Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 41


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 41. E.J. Brill, Leiden 1922  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 132]

Kleine Mededeelingen.

108. De vrouw en de duivel.

Leendertz (Mnl. Dramatische Poezie CLXX) schrijft, naar aanleiding van Mariken van Nieumeghen:

‘Doch dat eene vrouw een verbond sluit met den duivel, is hoogst zeldzaam. Uit de literatuur ken ik, wat hiermede te vergelijken valt, slechts één voorbeeld, nl. Frau Jutte. Ook uit de geschiedenis ken ik er slechts één, nl. Jeanne d'Arc, naar de voorstelling althans van hare vijanden, die trouwens in het anti-Fransche Vlaanderen zeer goed kan gangbaar geweest zijn.’

Toevallig trof ik een dezer dagen een exempel aan uit een 13de eeuwsch h.s. uit de Bibliotheek der Dominicanen te Breslau (thans op de Königliche und Universitätsbibliothek te Breslau en afgedrukt in 1911), waarin een vrouw een dergelijk verbond met den duivel sluit.

Exempla aus Handschriften des Mittelalters, herausgegeben von Joseph Klapper, Heidelberg 1911, Carl Winter's Universitätsbuchhandlung (pag. 41).

a.g.

109. Wederschijnsel

m. wordt in 't Mnl. Wb. begrijpelijkerwijs vreemd gevonden. Er staat dan ook - schel, en leest men de plaats na, dan zal men er licht toe komen, c in o te veranderen, waardoor men krijgt: wederschijn so hel. Misschien is hel door een afschrijver niet begrepen, want het was zeldzaam, maar bestond; z. Mnl. Hwb. Het kan ook zijn, dat soh door sch vervangen is doordat het voorafgaande sch nawerkte, want op deze wijs verschrijft men zich gemakkelijk.

w. de vries