r.), nl. brudegom; vgl. ook 41v., 42r.

G 139b leest men: in den jaer ons her 1453 (hs. h'); vgl. daarmee de opmerking omtrent het gebruik van her en ser, Mnl. Wdb. III, kol. 360.

herte; D 118c: Van deser hilliger ende goddienstiger dochter worden die olders bekiert, dat sie ten herten quemen. Tot inkeer komen, verklaart de uitgever Brinkerink.

Sijn herte in sinen handen dragen vindt men G 74a en 20a = nauwlettend toezien op eigen levenswandel.

hette; barnende hette, zie bij brantsiekte.

hier en daer; G 13a: ende dan plach si oer seer nouwe te hueden, dat si niet en calde van hier of van daer, alst gewoenlick is mit werliken luyden; over ditjes en datjes dus, over onbeduidende dingen.

hoede; de uitdrukking op syns selves hoede staen komt voor G 28b.

hof kan beteekenen hofdag, hoffeest; en verder feest in 't algemeen, gastmaal. In D en DV schijnt liet woord ge-

[p. 219]

bruikt te worden in de speciale beteekenis van bruiloftsfeest, bruiloft. Katharina van Naaldwijk wekt hare medezusters op tot ‘vernieuwing van den ondertrouw’ aan den bruidegom Christus. Uitvoerig wordt deze ‘geestelike bruloft’ in D beschreven; 68c lezen we: Ende die schaffener of meyster van deser bruloft sal sijn enz. De parallelplaats in D V luidt: ende die sceffener ofte havemeister deses haves of van deser brulloft.... Even verder in D staat: Die ander dienres des hoves; dadelijk daaropvolgende: Die spijse der bruloft; vervolgens: Die pijpers des haves en 69a nog: Die bode des haves. Bruloft en hof worden dus door elkaar gebruikt.

hoorsuster wordt in het Mnl. Wdb. verkeerd, althans onvolledig, verklaard; vgl. D 38c + aant., 137d en 147a. Er wordt niet mee bedoeld de kloosterzuster die de gasten aanhoort, maar zij die tegenwoordig is, toehoort bij gesprekken tusschen de bezoekers en de zuster, wie het bezoek geldt.

houden; G 90c: op nyemende en plach si wat te hoelden, als si veroetmodicht of geschulden waert. Uit het verband blijkt duidelijk (men zie den zin, die volgt op den aangehaalden) dat iet op enen houden beteekent wrok tegen iemand blijven koesteren over een zaak, haatdragend zijn.

Als ‘niet duidelijk’ geeft Verdam achter trans. houden in Aanm. I (III, 640) twee plaatsen, die beide m.i. een voorbeeld bevatten van dit houden. In het eerste voorbeeld (Belg. Mus. 10, 344, 9) hebben we enen (datief) iet houden = iemand iets kwalijk nemen, in het tweede (Merl. 41, 43) houden an enen met dezelfde beteekenis.

 

(Wordt vervolgd).

a.a. verdenius.