damschen gastvriend en voor het eerst gedrukt in 15861). Er blijkt uit, dat Dousa met Roemers gedichten in kennis is gekomen door Van Hout, die ze prees om hun snedigen inhoud, terwijl ik er tevens uit meen te mogen opmaken, dat Roemer Visscher een welkom gast geweest is in het gezelschap der dichters, die in de ‘nieuwe universiteyt der Stad Leyden’, vermoedelijk onder leiding van Jan van Hout, de Latijnsche of Nederduitsche poëzie beoefenden2). Immers Dousa verklaart, dat de deuren van het Lycaeum (= de Leidsche universiteit) zich als vanzelf, bij Roemers komst, voor hem openen. Voor het overige prijst dan Dousa's lofdicht in Roemer Visscher vooral den taalzuiveraar en den dichter: den taalzuiveraar, die onze taal, nu ongeëerd en geenszins van vreemde smetten vrij, weldra tot de evenknie zal maken van het Latijn; en den dichter, dien hij, met Van Hout3), tegenover de Rederijkers stelt, wier gerijmel onze taal verbasterd en ons tooneel tot een bespotting heeft gemaakt.
‘Hoe is toch’, zoo vraagt Dousa ten slotte, ‘met uw liefde tot de vaderlandsche dichtkunst uw naam Romulus te rijmen? In de eerste plaats verdient ge dien, omdat ge Rome zoo door en door kent4). Maar ook doordat, gelijk Romulus de Sabijnsche maagden roofde om ze voor zijn stadgenooten tot vrouwen te bestemmen, gij “raptu meliore” de Romeinsche Muzen gehuwd hebt aan den Nederlandschen Mercurius’.
n. van der laan.