Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 42


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 42. E.J. Brill, Leiden 1923  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 131]

Lexicologische aanteekeningen bij stichtelijk proza uit de Middeleeuwen.

(Slot1)).

 

quitelatinge; Coll. Brugm. 145: quijtlatinge alre scholt, ook 146; bij quite laten = kwijtschelden (Mnl. Wdb. onder quite 4).

te rade houden, DV 122 v.; zie bij profitich (vorig art.) en vgl. Mnl. Wdb. onder raet I.

ranse; DV 334 r.: ende soe blef sie sitten na hoers mans doet tot horen 50 jaren dat sie ny gevarwede cleder en droch noch bont noch rans noch enige cierheit der werlt dan een armband. De oorsprong van dit woord is niet bekend; ook de verschillende beteekenissen zijn niet duidelijk, zie Mnl. Wdb. i.v. Men zou hier in verband met bont aan een stofnaam (kant?) kunnen denken.

rechtuut; G 56 d: want als si wat sach of hoerde dat niet rechtuut en scheen te wesen; Biogr. 125 r.: ende .... yement wat toe handen toech, dat niet rechtuyt en was; vgl. ook G 60 b en 82 b. Men kan hier vertalen: dat niet in den haak was, dat geen pas gaf. - G 77 a: soewie dat niet rechtuut en wanderde nae den rechten doechden; zoo ook Biogr. 191 r.: wanderen rechtuyt n.d.r.d.; vgl. Kiliaan, die 't woord weergeeft door sincerus, simplex et rectus. G. 78 c heet het van een zuster, die zich ‘tot sympelre gehorsomheit’ geeft, dat ze rechtuut doet, ‘als men gedaen wolde hebben’.

register; zie boekshemt.

rechtverdichmakinge; zie bij singelijc.

regneren; Dv 280 r.: ende hoer heer vader began noch

[p. 132]

weder an toe regniren om sijn dochter weder toe crigen. De overeenkomstige plaats in D 78 b, heeft regineren, blijkbaar een bijvorm van regneren. De beteekenis is kabaal maken, opspelen; zie Mnl. Wdb. onder regneren, Aanm. Het artikel regineren in 't Mnl. Wdb. kan m.i. vervallen.

hem reinsen; D 30 a: ende als daer yemant quam, soe remsede sie (nl. een zieke zuster) hoer, of sie yet wolden, dat totten ghemenen orber droege. De uitgever van D slaat voor te lezen veinsede sie hoer of reinsede sie hoer. De laatste lezing is de jniste: DV 126 v. heeft rensede. Hem reinsen = de keel schrapen, kuchen1); Lb: reinsen = sich raüspern, screare. De Teuth. geeft rinsen; zie Mnl. Wdb. i.v.; Kiliaen, rinsen: Fris. j. hemmen. Ts. XXIII, blz. 48, vindt men in een Mnl. gedicht, uitgegeven door De Vooys, vs. 71: Als ic mi rume. Hem rumen wordt in een noot verklaard als hoesten, hemmen; Sp. IV2, 21, 75 geeft hetzelfde woord. Zou op deze beide plaatsen ook niet moeten worden gelezen hem reinsen? Wat den oorsprong van 't woord betreft, volgens Grimm, D.W. VIII, 702, zou het niet een afleiding van rein zijn, en dus niet op een lijn staan met on. hreinsa (Eng. to rinse, Fransch rincer); zie D.W.i.v. reinigen en i.v. rächsen, met welk laatste woord het zou samenhangen; vgl. nog Ten Doornk. Koolm onder rinseln.

rectrix, de vrouwelijke vorm van rector, vindt men herhaaldelijk in D; zie D 112 d en vgl. Kühler, a.w., blz. 69, 86.

reverenslike; het Mnl. Wdb. geeft één vb. uit Coll. 162 r.; de beteekenis aldaar is niet eerbiedig, maar eerbiedwaardig; zoo ook G 121 c: seer groet ende reverencelick stonden oer oer oversten voer; verdere vbb. Biogr. 124 v. (reverenselic); 182 r. Biogr. 155 v. beteekent het eerbiedig (hem reverencelic hebben tegen enen). Een bijv. nw. reverende leest men Andr. Ys. 213: een oelt reverende eerber man; vgl. Mnl. Wdb. onder reverendelijc.

[p. 133]

riven; G 7 c: oeck plach men ondertijden enen brij den zusteren te geven, ende die was gerijvet (= geraspt) van roggenen croemen; vgl. Ndl. Wdb. onder rijven (gereven broet) en zie Mnl. Wdb. i.v.

roeringe; Andr. Ys. 204: ende die steerf zeer haestlic an een rueringe; ibid.: men sorgede dat sie daer een rueringe van krigen soelde (nl. van een groot verdriet); een beroerte dus. In die beteekenis schijnt het woord zeldzaam te zijn, vgl. bij Grimm, D.W. VIII onder rührung een aanhaling uit Brem. Wb. en zie Mnl. Wdb. onder roere 4.

rondelike; G 21 d: die groeve spise .... die aat sie alsoe rondelike hene .... De Lat. vertaling heeft simpliciter. Lb.: runt, runtlike = o.a. gleichgültig. Hierboven zou ik willen vertalen royaal weg of eenvoudig weg. - Coll. Brinck 141: al gaet die suster noch wat rondelic heen, du en weetste niet wat gracie si van binnen heeft. De beteekenis van eenvoudig heeft zich hier ontwikkeld naar den ongunstigen kant; boersch, ongemanierd is misschien iets te sterk; zie Ndl. Wdb. i.v. rond (I) i en ii b en Mnl. Wdb. onder rontheit.

rosbel; G 48 c: (ende si was gegordet) mit enen sulveren gordel, dat omme ende omme vol bellen henck, alsoft rosbellen geweest hadden; zie De Man 95 en vgl. Ndl. Wdb. onder ros (XIII, kol. 1358).

rosinenvleesch; dit gerecht, blijkbaar een lekkernij, wordt G 8a genoemd; zie De Man 22, noot 16.

sarringe; G 60 d: die hilige vader Clymecus secht: Brueders, lijdet mit ons .... ende drijncket den kelick der sarringe alse water des levens; hetzelfde beeld G 108 a (aldaar is in 't hd. voor sarringe serringe geschrapt). 't Mnl. Wdb. geeft één vb. van serren = sarren; in de Teuth. vindt men een werkw. tzerren als synoniem van tergen opgegeven. Volgens Franck-Van Wijk is ons sarren (een jong woord) ws. onomatopee. Kan het niet uit het Oosten zijn ingedrongen (tserren > serren > sarren)? Voor de beeldspraak vergelijke men nog Coll. Cl. v.E. 52 r.: die kelic dijns lijdens en Mnl. Wdb. onder kelc.

[p. 134]

schande; DV 317 v.: (sie nam) enen crudewaghen mit enen korf ende dede ene scande anden hals. Ik vond het woord bij Lb.: schande, dar me mede drecht, portentula (verwezen wordt naar Brem. Wb. IV, 605) en Draaier: bretel, draagzeel. Vgl. vooral Grimm, DW. VIII, 2136-37 i.v.

scheercamer, G 83 c; vgl. Mnl. Wdb. i.v. scheerhuus, De Man, Inl. XLI en blz. 153, noot c.

scheide; zie beddescheide.

schentsel; G 132 a: (deze hilige ziele was geerich) overal die schentsele uuten wege te vergaederen, daer hem een ander an stoeten mochte; ook G 56 b schentsele vergaederen. Het beeld is afkomstig uit Matth. 13:41. De beteekenis van schentsel is scandalum, steen des aanstoots, waarvoor men in 't Mnl. gewoonlijk als vertaling aantreft schandelisatie, schandeleringe, schandaliseringe; ook eenmaal schandalesie; schentsel is mij niet van elders bekend. Is 't een afleiding van schenden (vgl. Mnl. Wdb. i.v. I, i, 3)?

schic; Dev. Ep. 54 r. .... in geestelicken oefenynge dicwil seer hulpelic is die schick ende settinge des lichams nader oefeninge; zie Mnl. Wdb. onder *schic en onder settinge.

schinnen (schinden); G 125 c: daernae began oer dat aensich te swellen ende roet te worden ende te schynnen, soedat si seer eyselick was an te siene. Hebben we hier een intr. schinden, schinnen = vervellen, afschilferen van de huid? Vgl. dan Friesch felje. Zie verder Mnl. Wdb. i.v. schinden; bij Gallée het tr. schinnen. Of is te denken aan schinen?

schoe; dat met dit woord een voetbekleeding van linnen of dergelijke stof kon worden aangeduid, waarover dan muilen of schoenen werden gedragen, blijkt uit G 61 b: sie toech oer trippen uut ende genck op oeren schoen. Een zuster vreest dat ze nu koude voeten zal krijgen; vgl. De Man 118, noot a.

schootsch; G 135 b: schoetsche woerde; zie Mnl. Wdb. i.v.

schote; enen schoete schieten komt voor Coll. Cl. v.E. 7 v., d.i. een inslag met de spoel inbrengen; 't is dus een weversterm. 't Mnl. Wdb. vermeldt den zin, waarin deze uitdrukking

[p. 135]

voorkomt, onder schoot I = schot; hij behoort bij schote 6.

schotelcupen; DV 152 v.: sie mochte staen over dat scottelkupen in die coken ende wasschen die scottelen. Ook Draaijer heeft kü̂pen onz.

schout; voor de formule: het is mijn schult, (ic wil mij gerne beteren) zie men De Man 35, noot c en o.a. Kühler 192, D 59 c; vgl. Mnl. Wdb. i.v. schout 5.

scrijfstoel; Biogr. 164 r.: soe hadde hij enen seer onbequamen scrijfstoel; ook Biogr. 158 v.; vgl. Lb. i.v. schrîfstôl.

schrodel; G 6 b: (rocke) die weren van witten wullen gescheert, ende daer was graw schroedel ingedragen; vgl. daarmee D 42 a: daer weren strijpen in den wande (habuit lineas quasdam alterius coloris intextas). Dus voor den inslag is hier in beide gevallen stof van andere kleur gebruikt, snippers, afval waarschijnlijk, die zòò nog dienst konden doen. Op beide plaatsen hooren we dat de rok ‘alte oetmodeliken liet’; vgl. Mnl. Wdb. onder strijpt, de opmerking over strijpte lakene en stripe. Scrodel = afgesneden strookjes, snippers? vgl. mnd. schratele en Grimm, D.W. onder schrotel. Mnl. Wdb. onder schrode en schrodelinc.1).

schulen; G 18 d: duycken ende schulen; voor den term der devoten schulen, gebruikt in verbinding met werkw. als duken, wiken enz., zie men o.a. De Man 43, noot c, Biogr. 209 v., 227 r.; vgl. uit Spieghels Bijspraax Almanack: Zwijghen en duyken, doet vre ghebruiken.

sine schuren vullen; een veelgebruikte term der devoten, G 58 b: ..... dat si oer schueren mocht vullen, van welken si leven mochte, alst gien tijt van wijnninghe wesen en solde; verdere vbb. en verklaring bij De Man 112 en vgl. bij Cats, Spiegel v.d.o.e.n.t.: Vergadert graen in uwe schueren, De Oegst en sal niet eeuwigh dueren, en Huygens, Cluys-Werck vs. 467.

sedebaerheit; zie bij tuchtigen.

[p. 136]

sententiegever; Coll. Brugm. 136: Ordelers ende sentencieghevers over ander menschen.

hem simeleeren; (dander) symeleerde hem confuus, Maria Leg. II, 241 (uit den Dial. Mir.). Hem simeleeren = doen alsof; niet bij Kiliaen; Ten Doornk. Koolm. geeft het in eenigszins afwijkende beteekenis.

singelijc; Coll. Brinck 119: .... dat wi spreken mochten mit David: dijn rechtveerdichmakinge hebben mi singelic gheweest (waren mi singhelike); Lexer: singelich = cantabilis, ook bij Grimm, D.W.; vgl. hierbij, ook voor rechtveerdichmakinge, Psalm 32 en 33: 1-3.

sipelshooft; G 7 b: mit gebradenen sipelshoofden = bol van de ui, ui.

slaven ende sloten, G 81 d en 105 d; zie de aanhaling bij iet innehebben van en vgl. De Man 150, aant. 9.

sluke (sluuc?); G 23 c: ende si plach den jongen zusteren te leeren .... dat si oer sluke, die si opt wiel sponnen, spynnen solden in die wonden ons lieven Heren1). 't Mnl. Wdb. geeft 2 vbb. van een subst. sluuc en vertaalt: een bepaald soort van dekriet (met een vraagteeken). Die verklaring is ongeveer juist; er had kunnen worden verwezen naar Fr. Wdb. i.v. slûk s.n. = lang en schoongemaakt stroo, dienende tot bedstroo en ook wel voor dakbedekking; verder naar Molema en Boekenoogen. Van die beteekenis uitgaande giste ik, De Man 52, dat het woord hierboven zou kunnen beteekenen de vlasdot op het spinnewiel, waarvan het garen wordt gesponnen. Als nederduitsch schluchter (= unaufgewundener Zwirn, zie Ten Doornk. Koolm onder sluchtern) tot de familie hoort, zou dat tot steun kunnen dienen. Stellig is verwant mhd. slûch = huid, zak, buis en ook mhd. slucke = ein gefälteltes Kleid, ein Faltenrock (vgl. Lx., Grimm, D.W. i.v., Ten Doornk. Koolm. onder sluken; en Fr.- v.W. onder sluik en sluiken); misschien zullen nieuwe bewijsplaatsen klaarheid kunnen brengen.

[p. 137]

smeken met = mooi praten bij of tegen iemand, zegt Mnl. Wdb. i.v. smeken I Intr. Daarbij mag worden gevoegd: toegevend zijn jegens, vergoelijken: Coll. Brinck 123: voert sel een voernemen enen anderen te vermanen, ende en sel niet smeken mit yemants gebreken.... en 129: Ende als wi in desen arbeide staen (nl. der penitencien), dan en sellen wi oec niet begheren, dat onse oversten yet mit ons smeken; zie o.a. ook Biogr. 196 v.

snappen; D 62 d: doe lach sie in soe groter bangicheit, als of sie na den adem hadde gesnapt; dezelfde uitdr. bij Lübben; vgl. Mnl. Wdb. onder snappen en snakken en Fr.-v.W.

spotsch; Andr. Ys. 214: nummermeer en hoerde men... dat sie... spotsche woerde sprak. Alleen in de Teuth. is het woord tot dusver aangetroffen. G 135 b komt voor bespotachtige woerde, ook een tot nu toe niet opgeteekend woord.

spreecsuster; voor de twee beteekenissen, waarin dit woord kan voorkomen, leidsvrouw der nieuwelingen in een zusterhuis of klooster en beschermeling ('t Mnd. Wdb. vermeldt alleen de laatste) zie De Man, Inl. XLI, waar verschillende plaatsen uit G worden genoemd.

spreken; G 115 b: Alsoe seer gaf si oer tot sterven, dat sij soe te spreken gien dijnck en scheen te doen sonder orlof der reeden.

hem steken in; Biogr. 160 r.: hem niet steken in werliken saken; vgl. Mnl. Wdb. onder steken, wederk. 3 a.

stellen; A. Ys. 201: Ende omme der goddiensticheit willen die meer in 't spinnen is ghelegen dan int werken, soe hadde sie daer vrede van dat sie dat werken ofgebracht hadde, want dat werken daer is voele onrosten ende voele onvredes in ghelegen. Ende sie plach oec wal te seggen dat sie joe soe voele forderde mitten spinnen als mitten stellen. In de eerste plaats stellen, dat is op den stelle werken, hier bepaaldelijk op den weefstoel, tegenover spinnen. Van stel (stelle) = weefstoel geeft Verdam maar één vb.. Het woord komt in devote geschriften uit deze Oostelijke streken herhaaldelijk

[p. 138]

voor (zie bv. G 119 d, 63 d, 112 d, 143 c), ook in samenstellingen: tafellakenstel, G 63 d, wollenstel G 120 d. Met name in deze laatste vbb. is het duidelijk, dat stel = weefstoel; toch kan het woord iets ruimer beteekenis hebben. In de Chronick des Schwesterhauses Marienthal genannt Niesinck, in Münster1) vindt men naast elkaar spinstelle (blz. 424) en worckestelle (blz. 426, 427). Zoo kan dan stellen ook de beteekenis hebben, die de uitgever van Andr. Yserens leven ten onrechte toekent aan werken in de passage hierboven, nl. stikken op het raam of ‘métier’. Die beteekenis meen ik te zien in een plaats, die Verdam aanhaalt achter stellen (eerste art.) Aanm. 2: van II roosen te stellene enz.; misschien ook in Aanm. 1. Werken hierboven is ongetwijfeld weven. Lb. vermeldt werken = spec. weben, sticken enz., in 't algemeen het verrichten van vrouwelijke handwerken. Ik trof het herhaaldelijk zeer duidelijk aan in de speciale beteekenis van weven, het zware handwerk bij uitnemendheid in kloosters en zusterhuizen, waar de textielindustrie werd beoefend. De weefkamer in 't Meester-Geertshuis heet het werckhuys (vgl. De Man, Inl. XXII en o.a. 34 c); in D 38 d leest men van een zuster, die vroeger spinnen heeft geleerd, maar nu zoo ‘geerne gewrocht hadde’; eenzelfde tegenstelling dus als hierboven. Een grof webbe wercken (D 98 c), doeck werken (D 110 a) zijn gewone uitdrukkingen; vgl. ook hiervoor bij trouwelike. D 98 d vindt men werken en weven naast elkaar gebruikt. Als de zusters uit het Meester-Geertshuis worden verdreven, lijden ze groote schade, ‘want die luyden, die hier wat te wierken hadden, die droegen oer webben toe huys’, G 40 b, en zie G 40 a: niet te doene noch te wierken; ook 33 a; vgl. verder 143 c: sij sat op den stelle ende wrachte, en 111 a, b en c. In de Teuth. vindt men i.v. ongevaruwet: ongevarwede pylmate ind dat men dairvan wevet of werckt; zie ook bij werken, werker, wolle aldaar; en vgl. verder nog worckestelle, hierboven genoemd.

[p. 139]

Van Salomee Sticken wordt D 3 a gezegd: gerne plach si te werken, omme dattet een oetmodich werck is enz. Ook hier wordt duidelijk een speciale bezigheid bedoeld: spinnen, verklaart de uitgever, maar wat hij tot bewijs aanhaalt, is vrij zwak; weven is hier evenzeer mogelijk. Het woord werken kan zich isoleeren in verschillende beteekenissen (of een begin van isolatie vertoonen), evenals het subst. werk; mogelijk is derhalve ook dat werken in deze kringen voor spinnen in gebruik kan zijn geweest of voor spinnen en weven beide; maar vaststaande voorbeelden van die laatste beteekenis heb ik niet genoteerd.

steppen; Andr. Ys. 212: twee zusters, op weg naar Buren, worden aangesproken door ‘twee bister manspersoenen’, die haar vragen, waar ze heen gaan. Na haar antwoord ‘stepten die mans wat tegeneen, mer dat verstont sie niet wattet was’. De beteekenis zal wel zijn mompelen, fluisteren, maar ik kan het woord niet thuis brengen. Bij Gallée vind ik stîpen = pruilen, stîperen = koppig zijn, bij Draaijer stîperen = pruttelen. Kan steppen (of stippen?) daarmee samenhangen?

sterken, stercsel; Andr. Ys. 193: ... doe waert sie gesat dat sie solde leeren spoelen ende sterken; G 119 d: ... soe plach si dicwile ... oer stercsel gerijnger an te crigen dan een ander. Sterken = de kettingdraden van een weeftoestel met een kleverige pap (sterksel; vgl. Mnl. Wdb. onder sterke) bestrijken. Zie Boekenoogen onder sterken, Ten Doornk. Koolm. onder starksel en Fr. Wdb. sterkebrij.

stervelyc; DV 342 r: ende sie en liet niet sunderlinghe starflick = den dood nabij (moribundus); vgl. Gallée starfelik en Mnl. Wdb. i.v. stervelijc 2.

stervensnoot; A. Ys. 216: soe lach sie enen helen nacht in swaeren stervensnoede.

hem storten op; Dev. Ep. 328: wanneer dat ghi .... onlede hebben moet, soe en suldi u te mael daer niet op storten, mer ghi sult in der onleden van buten u altoes pinen na uwer macht satichet des herten te hebben ...; G 5 d: hem uutstorten

[p. 140]

op die uutwendige onlede; 29 b: hem uutstorten tot den uutw. dingen; 112 c: uutgestort sijn op die spijse (als hi aen die taefle quam, recht of hi niet versaedet en conde werden). De beteekenis is zich met hart en ziel geven aan, opgaan in, in bovenstaande vbb. alleen met betrekking tot wereldsche bezigheden; vgl. Mnl. Wdb. onder utegestort, hem utestorten 6 en De Bo uitgestort.

strac komt in G een paar maal voor in de gunstige beteekenis van: streng voor zichzelf, ernstig (vgl. Mnl. Wdb. onder strac 3); G 19 c: ... een guet mensche, mer si en is niet strack; G 82 b: ene guede, straeke, eersomme, oprechte maget.

strecken; die ierste revyere ... (plach si) te strecken totten sunderen.... Die ander revyere ... te schicken tot guetwilligen menschen ..., G 101 b (uit een lange allegorie, die 99 c begint). Strecken tot (tr.) beteekent hier evenals schicken tot bestemmen voor, doen strekken.

strocaer; Coll. Brugm. 131: ... als si (de bijen) rusten ende dat stroekaer afgedaen wort; stroekaer = bijenkorf; vgl. Mnl. Wdb. onder Caer.

strocorfken; Coll. Brugm. 131: dat strokorfken des lichaems afleggen.

studium; dese guede man kande meyster Geryt wal, want hij hadde mit hem in dat studium geleegen, Biogr. 111 r; vgl. Mnl. Wdb.: ten studien liggen.

stupe; G 3 a: ... creech si een swaere stupe.... Ende doe si weder tot oerselven quam.... De beteekenis is òf stuip òf flauwte; vgl. Mnl. Wdb. i.v.

suckelinge; zie aentuckinge.

suverlike; een zuster vindt een doode muis in haar ‘wermoes’, legt die ter zijde van haar bord, eet ‘dat wermoes al deger uut’ en toen nam ze ‘die mus suverlike in oer hant, ende legede si weder in die schottele, ende si en segede niets’ ..., G 22 a. Suverlike zou ik hier willen weergeven door kalmpjes, zonder (onnoodige) drukte of aanstellerij. De Teuth. geeft als

[p. 141]

synoniemen: lise, stillike, ... suverlick. In ongeveer gelijken zin vindt men het woord gebruikt G 53 a, 64 b, 127 b. Ook bij de vbb. die 't Mnl. Wdb. onder suverlike 3, 4 en 5 geeft, zijn er, waar de hier vermelde omschrijving m.i. beter past dan de door Verdam gegevene.

tafellakenstelle; zie bij stellen.

termijn; ende doe sie seggen wolde ..., dat en conde sie niet wal uut brengen sie en gaf den geest. Omtrint twie uren lach si in desen termijn ende arbeide om dat salighe eende, DV 187 v.; den geest geven moet hier beteekenen bewusteloos worden; termijn = stuip, toeval; vgl. Mnl. Wdb. onder termijn 6.

testelicheit; Coll. Cl. v.E., blz. 259: die hem binnen die irste vijf iaer geven tot testelicheit ende tot verweentheit, daer sal seelden wat goets van werden. Dit woord zal beteekenen kieschkeurigheid, het niet-gauw-tevreden-zijn; in de Etym. Aanteekeningen van W. de Vries, Ts. 41, blz. 193, vindt men onder tessel genoemd téstĕlĕk = kieschkeurig (Staphorst; Driem. Bl. 6, 91); aldaar ook de verdere verwanten van dit woord.

timmeringe; G 12 a: dat fondement van oere geesteliker timmeringe, term der dev.; vgl. De Man 29 en Mnl. Wdb. onder timmer 1.

enen ... toe sijn; G 10 b: ende want si hem aldus ... guederhande toe was; dezelfde uitdrukking G 140 b.

toedubben; DV 102 v.: ende daer was sie die vorrenste ... die gravene toe graven ende die sommeghe toe te dubben; zie Mnl. Wdb. i.v. dubben.

toelipen; G 62 b: sie leep hem (d.i. een man, die in de kerk naar de zuster kijkt) lelike toe, d.i. zij trok een leelijk gezicht tegen hem, keek hem boos aan; vgl. Mnl. Wdb. onder lipen en Ndl. Wdb. onder lijpen 2; 't werkwoord heeft zich hier aangesloten bij de ij-klasse. Lb. geeft to-lipen = ein schiefes Maul gegen jem. machen.

toeneilijcheit komt naast toeneigelijcheit voor, G 20 d; de verbetering, in 't Mnl. Wdb. onder toeneigelijcheit bij één der vbb. aangebracht, is onnoodig; vgl. de noot bij corrieren.

[p. 142]

toeneigen; G 121 b: .... bewees oer alsoe dancbaer ende vriendelick, alsof si hem dat herte wal weder toegeneyget hadde; vgl. hierbij Mnl. Wdb. onder toeneigen en toenigen over een mogelijk trans toeneigen.

toeseggen; een zuster was zeer ‘medelidende op diegene, die wat toeseggens inder natueren hadden’, G 121 a; dezelfde uitdrukking G 81 c. In de uitgave van De Man heb ik vertaald: die krachtens haar natuur wat aanspraak op een toegeeflijke behandeling konden doen gelden (vgl. Mnl. Wdb. i.v. toeseggen, znw. 3). Het verband - zie bijv. 81 c: of die anders zieclick of weeclick weren - pleit, dunkt me, voor die opvatting. - Een andere beteekenis van toeseggen hebben we G 27 b: sie weeren .... niet berichtende noch toeseggende tot die ordynieringe oere oversten, d.i. aanmerkingen makende op; vgl. Mnl. Wdb. onder toeseggen, znw. 2. Een subst. toeseggen = recht van medespreken vindt men G 81 d: alsof si daer temale gien toeseggen toe gehad en hadde.

toewisen; (si) plach (die jonge zusteren) mynlike toe te wisen, ende stuerde si terechte1) ...., G 44 d. Toewisen = terechtwijzen, wegwijs maken; vgl. voor toe = terecht toemaken, toereiden.

toonachtig; G 135 a: (si huede oer) van toenachtigen ende vermetelen woerden, d.i. woorden van ophef en grootspraak, laatdunkende woorden. Het Mnl. Wdb. heeft een vb. uit D 38 b, dat ook DV 138 v. voorkomt. Ook vermetel is zeldzaam in het Mnl.

tosen; die siele keret reyn ende ongetoest tot Gode ende tot godliken dinghen, Coll. Brugman 152. Het woord hoort bij tosen = uithalen, pluizen, waarvan het Mnl. Wdb. één vb. geeft. Hierboven vertale men: niet in de war gebracht, niet vertroebeld door wereldsche indrukken, onbesmet. Zie verder het hiervoor aangehaalde artikel van W. de Vries onder dial. toes.

tredelinc; dit woord, waarvan het Mnl. Wdb. één vb. geeft uit Ruusbroec, in letterlijk gebruik (klein steentje in den schoen),

[p. 143]

dient bij de devoten om den ootmoedigen, lijdzamen mensch zinnebeeldig voor te stellen; G 20 c: dat si noch omme Sinen willen een tredelync werden mochte1). Tot recht begrip haal ik aan uit Coll. Brugm. 110: Weest als wormen ende pyeren der eerden, want als wi si treden onder onse voeten, soe cruypen si ineen ende en wrekens niet; en Gerl. Peters 219: ende onder allen voeten der menschen wandert hi in der herten. Verder zie men De Man 47, noot a, Coll. Brinck. 140.

trouwelike; in het werkhuis placht een zuster ‘alsoe guet doeck te maken, datment oer plach laten te wercken, datmen geerne trouwelike gemaket hadde’, G 107 a; d.i. met zorg, nauwkeurig; vgl. Mnl. Wdb. onder getrouwelike 2.

tuchtigen; Coll. Brugm. 139: men vint in al den scriftueren hoe dat die grote coningen .... hoer kinder plegen .... te tuychtigen ende te leren in eerbarighen sedebarheit, hoedat si hem hebben solden in hoeren seden ende gelaet .... opdat si overmits der tuycticheit ende sedebaerheit hoere kinder bekant werden over al die werelt; en dezelfde Coll. 140: soe heeft hi (= God) ons geset vijf tuychtmeesters .... nu tot deser tijt soe tuychticht ons die heilige apostel Paulus mitten woerden ....: Neemt, tast toe ende etet; 141: .... soe hoert ons toe, dat wi mit alre tuychtiger sedebaerheit toetasten. Tuchtigen = opvoeden, zedelijk leiden, is in 't Mnl. nog niet opgeteekend, zie Mnl. Wdb. i.v.; tuchtmeester, tuchtich en tuchticheit zijn zeldzaam; vgl. Mnl. Wdb. en Gal. 3: 24-25, Hosea 5:2. Sedebaerheit = zedigheid, ingetogenheid is in 't Mnl. evenmin opgeteekend, zie Mnl. Wdb.; deze collatie geeft het eenige malen; eerbarig komt weinig voor.

geturbeert; DV 31 r.: die canocke ende die ghelerde lude van deventer (weren) op die leke susteren turbiert (omdat ze sommige ‘dussche boke’ hadden), d.i. boos op; vgl. Mnl. Wdb. onder turberen en geturbeert.

[p. 144]

twiegeslagen (twieslaen); Biogr. 137 r.: Ist sake dattu beschuldicht werdest van eniger sunde, tehants slae mede toe ende vestige dat, .... ende alsoe werdestu twiegeslagen; voor twie = tweemaal en de samenstellingen daarmee, zie Mnl. Wdb. onder twie; vgl. verder: eens of twige, Andr. Ys. 207. Voorbeelden van drie = driemaal trof ik aan Biogr. 166 r.: dat hi ‘Profectus des jaers twie of drie aver wolde leesen en 203 r.: hij had hem wal twie of drie enen peninck gegeven; Lb.: drei, drige = dreimal.

utegroeven; D 68 a: enen seelt .... myt den werken der apostelen ende der propheten uut gegroeft; zie Mnl. Wdb. utegraven 3.

utenemelijc; Andr. Ys. 206: den werliken luden was sie mynlic .... ende niet uutnemelic van persoenen, d.i. onderscheid makend, den een boven den ander bevoorrechtend; vgl. Mnl. Wdb. i.v. utenemen tr. 2 (personen utenemen). Daarbij het deelw. bijv. nw. utenemende G 84 b: ende hier en was si niet uutnemende in in den persoenen, mer si was den enen als den anderen; vgl. Coloss. 3:25.

utepuren; G 102 a: (si plach) den hof .... door te graven ende te messen, opdat overal die oncrude uutgepuert ende gewiedet worden; utepuren = uittrekken; vgl. Ten Doornk. Koolm. i.v. puren en Mnl. Wdb. onder puren = reuren. Het werkw, zou ook bij puren = zuiveren kunnen hooren; vgl. Mnl. utereinigen, utesuveren (bv. dat ruet, zie Mnl. Wdb. onder utesuveren); even verder in G (102 b) wordt gesproken over ‘die onpuerheiden, die si in oer vant’.

utestortinge = verkwisting vindt men Maria Leg. II, 149: doe hem sine iaerlixe rente niet ghenoch en waren nae sijnre mylder uutstortinge.

uteverscheiden; Mnl. Leg. en Ex. 25: ende daerom was hie (de monnik bij lekker, vorig art., genoemd) overvloedelike sorchvoldich in die spise uut te verscheiden; d.i. uit te zoeken, hij is kieschkeurig. 't Mnl. Wdb. geeft één vb., dat hiermee niet geheel op één lijn staat; vgl. daarbij verscheiden I tr. B v.

[p. 145]

utevlietenheit; Gerl. Peters 228: in ongemetenre uutvlietenheit; aldaar 223 de bijv. nw. utevlietende (zie Mnl. Wdb.) en invlietende.

utewesen over; Coll. Cl. v.E. 42 v.: Daer sulle wi over uyt wesen, dat wi in mynnen ende in vreden mogen leven; vgl. Mnl. Wdb.: utewesen omme en op.

varkendrec; G 57 d: ende haelde den verkendreck bi der straeten .... als men die gemyene cleder solde wasschen. Over varkensdrek als waschmiddel zie De Man 112, noot a.

varkenstert; G 109 b.

vasten tot vasteliker spisen (zie Mnl. Wdb. i.v. vastelijc) vindt men G 7 a; vgl. daarbij Coll. Cl. v.E. 376, vasten toe brode.

even vele sijn; 't Mnl. Wdb. geeft één vb. uit D; daarbij, ook uit D: (si) was hoer seer vele myt leckere cost, 120 d.

verbedden; G 59 a: verbedden .... ofte te rechte leggen; zie Mnl. Wdb. i.v.

verbeeldinge; zie fantasie en De Man 123, noot a.

verbeteren; vergoeden; verminderen; Andr. Ys. 214: mer hoerde sie wat dat niet guet en was, dat konde sie seer wal verbeteren mit gueden woerden; Coll. Brugm. 111: die prokeratersche sal sijn een vredemakersse (ontbr. in Mnl. Wdb.) tusschen die moeder ende die susteren ende si sal al dinc verbeteren ende vergueden; G 17 a eveneens: die dinge vergueden ende verbeteren. Deze werkw. zijn synoniemen en laten zich in 't algemeen weergeven door: ten beste uitleggen, vergoelijken; vgl. G 85 b: vergueden .... ende eens anders myeninge ontschuldigen. Soms kan men vergueden vertalen door verzoenend optreden; G 114 c: Sij was seer verguedende ende int myddel sprekende tusschen onsen vader ende den zusteren; daarbij ook G 54 a: die dijnge vergueden ende totten vrede spreken en vgl. het vb. hierboven uit de Coll.. Lb. geeft vorguden = gütlich beilegen. Een enkele maal volgt op vergoeden een uitdr. als ten besten trecken; G 28 b: vergueden ende t.b. tr. (vgl. Mnl. Wdb. I, 1092: int beste slaen); 79 a: die dijnge verg. ende op dat beste vercallen; G 56 b. Daarmee valt weer

[p. 146]

te vergelijken D 142 a: alle dinck int guede (te) nemen ende ten besten (te) trecken; tegenovergestelde uitdr. zijn op dat ergeste vercallen (eens anders gebreke; zie G 87 d-88 a) en (een anders bedrijf) ten quaetsten trecken, 104 c. Ook verminderen komt voor in de beteekenis van verzachten, vergoelijken; men zie, behalve de Teuth. en Plant. G 89 d: .... soe datmen nummermeer en hoerde dat si yemende vermynrede (d.i. kwaadsprak van) achter synen rugge, al hadde hi oeren persoen oeck merckelike gedrucket; mer dat plach si altoes te vermynren; ook G 144 a. Bij het eerste verminderen uit dit citaat (ook G 19 b en 129 b vindt men het in de beteekenis van kwaadspreken) hoort het subst. verminderinge = smaad; Gerl. Peters 209: hie (d.i. Christus) ontfenck voer sine mynne weder van den menschen schande ende laster ende vermynrynghe; vgl. Mnl. vercleininge.

verbiechten; G 15 a: dien wolde si .... al oer oelde leven verbichten.

verbliven; G Dc: ende omme deser zake verblive wi dat wi niet toe en nemen in doechden; d.i. blijven wij uit, bereiken wij niet; vgl. Lb.: vorbliven = aus-, unterbleiben en Mnl. Wdb. onder verbliven 4.

verdragende; G 2 c: Si was .... verdragende ende niet berichtelick, d.i. verdraagzaam; vgl. Mnl. Wdb. i.v. verdrachlijc.

verglidinge; G 128 b: want als si yet sach of hoerde .... daer enyge verglydinge onser gueder gewoenten in scheen gelegen te wesen; d.i. achteruitgang, inzinking (het langzaam wegglijden, verschuiven in verkeerde richting); vgl. Coll. Cl. v.E. 81 v.: als die goede gewonten vergleeden sijn; Biogr. 116 v., 166 v.; Lb.: vorgliden = moralisch sinken, auf Abwege geraten en Mnl. Wdb. i.v.

vergoeden; zie verbeteren.

verleidster; Biogr. 153 v.: ledicheit is ene verleidester der zielen.

vermakelijc; DV 242 r.: soe plach sie hoer bijtijden vermackelick toe tijren opdat men solde mienen dat sie ghebreck

[p. 147]

in hoer hovet hadde (D 55 c: dat men mienen solde dat sie niet wijs en weer; zie verder aldaar en vgl. bij pellendorne, vorig art.). Vermakelijc heeft zich hier over de beteekenis van ‘geschikt om iemand te amuseeren’ (in 't Mnl. niet opgeteekend, zie Mnl. Wdb. i.v.) heen ontwikkeld tot belachelijk, zot. De heele uitdrukking is weer te geven door zich dwaas aanstellen, mal doen, vgl. Friesch mâltier(g)je = dolle, onwijze pret maken, zich als een zot aanstellen en Molema i.v. maltieren.

verminderen, verminderinge; zie verbeteren.

veronraden (- igen); zie profijtich.

versament; zie bij enicheit en vgl. Mnl. Wdb. onder versamenen I, trans., B I.

versien; Maria Leg. I, 329: Ghi weet wel lieve heer, dat ic u langhe ghedient heb ende ghi en hebt mi noch nye gheloent. Nu begheeric dat ghi dat an minen kinde wilt versien. Mag men hier iet an enen versien opvatten als iemand iets vergelden, iemand ergens voor beloonen, wat m.i. de meest voor de hand liggende opvatting is, dan hebben we hier het werkw. versien uit de Teuth., dat in 't Mnl. Wdb. onder versien, Aanm. I, genoemd wordt.

versprec; G 42 d: Ende doe leden si noch weder soe groet verspreck ende moynisse vanden luyden. Versprec = hoon; vgl. Mnl. Wdb. i.v. verspreken, trans. B 2 en versprekinge.

verstandich; Coll. Brugm. 122: den verstendigen is licht genoech geseecht; zie Stoett, Ndl. Sprkw. onder verstaander.

verwijtachtich; G 135 b: verwijtachtige woerde; vgl. verwitelijc.

vesperstuc; DV 370 v.: een zuster, ‘arm van boecken’, heeft o.a. ‘een onnosel vesperstucke’; d.i. dat deel van een ‘getideboec’, waarin de gebeden en gezangen voor den vesperdienst staan; vgl. voor de vorming somerstuc en zie Mnl. Wdb. i.v. diurnael, den eersten daar gegeven zin.

vestiaria = clederwaerster vindt men herhaaldelijk in geschriften over zusterhuizen en kloosters; zie D 84 b, 127 c, DV 188 r. en v. en vgl. Mnl. Wdb. onder vesteriemaerte.

[p. 148]

vijf; G 23 d: ende bi oeren tijden ... plegen die hoefdoeke soe oetmodich ende grof te wesen, dat die suverlixsten ende cleynsten gewracht weren uuten vyven ende die groefsten uuten vyftenhalven. We hebben hier technische termen uit de weefindustrie. Bij het ‘werken uuten vyven’ zal wel de stof ontstaan, die nog als vijfschaft bekend is (zie bijv. Gallée, Molema en Fr. Wdb. i.v.), zoo genoemd naar de 5 schachten of kamhouten, die voor de vervaardiging noodig zijn; ook de term uuten vyftenhalven schijnt bij huiswevers nog wel bekend te zijn; een poging van dien kant om mij (schriftelijk) uitleg te geven, heeft schipbreuk geleden, misschien niet alleen op mijn gebrek aan technische kennis.

vleesch; leven inden vleysche; een Ave Maria lesen inden vleysche vindt men Maria Leg. I, 397; de eerste uitdr. ook Moll, Brugman I, 307; d.i. lichamelijk, in het aardsche leven; vgl. Mnl. Wdb. i.v. vleesch 3 en onder vleeschelike 1, corporaliter.

voere; G 38 d: doe wonnen die zusteren noch derde werve kaeren ende vuer (daarvoor 38 a: wagene ende kaeren); voere = voertuig, wagen haalt het Mnl. Wdb. onder voere II aan uit de Teuth.

voredeel; voor den term der dev. voredeel doen in (G 132b: in deser officien was si soe doegentlick .... dat si daer oec vordel in dede) en verwante uitdrukkingen zie De Man 116, noot c en vgl. G 69 c.

vorelopende; bij vorelopende gracie, Mnl. Wdb. i.v. vorelopen, vergelijke men G 95 b en de daarbij behoorende aant., De Man 171.

vorecomen; G 142 d: mer alsoe pijnde si oer joncheit voer te comen mit oelden ende rijpen zeden, d.i. voorbijkomen, voorbijstreven; vgl. Lb. i.v. vorkomen.

vortsettinge = lof, eer, synoniem van verheffinge, vindt men G 29 c: dat si op giene verheffinge of voertsettinge en achten; vgl. vortsetten (ook in verbinding met verheffen) G 24 a en 24 b; G 98 b = ophemelen, in de hoogte steken. Hierbij

[p. 149]

is misschien ook te brengen het vb., dat Verdam aanhaalt uit Blome d. doochd. 40.

vragen; een paar duidelijke vbb. van niet vragen na = zich niet bekommeren om, niet geven om zijn te vinden G 35 b: dat si .... nae gienen smeyken noch dreygen en schenen te vragen, en 126 b; vgl. Mnl. Wdb. onder vragen, kol. 1234.

vredemakerse; zie verbeteren.

vri; vriheit; vri tot enen sijn gebruiken de devoten meermalen in de beteekenis: geen plichtplegingen tegen iemand gebruiken, hem gerust, zonder complimenten durven aanpakken. De zusters streven er naar zich zoo ootmoedig en nederig te gedragen, dat men ‘vrij’ tegen haar durft zijn: de ‘bichter’ van zuster Nyese, die ‘vry tot oer was’, beveelt haar onder de aanrechtbank te kruipen, waar de kat eet, en daar haar maaltijd te gebruiken (G 122 a); ‘here Egbert’ is zoo ‘vrij’ tot de zusters van 't Lammenhuis te Deventer, dat hij ze uit de keuken haalt, als ze niet gauw komen (Andr. Ys. 197). Het is duidelijk dat vrijmoedig, gemeenzaam hier een minder juiste vertaling is. Een geheel onjuiste verklaring geeft de uitgever van D eenige malen. Voorbeelden van dit vri en vriheit vindt men G 20 d, 54 d, 81 a; D 6 c, 6 d, 56 a, 110 c, 154 b.

vrucht doen in is een synoniem van vordel doen in; zie G 3 c en Biogr. 120 r.

weder; Andr. Ys. 199: ende daeromme setten sie sie of ende satten moeder Andries weder ant regement des huuses; D 160 d: ende suster lijzabet tayen waert weder in hoer stede priorynne gecaren. De beteekenis is hier niet opnieuw, want beide zusters bekleeden hier voor het eerst het ambt dat haar wordt opgedragen. Het is het voegw. bijwoord, dat terugslaat op een voorafgaanden zin en oorspronkelijk tegenstellende kracht heeft; vgl. de een zei dit, de ander weer dat. Hierboven is het woord weer te geven door daarvoor, voor haar in de plaats; vaak kan 't onvertaald blijven, zoo in 't 2de vb. hierboven (in verband met in hoer stede); vgl. ook G 15 a en 111 a (lat. rursus, gr. αὖ).

[p. 150]

wederroepen; Biogr. 221 v.: dicwile waert hij wederropen ende bestraffet van here Florens om sinre zwaerheit wille. Wederroepen = berispen; vgl. wederschelden, wederspreken in Mnl. Wdb.

 

De verdere woorden en uitdrukkingen die onder de w thuis hooren, kunnen misschien in het Mnl. Wdb. dat tot weigerlike is gevorderd, worden verwerkt. Hier volgen tot slot nog enkele aanvullingen op mijn twee vorige artikelen.

aenhangen; voor den veelgebruikten term der devoten onsen lieven Heren aenhangen zie De Man 224, noot a.

aker; die vercken int aker (te) senden, D 42 a; aker = eikenbosch volgens Gallée, Tijdspiegel 1887 I, 499. Verdere bewijsplaatsen noemt hij niet.

bedeggenen; mer doe die moeder sach dat sie dat kint niet bedeggenen en konde noch synen syn verwandelen, doe nam sie se beide mee, Andr. Ys. 190. Het kind is hier A. Ys., die mee wil als haar moeder een harer zusters naar 't ‘Lammenhuus’ te Deventer gaat brengen. In bedeggenen (bedegenen?) zie ik een bijvorm van bedegedingen, bededingen, waarin het bekende dagedinc, dadinc zit; zie Mnl. Wdb. en Teuth.: dadinge (syn dedyng of oeverdracht), tractatus. Ook Lb. kent bedegedingen; een vorm degenen geeft Molema; dägen uit dädigen Ten Doornk. Koolm.. Enen bedeggenen zal dan moeten beteekenen een vergelijk met hem treffen, hem bepraten, hem omkoopen (‘sie smeikede mit hoer ende woldet hoer ofcoepen mit gelde’, A. Ys. 190); zie ook Ndl. Wdb. onder dadigen.

berechtelijc; G 19 b: ende als hi dat hoerde, soe berichte hi sie al strackelick dat sie soe berichtelick weer; ook 2 c; berechtelijc = geneigd tot aanmerkingen maken, bedilziek.

beschreielijc: ...ny soe beschreilicken doede begraven waert, als hie was (zie A.A.U. 180). 't Mnl. Wdb. geeft het woord, zonder vb., weer door betreurenswaardig; vgl. ook Ndl. Wdb. (den beschreielijcken oorloogh. enz.; geen vbb. met een persoonsnaam); naar Lat. flebilis?

[p. 151]

bewegelijc; bij de vroeger gegeven plaatsen voeg ik nog D 187 d: een alten bewegeliken cruysfix; dat tot godsdienstige overdenking (van Jezus' lijden) brengt; vgl. ook nog het subst. beweginge, G 92 b.

borst in de abstracte beteekenis van gemoed vindt men Coll. Brugm. 118 en 120: vrede der borst of der consciencien.

brant; dese guede suster fye was te male een vurich brant, D 146 d. Voor brant, vurich brant en verwante mystieke termen zie men o.a. De Man 157, noot c, D 283, Moll Johs Brugman II, 420 en vgl. Mnl. Wdb. i.v. brant I aan 't slot.

brootsaet; ende sunderlinge verbrande al hoer broetzaet (bij een brand van 't klooster te Diepenveen), Biogr. 201 v. Onder saet 4 geeft 't Mnl. Wdb. als beteekenissen het te velde staande of ook gemaaide graan, het gezaaide. Daarbij dient nog te komen het gedorschte graan, koren; vgl. o.a. de Teuth., Molema i.v. zoat; ook Biogr. 202 r. en D 9 b. Brootsaet is dus 't koren, bestemd om er brood van te bakken, broodkoren; meer in 't bijzonder rogge? In deze passage van de Biogr. blijkbaar wel, zie 202 r. aldaar en vgl. ook Ndl. Wdb. i.v. broodkoren en Molema. De Teuth. verklaart brootcorn, eerste art., = frumentum, large alreley broytkorn, sed strick (lees stricte) weytcorn (zie ook de volgende art. aldaar); vgl. verder D 9 b: want onse lieve Here oeckte dat saet dat wy noch beholden hadden, beyde weyte ende rogge.

broot; ende suster griete en wolde den hongerigen dat broet niet uut den monde nemen, D 99 d; vgl. voor de zegswijze en de verschillende beteekenissen Ndl. Wdb. III, I, kol. 15481).

broot slaen; soe plach sie geerne te helpen totten ghemeenen wercke, als broet te slaene, A. Ys. 200. Wordt hier bedoeld brooddeeg bereiden? Of dorschen?

brosen; ... soe werden wi gesterckt in den crachten onser sielen, die welke gebroest ende ghekrenckt sijn overmits der sunden, Coll. Brugm. 145. Dit werkw., toch wel een afleiding

[p. 152]

van broos, is mij niet van elders bekend; alleen De Jager, Freq I, 45 verwijst onder brozelen naar een werkw. brosen bij Adelung.

cellebroeder; aan Geert de Groote wordt te Munnikhuizen ‘ene celle gedaen’; hi was een guet cellebruder in bewaeringe sijns herten ende sijnre tongen, Biogr. 113 v.; vgl. 't Mnl. Wdb. dat het woord in een andere beteekenis geeft.

doen; sie .... wolde daer geen doen medde hebben (nl. met kleine kinderen, die graag met haar wilden spelen), A. Ys. 193. De beteekenis is: niet te maken willen hebben met; vgl. ons ‘gedoente’, Friesch gedoch: ik wol der gjin gedoch mei ha.

dricast; ik kom op dit woord (dricast vol) terug, omdat mij van twee kanten eenzelfde conjectuur aan de hand gedaan werd, die mij wel vermeldenswaard lijkt. Moet hier gedacht worden aan een triptiek, in 't bijzonder aan de als een kast dichtgeslagen triptiek, die in zooverre vol mag worden genoemd, dat er niets (meer) in kan? Een bezwaar is dat als vertaling van triptiek alleen drieluik in gebruik is, trouwens een jong Vlaamsch woord dat in Nederland weinig gehoord wordt. Het Ndl. Wdb. noemt het met één vb. erbij, zonder verdere verwijzingen. Noch het Mnl. Wdb., noch Kiliaan vermelden het. Mocht de gissing juist zijn, dan kunnen de in de Teuth. gegeven bijv. nw. driekestich en tweekestich afgeleid zijn van driekast = triptiek en tweekast = diptiek.

In zijn inleiding op de Teuth., blz. XIV, noemt Verdam onder de woorden, waarvan vorm of beteekenis niet of niet geheel duidelijk zijn, ook kestich. Als vertaling staat achter kestich verstickt. Kan de bedoeling zijn muf, bedompt? De Voc. Rerum geeft kastich = rancidus. Ik zou dan willen denken aan den geur, die iemand tegemoet komt uit een kast, of vertrek, dat lang gesloten is geweest; vgl. ook nog Teuth. versticken, waar verwezen wordt naar verdompen.

eestenhaer; ende doe nam si al heimelike een stickken van een eesten haer ende neydet binnen in haer hemde, A. Ys. 193. Een eeste is een droogoven (‘dair men malt op

[p. 153]

droeget’, Teuth.); een haer kan zijn een haren doek, weefsel ‘opten eest, malt op te drogen’ (zie Mnl. Wdb. onder haer en haerdoec). De zuster gebruikt dus om ‘pentencie te doene’ een stukje van een eestkleed, waarschijnlijk van paardenhaar gemaakt (zie Ndl. Wdb. III onder eest, kol. 3933).

eetmes; D 75 c: doe sneden sie die ledder myt horen etemesse ontwie; vgl. Ndl. Wdb. i.v.

faliebegine komt voor D 145 a; opheldering geeft de aant. bij die plaats.

gratielicht; Biogr. 119 v.: Onse lieve Here gaf hem gracie licht overmides dat gebet; de uitgever wijst op D 11 r.: dat .... licht der godliker gracien.

hebbelyc; ten iersten sullen wi toetasten mit druck der penitencien ende dese penitencie is tweeerleye: die een is een werclike penitencie, ende dese sal cort ende bescheiden wesen, licht ende henegaende, als u pater seecht: leest dat of duet dat. Die ander is een hebbelike penitencie ende dese sal altoes duerende wesen, dat is een stedige wemoedighe overdencken der sunden; Coll. Brugm. 141. Henengaend is hier het tegengestelde van altoesduerende en is weer te geven door voorbijgaand, niet blijvend. De hebbelike penitencie is niet alleen blijvend, maar ook inniger dan de werclike; zij openbaart zich in het blijvend berouwvolle gemoed van den zondaar, zij is het tot natuur geworden bewustzijn van een zondaar te zijn; zie uitvoerig over dit woord hebbelijk Ndl. Wdb. i.v. (I B). Werclike penitencie is de penitencie die zich openbaart in een bepaalde daad, boetedoening voor een begane zonde.

het met enen houden = aan iemands zijde staan vindt men D 129 a; vgl. Mnl. Wdb. i.v. houden III, 4 b.

hemelsleutel = sleutelbloem, primula veris; zie 70 d en de aant.

hostiënbroot; D 89 d: ende sie plach ostien broet to backen.

kersesteen; A. Ys. 197: een doesken met kersen stienen.

coesuster; D 100 a: suster griete kerstkens dat ene koesuster was; vgl. De Man, Inl. XLI.

[p. 154]

coorstemme; D 101 c: sie (een zuster die onzuiver zingt) hadde gene guede choer stemme.

coorsuster = non, tegenover conversin, komt in D meermalen voor: 152 a, 152 d, 159 d; vgl. Kühler 84 en D blz. 32, aant. b.

cort ende cleyn; het (nl. iemands bezit) sal u cort ende cleyn genoech vallen, D 169 d. Een profetie van Brinkerink die uitkwam, staat even verder, ‘want al hoer guet ontgenc hem.’

cost; .... nae al dien guede, die si daer aen te coste geleecht hevet; Coll. Brugm. 152.

cruce; enen dat heilige cruce naslaen, in de beteekenis die het tegenwoordig spraakgebruik daaraan hecht, vindt men D 181 a.

leerlijc; onderwijslijc; A. Ys. 204: sie was hem seer leerlic ende onderwijselic.

nonnencoor; D 173 c; vgl. D blz. 32, aant. b.

officienhuus = werkgebouw, werkkamer, D 61 d.

ommekeren; de Heilige Geest vermaant ons ‘guede ende godlike dinghen stedelike in der memorien om te keren ende daermede becommert te sijn’, Coll. Brugm. 157; ook D 121 a. Ommekeren = overdenken, bepeinzen; revolvere.

onbesorgt; D 107 a: elsebe .... was van XII yaren ende noch onbesorget. Haar moeder is bang dat ze voor haar man zal sterven en elsebe dan niet ‘soe wal besorget en solde warden’. Daarom is ze ‘seer vlijtich’ een passend echtgenoot voor Elsebe te zoeken. Onbesorgt verklaart de uitgever door niet de noodige zorg of bescherming genietend; in verband met het feit dat beide ouders nog leven - en zie ook noch hierboven -, is deze verklaring niet erg bevredigend. De beteekenis moet hier wel zijn niet verbonden aan een (aanstaanden) echtgenoot; vgl. Hooft, N.H. 268: Ick soudse geern by mijn leven met een man besorghen. De moeder is dus bang dat de vader, indien zij eerst mocht sterven, niet zoo'n passende partij voor E. zal vinden; vgl. ook Friesch bisoarge = bezorgd, geborgen, onder dak.

[p. 155]

onlekker; die natuer mit cleynen ende onleckeren eten best onthouden wort, Coll. Brink. 149; vgl. Ndl. Wdb. i.v.

onvergeldelijc; Coll. Brugm. 153: een onvergheldelic guet; d.i. niet te vergelden; zie Ndl. Wdb. i.v.

overhebben = over zich hebben als bedekking tijdens den slaap (vgl. aanhebben, omhebben, ophebben) vindt men D 99 b: nochtans hadde sie myn over dan suster lijsebet; D 99 a: niet voel des nachtes over (te) hebben; vgl. ook 99 a: des avendes .... nam een yegelic mede dat sie hadden om over te decken. In 't Friesch is oerhabbe zeer gebruikelijk.

 

Amsterdam.

a.a. verdenius.